Verdunnen of uitvergroten?

In de debuutroman van Dave Eggers, Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit (E.H.V.V.D.G., uitg. Lebowski, 2000) solliciteert de hoofdpersoon bij een Amerikaans televisiestation. Op een gegeven moment wordt hem gevraagd waarom hij eigenlijk is gekomen. Het antwoord luidt: ‘Ik wil dat jij mijn lijden deelt.’ Hij heeft het idee dat het lijden daardoor zal verdunnen. Terwijl de vragensteller denkt dat juist het tegendeel gebeurt: ‘Dat je het uitvergroot door het te delen.’ Zij legt uit, dat je zelf dan weliswaar van het leed wordt verlost, maar dat je er op die manier wel voortdurend aan wordt herinnerd en niet meer aan kunt ontsnappen.
Een interessante denkexperiment: zou één van twee gelijk hebben, hebben ze allebei een beetje het gelijk aan hun kant of geen van tweeën?

Ik neem de proef op de som aan de hand van een ander boek: de roman De pianostemmer (uitg. Wereldbibliotheek, 2008) van de Zwitserse schrijver Pascal Mercier en een metaalsculptuur van de Israëlische kunstenaar Eran Shakine (1962) dat momenteel te zien is in Ons’ Lieve Heer op Solder in Amsterdam.

Pascal Mercier
Merciers roman gaat (niet voor niets, zou ik haast willen zeggen) over een tweeling van een (ook niet voor niets) pianostemmer die zoekt naar harmonie (tussen verdunnen en uitvergroten?): Patrice en Patricia.
Aan de ene kant wil de tweeling zich ontdoen van een incestueus verleden, door hun verhaal in schoolschriftjes op te schrijven en daarna met elkaar te delen. Aan de andere kant beseffen zij dat juist door dit te doen, hun onderlinge band alleen maar sterker zal worden. De vraag die opdoemt, is wat dan wel de vrijheid op zal leveren waarnaar ze verlangen, waar iedereen naar hunkert.

Allerlei mogelijke oplossingen passeren de revue: zou zwijgen niet beter zijn? Het antwoord staat tussen haakjes (ook niet voor niets, want eerst is het nog maar de vraag of dit ‘de’ oplossing is): blikken zijn veelzeggender en nauwkeuriger dan woorden. Een eind verderop in het boek, wanneer het thema zwijgen wordt hernomen, lezen we: ‘Je kunt elkaar al zwijgend tot zo dicht naderen dat je gedachten en gevoelens die van de ander ten slotte raken. Er zit dan niets meer tussen.’
Het is de kleine, woordarme Paco die Patrice leert dat je eerbied moet hebben voor hetgeen je niet kent en zelf ervaart. Patrice overschrijdt in dat opzicht een grens, wanneer hij zegt dat hij de regen op de hand van zijn tweelingzus kan voelen, terwijl hij met zijn hand de druppels op zijn eigen arm aanraakt. Wanneer met andere woorden de druppels verdunnen ofwel verdampen, letterlijk en figuurlijk.
Maar dan valt tot sneeuw geworden regen, die niet verdampt maar blijft liggen. Daarin ligt lijkt mij het uiteindelijke antwoord van Mercier: aanvaardt wat is dat is, door het te laten gebeuren zonder het persé te willen delen, zonder het te laten overheersen. Met de sneeuw daalt een stilte neer van vóór het ontstaan van de taal en de klanken die de pianostemmer aan zijn instrumenten ontlokt. Er ontstaat afstand en er is de mogelijkheid tot ontsnappen. Is dat het bevrijdende gevoel waar Patrice en Patricia naar op zoek waren?

Eran Shakine
Dan de metaalsculptuur A Muslim, a Christian and a Jew van Eran Shakine dat t/m 13 oktober a.s. valt  te zien in Museum Ons’ Lieve Heer op Solder (foto Els van Swol).
We zien drie in plaats van twee figuren, haast als de bekende afbeelding van de evolutie van de mens; de meest rechtse heeft een gekromde rug. Zou dat een joodse rabbi zijn, gekromd door de vele Talmoed-studie, gebogen boven zijn boeken, zoals tieners boven hun i-phone nu al het gevaar lopen op een gekromde rug?

Er zit behoorlijk wat ruimte tussen de mannen in 19de-eeuwse kledij; ze raken elkaar niet letterlijk, maar lopen wel in een nagenoeg gelijke houding, hetgeen in de beeldende kunst altijd staat voor  empathie en verbondenheid. Ze hebben, net als Paco uit het boek van Mercier, eerbied voor elkaar. Paco leerde dat aan Patrice, zagen we hiervoor, Shakine lijkt dat aan ons te willen tonen. Nu is het aan ons om het in praktijk te brengen …

 

Blog verscheen eerder, in een andere vorm (minus Shakine, plus een ander boek) in Wervel-ingen (herfst 2013). Wordt hier met toestemming hernomen.

‘Muziek als mimiek van God’

Ik wist al dat de filosoof Jos Kessels (1948) van muziek hield en die ook praktiseerde; in de tijd dat ik secretaris was van het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB), bezochten de toenmalige voorzitter en ik hem thuis om hem over te halen een deel van een studiedag te verzorgen. Als ik het me goed herinner, deed hij zijn kralenspel met ons. Wat ik niet wist, was dat dit is gebaseerd op de tien sefirot van de Boom des Levens uit de Kabbala. Dat las ik in zijn dit jaar bij Boom verschenen Het welgetemperde gemoed (p. 83).

Jo Van Cauter
Volgens de achterflap vraagt Kessels zich in dit boek af, of je Bachs Das Wohltemperierte Klavier kunt zien ‘als een verzameling essays, zoals die van Montaigne? Als woordloze bespiegelingen over de tempering van het gemoed?’ Die zinnen vind je haast letterlijk terug in het boek (p. 64). Toen ik ze las, moest ik echter eerder aan Spinoza denken met diens ‘kennis van de passies als medicijn voor gemoedsrust’, om de titel van een essay van Jo Van Cauter aan te halen (in: Ethiek & Maatschappij, jrg. 12 nr. 4, p. 17-32). Een essay dat ik hier naast het boek van Kessels leg.

