Dirk Verhofstadt in gesprek met Johan Braeckman

In gesprek met Johan Braeckman : een zoektocht naar menselijkheid / Dirk Verhofstadt. – Antwerpen ;
Amsterdam : Houtekiet, [2021]. – 416 pagina’s ; 24 cm. – Met register. ISBN 978-90-892497-8-4

Het zal geen bevreemding wekken, dat dit eerste van twee boeken over menselijkheid begint met de evolutietheorie van Darwin. Johan Braeckman is immers bekend als een filosoof en ecoloog die deze theorie graag toelicht, onder andere in zijn Darwins
moordbekentenis (2001). Zijn gesprekspartner is moraalfilosoof Dirk Verhofstadt, die bij Braeckman promoveerde en vooral vragen stelt en thema’s aandraagt. Het tweede hoofdstuk gaat over de evolutie van de mens, het derde over religie, het vierde over irrationalisme en het vijfde en laatste over humanisme en atheïsme. Een boek dat veel vragen op kan roepen en waar veel kanttekeningen bij te plaatsen zijn. Dat is zowel de sterkte als de zwakte ervan (zo evident is het allemaal niet). Deel twee zal gaan over geweld, taal, moraliteit, kunst, vrije wil en de zin van het leven. Met eindnoten en
register.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Denkers en dwalers


In juli 2019 volgde ik met vijf andere cursisten de week ‘Filosofie in de Lage Landen’ bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. De docent was dr. Erno Eskens, die vertelde dat hij werkte aan een boek over de ‘geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen’. Dat boek is er inmiddels. Reden te meer om het te vergelijken met mijn (uitgebreide) aantekeningen uit 2019 en aan te vullen met recente bevindingen na lezing van het mooi uitgegeven boek, waarvan ik onder dank een recensie-exemplaar ontving.

 

Inleiding
Om te beginnen is de inleiding tot de uitgave uitgebreider dan die tot de cursus. Ik zou zeggen: uiteraard wordt hier de methodologie diepgaander uit de doeken gedaan. Eskens legt de nadruk op denkers die ‘naar de marges’ zijn geduwd: uit de voormalige koloniën, vrouwen, autodidacten en literaire denkers. Een loffelijk streven, al heeft hij uit de ene categorie meer namen op kunnen duikelen dan uit de andere. De nadruk ligt ‘op ideeën over het goede leven, over de ideale samenleving, schoonheid, zin, zelfontplooiing, rechtvaardigheid’. Het gaat Eskens niet alleen om de hoofdlijnen, maar ook om de breuklijnen, want die zijn vaak op zijn minst zo interessant. Met als beperking overleden denkers, op enkele uitzonderingen na.
Ik ga na wat hij vertelde en schreef over enkele van mijn geliefde filosofen/denkers: Jan van Ruusbroec, Coornhert en Spinoza. En nog enkele zaken meer.

Jan van Ruusbroec
Het boek lijkt me nog zorgvuldiger qua formuleringen dan de colleges in Leusden; zo verliet Jan van Ruusbroec (1293-1381) niet de kerk, zoals ik het althans noteerde, maar de St.-Goedelekathedraal in Brussel ‘(niet de Kerk’ voegt Eskens er tussen haakjes voor de duidelijkheid nog aan toe).
Opvallend is, dat de auteur Ruusbroec niet – in weerwil van een van zijn uitgangspunten – en in tegenstelling tot Frits van Oostrom (Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400) binnen de literatuur trekt, maar wel net als Van Oostrom het emancipatoire karakter van diens werk (als aankondiger van de latere Reformatie) benadrukt.

Coornhert en Spinoza
En dan zijn we al op weg naar het humanisme en de Renaissance, onder meer met Coornhert (1522-1590, afb. rechts). Zoals Eskens diens werk tijdens de cursus in Leusden uitlegde, moest ik vaak aan Spinoza (1632-1677) denken. Volgens hem is Spinoza echter niet zozeer het startsein voor de Verlichting, want dat was eerder Francis Bacon (1561-1626). Al toont Eskens zich geen groot kenner en liefhebber van het werk van Spinoza, toch werd hij onlangs benoemd tot voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, vooral om zijn grote netwerk.[1]
Spinoza draaide zich volgens Eskens ‘in de soep’ met zijn idee van God of de Natuur: een in plaats van twee substanties. Het overdenken waard, maar we gaan verder en maken een sprong in de tijd.

