Marcus van Loopik – Leven en laten leven

Leven en laten leven : ecologie en de Joodse traditie / Dr. Marcus van Loopik. – [Amsterdam] : Mastix Press, [2020]. – 203 pagina’s ; 21 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-921102-5-1

Publicist over judaïca en beeldend kunstenaar Marcus van Loopik benadert ecologische thema’s op onderscheidende wijze, namelijk vanuit de joodse traditie en joods-religieuze gezichtspunten. Aan de orde komen onderwerpen als: de natuur als inspiratiebron; de mens als deelgenoot van de schepping; vleesconsumptie en vegetarisme; menselijk ingrijpen in de orde van de natuur. Zo zouden de joodse spijswetten kunnen bijdragen aan een algemeen gedeeld ecologisch besef. Van Loopik
zoekt naar evenwicht en juiste prioriteiten, waarbij hij zich afzet tegen het utilisme (zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen) en de natuur ziet als een plek van
ontmoeting met God en Zijn mysterie. Een boek dat hecht in elkaar zit en waarin de
auteur enkele elementen (cirkel en lijn bijvoorbeeld) herneemt uit zijn Terugblik op de
toekomst (1993). Voor lezers die in zowel ecologie als het joodse denken zijn
geïnteresseerd. Met eindnoten. Voor niet-joodse lezers had een verklarende
woordenlijst goede diensten kunnen bewijzen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

In memoriam Gundl Benes-Puschnig

Het waren altijd genoeglijke uurtjes in het fraaie huis van Gundl en Pim Benes aan het Europaplein in Leeuwarden. Oene Nijdam, aan het begin nog een enkele keer Theo Lambooij en ik kwamen er samen wanneer de concertbrochures voor het nieuwe seizoen waren verschenen, en we de ‘buit’ gingen verdelen: wie ging welk klassieke muziekconcert recenseren? Niet dat we tussendoor niet nog konden worden gebeld door onze chef, Pieter de Groot, als er – meestal in de provincie – een concert tussendoor bij kwam.

Viermanschap
Hoe verdrietig: op 14 februari jl. overleed Rautgund Benes-Puschnig op 81-jarige leeftijd, nadat Theo Lambooij (geb. 1901) haar al in 1995 was voorgegaan en Oene Nijdam (geb. 1944) verleden jaar mei. Ze overleed op dezelfde dag als de geboortedag van haar vader, die als koordirigent, recensent en historicus werkzaam was in het verwoeste Graz, waar ze als oorlogskind opgroeide en op 9-jarige leeftijd naar Nederland werd gestuurd.
Alle vier waren we oud-muziekrecensent van de Leeuwarder Courant. Ik vulde het driemanschap Lambooij-Benes-Nijdam in 1981 aan, ‘omdat Theo Lambooij een stapje terug deed’, zoals dat heette. En al snel verving ik hem helemaal. Ik ben uiteindelijk van 1981-1988 als muziekredacteur, zoals het officieel werd genoemd, aan de krant verbonden geweest. En heb daarna spaarzaam contact met Gundl Benes gehouden; zij was van 1968-2000 aan de krant verbonden en schreef maar liefst 743 recensies.

Opera’s
Het waren niet alleen genoeglijke uurtjes, maar ik heb ook veel van haar geleerd. Niet in de zin zoals ik J. Reichenfeld (Algemeen Handelsblad) min of meer als mijn leermeester beschouw, en op wiens reservebankje ik mocht zitten (en overigens nooit heb hoeven op te staan), maar op een andere manier. Al de eerste keer meldde ik bijvoorbeeld meteen weinig of niets van opera’s te weten. Hindert niet, zei Gundl – dan leer je het maar. Je moet het gewoon dóen. We doen alles samen, niets uitgezonderd. Het was een typerende opmerking van haar.
Ik ben er haar dankbaar voor en nadat ik me als een razende begon in te lezen en lp’s leende uit de Openbare Bibliotheek (waar ik overigens als afdelingshoofd werkte, en zij gedurende een periode bestuurslid was) om er in thuis te raken, begon ik schoorvoetend opera’s te recenseren. Om gaandeweg inderdaad gewoon ook in dat genre mee te draaien. Meestal waren het opvoeringen van Opera Forum (1955-1993). De meeste ben ik op één of andere manier vergeten, maar enkele zijn me bijgebleven: Fidelio van Beethoven en Pelléas et Méllisande van Debussy. Gundl heeft iets in me gezaaid dat, weer terug in Amsterdam, uiteindelijk heeft geleid tot een opera-abonnement …