Kennisleer van Spinoza
Om te beginnen moet worden aangetekend, dat Kessels Spinoza nergens noemt en als uitgangspunt dan ook niet diens kennisleer neemt met de drie soorten kennis (verbeelding, ratio, intuïtie), maar een drieslag uit het Griekse denken: het ware, goede en schone (p. 127). In deze volgorde. Toch doet waar hij gaandeweg op uitkomt mij wel degelijk aan Spinoza denken. Niet alleen aan de soorten kennis zoals hij die in zijn Ethica beschrijft, maar ook aan de Ethica als geheel.

Das Wohltemperierte Klavier
Eerst de gang die Kessels door Das Wohltemperierte Klavier maakt. Hij ervaart ‘muziek primair als communicatie, een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’ (p. 63) en de bundel van Bach als ‘de ontwikkeling van een getemperd gemoed’ (p. 64), ‘enerzijds puur zintuiglijk, anderzijds diepzinnig en van een wiskundige schoonheid’ (p. 84) als beschreef hij de Ethica. Raak is een omschrijving als: ‘Muziek is geen expressie maar expositie; zij geeft niet de gemoedstoestand van een componist weer, maar zijn kennis ervan, zijn inzicht erin’ (p. 124-125).

Zo gaat het van prelude en fuga naar prelude en fuga, vierentwintig keer opnieuw, steeds verder en dieper. Of, zoals Kessels het op een gegeven moment benoemt: ‘In eerste instantie overstelpt door sensaties (…). Daarna (…) ontstond er een beeld van de structuur’ en tenslotte werd in de kern ‘het enige volledige leven blootgelegd’ (p. 193). Ik herken er de drie hiervoor genoemde kennissoorten van Spinoza in: verbeelding, ratio en intuïtie.

Zelfkennis
Zowel bij Spinoza als Kessels (en volgens hem ook Bach) draait het om zelfkennis, om een mensbeeld waarin wordt gezocht naar vrijheid en gemoedsrust (p. 20). Wanneer je, zoals Kessels, muziek als een vorm van communicatie ziet, als ‘een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’, dan heb je de scheidslijn tussen passieve affecten of passies en actieve affecten zoals Spinoza die onderscheidt al overschreden.

De ‘actieve affecten – ook wel handelingen van de geest genoemd – spelen bij Spinoza een belangrijke rol in het streven van de mens naar zoveel mogelijk autonomie, vrijheid en geluk’ (Van Cauter, p. 25). Via de adequate ideeën komt Spinoza bij ‘ware voorstellingen van onszelf en de wereld rondom ons’ (p. 26).

Het mysterie van overgave
Op het eind van het boek komt de auteur, die het rooms-katholieke geloof vaarwel zei, niet uit bij ‘de God van de filosofen en geleerden, maar op (…) het mysterie van overgave aan de bron’ (p. 232). Hij vraagt zich af, of dit ‘zoiets onpersoonlijks als de natuur is of eerder de hand van Iemand wiens beeld en gelijkenis ik draag?’ (p. 233). Hij, en wij zien in, dat dit ‘een fundamenteel verschil is’. De God of Natuur van Spinoza is niet een persoon, niet een Iemand. Toch blijkt waar Kessels uitkomt op waar Spinoza in zijn vijfde deel van de Ethica op uitkomt: geestkracht (stelling 1 t/m 13), God (stelling 14 t/m 20), de Geest (stelling 21 t/m 23) en tenslotte De Gelukzaligheid als Deugd zelf (stelling 42).

Conclusie
Ik ben dan ook benieuwd of Kessels hier ook zou zijn uitgekomen als hij de weg van Spinoza was afgelopen in plaats van die van het ware, goede en schone. Misschien bij wat emeritus-hoogleraar Akke van der Kooi in haar essay ‘Uit de nacht’ in een feestbundel voor collega Rinse Reeling Brouwer, die immers ook over Spinoza publiceerde, omschrijft als voorbij het onderscheid tussen Spinoza’s ‘God-substantie en de God van Abraham’ (Messiaanse exegese, uitg. KokBoekencentrum, 2019, p. 34). Wie zal het zeggen.

Dingen die breken

Bij lang niet elk van de vijftig kerkkunstwerken die gastcurator Hans den Hartog Jager uitkoos voor de tentoonstelling Vrijheid in Museum de Fundatie te Zwolle (nog t/m 12 mei a.s. te zien) is duidelijk wat het thema ‘vrijheid’ ermee van doen heeft.

Soms doemt een neventhema op dat meteen duidelijk is en volgt de rest, al overdenkend, later. Bijvoorbeeld bij twee verwante kunstwerken: Raw Footage (2006) van Aernout Mik en Bantar Gebang (2000) van Jeroen de Rijke en Willem de Rooy.
Het eerste toont op twee schermen naast elkaar filmbeelden uit de oorlog in voormalig Joegoslavië die te gewoontjes waren (!) om het nieuws te halen. De tweede laat het haast gewone leven zien, met rondscharrelde kippen, op een bewoonde vuilnisbelt bij zonsopkomst in Indonesië.

De overeenkomst zit in het feit dat beide kunstwerken, om de titel van een recente publicatie aan te halen, ‘Pijnlijk mooi’ zijn. Zeker op de manier waarmee Mik beide schermen op elkaar betrekt. Zeker ook in dat ene vuurvlammetje (dat behalve een herinnering aan de vernietiging ook helend kan zijn) dat oplicht te midden van alle grauwheid, iets dat doet denken aan dat ene kleuraccent op Kó (Showing Primary Colours in Kombai, 1995) van Roy Villevoye (zie foto Els van Swol), een ander kernkunstwerk.

