Een eigenaardig apparaat

Tijdens een van de bijeenkomsten van de HOVO-cursus Franz Kafka en Midden-Europa rond 1900 behandelde docent Michiel Hagdorn Kafka’s verhaal In de Strafkolonie (1914). Hij deed dit door het begrippenpaar ‘Kultur’ en ‘Zivilisation’ tegenover elkaar te plaatsen, en door de talloze toespelingen op het lijdensverhaal uit met name het Mattheüs-evangelie te benoemen. Als Dritte im Bunde las ik in dezelfde tijd de GM Special waarin Adriaan Boers vertaling staat van het artikel ‘Judaism’ as political concept van David Nirenberg.
In onderstaand artikel voor GM probeer ik hetgeen Nirenberg daarin te berde bracht, toe te passen op Kafka’s verhaal.
Eerst de twee begrippen die Hagdorn op het verhaal legde: ‘Kultur’ en ‘Zivilisation’, vervolgens een korte terugblik op de lezing van Nirenberg en tenslotte mijn visie op Kafka’s verhaal, dat zonder de twee voorafgaande stappen niet valt te plaatsen. Ik sluit af met een samenvatting uit een studie over Kafka van Kurt Weinberg.

Kultur en Zivilisation
In het verhaal van Kafka staan een officier en een reiziger centraal. De eerste, in dienst van een oude commandant, staat voor de Kultur, voor het blinde geloof zonder twijfel. De tweede, een ongeïnteresseerde Europeaan in een oosterse setting op een eiland, staat voor Zivilisation, voor de ratio, voor intellectuele twijfel en contact met de buitenwereld.
Beide begrippen zijn ontleend aan het essay Gedanken im Kriege (1914) van Thomas Mann, die in het voorwoord daarvan schrijft:  ‘Der Unterschied von Geist und Politik enthält den von Kultur und Zivilisation, von Seele und Gesellschaft, von Freiheit und Stimmrecht, von Kunst und Literatur; und Deutschtum, das ist Kultur, Seele, Freiheit, Kunst und nicht Zivilisation, Gesellschaft, Stimmrecht, Literatur.’
Het artikel van Nirenberg, een uitwerking van zijn Kantorowicz-lezing in Frankfurt (2012), plaatst – zoals de korte inhoud vermeldt -, ook twee posities tegenover elkaar: ‘Sterfelijk en eeuwig leven, privé en publiek, tiran en legitieme monarch’ als respectievelijke metaforen voor jood en christen, politiek en geest. Daaraan wordt het begrip transcendentie toegevoegd, als een politiek ideaal ‘waarmee de vijanden vaak zijn uitgebeeld als joods’ met een verwijzing naar Matthëus 6:10.

In de Strafkolonie
Die twee verschillende posities, van Mann en Nirenberg en de verwijzingen naar de evangelist Mattheüs, voeren ons naar Kafka’s verhaal zelf.
Het is niet het enige werk waarin Kafka deze constructie toepast; het geldt ook voor Het vonnis (1912), waarin een vader (jood) en zoon Georg Bendemann (christen) tegenover elkaar staan. Al is het in duidingen daarvan soms nog steeds bon ton om hierin de wrede God van Tenach tegenover de vredelievende van het Nieuwe Testament te lezen, wat lezers van GM uiteraard en terecht een gruwel is.
Laat ik eerst het verhaal van Kafka kort samenvatten. De ideeën erachter spreken, na het voorgaande, voor zich.
Het draait in dit verhaal om ‘een eigenaardig apparaat’ waarmee executies kunnen worden voltrokken. Een officier is erg in het driedelige moordtuig geïnteresseerd, een handelsreiziger die het eiland bezoekt niet. Een soldaat moet volgens de wet worden geëxecuteerd, omdat hij in diensttijd heeft geslapen; ook een reminiscentie aan het lijdensverhaal dat in de reader van de HOVO overigens niet werd vermeld.
De officier staat bekend om zijn bekrompen hersens die niet veel kunnen vatten. Ook het gegeven niet dat zijn nieuwe commandant, van ‘de nieuwe, milde richting’, alle oude instellingen wil bestrijden. De oude officier is nog de enige vertegenwoordiger ‘van de nalatenschap van de vorige commandant.’ Hij verwacht dat de reiziger zijn oordeel klaar heeft en bijvoorbeeld zal zeggen: ‘Bij ons werden de mensen alleen in de middeleeuwen gefolterd’, maar hij reageert koel en kil: ‘Het is altijd gevaarlijk om buitenlandse omstandigheden te storen.’ Wat hij dan ook niet doet. De veroordeelde wordt vrijgelaten. Zijn voorspraak was niet de reiziger, maar hetgeen stond geschreven in een vreemd schrift: ‘Wees rechtvaardig.’ De veroordeelde krijgt zijn kleren terug, die waren doorgesneden, en de officier wast zijn handen (ook dat herkent de Bijbelvaste lezer). Toch wordt het kwaad voltrokken: het is de sadist, de officier die uiteindelijk zichzelf opoffert aan de door een op hol geslagen machine die hij zo loofde en die de vreemde tekens in diens lijf kerft. De reiziger deelt wat muntjes uit en vertrekt, de anderen op het eiland achterlatend. Zo wordt het verhaal betrokken op christelijk martelaarschap en het lijdensverhaal van Jezus van Nazareth, hier gepersonifieerd in de veroordeelde, terwijl de anderen voor de joden staan en de reiziger voor het transcendente.