Orgelconcerten
Ik trad destijds in dienst aan de vooravond van de zomerse orgelconcerten, een genre dat me (in eerste instantie) meer lag dan opera’s. Het tegenovergestelde gold voor Pim Benes, die wel met zijn vrouw meeging de provincie in, maar er niet zoveel van moest hebben. Ook ik moest er meteen op uit, naar Bolsward, Sneek, Jorwerd, Damswoude en Dokkum en leerde zo de provincie kennen.
Op een avond ging ik, dichter bij huis, naar de Grote Kerk in Leeuwarden, waar Volumina (1962) van György Ligeti (1923-2006) zou worden uitgevoerd. Spectaculair, want het begint met het lucht door de pijpen laten gaan, dan alle registers opentrekken en met het gewicht van beide armen op de toetsen gaan liggen. Als ik me goed herinner, was de brandweer zelfs aanwezig, want dit kon wel eens verkeerd uitpakken. Gewapend met de partituur van enorme afmetingen, trof ik na binnenkomst van de kerk Gundl aan. Hé, jij ook hier zullen we wel tegen elkaar hebben gezegd. We besloten allebei de helft van het concert te recenseren en ik mocht als liefhebber van moderne muziek het genoemde stuk voor mijn rekening nemen. In de recensie schreef zij later: ‘Ik geef nu het stokje aan….’.
We gingen naast elkaar zitten, de partituur over ons beider schoten geopend. Ze moet me volledig hebben vertrouwd, want halverwege het stuk dommelde ze weg en gleed de partituur aan haar kant langzaam naar de grond.

Flauwvallende pianist
Niet dat we het nu altijd met elkaar eens waren. Ik kan me nog herinneren dat ik een keer een pianorecital moest verslaan (ik kies hier expres voor dit woord) van een student aan de Muziek Pedagogische Academie in Leeuwarden (1973-1999). Halverwege het concert viel de pianist flauw, waarvan ik in mijn recensie sec melding maakte. Niet meer en niet minder. Gundl was het hier niet mee eens, maar ik verweerde me door te zeggen dat ik me ook journalist voelde binnen de context van een krant. Later trof ik de docente van deze pianist in de trein, mevrouw Espinosa. Ze was het met me eens.

Humor
Ik weet niet hoe er op de recensies van Gundl is gereageerd. Op die van mij kwamen spaarzaam – overigens meestal geen negatieve – ingezonden stukken, een enkele brief van een musicus (waarvan ik die van Klaas Hoek uit 1984 mij zeer raakte) en hoorde ik dat in de kantine van het toenmalig Frysk Orkest recensies (die van mij, die van ons?) op het prikbord werden gehangen, en musici er met dartpijltjes op schoten. Ach ja, je moet toch wat om je af te reageren. Ik heb er Gundl nooit over gehoord. Over zulke dingen sprak je ook eigenlijk niet. Bovendien was Gundel zowel open als gesloten tegelijk; haar laatste woorden richting mij, op haar kerstkaart, gaven dit aan: ‘Later dan anders maar niet minder welgemeen …’. Haar kennende, zou ze, als ze zich er wel over had geuit, dit vast met humor hebben gedaan.

Want zo was ze, lees ik ook op de rouwkaart: ‘Wij zullen haar humor en haar oprechte belangstelling in de mensen en wereld om haar heen gaan missen’. Waarvan akte. Haar nagedachtenis zij tot zegen.

Grotesk of niet

Het is bekend dat Arnon Grunbergs werk is beïnvloed door de grote Russische schrijvers. Misschien heeft hij daar ook zijn voorliefde voor het groteske vandaan, – het thema dat een rol speelde in mijn vorige blog.

Los van Grunberg, ga ik in deze blog als aangekondigd dieper in op het thema ‘grotesk(en’) in de literatuur. Behalve naar de Russen, zou je in dit verband ook kunnen wijzen op een Franse schrijver wiens boeken in Nederland onlangs weer meer in de belangstelling komen te staan: Jean Giono. Het werk van de naoorlogse Giono wordt, in tegenstelling tot diens vroegere werk, gekenmerkt door ‘als zodanig bedoelde grotesken, “serieuze” grotesken, zo men wil’.[i] Simon Vestdijk spreekt in een studie over ‘de zegeningen der natuur [die] zijn vervangen door haar gevaren, en vooral door het gevaar dat mensen voor elkaar vertegenwoordigen’.[ii] Het is alsof hij het heeft over het werk van Philippe Claudel, met dit verschil dat deze de zegeningen der natuur naast haar gevaren zet. In deze blog beperk ik mij tot Claudel, op wiens visie op het kwaad in relatie tot de filosofie van Susan Neiman ik ben afgestudeerd (zie afb.).