Het is kunst die, nadat je thuis bent gekomen, dóór werkt en vragen stelt. De gangbare vragen, zoals: Mag en kun je genieten van een esthetische ervaring te midden van alle pijn en ellende die op je afkomt? Maar ook de vraag naar aanleiding van een constatering in Radna Fabias’ gedicht ‘Stille beschouwing (in het donker)’ in haar gelauwerde bundel Habitus (Uitgeverij De Arbeiderspers, 2018):

                De schoonheid van de slangenhuid is alleen waarneembaar voor hen die geen angst kennen
voor fallische vormen en serpenterende bewegingen

Want, meent ze

angst dempt schoonheid
dat werpt weer licht op waarom schoonheid schaars is

Ze concludeert – in een andere context, maar in dit verband even waar – dat

als ik zeg dat ik nooit de schoonheid van een slangenhuid zal begrijpen bedoel ik dat een
python me mag
wurgen en opslokken

Wat krijg je als je dit vertaalt naar de kunstwerken in de Fundatie? Precies:

een stille ruimte
waarin dingen breken

Dingen als Vrijheid! Dus toch, aan de vooravond van de Dodenherdenking en Bevrijdingsdag.
Toch is er denk ik meer: drukt dat kleine vuurtje niet óók tot hoop getransformeerde angst uit? Een vuurtje dat niet alles in lichte laaien zet, zoals de opgaande zon niet alles verzengt, maar een vuurtje om brandend te houden? Klein en bescheiden, gewoontjes haast.

Van aangezicht tot aangezicht

‘Tot rust kwam moeder op het moment dat onze huisarts haar hielp met sterven. Op een mooie avond in september, even na half 8 ’s avonds. De telefoon hadden we uitgezet. Ze vroeg om een glas water, dat vader haar gaf – een kleine herinnering aan het beroemde verhaal van George Orwell van een man die ter dood is veroordeeld en al lopend naar het schavot een waterplas ontwijkt. Vader wilde iets uit de bijbel lezen. Maar ik weigerde het, nogal fel. Ze lag op bed en lachte tegen de dokter. Met die lach om de mond is ze gestorven.

Wat Ida Gerhardt over haar – in dit geval – vader schreef, geldt ook voor mijn moeder:

Waar is mijn Vader? Is hij in het licht?
Hij lag verheerlijkt, toen hij was gestorven.
Z
ièt hij, van aangezicht tot aangezicht.’

Dit schreef ik in het boekje over mijn moeder, Ogen van mijn moeder. De ethicus Theo Boer, universitair docent ethiek en medische ethiek aan de Protestantse Theologische Universiteit (Groningen), zal het vast niet hebben gelezen. Hij houdt zich als lid van de [regionale] toelatingscommissie [euthanasie], zoals ik lees in een interview dat Maurice van Turnhout met hem had (in: Trouw, 31 december 2018), vooral bezig met dossiers.

Eerlijkheidshalve had ik dit interview overgeslagen – ik weet wel op welk, steeds hetzelfde aambeeld Boer al jaren lang slaat. Een vooroordeel, ik weet het, en in die zin vergelijkbaar met – maar, daar troost ik me mee, onschuldiger dan – de vooroordelen die hij bezigt.
De reactie van Agnes Wolbert (directeur van de Nederlandse Vereniging voor een Vrijwillig Levenseinde, NVVE) in Trouw van vandaag bracht me ertoe het alsnog te lezen. Zij wijst op Boers chargeren en het, vul ik aan, wetenschappelijk onverantwoorde gladde ijs waarop hij zich begeeft (beide omschrijvingen, chargeren en glad ijs, neemt hij zelf in de mond) of op de – vul ik ook maar weer aan – kwalijke, onzindelijke vergelijking van euthanasie ‘met de beslissingen in het stemhokje om in 1933 op Hitler te stemmen’. En de suggestie ‘dat euthanasie floreert bij een beddentekort in de Nederlandse ziekenhuizen’.

Ik zou wel eens willen weten hoe zoiets in het Duitsland anno nu – het land waar hij de helft van het jaar woont – valt. Maar misschien leggen ze de meningen van hem daar gewoon naast zich neer. Gelijk hebben ze, zolang Boer ‘zulke demoniserende en polariserende teksten nodig’ blijft hebben ‘in plaats van een open en eerlijke discussie te voeren’ (Wolbert).

Ook Boer komt – ik volg het artikel verder op de voet – met zijn moeder aangezet. Zij overleed op 90-jarige leeftijd en had ‘de handdoek niet in de ring’ gegooid, zoals hij het omschrijft. Ik moet denken aan een poëziekring, jaren en jaren geleden in de kerk. Hierin bespraken we een gedicht en de gespreksleider had het over ‘een cadeau dat je terug mag geven’. Het drong pas na enige momenten tot mij door, dat hij het over het leven had. Hij zei het moe en zachtjes en mede daardoor maakte het grote indruk.

En ja, Boer heeft toch ook naast zijn dossiers kans gezien een boek te lezen. Hij zegt alleen niet welk, wanneer hij op een gegeven moment met ‘de existentialistische denker Camus’ op de proppen komt. Maar laat Camus het nu niet over euthanasie hebben gehad, maar over zelfmoord; wetenschap is ook goed definiëren. En niet over autonomie maar over vrijheid, en dat was de levenshouding die hij bepleitte.

