Kant en Wijnberg

Ik wil nog wel eens een dichtbundel kopen, die op de site literairnederland.nl gunstig is beoordeeld. Recent gebeurde dat met de bundel Namen noemen van Nachoem M. Wijnberg. Het was met name één woordje in de recensie van Albert Hogeweij (zie link onderaan deze blog) dat mij had getroffen: alsof. ‘Geen dichter die de voegwoorden zoals en alsof zo vaak bezigt’.
Het resoneerde meteen met het woordje alsof in de filosofie van Immanuel Kant; Jabik Veenbaas schrijft het ook cursief in zijn boekje De essentie van Kant. En als hij het niet noemt, dat woordje alsof, kun je het soms ook tussen de regels door lezen.
Eerst Kant en dan Wijnberg.

Immanuel Kants alsof
Het begint eigenlijk al op pagina 19. Veenbaas citeert Kant, die opmerkte dat hij eerlijk toegaf: ‘Het was precies de aanwijzing van David Hume die vele jaren geleden voor het eerst mijn dogmatische sluimer onderbrak en mijn onderzoek op het gebied van de speculatieve filosofie een geheel andere richting gaf’. Ik moest het even opzoeken: wat was dat ook alweer, speculatieve filosofie? En ik vond een definitie die ongeveer zo luidt: de consequenties van een hypothese betwijfelen alsof [vet, EvS] waar is. Cornelis Verhoeven, las ik ergens, ziet scepsis alsof het speculatief is; ‘scepsis jegens kennis die niet langs de weg van empirisch onderzoek was verkregen’, schrijft Veenbaas (p. 33). Verschillende denkers in de achttiende eeuw raakten eraan ten prooi, zoals ook David Hume (p. 36) en Kant: ‘de cruciale ontwikkeling in Kants wijsbegeerte begon bij de scepsis’ (p. 40), maar dat bleek een impasse te zijn waaruit hij wilde ontsnappen.

Kant vond een uitweg in een ‘twee-werelden-theorie met ethisch religieuze trekken’ (p. 58), waarvan hij in de Kritiek van de zuivere rede ‘de eerste contouren schetste’ (p. 62). Dat wil zeggen dat het erom gaat, dat ‘de mens bij Kant burger [is] geworden van twee werelden: de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld. Het burgerschap van de bovenzintuiglijke wereld is het belangrijkst. Het belang van moreel handelen is groter dan dat van de kennis’ (p. 70). Tussen beide wordt bemiddeld, zodat ‘we de zintuiglijk gegeven natuur [kunnen] denken alsof daar een zedelijk doel aan ten grondslag ligt. En zo maakt het een overgang mogelijk van de zintuiglijke wereld naar de morele wereld, van de natuur naar de vrijheid’ (p. 78).

Hier duikt het woordje alsof voor het eerst op. Even verderop weer, wanneer Veenbaas schrijft dat we ‘de natuur [beschouwen] alsof een God die met een bedoeling heeft voortgebracht’ (p. 87). Het is een aanname.
Bedoelt Nachoem M. Wijnberg nu hetzelfde als Kant, wanneer hij alsof zo vaak bezigt? Laten we eerst kijken wat Hogeweij in zijn recensie schreef, alvorens ik de bundel van Wijnberg zelf ter hand neem.

De recensie van Albert Hogeweij
Na een korte inleiding schrijft Hogeweij, dat Wijnberg ‘gedichten wel eens “betekenismachines” heeft genoemd, instrumenten om tot inzicht te komen. Gelijkwaardig hoe in de wetenschap kennis wordt opgedaan. (…) Het geruststellende van al zijn opgeworpen probleemstellingen is dat ze niet op een definitief antwoorden aansturen. De deur van wat wij niet weten staat altijd open en hoeft niet op slot’. Een beetje zoals de late Kant, na een stellige periode. Een beeld als ‘alle kleren over elkaar’ dat Wijnberg gebruikt, doet denken aan de gelaagdheid bij Kant waar Veenbaas over spreekt (p. 140). Zo kan de ruimte die hij uiteindelijk biedt, worden benut ‘voor een gedifferentieerde kijk op het menselijk leven’ (id.).

En dan komt het: ‘Geen dichter die de voegwoorden zoals en alsof zo vaak gebruikt.’ Hij speelt tegengestelde begrippen tegen elkaar uit, zoals Kant een voorloper was van de dialectiek van Hegel (these – antithese). Alleen komt het bij Kant en Wijnberg niet tot een synthese, maar – zoals Hogeweij schrijft – ‘een schijn van dichterlijke harmonie (…), waarin de dingen even ver van elkaar als tot elkaar komen’.
Vervolgens heeft Hogeweij het over de twee lagen waaruit de gedichten van Wijnberg vaak bestaan: een concrete ‘en een daarop voortbordurende beschouwende laag’. Iets dat direct doet denken aan de twee lagen van het kenvermogen bij Kant: zintuiglijke aanschouwing en verstand.

Nachoem M. Wijnberg – Namen noemen
Een paar voorbeelden uit de bundel waarin die twee lagen in combinatie met ‘alsof’ duidelijk naar voren komen.
Het eerste ontleen ik aan het gedicht ‘Uitroeptekens in de trein’:

alsof ik wil doen – dubbele kostumering – dat ik in iemand anders
ben gebleven?

Het tweede aan het gedicht ‘In training voor de H.H. ter Balkt-herinneringswedstrijd’:

… opspringen en met mijn knieën naar mijn kin door de lucht blijven zweven
alsof ik in slaap ben
of in een houten paard zit. Het verschil tussen wie een hoog woord
niet eens ziet als hij er bijna tegenaan loopt

en wie luisteren of lezen alsof ze straks blind zijn,

en als ik de wereld in tweeën deel
staat niemand enkel aan één kant. …

Het derde en laatste citeer ik uit ‘In de kamers en receptieruimtes van de Nederlandse literatuur’:

… Op een buitenreceptie (in de achtertuin) van Atlas Contact
ben ik een keer over een klein perkje gesprongen
alsof ik van plan geweest was langer in de lucht te blijven hangen
en nog in de lucht dacht ik: als iemand het ziet heeft hij over honderd jaar
iets om aan te denken (en niet meer zeker te zijn
of hij het gezien heeft) als hij mijn naam ergens ziet.

Het is alsof Wijnberg in gesprek gaat met Kant (en Hegel!), over wie hij eerder (in 2007 in Raster) een gedicht publiceerde, waaruit ik tot slot de beginregels citeer:

Alsof hij elke dag een beslissing neemt die zo goed is als wanneer hij
zijn hele leven daarover had kunnen nadenken.

De laatste regels van dit gedicht refereren aan de beroemde uitspraak van Kant over twee dingen die de geest vervullen ‘met steeds nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe vaker en langduriger het denken zich ermee bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij’ (Veenbaas, p. 144). Ze hebben ons wat te zeggen: Kant en Wijnberg. Alleen en alsof ze samen in gesprek zijn.