David Nirenberg
Daarmee zijn we terug bij Nirenbergs artikel. Je zou, Kafka’s verhaal gelezen hebbend, kunnen concluderen dat het ook gaat over ‘Christelijke projectie van joodse vijanden’ – waarbij het natuurlijk zo is, dat een joodse schrijver als Kafka beide standpunten in de mond legt van zijn respectievelijke hoofdpersonages: in In de Strafkolonie zijn dat de officier en de reiziger, in Het vonnis – dat ik hier verder laat liggen – vader en zoon. Wat Judaïsme hier inhoudt, is dus een voortbrengsel van ‘sleutelwoorden en praktijken van het christelijke denken’ (p. 5 artikel in GM): moordzucht tegen een veroordeelde door middel van de ‘wetmatige regelmatigheid’ van het apparaat dat tekens kerft in het lichaam dat erop is vastgebonden, hetgeen je met Nirenberg terug zou kunnen voeren tot het ‘naar het vlees’ (een vonnis) uit het verhaal van Abraham (Hagar en Ismaël) of tot de lichamelijke besnijdenis bij Paulus: ‘Want de letter doodt, maar de Geest maakt levend’ (2 Korintiërs 3:6) waarin ook Manns Seele doorklinkt.
Deze Bijbelse reminiscenties voeren Nirenberg verder naar Augustinus’ opvatting van Kaïn (het Kaïnsteken!) en – in dit verband interessant – naar het ‘twee-lichamen probleem’ waarbij onder lichaam ook politieke lichamen worden bedoeld en er een verbinding wordt gelegd met verschillende vormen van kruisiging: de koningsmoord door Bolingbroke in Shakespeares Richard II en de nederlaag en dood van koning Alfonso de Wijze in de Cantigas de Santa Maria. Allemaal voorbeelden van knechting door de letter, door de wet (p. 24 GM). Zoals – vervolgt Nirenberg – Marx en Engels in hun De Heilige Familie (1844) ook nog verwijzen naar de hiervoor geciteerde uitspraak ‘De letter doodt, maar de Geest maakt levend’ of in de woorden van Robert Esposito in het artikel in GM –: ‘Om zichzelf te redden, moet het buiten zichzelf treden, een transcendent punt vormen.’

Een samenvatting van het hier gebodene, met wat andere accenten en in een woordkeus die enerzijds aan bovenstaande herinnert en anderzijds misschien niet altijd de onze is, geeft Kurt Weinberg in zijn studie Kafka’s Dichtungen (1963, p. 182). Hiervan geef ik tot slot een eigen vertaling: ‘In de puur mechanische afloop van de dingen kan geen transcendente macht (…) meer reddend optreden (…). De reiziger kan slechts werkeloos toezien hoe het apparaat – het voor het oude verbond staande instrument dat de wet handhaaft, nadat de veroordeelde (een Christusgestalte) is bevrijd (…) –, zich plotseling in beweging zet en de straffende officier onophoudelijk de woorden “Sei gerecht” in de huid kerft, totdat het apparaat, dat hij bedient en dat alleen hem dient, te gronde gaat. Dan blijft slechts de goddelijke reiziger over, die de havenarbeiders (joden) enkele muntjes toewerpt (sie nehmen ihn für bare Münze hin) en zich eenzaam inscheept, niet nadat hij categorisch heeft geweigerd de soldaat (…) aan boord te nemen. Er is niets wezenlijks veranderd, het apparaat schijnt vervallen en de straffende officier vernietigd te zijn; de strafkolonie zelf blijft bestaan, de Messiasverwachting is niet ingelost, en de goddelijke reiziger verlaat eenzaam de aardse wereld.’ Wat blijft is, naar ik hoop, een lege stoel die wacht op zijn (terug)komst.

Dit artikel verscheen ook in GM Gast-huismagazine nr. 107 (jan. 2018), p. 10-13.
De afbeelding bovenaan is het beeld van Jaroslav Rona van Kafka in de joodse wijk van Praag.

De vreugde van het inzicht

Op driekwart van het boek Spinoza en de vreugde van het inzicht beschrijft Kees Schuyt de ruwweg twee tegengestelde lezingen van Spinoza in het algemeen en diens Ethica in het bijzonder: ‘Een naturalistische (lees: natuurwetenschappelijke) interpretatie versus een emanciperend-bevrijdende interpretatie, die vanuit een modern-humane mensvisie het zelfbepalende individu centraal stelt.’
Schuyts denken zou je onder de tweede manier van lezen kunnen scharen, wat hij verderop omschrijft als ‘een bevrijdingsfilosofie, die mensen kan leren welgezind en soms zelfs met vreugde van het leven te genieten.’ Hij schrijft over inzicht dat richting geeft ‘aan ons eigen actieve handelen’  en ‘als richtsnoer voor de inrichting van de samenleving en een democratische staatsvorm.’