‘Goed sterven’, zegt Boer bijna tegen het eind, ‘dat is vrijwillig sterven’. De woordkeus is misleidend; ik heb van een van mijn eindredacteuren bij het tijdschrift Mens en melodie, ook jaren en jaren geleden, geleerd dat je onderscheid moet maken tussen ‘overlijden’ (passief) en ‘sterven’ (actief). Boers moeder deed het eerste, mijn moeder het tweede. Maar ik ontken hem het recht over dat tweede een (ethisch? wat heet) oordeel uit te spreken. Daarmee ‘schoffeert’ hij – aldus Wolbert – ‘niet alleen de voorstanders van het zelfgekozen levenseinde, maar ook de mensen (en hun naasten) die dankzij onze wetgeving op een waardige en weloverwogen wijze de regie konden hebben over hun overlijden’.

https://www.trouw.nl/samenleving/dilemma-s-in-de-zorg-moet-ik-straks-mijn-eigen-dood-regelen-~ab91d6e8/

Wat niet gezegd kan worden

Marga Minco krijgt de P.C. Hooft-prijs 2019 voor verhalend proza. Hieronder in verkorte vorm de inleiding op haar boek Nagelaten dagen zoals ik in 1997 voor een leesclub hield. Een van haar minder bekende boeken.

De schrijfster
Over de schrijfster zelf heb ik niet veel gezegd, want dat is genoegzaam bekend. In relatie tot Nagelaten dagen merkte ik op, dat zij in een interview met Hanneke Groenteman (november 1997) vertelde, dat ze haar boeken altijd het eerst aan haar dochter Jessica Voeten laat lezen. Nagelaten dagen is mede aan haar opgedragen.

Haar werk
Hiervoor gold hetzelfde. Ten aanzien van Nagelaten dagen vertelde ik, dat we daarin elementen tegenkomen uit Minco’s voorgaande werk, onder meer in een kernachtige zin als ‘Ik verliet mijn zuster en bleekte mijn haar’, waarin alles opgesloten ligt.

Nagelaten dagen
Marga Minco heeft zich in het eerder genoemde interview met Hanneke Groenteman uitgelaten over de totstandkoming van dit boek. Een interview dat wordt aangehaald in Joodse tradities in de literatuur van Daphne Meijer.
Het scharnierpunt van Nagelaten dagen is een autobiografisch gegeven: de ik-figuur ontvangt een brief van ene Miriam Weissenbach uit Jeruzalem. Zij bestudeert stambomen, waarna een bezoek aan Amsterdam volgt. Om dit gegeven heen weeft Minco twee andere thema’s, die allebei met haar zus Bettie hebben te maken:

  1. De ik-figuur gaat voor het zusje van haar zwager Hans, Eva Ruppin, naar een adres aan het Wedemerplein waar haar nooit teruggekeerde moeder de huisraad had ondergebracht bij zogenaamde bewariërs, de familie Stelerius, de buren van de moeder van Eva. Het Wedemerplein is uiteraard het Merwedeplein in Amsterdam, hoewel andere straatnamen in het boek, zoals het Kasteelplein te Breda, volgens de kaart wel degelijk echt zijn.
  2. Het andere thema betreft twee bezoeken die de ik-figuur brengt aan Eva in Santa Barbara (Californië). De eerste keer krijgt ze een fotoalbum mee, bestaande uit 23 bijeengehouden, losse bladen dat ze in 1942 voor haar zusje had gemaakt voor haar trouwdag. De tweede keer ligt Eva in het ziekenhuis met een gebroken heup en is ze dementerend. Ze krijgt de Japanse kom, het enige dat de bewariërs uit Eva’s nalatenschap hadden teruggegeven. Eva laat de kom in scherven op de grond vallen, een gegeven waarop ik nog terugkom.

Hiermee heeft Marga Minco symbolisch het eigenlijke thema van het boek aangesneden. Het is, volgens Daphne Meijer, bovendien een thema dat in al Minco’s werk terugkomt: ‘een sjaal, een theeservies, onbeduidende dingen hebben een bijzondere betekenis wanneer zij het enige zijn dat er nog herinnert aan vroeger’. Maar ze gaat verder: ‘Gaandeweg vermindert de wens om nog iets terug te kunnen krijgen: het heeft geen zin om het verlangen naar de personen die er niet meer zijn te projecteren op spullen of foto’s.

De opbouw van het boek wordt gekenmerkt door sterke parallellie, die telkens verbanden suggereren, hoewel er geen enkel contact bestaat.
De stijl is nog soberder dan in voorgaande boeken en de oorsprong van dit boek, een verhaal in Avenue. Het feit dat het bijvoorbeeld om een Japanse kom gaat, wordt niet uitgewerkt, terwijl er in het oorspronkelijke verhaal nog sprake is van een bruidsboeket dat uit Japanse bloesems bestaat, wat als een voorteken wordt gezien.

Recensies
Wat de recensies betreft, is het opvallend dat veel recensenten erop wijzen, dat (en ik citeer Onno Blom uit Trouw, 24 oktober 1997) ‘de vertrouwde elementen uit Minco’s werk in Nagelaten dagen nogal eens een halve of een hele slag zijn gedraaid. Zo heeft het Amsterdamse plein waar Bettie is opgepakt door de Duitsers (…) nu het Wedemerplein in plaats van Merwedeplein. Het lijkt een futiliteit, maar het is in wezen een van de subtiele tekens, die erop wijzen dat Minco een stapje van de werkelijkheid van Het bittere kruid af is gaan staan. Om de metafoor nogmaals te gebruiken: Marga Minco biedt geen afgeronde blik op de glanzend glazen kom van de tijd, maar op de vertekende en gebarsten scherven’.

Elsbeth Etty (NRC Handelsblad, 17 oktober 1997) citeert bladzijde 83 uit het boek: ‘Het was of de motor van mijn geheugen een slag werd teruggedraaid’, net als later het deksel van de vallende Japanse kom. Zij gaat ook in op de titel van het boek: ‘”De nagelaten dagen” van de titel zijn de dagen die door middel van het vergeten fotoalbum aan de schrijfster worden teruggegeven. Maar misschien zijn die dagen ook de dagen, bijvoorbeeld de vier in Californië, waarin de overlevenden nalaten gezamenlijk betekenis aan hun herinneringen te verlenen. Omdat zij het niet kunnen’.