Link naar de recensie van Albert Hogeweij: https://www.literairnederland.nl/recensie-nachoem-m-wijnberg-namen-noemen/

Joep Franssens en Spinoza

Onlangs gaf Anne Woodward voor de Amsterdamse Spinoza Kring een cursus over Spinoza en Kunst. Dit bracht mij weer te binnen, dat ik in 2013 voor de Volksuniversiteit Amsterdam samen met Robert Snel een cursus gaf over Spinoza en Muziek; hij over Spinoza, ik over muziek. Op deze blog publiceer ik nu de teksten van mijn aandeel. Als eerste die over Joep Franssens.

Joep Franssens
Joep Franssens werd in 1955 in Groningen geboren. Net als Hanna Kulenty en Yannis Kyriakides – de twee andere componisten die in 2013 aan bod kwamen – studeerde hij compositie bij Louis Andriessen aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag om na twee jaar te switchen naar Klaas de Vries, die doceerde aan het Rotterdams Conservatorium. Hij heeft dus zowel geroken aan de zogenaamde Haagse als de Rotterdamse School.

Ik wil, voor ik verder ga, even stilstaan bij de figuur van Louis Andriessen die niet alleen zo’n grote invloed heeft gehad op het hedendaagse componeren, wereldwijd, maar van wie soms ook een eenzijdig beeld bestaat, het zogenaamde Haags Hakkuh (naar de titel van een stuk van hem). Ik doe dat aan de hand van een zeer rake karakteristiek die Bas van Putten heeft geschreven voor de Groene Amsterdammer (3 maart 2011). ‘Neem je zijn oeuvre door, dan blijkt Andriessen zachter dan je denkt. Tegenover dat rumoer staat veel geconcentreerde koele stilte die bij Andriessen gek genoeg nimmer naar meditatie taalt. Traag is hier denken in een andere, maar niet per definitie tragere versnelling. Zo “oort” de stilstaande beweging van De Tijd. De licht-getinte, donker gestemde serenitieit van Dances. De introvertie van Zilver, zoals zo vaak bij Andriessen een spel met koralen.’  Andriessen ‘ontwikkelt een hardboiled variant op de minimal music van Terry Riley, [Philip] Glass en [Steve] Reich’. En weer een maar, wanneer Van Putten de componist zelf citeert: de ‘echte extase wil bij mij niet komen. Het lukt steeds niet, zelfs als ik denk dat ik er ben. Daar kwam ik achter toen ik het derde deel van Writing to Vermeer op piano voorspeelde aan een Russische musicologe die naar Nederland was gekomen, iemand die alles wist (…). Hoor, zei ik, Skriabin. Nee, zei ze. Er is geen extase, dit is expressie. Zo is het dus. Zelfs als het bij mij tot tranen toe mooi is, blijft het gereserveerd’.

Joep Franssens heeft meer met Andriessen gemeen dan hij wellicht zelf zal willen toegeven. Maar er zijn ook opmerkelijke verschillen. Zijn stilte is niet koel, maar warm en meditatief. Zijn muziek is donker-getint en licht gestemd. Zijn minimal music is niet hardboiled, maar spiritueel en behalve met Steve Reich toch eerder verwant aan Arvo Pärt, Henryk Gorecki, Gya Kancheli  en andere Baltische en Oost-Europese componisten. Zijn muziek is extatisch. Maar net als bij Andriessen, en net als bij Spinoza, beredeneerd. En voor alles traag in de gebruikelijke betekenis van het woord.

Franssens ontdekte Spinoza toen hij achttien jaar was. Hij heeft daarover het volgende gezegd (geciteerd in een dissertatie van David Andrew Hobson, Louisiania, 2010): ‘Toen ik de eerste pagina’s las [de Ethica], wist ik niet wat er met me gebeurde, maar ik had het gevoel dat ik iets compleet nieuws aan het lezen was, compleet anders. Ook had ik meteen het gevoel dat er een samenvallen was tussen mij en de tekst’. Op latere leeftijd keerde Franssens naar Spinoza terug. Wat hem volgens Hobson toen aansprak, was de tijdloosheid van zijn denken.
Daarin sluit hij aan bij het laatste, vijfde en kortste deel van de Ethica. Hierin plaatst Spinoza de hele wereld ‘sub specie aeternitatis’ (in het licht der eeuwigheid). Nadat Spinoza in het eerste deel de verbeelding (imaginatio) en de rede (ratio) heeft besproken, komt hij in het laatste deel uit bij de intuïtie (intuitio) in de zin van intellectuele liefde voor God (amor Dei intellectualis). Godskennis die zin en samenhang geeft die weer tot gemoedsrust leidt en alle verstand te boven gaat. Dáár komt Franssens ook op uit in zijn compositie Harmony of the Spheres.

Harmony of Spheres
De titel van het uit 2001 daterende werk refereert aan het verhaal over de harmonie der sferen, een verhaal over de krachtige werking die muziek kan hebben. We lezen er bijvoorbeeld over bij Jamblichus (ca. tweede helft van de derde eeuw na Chr.):

Gebruik makend van een onzegbaar en moeilijk te vatten goddelijk vermogen concentreerde Pythagoras zijn gehoor en zijn geest op de hemelse akkoorden van het heelal. Hij alleen hoorde en verstond, volgens zijn zeggen, de allesomvattende harmonische samenzang van de sferen en van de sterren die zich daarlangs bewogen, een melodie, voller en vollediger dan de aardse.

Deze compositie, Franssens belangrijkste werk, bestaat uit vijf delen – net als de Ethica – en is symmetrisch opgezet. De delen 1 en 5, het begin en het slot, gaan over de mens in relatie tot een ander. De delen 2 en 4 gaan over autonomie en vrijheid. Het middendeel gaat over God of de Natuur (Deus sive Natura). De delen 1 en 2, 4 en 5 zijn geschreven voor a capella 8-stemmig koor, met in het derde deel een strijkorkest dat er, zoals in de accompagnato-recitatieven (begeleide recitatieven) in Bachs Matthäuspassion, een soort aureool aan toevoegt.

