De kroon op hun werk

Ik ben niet de eerste, die de overeenkomst opvalt tussen Troost in filosofie van de laat-Romeinse filosoof Boëthius (ca. 480-525) en het werk van Benedictus de Spinoza (1632-1677). Agnes Arber publiceerde er al in 1943 over.[1] Zij vergeleek een boek van Boëthius (De Consolatione Philosophiae) primair met Spinoza’s Korte verhandeling van God, de mens en zijn welstand. Spinoza (zie afb. links) kende waarschijnlijk de vertaling van Boëthius’ werk door Coornhert, die in de kring van de Collegianten circuleerde. In Spinoza’s bibliotheek zelf bevond zich namelijk geen exemplaar.
Arber vergelijkt de stadia van kennis die Boëthius en Spinoza onderkennen en die sterk overeenkomt, maar zij gaat ook in op verschillen. Onder meer ten aanzien van de vrije wil. Zij concludeert uiteindelijk, dat in Spinoza’s geschriften, zoals genoemde Korte verhandeling, het denken van Boëthius ‘lived anew’, zoals ze het noemt.

In 2019 verscheen bij Uitgeverij DAMON een nieuwe vertaling en inleiding van en op Boëthius De Consolatione Philosophiae van de hand van Piet Gerbrandy: Troost in filosofie (zie afb. rechts). Een mooie uitgave, met leeslint, die de uitgever in deze coronatijd met korting aanbiedt. Ik aasde er al eerder op, maar zag nu mijn kans schoon. En ik heb er, ook nog eens liefhebber van het werk van Spinoza én de classicus, dichter en criticus Gerbrandy, absoluut geen spijt van.

Poging tot vertroosting
Het gaat mij er nu niet zozeer om de vergelijking tussen beide denkers in de voetsporen van Agnes Arber voort te zetten, maar op een opmerking van Gerbrandy in vergelijking tot Spinoza uit te werken. In tegenstelling tot de flaptekst van Troost in de filosofie, waarin gewag wordt gemaakt van ‘een ijzingwekkende climax’, spreekt Gerbrandy van het feit dat ‘Boëthius de lezer onbevredigend achterlaat’ (p. 19) en: ‘Het boek gaat over een poging tot vertroosting – die, als ik het goed zie, jammerlijk mislukt’ (p. 28). Vooral ‘het slot is hoogst onbevredigend’ (p. 30), aldus Gerbrandy.
Pas in voetnoot 12 van deel vier komt de aap uit de mouw. Het gaat in de onderhavige alinea over ‘de ziel nadat het lichaam is gestorven’ (p. 237). ‘Maar’, schrijft Boëthius, ‘ik was niet van plan daar nu uitvoerig op in te gaan’. Gerbrandy vermeldt dan in zijn voetnoot, dat dit ‘voor sommigen een argument biedt om te betogen dat Boëthius het werk niet heeft kunnen voltooien’. Zijn eigen opvatting dien aangaande blijft een beetje in het midden, ook wanneer hij in zijn Inleiding schrijft dat ‘de meeste geleerden ervan uitgaan dat het voltooid is’ (p. 8).

Wat ik wil onderzoeken is, of het écht zo is, dat Boëthius de lezer gedesillusioneerd achterlaat tegenover de omgekeerde opvatting, die bij sommige lezers van het vijfde en laatste deel van Spinoza’s Ethica opgeld doet, namelijk dat dit deel niet geschreven had moeten worden. Het idee bestaat namelijk dat het over de onsterfelijke ziel zou gaan – daar waar het bij Boëthius wel degelijk over gaat.

Boëthius
Laten we eerst kijken waar Boëthius mee komt. Hij haalt Aristoteles aan, die ‘ten aanzien van de kosmos heeft geoordeeld, dat iets wat begin noch eindpunt kent [qua] levensduur gelijk opgaat met de oneindigheid van de tijd’. Dit doet denken aan Spinoza’s attribuut van uitgebreidheid, en het absoluut oneindige: God of de Natuur.
Boëthius nadert Deze met eerbied en is sprakeloos. Dat is mijns inziens geen zwaktebod, maar een grens die hij nabij komt. Het gebed waarop hij preludeert, schrijft hij niet op. Je kunt in het midden laten waarom: is hij te dicht genaderd of ontdekt hij uiteindelijk toch niet christelijk te zijn? Voor de een zal dit een ‘ijzingwekkende climax’ zijn, voor de ander onbevredigend.

Spinoza
Dat geldt als gezegd ook voor het laatste, vijfde deel uit Spinoza’s Ethica. Voor de een (bijvoorbeeld Paul Juffermans) ‘de kroon op de Ethica’, voor de ander een deel dat Spinoza beter niet had moeten schrijven. ‘Vooral’, schrijft Jeroen Bartels in een heldere introductie op dit deel, en eigenlijk de gehele Ethica, omdat ‘het laatste gedeelte van het vijfde deel – vanaf stelling 20, waar Spinoza meedeelt dat het tijd wordt om “verder te gaan met de duur van de geest los van het lichaam” – forse interpretatieproblemen oplevert’.[2] Zou, vragen sommige mensen zich met afkeer af, Spinoza dan zijn teruggekeerd op zijn idee dat lichaam en geest ‘bestaanswijzen of expressies [zijn] van twee wezenlijke eigenschappen of attributen van één en dezelfde werkelijkheid’ (p. 9)? Of zou hij het Christendom zijn genaderd? Een werkelijkheid die, zoals Boëthius ook al schreef, oneindig en omvattend is. ‘Alles wat is, is in God, en niets kan zonder God bestaan of worden gedacht’ (stelling 15 van het eerste deel uit de Ethica). Ik ben ‘als modus [bestaanswijze, EvS] uitdrukking van en wordt gedragen door de oneindige substantie [God, EvS]’ (p. 20).