Tegenover deze heldere, compacte omschrijvingen staan soms woordkeuzes die hiermee in strijd zijn, of op z’n minst een andere achtergrond verraden. Niet zozeer van de auteur, maar in algemene zin, zoals: ‘goede werken’ voor ‘actief handelen’, wat eerder rooms-katholiek overkomt, terwijl de ‘twee gedaanten waarin God/Natuur voorkomt (naturans en naturata) haast de triniteitsleer van de kerk nadert. Dit kan in beide gevallen bij de monist en de met het joodse denken vertrouwde Spinoza niet de bedoeling zijn.

Daar staan gelukkig ook de vele passages tegenover die het als moeilijk te kenschetsen denken van Spinoza verhelderen. Kort en krachtig, als gezegd, zoals: ‘Het wezen van de mens is in redelijkheid streven naar eenwording met God. Het middel daartoe is kennisverwerving’ of: ‘Het hóógste goed, dat bestaat in de vereniging van de ziel met God en van de mens met God. Door kennis de allerhoogste liefde bereiken; dat is de liefde voor God, die eeuwig en onvergankelijk is. Is men tot dit inzicht gekomen, dan ervaart men gelukzaligheid, dan wordt men een fundamentele instemming met het bestaan.’ En: ‘vrijheid (…) wordt gevoed door karaktervorming en uitgedrukt in een bepaalde wijze van leven of in een levenshouding.’

Gelukkig neemt Schuyt mijns inziens afstand van de opvatting dat Spinoza een determinist was in de huidige betekenis van het woord en de vrije wil geheel ontkende. Zelfs dat hij het beter zou hebben geweten dan huidige hersenwetenschappers als Swaab met zijn boek De vrije wil bestaat niet. Of, zoals Schuyt het zelf verwoordt: ‘Mensen [hebben] de mogelijkheid tot een bepáálde mate van vrijheid, vrijheid als zelfbepaling, specifiek verbonden met de richtlijnen van rede en redelijkheid, leren inzien en daarnaar proberen te leven.’ Dit geldt volgens Schuyt alleen voor mensen, want noodzakelijk leven volgens de eigen natuur gaat alleen op voor God/Natuur (brief aan Schuller, oktober 1674).
Schuyt geeft terecht aan dat Spinoza’s idee van het zogenaamde parallellisme tussen stof en geest (liever: de twee gelijktijdig rollende kanten van een muntstuk) in de neurologie en neurofilosofie inmiddels achterhaald zijn beschouwd.

De auteur van dit boek was voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, in welke hoedanigheid ik hem een keer heb ontmoet en gesproken. Op het terrein van Spinoza is hij een liefhebber in de goede zin van het woord; de vreugde van het inzicht spat soms van de pagina’s af, bijvoorbeeld in een omschrijving naar aanleiding van het derde deel van de Ethica: ‘Heerlijk om te lezen’ of van het vierde deel: ‘Een genot om te lezen.’
Elders beschrijft Schuyt hoe bij Spinoza is uitgekomen: een boek van Terrence des Pres over de rol die de conatus (in de vertaling van Spruyt een ‘dynamisch, evenwicht zoekend ontwikkelingsbeginsel’) ‘speelde bij het overleven in de werkkampen van de Sovjet-Unie en in de concentratiekampen van nazi-Duitsland.’ Hiermee nuanceert hij tevens het conatus-begrip, omdat Spinoza de hoop die overlevenden beschreef juist wantrouwde, en daar troost voor in de plaats stelde.

Dit maakt zijn boek tot een sympathieke en geëngageerde studie. Een enkele keer met dermate lange, ingewikkelde zinnen die je een paar keer moet lezen om te begrijpen wat de schrijver bedoelt, zoals: ‘Deze tegenstellingen worden nu met een uitdrukkelijker doel beschreven en geanalyseerd, namelijk om te laten zien, enerzijds ….’ enz. enz. Ook de structuur had mijns inziens wat strakker gekund.
Een voorbeeld van zo’n sympathiek overkomende en geëngageerde passage betreft die waarin de auteur afstand neemt van de hedendaagse, relativistische uitleg van goed en kwaad. Schuyt stelt dat natuurlijk kwaad (een aardbeving) dicht bij moreel kwaad kan liggen (oliewinning die willens en wetens plaatsvindt).

Het boek is geen hagiografie, wat blijkt uit een zinsnede over de Politieke Verhandeling: ‘Onder de uitvoerige en regelmatig saaie bespreking van de aristocratische staatsvorm dreigt eveneens de hoofdboodschap verloren te gaan’, al zou een goede redacteur behalve de ingewikkelde zinnen eenvoudiger maken ook hier goed werk hebben kunnen verrichten door het overbodig overkomende woordje ‘eveneens’ te schrappen. Hoezo: eveneens?
Ook uit Schuyt kritiek op het essentialistische denken van de zeventiende eeuw: ‘Spinoza leidt de essentie van “de” vrouw af uit de natuur, maar in feite volgde hij de heersende sociale gewoonten en gebruiken van zijn tijd’, wat hij niet als een excuus ervaart.
Uit zijn (persoonlijke) conclusies blijkt dat Schuyt kanttekeningen bij zowel Spinoza’s denken als de receptie daarvan niet schuwt, die hij soms als hij ‘te rigide, te stellig of te dogmatisch’ ervaart.