De keuze van zowel de tekst als de noten is tot een minimum beperkt. De bedoeling daarvan is dat er meer ruimte overblijft voor de verbeelding, voor het intellect en de emotie van de luisteraar. Waarbij ik dus niet voor niets drie Spinozistische woorden gebruik …
Maar er wordt ook gespeeld met de ruimte waarin het stuk wordt uitgevoerd. Zoals je bij Kyriakides kunt zeggen dat hij speelt met de parallellie, of gelijktijdigheid, van lichaam en geest, zo kun je bij Franssens wijzen op de parallellie tussen klank en ruimte in de Pythagoreïsche zin van Harmonie der sferen. Dit wordt gesymboliseerd door het in tweeën splitsen van de koorstemmen (twee maal vier stemmen), waarbij de ruimte (de akoestiek) als het ware mee zingt, mee vibreert. Maar niet, zoals in de muziek van Kyriakides, oplicht door het rondzingen van in zijn geval elektronisch gegenereerde klanken. Vertragingen werken bij Franssens als een omgevingsklank uit, terwijl ze bij Kyriakides meer van binnenuit, structureel sturen. Franssens gaat uit van de stabiliteit van drieklanken (harmonieën!) in plaats van, zoals Kyriakides, van modaliteit, van kerktoonsoorten. In zijn geval een logisch gevolg van de lineaire lijn van de definities uit het derde deel die hij volgt.
Franssens toonzet niet alleen enkele definities (in deel 2 en 3), zoals Kyriakides, of proposities (stellingen), zoals Kulenty, maar met name enkele frases uit het Aanhangsel bij het vierde deel van de Ethica. Er is wel op gewezen, onder anderen door Herman Berger in een recente handleiding bij de Ethica (uitgave Garant, het eerste deel in de serie Omtrent filosofie), dat Spinoza zich in die aanhangsels ‘zelf aan de geometrische benadering heeft onttrokken’.  Een opmerking waarop ik verder niet inga, maar die goed is om bij het beluisteren van Franssens Harmony of the Spheres in het achterhoofd te houden.

De vijf delen van het totale werk, dat ruim een uur duurt, kunnen afzonderlijk worden uitgevoerd. Begin 2013 klonk bijvoorbeeld het eerste deel door het kamerkoor Vocoza o.l.v. Sanne Nieuwenhuijse tijdens een zaterdagmiddagconcert in de Amsterdamse Noorderkerk. In het programmaboekje van dit concert werd dit deel gekarakteriseerd als een ‘traag golvende klankenzee’. Er is ook een opname van dit deel, opgenomen in 1999 in de Beurs van Berlage en uitgebracht op de CD Joep Franssens – Works for Orchestra & Choir (Et’cetera KTC 1321). Het koor is het onvolprezen Nederlands Kamerkoor o.l.v. de uit Estland afkomstige dirigent Tõnu Kaljuste. In deze uitvoering duur dit deel 9”58’’.

Harmony of the Spheres: deel 1
Een paar jaar later zette het koor o.l.v. dezelfde dirigent het complete werk op CD. Een opname die werd gemaakt in de Augustinuskerk aan de Nieuwendammerdijk in Amsterdam, een monument van Tepe waar veel CD’s worden opgenomen. De uitvoering is zelfs nog iets langzamer (10’12’’), wat ruimtelijker, heeft meer diepte en is homogener qua klank. Deze wil ik u dus laten horen.
De tekst van dit eerste deel, uit het aanhangsel van het vierde deel van Spinoza’s Ethica, luidt in de Nederlandse vertaling van Nico van Suchtelen (uitg. Wereldbibliotheek) aldus:
Het is voor de mensen van het hoogste belang met elkaar om te gaan, zich zodanig bij elkaar aan te sluiten, dat zij steeds meer samen één eenheid vormen en in het algemeen alles te doen wat tot versterking van vriendschap strekt.

Tot slot terug naar de opmerking van Herman Berger in zijn recente handleiding bij de Ethica, namelijk dat Spinoza zich in die aanhangsels ‘zelf aan de geometrische benadering heeft onttrokken’. Hoe verhoudt zich dit nu tot de muziek?
[Misschien net zo als het toneelstuk in het toneelstuk in Shakespeare’s Hamlet. Hamlet laat voor zijn moeder en Claudius, zijn stiefvader, door zijn vrienden een toneelstuk opvoeren  om datgene dat hij niet kan uitspreken over te brengen. Een van de functies van theater, en van muziek, is om toegang te bieden tot iets dat niet of nauwelijks in normale gesproken taal, of in geometrische bewijzen, kan worden overgebracht. Het is dan ook niet raar, dat de tekst van Spinoza bij Franssens niet goed valt te verstaan. Het gaat hem in wezen om iets anders. N.B.: er zit zelfs één woordloos onderdeel in dit werk: nr. 4b].

CDs

 

Deborah Feldman – Exodus

Exodus : mijn leven na Onorthodox / Deborah Feldman ; uit het Engels vertaald door Nadia Ramer. – Amsterdam : De Geus, [2021]. – 349 pagina’s ; 22 cm. – Vertaling van: Exodus, revisited : my unorthodox journey to Berlin. – Blue Rider Press. – Vervolg op: Onorthodox. ISBN 978-90-445-4426-8

Dit boek is een vervolg op het autobiografische Onorthodox (2018) waarmee Deborah Feldman bekend werd. Gaat het eerste boek over haar vlucht uit de chassidische gemeenschap in Brooklyn, dit boek gaat over hoe zij, meer dan tien jaar later, samen met haar zoon Isaac haar leven (‘verhaal’, zoals ze zelf zegt) opnieuw vorm geeft. Beide boeken kunnen los van elkaar worden gelezen, omdat Feldman aan het begin van Exodus kort de voorgeschiedenis herhaalt. De weg die zij gaat, is er een van
pessimisme via voorzichtig optimisme en het idee dat ze uiteindelijk kan bouwen op
zichzelf. De titel slaat op de reis die zij maakt door Europa, in de voetsporen van haar
voorouders, en op weg naar vrijheid. Uiteindelijk verhuist zij met haar zoon naar Berlijn
en begint zij een nieuwe relatie. Een belangrijk boek in een tijd waarin door veel mensen wordt gezocht naar wat hun identiteit uitmaakt.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Literatuur als vrijplaats

Het begint meteen al goed: met omschrijvingen en trefwoorden als: ‘literatuur als uitweg’, ‘meerstemmigheid en identiteit’, ‘vrijheid te kunnen kiezen’. ‘Het’ is het pamflet De ander bestaat niet van Christine Otten (De Geus, 2022).

Otten vervolgt met ‘de eerste “echte” schrijver’ die ze ontmoette: Sal Santen (1915-1998), die ik wel in ‘mijn’ bibliotheekfiliaal zag en die daar met égards werd omgeven. Het filiaal waarin de schrijfster zelf een keer werd geïnterviewd en wat vertelde over een nieuw verschenen boek. Het maakte allebei indruk op me, en leverde een mooie opdracht op in mijn exemplaar van dit nieuwe boek van en door Chrtistine Otten.