De conclusie die Etty trekt (‘Nagelaten dagen brengt uitkomst noch troost. Wie het boek dichtslaat weet dat het nooit goed komt’) staat in schril contrast tot wat Doeschka Meijsing als duiding aan het geheel gaf (in Elsevier), waarin ze een stap verder gaat: ‘De deksel ligt intact op het ziekenhuiskastje. Tegen het licht gehouden vliegt een vogel, door het porselein zichtbaar, naar de vrijheid. Dit prachtige beeld, het hele boek voorbereid, behoeft geen duiding. Het vat alles samen wat niet gezegd kan worden’.

Dank u wel, Marga Minco, voor uw schitterende oeuvre – de P.C. Hooftprijs is méér dan verdiend.

De toekomst tegemoet

Dankzij de Rialto Filmclub was ik al in de gelegenheid om de tweede speelfilm van de van origine Poolse filmer Pawel Pawlikowski, bekend door Ida (2013) te zien. De inleiding van filmrecensent Laura van Zuylen zette mij op het thema van deze blog over de film Cold War, die in Cannes werd beloond. Een blog die na de film naadloos verder gaat over de tentoonstelling met werk van Shirin Neshat in GEM (Den Haag), die ik afgelopen week bezocht.

Cold War
De film gaat over twee personages: zangeres Zula (Joanna Kulig) en muzikant Wiktor (Tomasz Kot). Nee, eigenlijk over drie, want het volksliefje Dwa Serduszka kun je ook als personage zien. Het komt in verschillende gedaantes voor in deze zwartwitfilm: niet alleen als volksliedje, in een arrangement van rivaal Kaczmarek (Borys Szyc) met een door Wiktor ongeïnteresseerd gedirigeerd orkest, en tenslotte als sterk jazzarrangement in Parijs. De verschillende gedaantes van het volksliedje schuiven mee met de chronologie van het verhaal: in het Polen van pal na de Tweede Wereldoorlog, de tijd van de sterke arm van het communisme en het Parijse existentialisme van de vrijheid.

Je zou ook kunnen zeggen dat die arrangementen een uiting zijn van dialectiek: these (Pools volksliedje) – antithese (goed in het gehoor liggend arrangement tijdens het communisme) – synthese (Westerse jazz).
De twee hoofdpersonages, Zula en Wiktor, staan ook tegenover elkaar. Ze voelen zich zowel tot elkaar aangetrokken als stoten elkaar af. Pas in de laatste zin (spoiler alert!), heel terloops, lijkt het of er tot op zekere hoogte een bepaalde vorm van synthese in de verhouding tussen de twee plaatsvindt. Hoe, maakte een ander kunstwerk mij afgelopen week duidelijk.

Shirin Neshat
Namelijk de video-installatie Turbulent (1998) van de van origine Iraanse kunstenaar Shirin Neshat, die momenteel in het Haagse GEM valt te zien. Hierin staan ook een zangeres en een zanger tegenover elkaar. Als bezoeker zit je niet, zoals bij een film tegenover het doek, maar midden in de expositiezaal, tussen de twee schermen in. Op het ene zie je een man die voor een vol auditorium een traditionele ballade zingt. Op het andere scherm zie je een vrouw voor een lege zaal.
De mannen zijn gekleed in zwartwit (denk aan de film van Pawlikowski!), de vrouw zingt een eigen werk en vindt daarin, net als het jazzarrangement in het Parijs symboliseert, haar vrijheid.
Van een synthese is geen sprake, maar de boodschap van een andere video-installatie die Neshat een jaar later maakte, Rapture (1999), is duidelijk: de mannen zijn gevangen in de traditie (in deze installatie een gesloten fort), de vrouwen staan open voor het onbekende (gesymboliseerd door een boot die wegvaart).

In beide kunstwerken, de film Cold War van Pawlikowski en de video-installatie Turbulent van Neshat, speelt muziek een belangrijke rol. Muziek neemt de rol van het woord – bij Neshat ook de kalligrafie uit eerder fotowerk – over. Beide kunstenaars hebben een boodschap, zonder dat ze politieke kunstenaars kunnen worden genoemd. Hun werk raakt een snaar. En in die zin wordt de synthese gevonden bij de kijker, die het volksliedje en –ballade in zijn/haar hart bewaart en de onbekende toekomst tegemoet gaat.

http://www.gem-online.nl/files/media/shirin_neshat.pdf

Aangeraakt door het Europese verhaal

Onder, bij de deur links: The Curse of Spinoza, helemaal links boven het beeld (Piëta): Spinoza mirrored in the Eyes of God (foto Peter Tijhuis)

Midden in de tentoonstelling Giacometti-Chadwick, facing fear is, na het vroege werk van beide kunstenaars op de begane grond en nog twee verdiepingen met later werk te gaan, wat Ralph Keuning, directeur van Museum De Fundatie in Zwolle ‘een kapel’ noemt ingericht. Saxofonist Yuri Honing (1965) en beeldend kunstenaar Mariecke van der Linden (1973) maakten samen een Gesamtkunstwerk onder het mom ‘Homo homini lupus’ (de mens is een wolf voor zijn medemens). ‘Ze zijn net als ik’, vervolgt Keuning desgevraagd, ‘aangeraakt door het Europese verhaal’.

Spinoza
Het is de filosoof Spinoza die in deze zaal een paar keer voorkomt op de schilderingen van Van der Linden en in een sculptuur van Honing, van wie ook de muziek is die klinkt (van de cd Goldbrun). Deze sculptuur wordt in de begeleidende flyer bij de tentoonstelling omschreven als ‘een manshoge piëta, met Spinoza als Maria en het onthoofde lichaam van Marie-Antoinette als Jezus’. Je herkent Marie-Antoinette van een schildering op de muur en de piëta is het spiegelbeeld van een kleine piëta, die hangt naast het intrigerende Spinoza mirrored in the Eyes of God, hoog op een muur.