In Claudels romans komen veel grotesken voorbij van het (karikaturale) soort: kroegbaas Bourrache bijvoorbeeld, die net als de visser Maltoop in Rivier van vergetelheid ‘niet snugger’ is, diens vrouw, die net als de vrouw van hotelier Jos(eph) al dan niet ziek is. Zij komt in dit geval nooit uit bed, ‘vanwege wat we een kwijnende ziekte noemen’. Een ziekte waaraan ze, net als de vrouw van Jos, ‘gehecht was geraakt’. Bourrache heeft ‘een hoofd als een stronk witlof – geel met wit’, buitenproportioneel en in het oog springend, zoals grotesken betaamt.

Er komt echter nog een element bij, dat evenzeer grotesk kan worden genoemd. Claudel voert in zijn romans namelijk ook nadrukkelijk zogenaamde onnozelaars op. Deze ook wat grotesk weergegeven mensen in de marge vormen niet zozeer een gevaar voor de samenleving, maar zijn eerder authentiekelingen à la Jean-Jacques Rousseau, of deels ‘heilige gekken’ (jurodivi) zoals in de romans van Dostojevski, zonder dat de onnozelaars bij Claudel als Christusachtige personages – gelijk bij Dostojevski – kunnen worden gezien. Het zijn eerder personages die er aanleiding toe geven dat mensen met macht, namelijk degenen die Claudel meestal met alleen hun beroep aanduidt, kunnen groeien in hun nadrukkelijke aanwezigheid en machtuitoefening.

Voorbeelden in deze context zijn de Burgemeester en de Dokter, bijvoorbeeld  in Archipel van de hond (2018). De omschrijving van deze personages is wederom grotesk: de Burgemeester ‘was zo mager als een ansjovis, met een droog, geel gezicht en grijs haar.’ Hij was zo klein ‘als een oud kind’ en ging gekleed in een vissersbroek.
De dokter daarentegen was ‘zo groot en zo rond als een ton. Kaal en rood. Zijn bovenlip ging schuil achter een dikke, zwartgeverfde snor’. Hij was gekleed in een linnen kostuum met gaten en vol vlekken.

We kunnen met zowel Vestdijk als Grunberg concluderen, dat grotesken in de naoorlogse literatuur een rol spelen als metaforen voor de gevaren die mensen voor elkaar vertegenwoordigen. De extra laag die Claudel daarbij aanbrengt, de zogenaamde ‘onnozelaars’, wijst ook in die richting: mensen met macht maar zonder al teveel verstand, haast gekleed als de keizer zonder kleren.
Niet alleen grotesken, maar ook gewone, al dan niet sjofel geklede burgers zijn in staat om kwaad te doen. ‘De banaliteit van het kwaad’ noemde Hannah Arendt dat. En zoals de zegeningen van de natuur bij Claudel naast haar gevaren staan, zo staan deze mensen – zoals bij Arendt Adolf Eichmann – naast grotesken. Althans in de literatuur, waarin ze beiden worden uitvergroot. Want de werkelijkheid is anders. Misschien mede een reden waarom Grunberg een beetje afstand van ze heeft genomen.

 

[i] S. Vestdijk, Gallische facetten. Van Proust tot Simenon. [Doorn], Stichting A.K. Auteursrechten Simon Vestdijk, 2001.
[ii] Ibid., p. 197.

‘Auschwitz is een ziekte’

Aan de vooravond van de internationale conferentie ‘The Politics of Jewish Literature and the Making of Post-War Europe’ spraken op 28 januari jl. Yolande Jansen (universitair hoofddocent filosofie aan de UvA en bijzonder hoogleraar aan de VU) en David Wertheim (directeur van het Menasseh Ben Israel Instituut) met schrijver Arnon Grunberg.

Wertheim trapte af met de vraag: ‘Auschwitz is een ziekte, waarvan je niet wilt genezen. Wat voor ziekte?’
Ik neem dit beeld tot uitgangspunt voor deze blog. Eerst citeer ik het antwoord van Grunberg en vervolgens ga ik na wat die metafoor mij te zeggen heeft. In het laatste geval gebruik ik een mooie recensie die Vrouwkje Tuinman schreef over het boek Het ontsterven van Pulitzerprijswinnaar Anne Boyer (in Trouw, 30 januari jl.).

Arnon Grunberg
Grunberg antwoordde, dat dit een gevaarlijke metafoor is, een parafrase van Primo Levi. ‘We zijn er nog steeds vatbaar voor. We herinneren ons en (h)erkennen, dat de vervolgingen nog wel eens terug kunnen komen. Het idee van genezen verklaard zijn, staat me tegen. Ik kan niet geloven in een terugkeer naar de normaliteit, naar de status quo.’