Paul Auster
Het zou zomaar een interview en praatje over Ottens debuutroman, Blauw metaal (1995) geweest kunnen zijn. Daarover gaat het tweede hoofdstuk. En over Paul Auster, wiens romans ze in de vijf jaar dat ze aan haar debuut schreef ‘gretig las’. Ik zei een keer in een lezing voor de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB) dat de componist Louis Andriessen Auster al even gretig las. Een musicoloog die na mij een praatje uitsprak, vond dit een volslagen idiote vermelding die nergens op sloeg – maar nu ik Ottens omschrijvingen zo lees, herken ik weer wáárom ik het vermeldde. Voor haar was het ‘het radicale humanisme dat Austers werk ademt en dat mij als lezer én schrijver zo inspireerde’, schrijft ze (p. 22). Zoiets was het mijns inziens ook wat betreft Andriessen.

Stuurloosheid?
In het volgende hoofdstuk vermeldt Otten, dat een van haar volgende boeken in de pers werd afgebrand, ‘voornamelijk vanwege de mengvorm’. Ze is zelfkritisch en denkt dat dit wellicht haar ‘stuurloosheid weerspiegelde’. Niet geheel of geheel niet terecht; een mannelijke schrijver zou dit nooit zo stellen en het zegt mijns inziens ook meer over het hokjesdenken van haar recensenten: fictie, essays, journalistiek – waar brengen we het in onder? Ze schreef alsof ze muziek maakte, zoals Andriessen componeerde alsof hij Auster in noten omzette.

Dáár ligt de kiem van Ottens eigen stijl. In de ontmoeting ook met The Last Poets, Afrikaans-Amerikaanse dichters uit de Black Powertijd, die wachtten ‘tot er iemand langskwam die ontvankelijk genoeg was om zich zijn geschiedenis [met name die van Umar Bin Hassan, EvS] en ervaringen eigen te maken, zodat hij zich er op een bepaalde manier van kon ontdoen’ (p. 32-33). Even verderop schrijft ze: ‘Een identiteit van een ander omarmen is wat anders dan je een identiteit toe-eigenen’ (p. 38). Iedereen die zich wel eens in discussies over het al dan niet mogen zingen van de joodse Psalmen in een christelijke context heeft begeven, zal dit min of meer (h)erkennen.

Schrijfgroep en diepe herkenning
Dan komt Ottens werk ‘als collega-schrijver’ aan de orde bij de schrijfgroep in Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard. Literatuur als vrijplaats. Ook hierover schreef ze, namelijk de roman Een van ons. De schrijfgroep heeft geleid tot ‘een inclusiever en “collectiever” soort schrijverschap’, meent ze.

De titel van het essay komt aan de orde in het volgende hoofdstuk. Eerst stelt Otten, dat ‘de diepe herkenning’ van literatuur ‘vooral in het wit [zit] tussen de woorden en zinnen, (…) in de ruimte die de schrijver laat aan de lezer’ (p. 49). Het doet mij denken aan een uitspraak van mijn blokfluitleraar, Juho Myllylä, die eens bij eens zei: ‘Geniet van de ruimte rond de noten’. Noten die uiteraard een relatie met elkaar hebben, maar elkaar ook de ruimte geven om elk voor zich tot hun recht te komen.

Toni Morrison en mens-zijn
Vervolgens komt Toni Morrison ter sprake, als schrijfster die ‘zich diepgaand bezighield met het begrip “de ander”.’ Ze dichtte een vreemde, een ander ‘allerlei eigenschappen toe waarnaar ze zelf verlangde’ (p. 60). De vreemdeling, de ander is louter een versie van onszelf.

In het zevende en laatste hoofdstuk bezint Otten zich op datgene waarmee ze bezig is. De conclusie is een logische: ‘Ik denk dat de gevestigde literaire wereld zijn voordeel kan doen met (…) andere en niet zelden vernieuwende stemmen en stijlen en verhalen’ (p. 67) – denk aan de kritiek op Blauw metaal! Literatuur zal altijd wel gemarginaliseerd blijven en dat is op zich niet erg, want de werkelijke waarde ervan ‘zit verstopt in en tussen de woorden en zinnen, het “iets” wat je een glimp gunt van het “onzegbare en onbevattelijke” en wat het betekent om mens te zijn’ (p. 68). Schitterend toch?

Ja, het ís een schitterend pamflet, een prachtig essay – en doet in niets denken aan wat Kees ’t Hart bijvoorbeeld in een artikel (in De Groene Amsterdammer, 7 april jl.) naar aanleiding van de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2022 schrijft wat hem tegenstaat ‘overtuigingsdwang’ ten gunste van schoonheid. Daar gaat het bij Otten (die hij niet noemt) niet om, maar over en-en. Het een hoeft niet los te staan van het ander, want voor je het weet kom je weer in hokjesdenken terecht. Dat moet worden voorkomen. En daarvoor is inderdaad moed nodig.

 

Christine Otten: De ander bestaat niet
Pleidooi voor moed in de literatuur
Verschenen in de reeks Publieke werken
Uitgever: De Geus, 2022
ISBN 978 90 445 4574 6
Prijs: € 10,00

‘Filosoferen in tijden van lijden’ (II)

In Filosofie Magazine van maart 2022 stond een artikel dat de moeite waard is, geschreven door Fleur Jurgens (1972), filosofe, schrijfster en journaliste. ‘Filosoferen in tijden van lijden’ luidt de kop. Het raakte mij. Waarom leg ik in drie opeenvolgende blogs uit. In de eerste ging ik op het artikel zelf in, in deze tweede ben ik aan het woord als ervaringsdeskundige. En in de derde ga ik tenslotte in op de troost van filosofie, theologie en literatuur.

De pijn zelf
Allereerst die pijn. Ja, die gaat gepaard met verdriet om het feit dat je niet gewoon door kan gaan zoals je de meeste tijd min of meer gewend bent. Verdriet omdat alles even wordt stilgezet en je veel kunt vergeten. Daar bovenop komt dan meestal woede, de ervaring van machteloosheid. Betekenis of de vraag daarnaar is niet aan de orde – want die is er gewoon niet. Het is zinloos en leidt tot niets. Of zoals Lieke Marsman een keer (5 april jl.) raak tweette: ‘Gisteren was ik moe, vandaag ben ik weer gewoon woedend’.
Even iets meer over die woede. Ik lees in het onlangs uitgekomen boek De waarde van woede. Over opstandigheid en rechtvaardigheid van Nico Koning (uitg. Damon, 2022) dat ‘met woede in principe niets mis [is]. Ik zal hier niet meezingen in het koor van hedendaagse denkers die woede nog steeds als een te overwinnen negatieve emotie beschouwen’ schrijft hij (p. 11) en daar ben ik mee.

Biedt het lezen van een tekst van bijvoorbeeld Schopenhauer dan verlichting? Nee – ik herken mij op zo’n moment hooguit in het luisteren naar de Symfonieën voor strijkers van Carl Ph. E. Bach. Sturm und Drang, de woede van een jonge hond. Clemens Romijn schrijft in een toelichting op één van die symfonieën, die in E gr.t. Wotq. 182 nr. 6, dat het hierin gaat om ‘wisselende stemmingen, abrupte wendingen en gewaagde harmonische “excursies”‘(in: Preludium, april 2022, p. 76). Ik hoor het als kijk ik in een spiegel.