Dit boek is uitermate geschikt voor zowel lezers die willen kennismaken met Spinoza’s denken als voor lezers die daarmee al wat vertrouwd zijn, voor wat Schuyt de ‘conversation of mankind’ noemt. Wat tevens inhoudt dat hij ook heel wat kritiek te verduren zal krijgen …

Kees Schuyt: Spinoza en de vreugde van het inzicht. Uitgeverij Balans, Amsterdam (2017), ISBN 978 94 600 34060, € 34,95

Commentaar op deze blog is te vinden op: http://bdespinoza.blogspot.nl/2017/07/els-van-swol-besprak-kees-schuyts-boek.html#comment-form

Een andere tijd

In het tijdschrift Ophef las ik een recensie over het boek Het drievoudige pad van Maria de Groot (foto links), aan wier werk op deze blog al eens eerder aandacht schonk. Als liefhebber van haar werk, heb ik dit boek meteen aangeschaft en inmiddels ook gelezen. Eén, kort, hoofdstuk blijft mij achtervolgen: ‘Terugkeer’ uit het tweede gedeelte, ‘Pelgrim’ (de andere twee delen heten ‘Leerling’ en ‘Sterveling’). Het is een hoofdstuk dat in mijn hoofd op één of andere manier een gesprek aangaat met een ander boek dat destijds na lezing (2006) diepe indruk op mij heeft gemaakt: In het einde ligt het begin van Jürgen Moltmann. Ook hierin volgt de auteur als het ware een drievoudig pad: geboorte, wedergeboorte – dood – opstanding. Ik verwijs naar een mooie bespreking van dit boek door Rens Kopmels: http://www.renskopmels.nl/pagetxt277.html
Ik doe geen inbreuk op het auteursrecht, als ik hier als eerbewijs aan Maria de Groot én als aanbeveling om het hele boek ook te gaan lezen, dat korte hoofdstuk ‘Terugkeer’ in zijn geheel overneem (p. 103-104).

‘Wij keren terug uit het verleden naar de toekomst. De Eeuwige is onze toekomst. Naar Wie ons tevoorschijn riep, keren wij terug. Volwassen geworden. Door de wederwaardigheden van dit aardse bestaan heengegaan, veranderd naar lichaam, ziel en geest, keren we terug naar ons oorspronglicht, onze eerste verschijning, nu voltooid na het onvoltooide. Wie verlangt daar te zijn waar zij hoort, gaat voorspoedig. Wie treuzelt in de bermen van de weg, komt later aan. Niet per se minder geschoold. Integendeel. Elk avontuur, iedere onverwachte gebeurtenis leert ons. Door en door leerling wordt wie vaak verdwaalt. Door en door pelgrim. Zij of hij leert van elke dwaalweg sneller naar de levensweg terug te keren. Heb ik een beeld gemaakt van de Eeuwige of van mijzelf of van anderen? Ik sla het stuk en keer om, keer langs de kortste weg terug naar de weg die het maken van dergelijke beelden verbiedt.
Als ons hart in ons brandt om de Eeuwige te naderen, hoezeer van verre ook, dan jaagt dit vuur ons voort.
Waar is mijn God? Zal de zee het mij zeggen? Zonsopgang bij zee, zonsondergang, het vurige waterpad naar de einder, gelijkenissen zijn het van wat en Wie ik zoek. Al wat ik zie en bega brengt mij dichter bij U, Verborgene, Onzienlijke, die ook in mij is en niet gezien kan worden, die zich in mij verborgen houdt.
Ik ga naar de toekomst als ik terugkeer naar de Eeuwige. Ik ben de terugkeerpelgrim. Ik heb mijn aardse huis verkocht, mijn bezittingen uitgedeeld, mijn tijdelijkheid ingewisseld voor de eeuwigheid van de Eeuwige. Die bij mij en in mij is. Ik keer terug naar mijzelf. Bij mijn bron zal ik drinken en rusten. Ik zal vanaf het duin de zon zien ondergaan en weten dat zij opkomt. Maar niet op de plaats die ik zie. Zij zal bij mij terugkeren op een andere tijd. En zo voort, totdat mijn ogen zich sluiten. Totdat ik neerlig en niet meer opsta. Totdat zij mij beschijnt voor de laatste maal zonder dat ik het merk. Totdat mijn as vervluchtigt in haar stralen. Totdat ik ben teruggekeerd in stof dat mij vormde. Dan zal mijn ziel het weten. Mijn ziel zal haar gebed schrijven in de ziel van de Eeuwige, de letters die ontbraken en waarom de Altijdzijnde altijd weende. Ik zal de tranen van Gods aangezicht wissen en ik zal herhalen wat de psalmist heeft geschreven:
“Overdag bewijst de Eeuwige mij zijn liefde,
’s nachts klinkt een lied in mij op,
een gebed tot de God van mijn leven.”
Dan zal ik zijn ingekeerd tot wat ik niet wist, tot Wie ik niet kende.’