Wertheim vraagt of het hem dan heeft verrijkt, en Grunberg antwoordt dat dit hem al even gevaarlijk in de oren klinkt. ‘Je mag dat alléén zeggen, als je dat breder trekt. De Tweede Wereldoorlog gaat iedereen aan, niet alleen het joodse mensbeeld of het Duitse. We kunnen niet terugkeren naar het humanisme van vóór 1933. De geschiedenis ontkennen, is absoluut onwenselijk. We moeten anders omgaan met het verleden. Misschien leren we komende catastrofes voorkomen. Misschien.’

Tot zover Wertheim en Grunberg.

Anne Boyer
Vrouwkje Tuinman bespreekt als gezegd Anne Boyers boek Het ontsterven, waarin ze ‘onopgesmukt, scherp en snedig schrijft over (haar) kanker en de kankerindustrie’. Boyer moffelt de waarheid over ‘het maatschappelijke moeras waarin je bij kanker belandt’ niet weg. Ze moet niets hebben van “het verslaan” van de ziekte, want er zijn mensen die het niet “lukte”. Omdat ze geen geld hadden of omdat ze ‘er een andere ziekte aan overhielden’.

Wie is het, vergelijkenderwijs, gelukt de Tweede Wereldoorlog te overleven, zonder nachtmerries en depressie(ve gevoelens)? Niet veel mensen. Zijn de Duitsers verslagen, of kunnen we toch ook van de naoorlogse manier van hun omgang met het beladen verleden leren, zoals Susan Neiman in een recente studie betoogt? Misschien.

Boyer schrijft geen handleiding over hoe je met kanker om moet gaan, want dat kan niet. Een handleiding hoe te leven bestaat volgens dichteres Ellen Deckwitz ook niet. Handleidingen over hoe je je leven moet leiden (of hoe je het lijden uit de weg zou kunnen gaan), over omgaan met ziekte en sterven. Al zijn er genoeg schrijvers die naar zulke inzichten zoeken, van Aelius Aristides tot René Gude. ‘Ik kan’, schrijft Boyer, ‘alle juiste ideeën aanhangen (…) en toch aan borstkanker sterven, en ik kan louter foute ideeën aanhangen en foute dingen doen en toch blijven leven’.

Verbergen
Het probleem is misschien hetzelfde als bij de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog: ‘Voor je het weet ben je’ of is het ‘onderdeel geworden van een industrie met uiterst dubieuze kanten’: slechte films over de oorlog, de kankerindustrie. De aandacht gaat in het laatste geval dan naar pruiken, protheses en andere manieren om te ziekte te verbergen.
Zo hoeft het ook niet verborgen te blijven dat je een jood bent, zegt Grunberg. Je kunt, zegt hij ‘niet meer oprecht geloven dat je onzichtbaar bent’, waarbij hij George Steiner citeert. Je spreekt namens jezelf en je valt nooit geheel met een groep samen. Niet met ‘de’ zieken en niet met ‘de’ joden.

Boyer breekt met de trend om te verbergen. Ze laat volgens Tuinman ‘zien hoe het die grote groep mensen die op oncologiefolders staan, stralend van “multiraciale en alle leeftijd omspannende blijdschap” werkelijk vergaat. En wat dat zegt over onze maatschappij’.
Heeft het haar verrijkt, zoals Wertheim aan Grunberg vroeg? ‘De overtuiging dat sterfelijkheid een “schitterend raamwerk” is? ‘Na mijn kanker vond mijn auteurschap dat het nu vrij baan had’.

Grotesken
Bij Grunberg is het misschien omgekeerd. Hij antwoordt op een vraag van Yolande Jansen, dat hij het groteske, ironische dat een boek als De joodse messias kenmerkt, steeds minder is gaan inzetten. Dat heeft, zegt hij, ook met de tijdgeest te maken en de iets andere rol die hij als schrijver is gaan spelen, toen hij zich meer in politieke debatten ging mengen. Het groteske kan steeds minder op begrip rekenen. Maar: ‘een wereld zonder grotesken is een wereld zonder romankunst’. Over grotesken in de romankunst in een volgende blog meer.