Als ik al een filosofische tekst zou lezen, bijvoorbeeld van Montaigne, dan speelt het feit dat hij ook aan enorme pijnen leed op de achtergrond mee. Dáárin vind ik ‘die verbindende dialectiek’ eerder dan wanneer ik lees ‘over iets wat jezelf aangaat, of wat zich heel dicht om je heen afspeelt’, zoals Elte Rauch schrijft in de uitgave met Virginia Woolfs beroemde Over ziek zijn, aangevuld met ‘Hoe gaat het met je?’ van de eerder genoemde Lieke Marsman, en Mieke van Zonnevelds ‘Gods ruïne’ (Uitgeverij HetMoet, 2020, p. 10).

Loutering?
Is er sprake van loutering en een nieuw begin, zoals Dubbink in Filosofie Magazine meende (zie blog 1)? Nee – je hoopt dat het snel over is en weer een poos weg blijft. Daarna ga je weer over tot de orde van de dag. Je draagt de ervaring met je mee, maar je draagt de ervaring niet uit. Want het is maar de vraag of je iemand daarin volledig begrijpt.

Dat blijkt zelfs uit het verhaal dat een andere ervaringsdeskundige, Amanda Kluveld, in haar boek Pijn (De Arbeiderspers, 2007) vertelt over haar oudtante Toos. ‘Zij had’, schrijft ze (p. 35), ‘een ziekte die gepaard ging met pijnaanvallen. Ik weet niet aan welke kwaal ze leed, want ik was heel klein. Wat mij wel is bijgebleven, is dat mijn tante zichzelf tijdens zo’n aanval herhaaldelijk met brandnetels sloeg.’ Kluveld legt dit uit als het verdrijven van de demon, het monster van de pijn. Apart, voor een Zeeuwse boerin, meent de auteur, maar iemand die dit boek voor mij uit de bibliotheek leende, heeft er met potlood in de kantlijn bijgezet: ‘substitutie’. Ik denk dat hij/zij het beter heeft begrepen: wanneer je naast erge pijn een andere vorm van erge pijn zet, gaat de aandacht niet alleen meer naar de eerste uit, maar wordt deze verdeeld. En zo relatief minder hevig.

Blijft nog steeds de vraag wat nu troost. Een mooi boeket bloemen? Om daarbij in gedachten te vertoeven, zoals Virginia Woolf schreef? Zoals bijvoorbeeld de Pioenrozen van Yve du Bois (zie foto rechtsboven)? Volgens een folder van supermarkt Aldi staan pioenen immers ‘symbool voor liefde, geluk en gezondheid’. Op troost ga ik verder in in de derde en laatste blog in deze korte serie.

‘Een exodus, een revolutie’

De theoloog en Islamkenner Anton Wessels vervolgde zijn inmiddels afgesloten  cursusochtenden Koran lezen met Tenach en Evangelie voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) – dit seizoen via Zoom – als vanouds met veel verwijzingen naar allerlei boeken.
Zo wees hij een keer op de Grunbergbijbel van Arnon Grunberg, die ik ook in de kast heb staan. Het boek kon niet geheel zijn toets der kritiek doorstaan. Heeft Grunberg het wel helemaal begrepen, vroeg Wessels zich af. Neem alleen al dat hij spreekt over twee revoluties: die van het Oude- en die van het Nieuwe Testament. Er is toch alleen maar sprake van één revolutie, die van zowel het Oude- en het Nieuwe Testament als die van de koran? 1)
Alle drie de boeken zijn voor een goede uitleg van elkaar afhankelijk. En dat is dan geen dogmatische uitleg, want daartegen stelde Mohammed zich juist teweer. Dat is er een vanuit Tora en de Profeten, die bij Grunberg missen.

Iemand zei ter afsluiting van deze cursusochtend, dat hij de Grunbergbijbel ter hand ging nemen. Ik ging verder met ‘een verklaring van het boek Job’, zoals de ondertitel van het nieuwe boek van Dick Boer luidt. Ik stuitte in dit boek, Job redt de NAAM, op een schitterend hoofdstuk onder de titel ‘Twistgesprek: de evolutietheorie van de kameraden tegenover Jobs vasthouden aan de revolutie’ (p. 60-64). Wéér dat begrip ‘revolutie’. Elders in het boek noemt Boer dit: ‘een exodus, een revolutie’ (p. 141). En wéér die eenheid van Oude- en Nieuwe Testament. De koran blijft hier overigens buiten beeld.

Genade
Dick Boer wijst op het protestantse adagium sola gratia (genade alleen). Mijn vader nam het vaak in de mond en het raakte mij elke keer diep wanneer hij dat zei. Boer stelt echter, dat het uit elkaar rukken van Tora doen en het ‘door het genade alleen’, ten diepste anti-joods is. Ik schrok ervan, maar als je het tot je door laat dringen, is het ontegenzeggelijk waar, net zoals er maar één revolutie is. Deels waar, maar daar kom ik nog op.2)

God ‘geeft Tora’, schrijft Boer, ‘opdat deze gedaan wordt, niet uit eigenbelang maar in het belang van de verworpenen der aarde die uit de Tora naar de vrijheid geleid zullen worden’. Aan het begin staat het geschenk van de Tora, aan het eind het doel van de Tora. ‘Daar tussenin, in de tussentijd, komt het op het doen aan’. De auteur benadrukt op het eind van zijn boek, dat het sola gratia ‘geen eenzijdige daad van God [is], geheel los van het doen van de mens’ (p. 194). Je moet Tora doen, maar je kunt – denk ik – ook teveel van jezelf eisen.

Genade is inderdaad een werkwoord, maar het is en blijft wel een troostend woord voor als je tekort schiet in dat arbeiden op de akker van de Heer. Je ervaart – volgens ds. Johan Visser, predikant van de Noorderkerk in Amsterdam in een interview met Matthijs Hoogenboom (op de website van de Protestantse Kerk Amsterdam, 6 mei jl.) – ‘dat iets van goedheid je wordt toegeworpen. (…) Er zit ook iets van het [joodse] gein in, (…) dat al ons streven en drukdoenerij doorbreekt en relativeert. Een onverdiende vreugde die over je komt. Volgens mij is dat ergens de kern van geloven’.
Of – misschien – één van de kernen, zoals een ei soms twee dooiers kan hebben: exodus/revolutie én genade.