Marie-Antoinette komt straks terug, eerst die intrigerende schildering. Je ziet Spinoza op de rug. Zijn lange haar valt over zijn zwarte kleding. Hij staat in een ijzig landschap, dat ook elders opduikt. Op de rug – zag Mozes God niet op de rug? Zodat – zegt de joodse uitleg – hij niet verteerd werd door het licht dat van Zijn gelaat straalt én opdat Hij hem kan volgen. Hier zijn de rollen omgekeerd. God (en de museumbezoeker) ziet Spinoza die van Hem wegloopt. Zijn gezicht is onzichtbaar.

Ook in een andere schildering, The Curse of Spinoza, kijkt de filosoof van de beschouwer weg. Hij heeft ‘the hat of shame’ op, zoals het in de flyer wordt genoemd, ‘used during the Spanish Inquisitio of Jews, for whom his father fled’. De hoed straalt enerzijds licht uit en doet anderzijds meer denken aan het hoofddeksel van Inquisiteur I (1964) van Chadwick, die te zien is in de zaal tegenover de expositie van Honing/Van der Linden.

Franse Revolutie
Bij de poging om de betekenis van een en ander af te pellen, schiet een regel uit Nelleke Noordervliets recente essay Door met de strijd te binnen. Zij schrijft dat bij opstanden ‘de rede en het geweten het eerst buiten werking worden gesteld’. Daar zit Spinoza dan, de man van de rede met de veel later levende Marie-Antoinette op schoot, de tijdens de Franse Revolutie onthoofde koningin. Hét symbool voor decadentie en macht, die in de negentiende eeuw eerder als een held en een heilige werd gezien.

De laatste zinnen van Noordervliets essay luiden: ‘Bij alle opstanden slingert de pendel van macht naar tegenmacht, tussen actie en reactie, van vrijheid naar onderdrukking, van leven naar dood’. In die zin past de zaal in het hart van de expositie met werk van Giacometti en Chadwick. In de mooie catalogus bij deze tentoonstelling wordt een uitspraak van Sartre over Giacometti geciteerd: ‘We lijken tegenover de vleesloze martelaren van Buchenwald te staan. Maar een tel later denken we er heel anders over: deze fijne en ranke wezens stijgen op naar de hemel. Het is ineens net alsof we op een groep hemelvaarders zijn gestuit’. Dit geeft de beelden ook hoop en kracht, zoals die af en toe ook in de schilderingen van Van der Linden naar voren komt.

Verlichtingsdenken
Zo is het ook met het Verlichtingsdenken waarvan Spinoza al dan niet te recht als de vader (bij Honing moeder) wordt beschouwd: volgens de een de bron van het moderne Westerse denken (Jonathan Israel over Spinoza), voor de ander de bron van ‘fascistisch denken’ (Victor Kal over Spinoza) of ‘fascistoïde of totalitair’ denken (Wim Klever over Spinoza).
Dan is de donkere man die op de rug wordt gezien niet iemand om na te volgen, dan is de lichtgevende jodenhoed er een die verblindt en Marie-Antoinette het slachtoffer van wat Noordervliet omschrijft: macht.
Het is een somber beeld dat beklijft. Maar er resten nog twee verdiepingen Giacometti en Chadwick, met op de bovenste verdieping, in de koepel, hoop en humor. Hoop is overigens geen emotie die Spinoza, en Sartre, kenden, want ‘vrijheid ligt in het doen van het goede’, zoals de filosofe Alicja Gescinska eens schreef. Dat is een troost.

Yuri Honing & Mariecke van der Linden: Goldbrun.
Museum De Fundatie, Zwolle, t/m 6 januari 2019.
http://www.museumfundatie.nl

Vijfentwintig jaar knutselen

De eerste in de serie Zomergasten van dit jaar die mij van begin tot eind mateloos wist te boeien, was de derde: Marleen Stikker, internetpionier en directeur van Waag, onderzoeksinstituut voor kunst, technologie en samenleving.

Meteen al aan het begin raakte ze een snaar, met haar onderscheid tussen een ‘werkelijkheidsmens’ en een ‘mogelijkheidsmens’. De laatsten proberen door experimenteren de wereld beter te maken. Het zal haar wellicht door haar (niet afgeronde) studie filosofie zijn ingegeven, in ieder geval deed het mij denken aan het onderscheid tussen filosofen die de wereld goed vinden zoals hij is en degenen die de wereld beter bewoonbaar willen maken.

Tot de eerste categorie behoort Leibniz, die onze wereld de beste van alle mogelijke werelden vindt. Ook Hegel accepteert de wereld zoals hij is: doelmatig, vrij, eindig en zinvol. De mens hoeft zich niet op een andere wereld of een andere werkelijkheid (transcendentie) te richten. Het overwinnen van het kwaad gebeurt in de loop van de geschiedenis door te vertrouwen op de rede. Het is de bedoeling dat een mens, ja: de mensheid volwassen wordt, wat automatisch leidt tot bewustwording, ratio en vrijheid in het kiezen tussen goed en kwaad.

Daar staat Voltaire tegenover. Volgens hem moeten wij werken aan een betere wereld, zijn eigen adagium dat onze wereld de slechtste is van alle werelden hiermee nuancerend (in: Candide, ou l’optimiste). In die zin kan Candide worden opgevat als een beschrijving op de grens van de moderne tijd. Dit laatste sluit aan op het enige dat ons nog zou resten, en dat is hoop. Hoop op morele vooruitgang, op een betere wereld en die wereld in het hier en nu telkens een stapje dichterbij proberen te brengen. Hoop op het goede, ware en schone, waarbij het goede de moraal is, het ware kennen en filosofie behelst en het schone staat voor de schone kunsten.

Maar behalve hopen is er ook zoiets als werken aan een betere wereld om die dichterbij te brengen (tikoen olam in het Hebreeuws). [1] Dat kan alleen als mensen elkaar werkelijk ontmoeten, aankijken en verhalen vertellen.[2] Philippe Claudel is zo’n verhalenverteller  – op 21 september a.s. houdt hij in Amsterdam de Spui25-lezing. Op 11 september verschijnt zijn nieuwste boek, Archipel van de hond.