Tweeluik

Hogepriester Kaaper (Sacqqarah,          Dietrich Bonhoeffer,
3de millennium voor Chr.)                       Alfred Hredlicka (1977, Beelden
sycamore hout                                        aan Zee, Scheveningen)
kwarts ogen                                            brons
oogleden koper

Alan Morinis – Van Hoofd tot Hart

Van hoofd tot hart : 48 Mussar-lessen om je leven te transformeren / Alan Morinis ; vertaald [uit het Engels] door Henri Jules Vogel. – [Amsterdam] : Mastix Press, [2020]. – 265 pagina’s ; 24 cm. -Vertaling van: With heart in mind : Mussar teachings to transform your life. – Boston : Shambhala Publications, 2014. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-921102-4-4

Morinis ging op zoek naar een leidraad voor het leven binnen het joodse denken. Hij vond dit in Mussar (ethiek, moraal), een traditie van toepasbare wijsheid, die is ontstaan in het negentiende-eeuwse Litouwen. Morinis, van origine antropoloog, publiceerde eerder Het heilige in het alledaagse (2014). In dit nieuwe boek neemt hij Pirkei Avot (Spreuken der Vaderen), een deel van de Misjnah (mondelinge leer) tot uitgangspunt. In 48 lessen en oefeningen probeert Morinis op het spoor te komen van nieuwe spirituele ideeën en daarnaar te leren leven. De thema’s betreffen allemaal dingen die ons ten goede kunnen veranderen, zoals: blijdschap, vriendschap en feedback. De primaire doelgroep zijn joodse lezers, maar ook een in het joodse denken geïnteresseerd publiek kan in dit boek veel vinden dat niet alleen op Pirke Avot maar ook op de Torah (Hebreeuwse Bijbel) is geïnspireerd. Wat aan de titel ontbreekt, is ‘Handelen’, dat binnen Mussar zo’n grote rol inneemt. Dit kan de lezer op het verkeerde been zetten. Wat soms stoort, is een wat elitaire toon. Het boek bevat een aantal eindnoten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Een instrument

Tijdens een cursus over Spinoza, gaf Spinozakenner Miriam van Reijen eens een mooi voorbeeld van diens denken. Het ging erover, dat je lang om iets heen kunt draaien, en maar niet tot iets kunt komen, maar dan – opeens, is het moment daar om tot actie over te gaan.
Het doet me denken aan de manier waarop ik onlangs iemand die ik interviewde en die ik een beetje via social media volg, een tekst uit Galaten 4:4 (‘Maar toen de tijd gekomen was’) hoorde uitleggen: het is de volheid van de tijd om iets te veranderen.

Eenzelfde soort ervaring kwam boven op het eind van een avond over de roman Vaders en zonen van Toergenjev. Een leesclub via Zoom onder leiding van Thijs Kleinpaste, auteur van onder meer Tegenover Dostojevski. De vraag toen was, of in het boek van Toergenjev de weg der geleidelijkheid wordt bewandeld, of de revolutie wordt gepredikt. De meningen verschilden: de brave hervormers in het boek spelen niets klaar, – je mag best het bloed onder iemands nagels vandaan halen. Uiteindelijk luidde de conclusie, dat hervormingen in het boek gradueel verlopen. ‘Nieuwe wilden’ (nihilisten), zoals Jevgeni Bazarov, hebben we volgens Kleinpaste niet nodig.

Ik heb de weg der geleidelijkheid op deze blog wel eens eerder beschreven. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het denken van Jacob Burckhardt (‘Breuk of doorgaande lijn?’). Toch gaat het nu, na die leesclub, opeens knagen. Hoe móet het dan, nu het vijf voor twaalf is? Met het klimaat, de ecologie, en alle andere crises? Is de tijd niet vol, om écht iets te gaan veranderen in ons gedrag?

Ik hoor aan de ene kant mijn-oud geschiedenisdocent op het Hervormd Lyceum, J. de Rek zeggen, dat het goed komt. Hij had vertrouwen in de wetenschap, zoals Pjotr in Vaders en zonen. En ik zie aan de andere kant Greta Thunberg, die in schoolstaking gaat. In de documentaire over haar, I am Greta, zien we haar (nog alleen) voor het parlementsgebouw in Stockholm zitten, terwijl een mevrouw langsloopt en haar erop aanspreekt dat ze niet op school zit. Want, zegt ze, je moet leren en later studeren om wat voor elkaar te kunnen krijgen. Greta kiest voor een andere weg: politici wakker schudden. We zijn nog niet te laat, zegt  Greta.
We zien hoe velen – vooral mannen – haar bejegenen: lacherig en overtuigd van het feit dat ze toch al zoveel doen, zoals Jean-Claude Juncker, die het heeft over het binnen de Europese Unie harmoniseren van het doorspoelen van toiletten, wat dat dan ook mag zijn.
Het lijkt op het steeds botter wordende gedrag van Bazarov in Vaders en zonen, die ook politieke punten wil maken. Ook hem wordt overigens weer de les gelezen, door Arkadi, die als personage groeit en de eigenlijke hoofdfiguur van het boek is.