1) ‘Een stille revolutie’ noemde ds. J.H. Uytenbogaardt het tijdens zijn preek op Eerste Pinksterdag in de Bethelkerk in Amsterdam: de voetwassing op Witte Donderdag. En hij refereerde aan het Taizélied Ubi caritas uit Taizé: ‘Ubi caritas et amor / ubi caritas, Deus ibi est’ (‘Waar vriendschap en liefde is, daar is God’, Lied 568 uit het Liedboek).
2) In dit verband wijs ik ook op de uitleg die Max Brod gaf aan de roman Het slot van Franz Kafka: als beeld van Gods genade, die de mens niet door eigen inspanning kan verwerven.

Bij het overlijden van Anne van der Meiden

Uit de nalatenschap van een vriendin verwierf ik de streekroman Spoel en spade van Anne van der Meiden (Enschede 1929-Hellendoorn 2021). Het speelt in ‘zijn’ Twente van rond 1834 en verhaalt van de eenbenige Peutke die dagelijks met zijn negosie op een kar erop uit trekt en daarnaast ook nog huwelijksmakelaar is, zoals Van der Meiden zowel theoloog als hoogleraar massacommunicatie en public relations was. Om Peutke heen veranderen de boeren van vak en worden wever; scheef en wat voorovergebogen, rode randen om de ogen, een diepe en rauwe hoest. Peutke ‘wil er zo graag iets aan doen en niet berusten’ (p. 24).

Philip Krijger
Het is interessant om de fases die auteur Philip Krijger, die ik eens eerder in een culturele bijdrage aan Wervelingen uit diens boek De tragiek van de schepping oppikte (winternummer 2006/2007), naast het boek van Van der Meiden en een discussie naar aanleiding hiervan te leggen. Ik deed dat in een andere bijdrage aan datzelfde blad van de Vereniging van scoliosepatiënten (winternummer 2011/2012) en herplaats dat hier met toestemming en in een iets uitgebreidere vorm naar aanleiding van het overlijden van Anne van der Meiden op 2 juni jl..

Ervaringsdeskundige Krijger begint met het harmoniemodel, de grond van waaruit hij met alle beperkingen wat zicht en gehoor betreft leeft en waarin hij vrijheid en vreugde (h)erkent.
Dat doet Peutke in zijn lofzang op de natuur aan het begin van het boek ook, al heeft hij soms een sombere bui. Dit laatste zou Krijger het tragische model noemen, waarin sprake is van frustratie om het lot dat hem trof. Peutke weet zijn eigen narigheid positief om te buigen en zet zich van daaruit met vol verstand en uiteindelijk ook hart in voor een beter leven van de (thuis)wevers in Twente. Krijger noemt dit het confrontatiemodel.

Leerhuis
Het boek van Van der Meiden lezend, kwamen de modellen van Krijger opeens weer boven. En ze kwamen me van pas bij een discussie die ik met een (inmiddels emeritus) predikant voerde naar aanleiding van een leerhuis.[1] In diens mailtje was sprake van een volgende trits: ‘Je constant tegen ziek-zijn verzetten is vaak geen leven, terwijl met ziek-zijn leren leven vaak veel wijsheid oplevert. Waar het mij [ER] om gaat is, dat aan de ene kant verzet begint met aanvaarden, niet met ontkenning, en aan de andere kant aanvaarding niet moet ontaarden in berusting, uitgeblustheid, maar altijd aanleiding blijft voor de vraag, hoe het anders, beter kan.’ Kortweg draaide hij de volgorde van Krijger om:

  • confrontatiemodel (niet neerleggen)
  • tragische model (je constant verzetten is geen leven)
  • harmoniemodel (verandering begint met aanvaarding)

Elisabeth Kübler-Ross
Deze volgorde riep bij mij associaties op met de fasen van rouw volgens Elisabeth Kübler-Ross:

  • ontkenning
  • protest (of boosheid)
  • onderhandelen en vechten
  • depressie
  • aanvaarding

Johan Noorloos
Maar na deze constatering van mijn kant viel de gedachtewisseling stil.
Ik maak hem nu af en begin – alsof het nog niet genoeg is – met er nóg een rijtje aan toe te voegen. Van Johan Noorloos, auteur van bekende boeken als Hoe yoga je leven kan veranderen en 12 goeroes 13 ongelukken. In het blad Leef! (aug./sept./okt. 2011) stond de volgende trits:

  • stilte opzoeken (even je gedachten stilzetten)
  • de vraag of je de werkelijkheid accepteert zoals die is of je ertegen vecht
  • het visualiseren van je authentieke verlangen
  • het realiseren van je verlangen (grenzen verleggen)
  • inspireren: inspireer anderen

Iedereen die tijdens de jubileumdag van genoemde Vereniging, op 8 oktober 2012 in de ReeHorst in Ede meedeed aan de workshop De beweging van de geest, zal wel één en ander herkennen en kan zijn/haar ervaringen ‘op een rijtje zetten’. Want dat kun en mag je alleen zelf doen. Pas dan wordt het – om iemand van de Vereniging tijdens een andere workshop te parafraseren – ‘een manier van leven.’

Anne van der Meiden
Zoals Van der Meiden leefde, in alle vrijheid, openheid, met oog voor vernieuwing en zonder net als Peutke te berusten, zonder al teveel naar grenzen en wellicht ook afgebakende modellen à la Krijger of Noorloos te kijken. Zelf veranderde hij van orthodox gelovige in een vrijzinnige. Hij was lid van zowel de Nederlandse Protestanten Bond, de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden én de Protestantse Kerk Nederland. Hij had het over ‘verinnerlijking van communicatie’, zoals al die modellen misschien uiteindelijk leiden tot verinnerlijking of – zoals bij Noorloos – inspiratie van anderen, zoals ik dat ook een keer heb mogen zijn voor iemand tijdens een reis door Noorwegen. Ik denk – en hoop – dat wij dit allebei niet zijn vergeten.

Niet alleen heb ik Van der Meidens streekroman destijds met veel plezier gelezen (er is nog een vervolg op verschenen, Schering en inslag, dat ik nog wil lezen) wat mij aanzette tot het schrijven een paar columns/blogs (zie ook: https://elsvanswol.nl/zwijgen-bij-volle-maan/), maar ook mocht ik hem graag horen, wanneer hij voorging in de Alle-Dag-Kerk in Amsterdam. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

[1] Ds. Eddy Reefhuis, 12 augustus 2011 e.v.