Tenslotte is er in de filosofie ook een tussenpositie. Die wordt bijvoorbeeld ingenomen door Susan Neiman. Zij gaat niet geheel en al uit van de wereld zoals deze is, maar kan verwondering voelen “in the moments when we see the world is as it ought to be” (“op die momenten dat we de wereld zien zoals hij zou moeten zijn”).[3] Zij zoekt naar het alternatief voor wat zij omschrijft als de verwoesting van of gedwarsboomde “de mogelijkheid op zich om intellectueel” op Auschwitz te reageren in transcendentie.[4] Neiman definieert de geschiedenis als een categorie die “enables us to understand the world and gives us hope for changing it” (“ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen.”).[5]

Hetzelfde geldt voor de techniek waar Stikker mee bezig is. Internet als een moreel netwerk, tussen goed en kwaad. En niet zonder hoop: ‘Internet is kapot’, aldus Stikker, ‘en we gaan gewoon vijfentwintig jaar knutselen en maken het weer goed’. Wat een mooie uitzending was dit!

 

[1] Vergelijk ook met de Dialogphilosophie van Martin Buber (1878-1965), Franz Rosenzweig (1886-1929) en Ferdinand Ebner (1882-1931).
[2] Zie: Ruud Welten, Als de graankorrel niet sterft. Een filosofische archeologie van openbaring (Zoetermeer 2016).
[3] Neiman, Evil in modern thought, 323. Neiman, Het kwaad denken, 341.
[4] Neiman, Evil in modern thought, 256. Neiman, Het kwaad denken, 273.
[5] Neiman, Evil in modern thought, 44. Neiman, Het kwaad denken, 63.

 

http://www.spui25.nl/gedeelde-content/evenementen/evenementen/2018/09/spui25-lezing-met-philippe-claudel.html

Nieuwe collectiepresentaties en meer

Voor de website 8weekly.nl heb ik onlangs twee nieuwe collectiepresentaties bezocht en besproken, in Boijmans Van Beuningen te Rotterdam (door Carel Blotkamp) en in het Stedelijk Museum te Amsterdam (door Margriet Schavemaker naar een idee van Beatrix Ruf): http://8weekly.nl/special/collecties-opnieuw-etalage-gezet/
De eerste wil je vooral goed laten kijken, dwars door de tijd heen, en de tweede bestaat uit leermomenten en is chronologisch van opzet. Daar waar Rotterdam een grote tijd omspant (van 1300 tot nu), beperkt Amsterdam zich tot de periode vanaf 1880 tot nu. Op die manier sluiten beide presentaties onbedoeld op elkaar aan.

Het zijn niet de enige Nederlandse musea die niet lang na elkaar met nieuwe collectiepresentaties komen; voor 8weekly zal ik binnenkort de nieuwe presentaties in ‘Hof’ en ‘Hal’ (tezamen het Frans Halsmuseum in Haarlem: de centrale museumvestiging en De Hallen bij de Grote Kerk) bekijken en bespreken.
Deze afspraak is vers van de pers, of er rolt alweer een aankondiging van een nieuwe collectiepresentatie in mijn e-mailbox: van Rijksmuseum Twenthe in Enschede, ‘Ars Longa, Vita Brevis; het menselijk leven in negen episodes.’ Daar gaat men (Josien Beltman) weer anders te werk in vergelijking tot Rotterdam en Amsterdam – meer, krijg ik de indruk, een beetje zoals in Haarlem. Al staat daar uiteraard de kunst van Frans Hals en reacties daarop van hedendaagse kunstenaars centraal, en zijn het in Enschede negen kunstenaars die reageren op de totale collectie van het Rijksmuseum Twenthe, die loopt van de Gouden Eeuw tot nu.
In Twenthe gaat het – lees ik in een persbericht –‘niet om de autonomie van de kunst, maar om de betekenis van de kunst voor mensen. Rijksmuseum Twenthe is het “Museum van de Verbeelding”, want het is de verbeelding waarmee wij vorm en betekenis geven aan de wereld om ons heen.’

Een van de kunstwerken, Die Treppe van Peter Zegveld, is geplaatst tegenover het 16de eeuwse doek De toren van Babel van Hendrik van Cleve. Volgens het persbericht gaat de installatie van Zegveld (foto G.J. van Rooij, links boven) ‘over de wilskracht maar ook het onvermogen van de mens (…). De trap in dit werk reikt hoog, naar de hemel, maar de menselijke figuur die Zegveld erop projecteert zit gevangen in zijn val.’

De verbeelding gaat met mij aan de haal. En wel aan de hand van een nieuwsbrief die enkele dagen eerder tussen mijn e-mails zat. Daarin stond een afbeelding van een zwarte inkttekening van Mathilde de Vriese (zie afbeelding rechts boven), die binnenkort in het Dorpshuis van Badhoevedorp exposeert (http://www.dezamenhof.nl/agenda/expositie-in-het-dorpshuis-duivendrecht). Wat we zien is een menselijke figuur die fier boven op een hoge golf staat. Het is tegelijk een boom, met vogels op de takken.
De tekening vormt voor mij het contrapunt van de installatie van Zegveld – en doet me denken – al is De Vriese boeddhist – aan Psalm 8: 5-9:

5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? Indien gij niet wordt als de kinderen
6 En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
7 Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
8 Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
9 Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt.
10 O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

De mens kan diep vallen (vs. 5), al is hij aan de andere kant ook niet minder dan een engel (vs. 6) – het is een chiasme (X, kruisvorm). Of, zoals ik lees in het eerder genoemde persbericht: ‘Het mysterie en het verlies daarvan, vrijheid en verbondenheid, de wilskracht en het onvermogen: onze realiteit wordt doorsneden door contradicties. De wereld waarin wij leven is fundamenteel tweeslachtig en de verdeeldheid die wij ervaren is onophefbaar.’