Maria de Groot: Het drievoudige pad. Leerling, pelgrim, sterveling. Uitgeverij Elikser, Leeuwarden. ISBN 978 90 8954 894 8 (2016). € 19,50

 

Piet Steenbakkers en Spinoza

spinoza_in_muziekHet is een knappe, retorische truc: zeggen dat je geen oordeel kunt en gaat geven op het bijzonder hoogleraarschap Spinozastudies van Piet Steenbakkers, vanwege het bereiken van diens pensioengerechtigde leeftijd, en het en passant toch min of meer wel doen. Stan Verdult deed het in een blog op zijn website (http://spinoza.blogse.nl/log/het-bijzonder-hoogleraarschap-spinozastudies-van-piet-steenbakkers-komt-ten-einde.html).

Wat ik wil doen is evenmin een oordeel vellen over de vruchten van dit bijzondere hoogleraarschap, en twaalf jaar gewoon hoogleraarschap aan de Universiteit Utrecht, want op het universitaire werk van Steenbakkers en zijn postdoc-medewerkers heb ik geen kijk. Wat ik wél wil doen, is nagaan welk beeld van Spinoza ik dank zij Steenbakkers met name binnen de Vereniging Het Spinozahuis, waarvan ik lid ben, heb opgebouwd.

Korte Verhandeling
Als ik mijn aantekeningen mag geloven, heb ik hem op 19 februari 2005 voor het eerst bij de Vereniging gehoord. In een inleiding over ‘De verschillen tussen de Korte Verhandeling van God, de Mensch en dezelve Welstand en de Ethica.
Steenbakkers vroeg zich onder meer af waarom Spinoza de naam ‘God’ bleef gebruiken in plaats van ‘Natuur.’ En hij gaf het volgende antwoord: Misschien omdat de denker eerst door de studie van het jodendom en het schrijven van de Tractatus Theologico-Politicus (TTP) moest gaan, alvorens hij de Ethica kon schrijven. Spinoza had volgens hem geen probleem met God, maar met de predikanten uit die tijd die het hadden over een wrekende God.

Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk
Een jaar later legde Steenbakkers tijdens een zomercursus van de Internationale School van Wijsbegeerte (ISVW) en de Vereniging in Leusden onder de titel ‘Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk’ diens kenleer uit.
Hij ging toen nog een stapje verder dan het jaar daarvoor, en meende dat Spinoza de Naam van God in de Ethica nodig had vanwege de affectenleer. Hij bracht ook een nuancering aan bij de opvatting van diegenen die menen dat Spinoza in het vijfde deel van dit boek de deur open zou hebben gezet naar het idee van onsterfelijkheid van de ziel. Hij zag het eerder als een opgaan in een soort Al-geest, een collectief denken. Dat is iets anders dan de hemel, maar een verrijking van de mens(heid) door de twee attributen van God: denken en uitgebreidheid.

Recente ontwikkelingen
Tijdens de herdenking van de 375ste geboortedag van Spinoza, weer een jaar later, in de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam, spon Steenbakkers weer verder aan deze draad. Hij sprak over recente ontwikkelingen in het Spinoza-onderzoek, en noemde drie punten:
1. De nog nauwelijks onderzochte Bijbelkritiek van Spinoza
2. De meer onderzochte, hiervoor al genoemde affectenleer (Nico Frijda, Damasio)
3. Het onderzoek van Moreau.

De briefwisseling
Ik sla een paar jaar over, omdat ik niets in mijn aantekeningen over Steenbakkers terugvind, en kom uit bij diens inleiding over ‘Filosofische thema’s in de briefwisseling’ die hij in 2013 voor de Vereniging hield.
Steenbakkers stelt dat een belangrijk thema hierin het meningsverschil tussen Spinoza en enkele theologen uit die tijd over de hiervoor reeds genoemde attributen van God is. Spinoza beperkte deze tot denken en uitgebreidheid. De rest beschouwt hij als modi van God (Eeuwigheid, Alwetendheid enz.). Steenbakkers ziet een overeenkomst in de manier waarop Spinoza over het jodendom en het christendom denkt, en die is gelegen in de liefde. In november 2009 had Steenbakkers dit onderwerp, ‘Spinoza en de liefde’, al aangesneden tijdens een studiedag van de Amsterdamse Spinoza Kring. [1]

Democratie
We spinnen verder. Tijdens Steenbakkers inleiding over ‘Democratie’, het elfde hoofdstuk uit Spinoza’s Tractatus Politicus, mei 2014 en ook weer voor de Vereniging, heeft hij het wederom over collectief denken, net als in Leusden. Hij erkent dat dit beperkingen heeft, en dat God geen geest heeft (antropomorf). Steenbakkers ging ook nu in op recent onderzoek, onder andere op een boek van Martin Saar: Die Immanenz der Macht. Politische Theorie nach Spinoza (Berlijn 2013).
Ik zat in een gespreksgroep die traditiegetrouw na de inleidingen en de pauze samenkomt. Piet Steenbakkers was dit keer de gespreksleider. Ik was ook hier weer geraakt door zijn kennis van de joodse achtergrond van Spinoza’s denken. De opmerking ‘Maar hierover genoeg’, die je in Spinoza’s werk tegenkomt, staat volgens Steenbakkers op één lijn met de ruimte die Farizeeën in hun tekstcommentaren open laten als ze een inconsistentie tegenkwamen.