De afscheidsviering is op 9 juni 2021 in de kerk van de Protestantse Gemeente van Usselo om 14.30 uur. Deze valt via live streaming te volgen: https://kerkdienstgemist.nl/stations/2304-Protestantse-Gemeente-Usselo/events/event/15708162-202106091100

Kinderen van Apate – Alicja Gescinska

Kinderen van Apate : over leugens en waarachtigheid / Alicja Gescinska. – Eerste druk. -Rotterdam : Lemnicaat, 2020. – 96 pagina’s ; 22 cm ISBN 978-90-477-1244-2

De Pools-Vlaamse filosofe en schrijfster Alicja Gescinska schreef voor de Maand van de
Filosofie 2020 een essay over het thema daarvan: waarheid, of liever – door haar blik –: waarachtigheid. Mooi en helder ontvouwt zij de redenen die tot de teloorgang van waarheid hebben geleid, vanaf het moment dat de godin Apate uit de doos van Pandora ontsnapte en misleiding en bedrog in de wereld kwamen, tot de ‘post-truth’,
alternatieve feiten en nepnieuws van nu. Als hoofdverantwoordelijken daarvoor wijst ze aan: het postmodernistisch relativisme, de analytische taalfilosofie, het einde van het expertisme, intrinsieke mankementen van de liberale democratie en het idee dat liegen loont. De auteur zoekt weerstand in uiterlijke en innerlijke waarachtigheid, oprechtheid en authenticiteit tegenover jezelf en anderen. Hierbij doet ze enkele boude uitspraken, die een smet op het essay vormen als je ze tot het eind toe zou doordenken. De bedoeling is dat in filosofie geïnteresseerde lezers komen tot een zinvol, waardevol en moreel te verantwoorden leven in vrijheid. De uitgave is voorzien van een literatuurlijst en eindnoten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Karl Jaspers bij HOVO Amsterdam

‘Wat is transcendentie? Waarom moeten we wat we niet kunnen uitleggen – liefde, hoop – toch koesteren? Jaspers kan inzichten bieden om er een eigen oordeel over te ontwikkelen.’

Zo staat het in de cursusaankondiging van HOVO Amsterdam: een cursus die binnenkort start over de psychiater Karl Jaspers, die vooral bekend werd als filosoof. Er is een cursusboek: Sporen van transcendentie van Jozef Waanders. De samenvatting daarvan luidt: ‘De Duitse filosoof Karl Jaspers (1883-1969) heeft als weinig anderen de crises van het moderne denken en bestaan verwoord en geduid. Daarbij stelt hij heel nadrukkelijk de vraag wat de filosofie – in het bijzonder de metafysica – in de moderniteit nog kan betekenen. Hij staat sceptisch tegenover de mogelijkheid van iedere (systematische) kennis en wijst voortdurend op de onoplosbare gespletenheid van het moderne leven. Maar tegelijkertijd laat hij zien hoe zich juist in die begrenzing en gebrokenheid óók de mogelijkheid van authentiek mens-zijn en transcendentie openbaart.’
Alles bij elkaar genoeg om me direct voor deze cursus via Zoom aan te melden. En ter voorbereiding vast een ander boek dan dat van Waanders te gaan lezen. Met als opgave om na afloop van de cursus te bekijken of ik op grond van het boek dat ik las, de cursus door Petra Bolhuis én het boek van Waanders in staat ben om een eigen oordeel te ontwikkelen.

Ik begon met het boek Filosofie van de onbekende God. Een kritische schets van het denken van Karl Jaspers van de hand van J.M. Spier. Hieronder geef ik weer, wat ik daaruit heb opgestoken. Voor lezers van deze blog die misschien, net als ik, nog niet zoveel van Jaspers weten wellicht ook interessant.

Ouverture
Een zin die mij aansprak, is: ‘Aan de ene kant wil filosofie bij hem geen wetenschap en geen gesloten systeem zijn. Want de waarheid is niet, doch zij wordt (…). Anderzijds wil zijn existentie-filosofie geen irrationalisme zijn, geen tegen-redelijke beweging’ (p. 8). Mooi, zorgvuldig geformuleerd, want wat ik nu al door heb, is dat Jaspers geen existentialist was, maar een existentie-filosoof, en dat is wat anders.
Het rijtje van filosofen waarvoor Jaspers een voorkeur heeft, en het rijtje van filosofen in wiens voetsporen hij wilde denken, zijn ook al veelbelovend. Enerzijds zijn dat Plotinus, Boëthius, Cusanus en Kant, en anderzijds Plato, Plotinus, Spinoza en Kant.
En dan heb ik het nog niet eens over de dialectische beweging die Spier in zijn werk herkent. Ik meen daar een zekere verwantschap met Karl Barth in te herkennen, hoewel die volgens Spier kritisch tegenover Jaspers denken stond. Niet alleen in de dialectiek, maar ook door een omschrijving als het ‘terugkeren tot de “grond”, nl. de transcendente, onbekende God’ (p. 14), ‘de grond van het Zijn’ (p. 16).
Met name het woordje ‘grond’ doet mij denken aan diens Tambacher Rede, maar ook aan Spinoza zoals Herman De Dijn hem in een recent boek (De andere Spinoza) beschrijft: de grond ‘als Natura Naturans, “onder” alle dingen’ (p. 200), hoewel De Dijn dat met Jean Wahl ‘trans-des-cendentie noemt. De Dijn schrijft in in zijn recente boek niet dat ‘aan zijn God wellicht toch een vreemde soort transcendentie toegekend moet worden’ (p. 11), hoezeer ook altijd de nadruk valt op diens immanente denken? Jaspers heeft het over de transcendentie die verschijnt in de immanentie (p. 33 Spier). We zullen het zien; het is complex, zoals De Dijn terecht concludeert.

Immanentie en transcendentie
Spier gaat in het vijfde hoofdstuk van zijn boek dieper in op de verhouding tussen wat hij noemt ‘de wijzen van het omvattende’, immanentie (bewustzijn, geest) en transcendentie (existentie en rede) bij Jaspers. Spier heeft het in dit verband over ‘het dualisme van Jaspers’ conceptie (…), die niet op een diepere eenheid teruggaat’ (p. 27), Dit is dan in tegenspraak met eerdere uitingen over de dialectiek van Jaspers, die hij denk ik eerder bedoelt en die wel degelijk een diepere eenheid, een grond kent zoals wij zagen. En het is ook in tegenspraak met latere uitlatingen, waarin hij stelt dat beide niet tegenover elkaar staan, alsof er tweeërlei zijnde is (p. 43) en dat de dialectiek ‘geen tegenstellingen overbrugt, noch gevaarlijke spanningen opheft, doch die laat voor wat ze zijn’ (p. 73). Het is alsof ik mijn oud-wijkpredikant ds. Eddy Reefhuis hoor, die mij wees op Barths Tambacher Rede en die vond dat ik maar mooi bij het dialectische denken moest blijven.