Thunberg kan dingen benoemen, maar er zijn anderen die moeten luisteren (politici), het werk doen: de wetenschappers van De Rek, het bedrijfsleven, agrariërs en niet in de laatste plaats wij. Het begint misschien met respectvol luisteren en als dat niet werkt, eisen aan subsidies stellen, zoals aan vervuilers als de KLM en regering die zich niet aan afspraken houdt terugfluiten, zoals Urgenda deed. In geleidelijkheid, maar niet met de traagheid die ons land – ook wat het vaccineren tegen Covid-19 betreft – zo kenmerkt. Dat kunnen we ons niet (meer) veroorloven.

Greta Thunberg spreekt in de documentaire de hoop uit, dat in iedereen iets van haar Asperger zit. Een vaker gehoorde (en ook wat bedenkelijke) opmerking die sinds Neurodiversity. The Birth of an Idea (1998) van Judy Singer wel wordt geuit. ‘Selectief mutisme’ noemt haar vader het. Ondanks dat, of dank zij dat, is zijn dochter, om enkele regels uit een gedicht (‘Katalysator (voor vrouwen’)) van Sonja Prins aan te halen

… een katalysator
die met het stichten van onrust
dienst doet

Een katalysator. ‘Maak mij een instrument’, zei Franciscus van Assisi al. Nu, meteen. Dat wel.

Twee wegen naar het geluk: Spinoza en Moltmann

Verleden jaar februari tot aan de uitbraak van corona in ons land organiseerde de Vereniging Het Spinozahuis enkele studiemiddagen in het Spinozalyceum in Amsterdam. Het onderwerp was ‘Het goede leven volgens Spinoza in de Ethica’. Op 15 februari 2020 sprak de Vlaamse emeritus hoogleraar moderne filosofie en groot Spinozakenner Herman De Dijn over de stellingen 1 t/m 20 uit deel 5 van de Ethica, en op 14 maar was Paul Juffermans aan de beurt. De laatste inleiding plus aansluitende discussie in groepjes (waarvan ik er telkens een mocht voorzitten) ging dus niet door. De lezing van Juffermans is via YouTube terug te zien, en van De Dijn hebben we nu het bij Pelckmans uitgegeven boek De andere Spinoza. De twee wegen naar het ware geluk.

Die twee wegen zijn:

  1. De brede weg, het vrome leven van gehoorzaamheid aan God en liefde tot de naaste
  2. Het steile pad, de filosofische religie die centraal staat in het boek van De Dijn, met een nieuwe interpretatie daarvan.

Het is niet mijn bedoeling het onderhavige boek hier te recenseren. In plaats daarvan wil ik dieper ingaan op De Dijns interpretatie van de stellingen 21 t/m 40 uit deel 5 van de Ethica, die mij, hoe vaak ik ze ook herlees, telkens weer raken. In casu de hoofdstukken 4 en 5 van deel 2 uit De Dijns nieuwe boek, dat op de longlist staat voor de Socratesbeker.

Geloven in God
Een kernzin luidt: ‘Spinoza komt tot de conclusie dat er een eeuwig bestaan van de geest “buiten verband met het lichamelijke bestaat”’ (p. 156). Dat wil zeggen dat de geest ‘een actief, eeuwig intellect is, onderdeel van Gods Intellect. Hij deelt als eeuwige essentie rechtstreeks in de goddelijke kracht tegelijk met alle andere (geestelijke) essenties, die samen de oneindige modus van Gods Intellect vormen’ (p. 159). Met andere woorden: de geest is ‘een kracht of activiteit die deelt in Gods eigen realiteit en eeuwigheid. Hij verschijnt dan als een eeuwige modus van Gods attribuut Denken en als een eeuwig deel van Gods Intellect’ (p. 160). Letterlijk geloven ‘in God’.

Dit betekent geloven in de Eeuwige, in JHWH, Die is, was en zal zijn. Wanneer ik mijzelf kan zien als zowel ‘uitdrukking van Gods attribuut Denken’ als ‘eeuwig deel van Zijn Oneindig Intellect’ (p. 172), dan is er sprake van wat Spinoza de derde soort van kennis noemt, ‘een soort contemplerende kennis, die tegelijk rationele kennis (…) veronderstelt én overstijgt’ (idem). Kennis die ‘direct en intrinsiek verbonden [is] aan vreugdevol én aan intellectuele liefde voor God én voor zichzelf’ (p. 173). Hieruit komt zielenrust voort. Spinoza heeft het zelf over salus (heil) en beatitudo (gelukzaligheid). Vrede met zichzelf, maar géén zelfgenoegzaamheid. De geest bereikt een ‘eeuwigheidsperspectief, los van (of ongeacht) het bestaan van zijn lichaam’ (p. 175). Het is een ‘schouwen en beminnen van God’ ineen (p. 177).