TTP
Tijdens Steenbakkers’ inleiding voor de Vereniging in 2016 ‘Over het politiek aspect’  in Spinoza’s TTP, merkte ik om te beginnen op dat het interessant is, dat Spinoza het in zijn Ethica zowel over vrijheid als determinisme heeft. Kenners en liefhebbers van de Talmoed zullen dit herkennen als een kenmerkend aspect binnen het Talmoedische denken.
Ook Steenbakkers ziet beide, vrijheid en determinisme, niet los van elkaar en erkent moeite te hebben met een artikel als Free men van Steven Nadler (in: Journal of the American Philosophical Association, januari 2015). Nadler betoogt, in tegenstelling tot gangbare interpretaties, dat de mens wordt geleid door de rede.

Symposium en afscheidsrede
Zowel  Nadler als de eerder genoemde Pierre-François Moreau spraken tijdens het symposium ‘Spinoza research: to be continued’, gisteren in Utrecht. Dit werd afgesloten met een openbare lezing door Piet Steenbakkers, ‘Spinoza, de legende voorbij.’ Hiertoe beperk ik mij tot slot van deze blog.
Meteen al in zijn inleiding tot deze lezing, sprak Steenbakkers de hoop uit dat er eens een solide, omvattende monografie over Spinoza’s kenleer komt. Hij ziet dit eerder in deze blog genoemde epistemologie als het centrum van Spinoza’s filosofische systeem: vrijheid door kennis.[2]
Ook het eerder genoemde gegeven dat Spinoza als atheïst wordt bestempeld en Steenbakkers’ opvatting dat Spinoza God niet ziet als wreker (en hier toegevoegd: als schepper) die in een mensenleven ingrijpt. Wat, aldus Steenbakkers, op zich voor zijn tijdgenoten al genoeg was om hem van atheïsme en immoraliteit te beschuldigen.
Prachtig hoe de draad steeds verder werd gesponnen en genuanceerd binnen het denken van iemand die vanaf 1977, toen hij nog student was, interesse opvatte voor Benedict de Spinoza.

[1] http://amsterdamsespinozakring.nl/images/stories/pdf/lezing_steenbakkers_spinozadag_22-11-2009.pdf

[2] De tekst van deze openbare lezing, en alle tijdens het symposium uitgesproken lezingen, zijn in het Engels uitgegeven door de Uitgeverij Spinozahuis: Spinoza research: to be continued (ISBN 978 94 90250 21 8). Waar ik naar verwijs zijn gedeelten op p. 10 (bovenaan) en 14 (voetnoot 14).

Bruno Latour en John Rädecker

John Raedecker_Nationaal MonumentOp dit moment lees ik het pittige Wij zijn nooit modern geweest van de Franse filosoof Bruno Latour (1947). Hiervan is recent een nieuwe Nederlandse vertaling uitgekomen, in de serie ‘Boom Klassiek’. Het boek interfereert met een tentoonstelling die ik in dezelfde tijd bezocht: ‘Wonen in de Amsterdamse School’ in het Stedelijk Museum (nog t/m 26 augustus 2016).

Latour beschrijft de verhouding tussen natuur en cultuur. Moderne mensen denken volgens hem dat ze onderscheid tussen beide kunnen maken, maar in de praktijk is dat niet zo, want één en ander loopt voortdurend door elkaar.

Ik moet denken aan de beelden van John Rädecker (1885-1956) die ik in het Stedelijk zag. Hij behoorde tot De Nieuwe Kring, beeldhouwers en letterkundigen die de moderne samenleving bekritiseerden waarin de cultuur een steeds belangrijker plaats boven de natuur in ging nemen. Die kritiek valt uit zijn beelden af te lezen. Hij legde een voorliefde aan de dag voor hybride figuren, tussen mens en dier op een manier die voor die tijd ongekend was.

Ik lees in Latours boek (oorspronkelijk uit 1991) over de antimodernen, die ‘glashard geloven dat het Westen de wereld gerationaliseerd en onttoverd heeft, dat het de maatschappelijke werkelijkheid volgestopt heeft met koude en rationele monsters (…) en dat het de premoderne kosmos voorgoed heeft omgevormd tot een mechanische interactie van zuivere materie. Maar de antimodernen zien daar een ongeëvenaarde catastrofe in, en niet, zoals de moderniseerders, een reeks glorieuze, zij het pijnlijke veroveringen. De modernen en de antimodernen delen tot op de komma alle overtuigingen van elkaar.’