Chiasma luidt ook de titel van een orkestwerk van de Oostenrijkse Thomas Larcher dat het Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Andris Nelsons gisteren voor het eerst in Nederland, in het Amsterdamse Concertgebouw speelde. Hij schreef in een toelichting, geciteerd in Preludium, onder meer dat het chiasme voor hem een methode is om ‘in de muziek heterogene elementen tegenover elkaar te stellen, ze in relatie te brengen, ze daardoor telkens te veranderen en in sommige gevallen ook tot een vorm samen te voegen.’ Wat we hoorden is ‘EEN hele wereld in zijn onverenigbaarheid, met zijn moorddadige veranderlijkheid, met zijn tederheid en schoonheid, zijn wreedheid en zinloosheid.’ Wat bij mij beklijfde was het uitdovende slot, met alleen een accordeon te midden van het grote orkest. Als die ene boom, die ene mens.

Openheid van geest

Het is en blijft altijd weer een moeilijk punt, als tijdens een studiemiddag van de Vereniging Het Spinozahuis – dit keer over diens Briefwisseling – het onderwerp geloof en bijgeloof van Spinoza aan de orde komt. Zo ook 24 februari jl. weer.

Adrie Hoogendoorn besprak in een inleiding het thema ‘De vrijheid van filosoferen en de vrije wil.’ Op een gegeven moment maakte Hoogendoorn opeens een uitstapje naar Paulus en Augustinus, wat mij wat willekeurig overkwam. Hij citeerde Paulus’ uitspraak ‘Ik doe wat ik wil, maar waar ik een afkeer van heb, dat doe ik, niet wat ik wens, het goede doe ik, maar wat ik niet wens, het kwade doe ik. Derhalve ben ik met mijn verstand dienstbaar aan de wet Gods, maar met mijn vlees aan de wet der zonde‘ (Romeinen 7: 15-25).

In de gespreksgroep na de inleiding, waarvan Hoogendoorn toevallig gespreksleider was, vroeg ik hoe hij dit wilde rijmen met de idee dat de ratio door God is gegeven om te gebruiken, bijvoorbeeld bij het kiezen tussen goed en kwaad en daar dan ook de verantwoordelijkheid voor te dragen. Hoogendoorn verwees eerst naar Brief 58, een brief aan G.H. Schuller, waarin Spinoza schrijft dat, ‘want hoewel de ervaring meer dan voldoende leert dat de mensen tot niets minder in staat zijn dan hun begeerten te beheersen en dat zij dikwijls, ten prooi aan tegenstrijdige aandoeningen, het betere zien en het slechtere volgen, geloven ze toch dat ze vrij zijn, en dan wel daarom, omdat ze bepaalde dingen slechts in geringe mate begeren, zodat de begeerte daarnaar zich gemakkelijk laat bedwingen door de gedachte aan iets anders, dat men zich veelvuldig herinnert.’
Toen ik opmerkte dit geen afdoende antwoord op mijn vraag te vinden, werd vervolgens de tegenstelling tussen ratio (filosofie) en openbaring (geloof) van stal gehaald, maar ook dat voldeed naar mijn idee niet. Daarom ben ik blij inmiddels twee antwoorden te hebben gevonden, die wél tegemoet komen aan mijn vraag.

Het eerste vond ik op de website https://bdespinoza.blogspot.nl/ van Stan Verdult.
Hij verwees hierin naar een in 2017 uitgekomen boek onder redactie van Anna Tomaszewska en Hasse Hämäläinen, The Sources of Secularism: Enlightenment and Beyond. Hierin is een hoofdstuk opgenomen van Henri Krop (foto rechts), die op 21 september a.s. zijn oratie zal uitspreken als bijzonder hoogleraar Spinozastudies aan de filosofiefaculteit van de Erasmusuniversiteit Rotterdam.

Krop gaat uit van das Prinzip des Protestantismus van Hegel, zoals beschreven in diens Philosophie des Rechts (1820). Het principe slaat op menselijke autonomie en vrijheid. ‘Filosofie’, schrijft hij, ‘maakt dit religieuze principe “werkelijkheid” en de Verlichtingsfilosofen en Franse revolutionairen maken het werk af dat Luther begon.’ Vervolgens concludeert Krop, dat ‘Volgens Hegel, Luthers revolte de “seculariteit” (Weltlichkeit) van het christendom impliceerde waarin religie wordt geïntegreerd en deel uitmaakt van ons leven. Hegels concept van secularisatie impliceert een rationalisering van religie en een immanente moraal.’
In de conclusie van dit hoofdstuk, stelt Krop dat Spinoza’s cirkel in de eerste plaats ‘een overeenkomstige visie op religie deelde, die er allereerst vanuit ging dat ware religie kan worden gebaseerd op alleen de rede, eenvoud en gezuiverd van alle mysterie en rooms-katholiek bijgeloof.’

Het tweede antwoord vond ik in een agenda-item van het recente nummer van Vredesspiraal, het kwartaalblad van Kerk en Vrede. Het betrof een aankondiging van de inspiratiedag ‘Bronnen van de Islam’ op 17 maart a.s. in Bilthoven. Een dag die onder leiding zal staan van Tarik Yousif, Nederlands filosoof en bijzonder hoogleraar islamitische filosofie/religie aan de Universiteit van Leuven. Hij meent dat ‘de islam is gekaapt door theologen.’ Filosofie kan volgens hem openheid van geest stimuleren.

Als dat eens waar zou zijn … En áls dat waar is, dan zou het ook moeten betekenen, dat deelnemers aan cursussen over Spinoza méér open zouden kunnen staan voor een visie die bij Luther begon en door Hegel werd voortgezet, zoals Krop meent. Jammer dat ik Krops artikel – met dank aan Stan Verdult – pas na 24 februari las. Maar te laat is het nooit.

 

https://bdespinoza.blogspot.nl/2018/03/een-andere-visie-op-het-secularisme-van.html