In het einde ligt het begin
Ik beleef eenzelfde soort vreugde bij het lezen van Spinoza’s Ethica en De Dijns boek als destijds bij het lezen van In het einde ligt het begin van de Duitse theoloog Jürgen Moltmann (Uitgeverij Boekencentrum, 2006). Zeker, er zijn tot op zekere hoogte overeenkomsten. Waar Spinoza bijvoorbeeld veelvuldig de apostel Paulus parafraseert en aanhaalt (‘Alle dingen zijn in God en bewegen zich in God’), zo citeert Moltmann soortgelijke woorden van Johannes: ‘Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem’ (I Johannes 4:16). Ofwel: ‘Alles blijft in God. Met God zijn wij, sterfelijke wezens, onsterfelijk. Ons vergankelijk leven blijft onvergankelijk in God bestaan’ (Moltmann, p. 114).

Natuurlijk zijn er ook verschillen tussen het denken van Spinoza en Moltmann; de een bewandelt het steile pad (Spinoza), de ander de brede weg (Moltmann). Die verschillen laten zich misschien het meest duidelijk maken aan de hand van de Bijbeltest die vooraf gaat aan het vers dat Moltmann citeert: I Johannes 4:7-10:

7 Geliefden! Laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent God;
8 Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde.
9 Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.
10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.

Het begin zal Spinoza kunnen beamen (vs. 7-8), inclusief het kennen van God, maar dan zal hij stoppen. De openbaring in het algemeen en die van Gods eniggeboren Zoon erkent hij niet. En op dat punt haakt Moltmann in. Dat zou ook wel eens de reden kunnen zijn waarom de theoloog Rochus Zuurmond, die in dezelfde tijd dat de studiemiddagen van Het Spinozahuis in Amsterdam plaatsvonden overleed, uiteindelijk afhaakte na het lezen en bestuderen van Spinoza’s werk. Wellicht dacht hij aan Psalm 139 en geloofde dat God hém liefhad eerder dan dat hij God kon kennen.

Dat laat onverlet, dat Spinoza, De Dijn en Moltmann mij vreugde schenken. In God.

Kinderen van Apate – Alicja Gescinska

Kinderen van Apate : over leugens en waarachtigheid / Alicja Gescinska. – Eerste druk. -Rotterdam : Lemnicaat, 2020. – 96 pagina’s ; 22 cm ISBN 978-90-477-1244-2

De Pools-Vlaamse filosofe en schrijfster Alicja Gescinska schreef voor de Maand van de
Filosofie 2020 een essay over het thema daarvan: waarheid, of liever – door haar blik –: waarachtigheid. Mooi en helder ontvouwt zij de redenen die tot de teloorgang van waarheid hebben geleid, vanaf het moment dat de godin Apate uit de doos van Pandora ontsnapte en misleiding en bedrog in de wereld kwamen, tot de ‘post-truth’,
alternatieve feiten en nepnieuws van nu. Als hoofdverantwoordelijken daarvoor wijst ze aan: het postmodernistisch relativisme, de analytische taalfilosofie, het einde van het expertisme, intrinsieke mankementen van de liberale democratie en het idee dat liegen loont. De auteur zoekt weerstand in uiterlijke en innerlijke waarachtigheid, oprechtheid en authenticiteit tegenover jezelf en anderen. Hierbij doet ze enkele boude uitspraken, die een smet op het essay vormen als je ze tot het eind toe zou doordenken. De bedoeling is dat in filosofie geïnteresseerde lezers komen tot een zinvol, waardevol en moreel te verantwoorden leven in vrijheid. De uitgave is voorzien van een literatuurlijst en eindnoten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Koning en kind

 

Van ’t vroeglicht van de dageraad
tot waar de zon weer ondergaat
zingt elk de koning Christus eer
het kind der maagd is onze Heer.

 

 

Deze eerste strofe van Lied 516 uit het Liedboek (O solis irsus cardine) is voor mij de samenvatting van het Christmas Oratorio (2019) van de Schotse componist Sir James MacMillan, dat afgelopen zaterdag zijn première beleefde in het NTR Zaterdagmatinee. Gespeeld en gezongen door twee solisten, Mary Bevan (sopraan) en Christopher Maltman (bariton) op een, getuige de presentator van de ratio-uitzending ver in de zaal uitgebouwd podium, met de rug naar het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor met een scherm voor zich waarop componist/dirigent James MacMillan was te volgen.