Dat geldt ook voor Rädecker, die na zijn aan de Amsterdamse School verwante werk (rond de jaren twintig) lid werd van de kunstenaarsvereniging De Brug, naar voorbeeld van Die Brücke in Duitsland. Hij stond toen voor een overgang tussen tussen natuur en cultuur.
Ook naar werk uit deze periode kijkend, en ondertussen het boek van Latour lezend, valt op dat één op één kan worden vertaald. Bijvoorbeeld wanneer Latour schrijft: ‘Wat doen de antimodernen (…)? Ze nemen de moedige taak op zich te redden wat er te redden valt: de ziel, de geest, de emotie, de interpersoonlijke relaties, de symbolische dimensie, de menselijke warmte, lokale bijzonderheden, de hermeneutiek, de marges en de periferieën.’

Latour concludeert dat de verdediging van die marges aan de randen van natuur en cultuur het bestaan van een totalitair centrum veronderstelt. Mijn gedachten gaan naar Rädeckers beelden aan het Monument op de Dam van J.J.P. Oud (zie foto), en ik kan alleen maar concluderen dat hij gelijk heeft, al relativeert hij het zelf: ‘Als [die] totaliteit een illusie is, dan is het houden van lofredes op de marges nogal belachelijk.’ Het zij zo.
Door een bezoekje aan het Stedelijk, en het lezen van Latour, ben ik Rädeckers werk opeens meer gaan begrijpen en waarderen. Het kan verkeren.

http://stedelijk.nl/tentoonstellingen/amsterdamse-school

Carlos Micháns als schrijver

Carlos MichánsAfgelopen tijd heb ik de Morfinetrilogie van Paul Gellings gelezen. Het laatste deel, De jacht op de klaproos, recenseer ik momenteel voor literairnederland.nl. Deze drie romans lezende, viel mij de verwantschap met Baudelaire op. En dat deed me weer denken aan een andere schrijver, voor wie dit ook geldt: de componist/schrijver Carlos Micháns (zie foto). Over hem schreef ik eerder in Mens en melodie (2006, nr. 5/6). Hieronder herneem ik daaruit de gedeelten over zijn literaire werk.

Tijdens het Europees Jaar van de Muziek, 1985, woonde ik een concert bij dat in dat kader werd gegeven door de in Zuid-Amerika geboren coloratuursopraan Marianne Blok. Zij had voor het programmaboekje eigen vertalingen van enkele Spaanstalige liederen gemaakt. Ik heb mij toen suf zitten prakkiseren over enkele daarvan: waren ze volgens een schoolfrikkerige Nederlandse nu gewoon ‘fout’ of juist zó diepzinnig dat ze diepere lagen aanboorden?

Dezelfde vraag kwam weer bij me op toen ik het tweetalige voorwoord van de in eigen beheer uitgegeven Poemas Terminales (Eindgedichten) van Carlos Micháns las: ‘In sommige gevallen (…) heb ik me een zekere maat [vet, vS] van idiomatische vrijheid gepermitteerd.’ Het rode potlood dat de redacteur heeft laten liggen, zal daar onmiddellijk ‘mate’ van willen maken. Maar het is eigenlijk zó kenmerkend voor zowel de gedichten als de composities van de in 1950 in Buenos Aires, Argentinië geboren Micháns, dat de verschrijving boekdelen spreekt.

Niet dat Micháns ‘zijn zaakjes technisch’ niet ‘goed voor elkaar’ zou hebben, zoals ik enkele jaren na het concert van Marianne Blok schreef in een recensie in de Leeuwarder Courant (17 maart 1987) naar aanleiding van mijn eerste kennismaking met een werk van hem, het Concerto per cinque (1986). Maar omdat in zowel de gedichten als de composities van Micháns de inhoud centraal staat en de techniek die schraagt.
Een inhoud die evolueerde van het vertellen van een verhaal en een sterk beeldende wijze van uitdrukken, tot een grote abstractie waarin het verhaal en het beeldende door althans de componist niet meer worden toegelaten.

Gedichten
Een fraai voorbeeld van die ontwikkeling treffen we aan in twee gedichten(bundels): ‘Fragmento de fotografía (Fragment van een fotografie)’ uit Poemas Terminales en ‘El solitario (De eenling)’ uit Nuevos Abismos (y otros poemas) (Nieuwe Afgronden (en andere gedichten)). Beide gedichten gaan over een arm. In de eerste bundel is het een arm met een opgerolde witte mouw, een palm en dichtgeknepen vingers. Het is onduidelijk of het de arm van een man of een vrouw betreft.

Alto! dice el brazo, no
Halt! roept uit de arm, nee

In de tweede bundel gaat het ook over een arm zonder lichaam. Maar hier roept de stijve arm associaties op met een hopeloze fallus. Er bestaat een vermoeden van

a medias olvidado,
de algún asesinato
sin arma ni cadáver.

een halfvergeten gruwel,
een of andere moord
zonder geweer noch lijk.

Ik stel me zo voor, dat het bij een bundel verder alleen om een arm zal gaan die omhoog steekt als in de enscenering van een toneelstuk van Samuel Beckett. Net als de steeds verder abstraherende boom bij Mondriaan: Boom II, De grijze boom en Bloeiende appelboom (1912).
De vergelijking gaat ook op wat betreft Micháns eigen tekeningen in het boek Het Regent Rood in Buenos Aires (2005): die uit 1992 zijn aanmerkelijk barokker dan die uit 2002. Het rood slaat tussen twee haakjes op verwelkte rozen en het gestolde bloed van een arm als uit de genoemde gedichten, een arm die symbool staat voor het generaalsbewind in Argentinië – een beeld om nooit te vergeten.