Dit leidt uiteindelijk volgens Spinoza tot de amor Dei intellectualis, de verstandelijke liefde tot God (stelling 32 van het vijfde deel). Dát te ervaren is als een moment van blijdschap, van gemoedsrust en gelukzaligheid die een eeuwigheid lijkt te duren en de eeuwigheid in zich draagt. Een moment waarbij je, zoals Boëthius ons toont, stil valt. Is het dan gek om te concluderen dat de laat-Romein niet tekort schoot, en dat Spinoza dit deel nodig had als kroon op zijn werk? Nee, ik denk het niet. Ze zijn me allebei lief: het denken van Boëthius en dat van Spinoza. Inclusief het vijfde deel van diens Ethica, waarin Boëthius ‘lived anew’.

[1] In: Isis, Vol. 34 nr. 5 (zomer 1943), p. 399-403. Uitg. The University of Chicago Press.

[2] Jeroen Bartels, ‘Over de macht van het verstand’. Mededelingen vanwege het Spinozahuis nr. 115. Uitgeverij Spinozahuis, 2019, p. 3.

Poëzieweek 2020 en Spinoza

Afgelopen zaterdag, 1 februari, startte weer de jaarlijkse reeks lezingen met nabesprekingen vanuit de Vereniging Het Spinozahuis in het Amsterdamse Spinozalyceum. Dit keer over de delen 3-5 van Spinoza’s Ethica.
Ik weet niet hoe het u vergaat, maar gedurende zo’n periode (t/m maart a.s.) heb ik altijd de neiging een beetje in het onderhavige onderwerp, in dit geval ‘in Spinoza’ te zijn.

In ieder geval las ik op diezelfde (zater)dag het gedicht dat Janita Monna had gekozen voor haar rubriek ‘Poëzie’ in dagblad Trouw op Spinozistische wijze.
Het is een gedicht van de Vlaamse dichter en acteur Maud Vanhauwaert (1984), ‘Er komt een vrouw’, dat is opgenomen in de bundel Nu. Tien Dichters dat verscheen ter gelegenheid van de Poëzieweek 2020 (zie afb.).

Het eerste strofe luidt:

Er komt een vrouw naar mij toe. Ze zegt
‘wij zijn evenwijdig, raken elkaar in het
oneindige, laten we rennen’.

Het is een links uitgelijnde strofe, zoals er nog twee in dit gedicht voor komen. De volgende bestaat uit één regel:

Ze haakt haar arm in de mijne tot een lemniscaat.

En tot slot, met het voor deze gedichten kenmerkende underscore liggende streepje dat dit gedicht met een volgend, niet in de bundel opgenomen gedicht:

En we rennen. Met onze armen
zwaaiden wij een maat die bij ons past_

Als ik de links uitgelijnde regels ga ontleden, kom ik – met Spinoza als leidraad – uit bij een vrouw, bestaande uit lichaam en geest tezamen. Want Spinoza bracht niet langer de scheiding daartussen aan, wat Descartes deed. Lichaam en geest vormen, net als de vrouw en de ik-figuur, samen het zogenaamde parallellisme van Spinoza, alhoewel hij de term zelf – die verwarring kan zaaien – niet gebruikt. Het gaat immers niet om twee parallel lopende zaken (evenwijdig noemt Vanhauwaert het), maar om twee perspectieven, dat van het lichaam en dat van de geest, dat van het ene personage en dat van het andere in het gedicht.

De volgende regel gaat over het in elkaar haken van de twee armen tot een lemniscaat, het wiskundige symbool voor de oneindigheid die in het eerste vers al voor kwam. Ook dit kun je weer à la Spinoza lezen: de twee renners raken elkaar in het oneindige, in het absoluut oneindige (absolute infinitum), in God of de Natuur. Wat ze doen is rennen, richting daarnaartoe, zwaaiend met hun armen in een maat die bij ze past.
Wellicht is dat Bach, waarnaar iemand tijdens de nabespreking wees en het verband legde met toonsymboliek, zoals Piet Steenbakkers, de spreker voor de pauze, het verband had gelegd tussen Spinoza en de retorica. Overigens het thema van het Festival Oude Muziek dit jaar.

Het zijn maar respectievelijk drie, één en twee regels (over ritme gesproken), maar ze raken me, geven mij veel stof tot nadenken. Zoals iemand tijdens de nabespreking afgelopen zaterdag zei, dat één vergelijking die Piet Steenbakkers maakte al zóveel voor hem had verduidelijkt, dat de hele middag voor hem was geslaagd.
Het ging over iemand die zijn wiskunde weer wilde ophalen, bij de HOVO of de Volksuniversiteit. Hij zag de eerste les een som op het bord die hij/zij met geen mogelijkheid kon oplossen. Tijdens de laatste les stond die som weer op het bord, en hij/zij zag in één oogopslag (Eureka!) het antwoord: 42. Dat kon, omdat hij/zij alle stof van de tussenliggende lessen had verwerkt.

Zoiets bracht mij ook het gedicht: de hele Poëzieweek, die nog t/m 5 februari duurt, mag voor mij door die paar regels al geslaagd heten.