Chiffre
Het omvattende staat voor ‘het zijn zelf, god en wereld’ (p. 32). De wereld is het ‘radikaal-andere tegenover de Transcendentie’ (p. 35), de ‘verborgen God (…) [die] boven en buiten de wereld staat’ (p. 39). In de wereld zou niets anders van Hem zijn dan het chiffre, het codeschrift of symbool ‘waarin god spreekt of verschijnt’  (p. 95). Jaspers ontkent, dat je g/God kunt kennen. Niet door het chiffre, dat ‘wordt vernomen, niet begrepen of gekend’ (p. 96) en ook niet door Zijn Woord, dat hij hier helemaal niet noemt, of ombuigt in ‘de ervaring van deze wereld als spraak van god’ (p. 47) waarnaar men eenvoudig moet luisteren.
Overigens is niet alleen het zinnelijk-waarnemen in de wereld, maar ook de gedachte zelf die een chiffre kan worden. Bijvoorbeeld in ‘ontvouwingen bij dichters en filosofen’ (p. 97). ‘Chiffre wordt alles, als ik erbij vertoef, getroffen door een lichtstraal uit de grond van het Zijn’ (p. 98). Daar hebben we de grond weer! Maar dat kan wel zo zijn, Spier benadrukt telkens weer, dat ‘alles hoogstens gelijkenis en heenwijzing is. Nooit bereik ik god zelf’ (p. 98). Het chiffre benadrukt ‘de tegenwoordigheid én afwezigheid van de Godheid’ (id.). Het gaat niet om het kennen van g/God, ‘maar om de zelfverwerkelijking van de mens’ (p. 99).

Wijsgerig geloof
Wat ook hand in hand gaan, zijn ‘het geloof en de rede als uitingen van de existentie’ (p. 45). Het filosofisch geloof, wel te verstaan, dat ‘nooit kan stollen tot dogma of confessie’ (id.). Daarin kun je de dialectiek van these en antithese niet loslaten, want dan verval je in ‘eenlijnige gedachtengangen’ (p. 51) in plaats van het rusteloos zoeken naar de waarheid. ‘Waarheid voor de geest is overtuiging in ideeën, terwijl waarheid voor de existentie geloof is’, schrijft Spier elders (p. 66). Waarheid en liefde zijn de bron van vrijheid. Die vrijheid doet ons onvoorwaardelijk handelen bij iets nieuws uitkomen.

Je kunt niet ontkennen dat Jaspers daarin een kernboodschap van het Christendom heeft gegrepen. Hij schreef zelf, dat hij zich ervan bewust is ‘te leven in samenhang met het Bijbelse denken, daarin geboren te zijn en te ademen’. Hij houdt zich ‘voor een protestant (…) en heeft de gelukkige protestantse vrijheid zelf – zonder middelaar – in onmiddellijke relatie tot de Transcendentie, volgens de leidraad van de Bijbel en met Kant’ (p. 104). Al ziet Spier dit anders: ‘Zonneklaar blijkt dat juist datgene, wat het christendom tot christelijke religie maakt, bij hem niet alleen afwezig is, maar dat hij daarentegen een verbeten strijd voert’ (p. 107). Jaspers treft de drie-eenheid volgens Spier ‘in het hart’ (p. 107), daarmee omzeilend dat er veel gelovige niet-trinitariërs bestaan.
Sterker is misschien het feit, dat Jaspers de goddelijke openbaring verwerpt. Dit is volgens hem ‘een mythisch begrip, dat is beeldspraak met een bovenzinnelijke betekenis. Wie – volgens hem – aan de openbaringsidee haar mythisch karakter ontneemt en de openbaring opvat in de zin van empirische realiteit, die vervalt tot materialisme’ (p. 111). Hiermee ontzielt volgens Spier ‘deze denker de christelijke religie’ (id.). Sterker nog, volgens hem komt hij ‘plotseling aandragen met een platvloerse rationalistische kritiek op de mysteriën van het christendom’ (p. 112).

Beoordeling
Spier stelt, dat ‘de betekenis van het wijsgerig-bezig-zijn zó hoog is gespannen, dat het schijnt, alsof de functie, die de filosofie in het bestaan van de eigenlijke mens vervult, een religieus karakter draagt’ (p. 135). Ten aanzien van de verhouding tussen beide, filosofie en religie, schrijft Spier dat ‘ons leven gedragen moet worden door een diepere ordening, anders gaat het in versplintering verloren. Doch mét een ordening heeft het een zin’ (p. 137), een zinsnede die mij doet denken aan het bekende lied van Willem Barnard waarin sprake is van ‘zin en samenhang’ (Lied 225 uit het Liedboek voor de Kerken). ‘Filosoferen is tegelijk leren leven en kunnen sterven. Dan is het bestaan zinvol’ (p. 138). Onder dit gezichtspunt is filosofie geseculariseerde religie. Oftewel: ‘De filosofie kan niet geven wat de religie aan de mensen geeft. Daarom laat ze ruimte voor de religie’ (p. 139). ‘Twee wegen naar het ware geluk’, om de ondertitel van het hiervoor genoemde boek van Herman De Dijn over Spinoza aan te halen.

Spier besluit zijn boek met ‘Wat anderen zeggen’ (Barth, Van Riessen, Zuidema, Severijn, Jonker, Van Peursen en Beerling). Dat laat ik hier voor wat het is; het gaat me er straks om, wat Waanders in zijn boek en Bolhuis in haar HOVO-cursus over Jaspers te zeggen hebben en uiteindelijk hoe ik Jaspers’ werk weeg. Dan heb ik pas wat geleerd.

Nanda van Bodegraven – Wandelgids naar vrijheid

Wandelgids naar vrijheid : filosofeer doeboek en teksten bij vrijheidvanamsterdam.nl / Nanda van Bodegraven ; redactie Jeroen Hoogerwerf. – [De Meern] : Levendig Uitgever, [2020]. – 96 pagina’s : illustraties ; 23 cm ISBN 978-94-917407-7-0

De filosofe, publiciste en trainer Nanda van Bodegraven nam het initiatief om tien filosofische stoeptegels in het centrum van Amsterdam aan te laten brengen. Dit boek geeft achtergrondinformatie bij twee filosofische wandelingen daarlangs: een over het ontstaan van de vrijheid in Amsterdam en een van Descartes naar Spinoza. De informatie (gericht op kinderen) en wandelingen nodigen kinderen uit om zich zowel bewust te worden van de wortels van onze vrijheid als na te denken over dit begrip in het verleden, nu en in de toekomst. De auteur beperkt zich tot de zeventiende eeuw (alhoewel de zestiende eeuwer Coornhert een paar keer nadrukkelijk wordt genoemd), met de nadruk op Spinoza en waaiert daarbij soms ver uit, bijvoorbeeld over wat Spinoza las (Bacon). Bevat enkele schoonheidsfoutjes en soms zou je een ander monument verkiezen; zo is de Alteratie in de Oude Kerk nog zichtbaar in een tekst op het koorhek. Fraai vormgegeven, met invulvragen en opdrachten. Zie ook www.vrijheidvanamsterdam.nl voor (gratis) audioversie, route en (uit te vergroten) plattegronden. Leuke wandelgids over het thema vrijheid. Voor leerkrachten, of (groot)ouders, om met kinderen van ca. 10 t/m 13 jaar al filosoferend te lopen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.