Koning Christus en het kind, of – om de titel van een boek van Karl Barth in een vertaling van Nico T. Bakker te parafraseren – Het koninklijke kind. Zo heb ik het ervaren. Zoals Barth telkens twee kanten laat zien, zo doet MacMillan dat ook.
Het begint er al mee, dat zijn oratorium uit twee delen bestaat, elk verdeeld in zeven segmenten en symmetrisch opgebouwd, als een palindroom, gespiegeld. Als zeg maar de gelaagdheid van een boven- en een benedenkerk. Volgens een interview dat mijn oud-collega Anthony Fiumara met de componist had, en dat werd gepubliceerd in het bij het Zaterdagmatinee behorende digitale boekje, is het MacMillans bedoeling ‘bij de ziel te komen en de relatie tussen het menselijke en het goddelijke op een krachtige, mysterieuze manier aan de orde te stellen’.
De componist zet zich duidelijk af tegen het wat hij ‘monodimensionele’ van een Arvo Pärt noemt. Enige nuancering is daarbij op zijn plaats: hij bedoelt hier de late(re), spirituele Pärt, want in met name in diens niet-vocale, vroege(re) werken horen we wel degelijk, maar dan veelal subtieler, eenzelfde conflict als MacMillan ten tonele voert.

Koning Christus
Laat ik de twee uitersten, de koning Christus en het kind, tot uitgangspunt nemen en zo bij wat hij ‘de ziel’ noemt uitkomen. Dat kan alleen, als je MacMillan ziet zoals Fiumara zijn stijl beschrijft: als uiting van een ‘retrospectief modernist’. Als een rooms-katholiek componist die ‘zijn plek begrijpt vanuit het verleden’, vanuit die traditie, maar dan voorwaarts gericht.

Het koninklijke wordt verklankt zoals we dat door de eeuwen heen gewend zijn te horen: met veel koperblazers, zoals in het ‘in unum Dominum’ in het eerste deel, en bij het woord ‘king’ in een koorgedeelte. Niet dat MacMillan voor de makkelijkste oplossing kiest, want waar je koninklijk koper zou verwachten, klinkt soms opeens een tedere woordschildering. Het andere uiterste van het spectrum.

Het kind 
Het kinderlijke klinkt meteen in de Sinfonia I waarmee het oratorium opent: een Schots dansje, met xylofoon en hobo (het pastorale instrument bij uitstek). De dreiging van gaat gebeuren (de kindermoord, de kruisdood) is echter niet ver weg, zoals de pauken aan het slot van het eerder genoemde ‘In unum Dominum’ bewijzen. Soms meende ik zelfs een vleugje blokachtige akkoorden à la Louis Andriessen te horen, zoals in het koor ‘But when Herod died, behold, an angel of God appeared in a dream to Joseph in Egypt’. Zoals er ook werd getapt uit vaatjes die de componist als dirigent kent: Sjostakovitsj (Sinfonia 3, het begin van het tweede deel), de Benjamin Britten van diens Christmas Carols (‘Today Christ is born’) en Bartók (slaan met de strijkstok op de snaren van de viool).

De ziel
En dan komen we tenslotte uit bij de ziel, die bij MacMillan als bij Joh. Seb. Bach wordt gespeeld door een vioolsolo, in dit geval Elisabeth Perry. Zij ging gelijk bij Bach de samenspraak aan met één van de solisten, zoals met de bariton in ‘Seest thou, my soul’. Ze had zelfs het laatste woord van dit stuk, een Schots kerstliedje van grote eenvoud waarin ook de celesta (caelestis, hemels, goddelijk) een grote rol speelde.

Zo mag ik het horen – heel doordacht qua opbouw en uitwerking aan de ene kant, en vol emoties aan de andere kant. ‘Spirituele genezing’ noemt MacMillan het, maar dat gaat mij iets te ver, al proef ik er wel iets van heel-making in. In een uitvoering om door een ringetje te halen, voor zover je dat via de radio helemaal kunt beoordelen.
Midden in coronatijd een lichtpuntje om in je hart en hoofd te bewaren. Of misschien, om de omschrijving van het werk van Paul Klee aan te halen waarvan het gezicht het omslag siert van het eerder genoemde boek van Barth/Bakker: ‘Hat Kopf, Hand, Fuss und Herz’. Het een wat meer dan het ander, maar dat is de persoonlijke insteek van zowel componist als luisteraar.