Literatuur
Primair het rood van een zonsondergang op een Frans impressionistisch schilderij, maar met de donkere ondertoon en broeierige sfeer als in de gedichten van een Charles Baudelaire.
Sterker nog, de thema’s en opbouw van Micháns roman Madurai, Madurai (1999) vertonen een opmerkelijke overeenkomst met Les fleurs du mal (1857) van Baudelaire. De trap bijvoorbeeld waarlangs de ziel bij Baudelaire in de afgrond verdwijnt, is verwant aan de functie van de trap die de vijver met de wonderlijke lotussen waar zoveel mensen in vast kwamen zitten bij Micháns. Zelfs de vleermuis komt zowel bij Baudelaire (nr. 78: ‘Spleen’) als Micháns (p. 129-130) voor! Wat bij Baudelaire voorts de dood is (‘La mort’), is bij Micháns een hartaanval (p. 167). Beiden vinden de schoonheid in het lelijke, zoals Micháns in homo-erotische zin bij een man die bijna een kwart van zijn gebit mist (p. 146). Of zoals hij dicht:

slechts twee: van schrik de ene,
de andere van smacht.

En zo beschrijft hij Buenos Aires, de ‘even monsterlijke als fascinerende metropool.’

Composities op eigen tekst
Het is interessant te kunnen constateren dat in de werken die Micháns min of meer parallel aan zijn boeken schreef en die in enkele gevallen op eigen teksten zijn gebaseerd, in samengebalde vorm de hiervoor genoemde thema’s terugkomen.
Neem de Spaanse tekst van het laatste gebed van de Tres Plegarias (Drie gebeden) (1999) voor gemengd koor en 12 blazers die eindigt met een strofe waarin weer een arm voorkomt, maar dan wel een heel andere als in genoemde gedichten(bundels):

Kom, Heer,
rust op mijn arm.
Wees mijn valk en ook mijn prooi.
Ik ben Uw pijl, God.
U, mijn doelwit.

Een originele en tegendraadse tekst, waarvan de pijl weliswaar aan een bijbeltekst doet denken (Jesaja 49:2), maar evenzeer aan Cupido, die overigens voeten als de klauwen van een valk had. Zou de God waarop een pijl wordt gericht een verliefde Man of een dwaze Man zijn? Schrik of smacht?

De inwoning van …

Suus SchellerTijdens een cursus bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, kwam jaren geleden tijdens de laatste sessie van docente Miriam van Reijen de aap uit de mouw: het behandelde boek, Het gelijk van Spinoza van Antonio Damasio moest het uiteindelijk ontgelden, omdat het lijkt of hij in het laatste hoofdstuk volgens Van Reijen de onsterfelijkheid bezingt.

 

 

Ik zeg met nadruk: lijkt, want dat zegt Damasio helemaal niet. Hij vraagt het individu, met Spinoza, ‘na te denken over zijn leven in het perspectief van de eeuwigheid – van God of Natuur – en niet zozeer in het perspectief van de onsterfelijkheid van het individu’ (p. 242).

Van Reijen heeft het later bij mij weer een beetje goed gemaakt, door uit te leggen wat Spinoza in het vijfde, korte en laatste deel van zijn Ethica waar ook Damasio op doelt, volgens haar eigenlijk bedoelt: wat wij wellicht nu collectief bewustzijn zouden noemen, waarin het denken van hen die ons zijn voorgegaan dóór blijft gaan en ons bezielt.

Dat denken over leven en dood in het perspectief van de eeuwigheid, deed onder meer ook Jürgen Moltmann in zijn boek In het einde ligt het begin. Op een bepaald moment lijkt hij te refereren aan Spinoza, maar hij geeft er toch een andere invulling aan: ‘”God zal zijn alles in allen” (I Kor. 15:28). Dat is het visioen van het rijk van God in zijn heerlijkheid. Het goddelijke en het wereldlijke worden niet vermengd. Het goddelijke gaat niet pantheïstisch [bij Spinoza panentheïstisch, vS] in alle dingen op, maar het goddelijke en het wereldlijke doordringen elkaar wederzijds: ongemengd en ongescheiden. Dat is het visioen van de inwoning van God in het hiernumaals’ (p. 164).

Het schoot gisteren door mij heen, toen ik een kort gesprek had met beeldend kunstenares Suus Scheller. Op haar website (http://www.suusscheller.com) vraagt zij zich af: ‘Een vriendin sterft. Waar is haar ziel nu? Boven haar geliefde boerenland van Noord-Holland?’ En ze schildert drie figuren, met een leeg gelaten, witte of een gele figuur in één ervan (zie afb.): de inwoning van God, van de ziel van haar vriendin? Wie het weet – en wie weet het – mag het zeggen. Maar te denken geeft het wel, en indrukwekkend is het.