ISVW
Met een opmerking die eigenlijk in het verlengde van het voorgaande ligt en waar ik in mijn dictaat een streep bij heb gezet: de controverse tussen de oprichters van de ISVW (1916, zie foto EvS links). Het is volgens Eskens mede aan deze dialectiek te denken, dat de ISVW nog steeds bestaat. In het boek komt deze episode in dat licht bezien wat minder uit de verf dan tijdens de cursus. Een van de cursisten én docenten van het eerste uur aan de ISVW was Clara Wichmann (1885-1922), een interessante vrouw die denk ik terecht vond dat een sociaal contract een fictie is.

De moderne tijd in
Hoewel Eskens in haar ook een mede-dierenactivist zal herkennen, is hij niet eenkennig. Zo behandelt hij ook het denken van Herman Dooyeweerd (1894-1977), een rechtsfilosoof van gereformeerde snit, en J.H. van den Berg (1914-2012) van de omstreden metabletica.

In de cursus te Leusden ging Eskens iets verder de moderne tijd in dan in het boek; hij beperkt zich in het laatste geval immers ‘zoveel mogelijk tot overleden denkers’. Dat dit heel veel oplevert, maar dat veel ook nog onbesproken blijft, moge duidelijk zijn. Het wachten is ongetwijfeld op een aangevulde herdruk, waarin dan misschien meteen ook een wat ordentelijker personenregister kan worden opgenomen, waarin achternamen niet langer op ‘de’ en ‘van’ zijn gerubriceerd. Maar dat is een kleinigheid bij een tour de force die de samenstelling en het schrijven van dit boek moet zijn geweest. Dat het een work in progress is, blijkt al uit de aankondiging van de nieuwe opzet van de hiervoor genoemde, eerder door mij gevolgde Summerschool bij de ISVW. Nu van 15 t/m 19 augustus 2022.[2]


Erno Eskens: Denkers en dwalers. Een geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen

Uitgever: ISVW Uitgevers, 2022
ISBN 978-90-831215-9-8
Prijs: € 29,95

Link naar de podcast van Erno Eskens over zijn boek: https://isvw.nl/podcast/

[1] Zie ook een eerdere blog: https://elsvanswol.nl/ietsje-meer/
[2] Zie: https://isvw.nl/activiteit/denkers-dwalers-summerschool/

De ontwikkeling van ethiek

8WEEKLY vroeg aan de medewerkers, wat hun aanrader uit 2021 was (zie linkje hieronder). Ik dacht, na een dichtbundel van Jabik Veenbaas die echter al in 2020 was verschenen, aan het boek Morele vooruitgang in duistere tijden. Universele waarden voor de 21ste eeuw van de Duitse filosoof Markus Gabriel (Boom Uitgevers, 2021). Dit boek had ik gewonnen bij een actie van Filosofie Magazine en heb het met grote interesse gelezen. Omdat het onmogelijk is dit boek in een podcast bijdrage van ruim een minuut recht te doen, ga ik er in deze blog dieper op in: waarom is het dan een aanrader? Ook plaats ik er ondanks dat, toch enkele kanttekeningen bij.

Enkele begrippen
Om te beginnen: wat zijn universele waarden volgens Gabriel? Hij zegt: ‘Goed en kwaad zijn universele waarden: het goede is universeel moreel vereist – ongeacht groepslidmaatschap, cultuur, smaak, geslacht, klasse en ras – terwijl het kwaad universeel moreel verboden is.’ Gabriel gaat uit van het Verlichtingsdenken, dat hij nieuw leven in wil blazen. Verlichting is datgene dat volgens hem ‘helpt in dit soort duistere tijden. Ze veronderstelt het licht van de rede en daarmee ook een moreel verstand.’ Waar hij op aanstuurt, noemt hij een nieuwe verlichting, een moreel realisme, het ontdekken van vormen van nieuwe morele gedachten. Het boek is dan ook bedoeld voor lezers, ‘die bereid zijn om door middel van de rede tot een moreel oordeel te komen.’

Vooruitgang – een ander begrip uit de titel – is ook niet intrinsiek goed of kwaad. We mogen immers ‘nooit vergeten wat er in het Duitse Rijk is gebeurd, omdat het ons heeft laten zien dat de mens in staat is om systematisch radicaal kwaad te organiseren met behulp van de wetenschappelijke en technologische vooruitgang.’ Wat nodig is voor morele vooruitgang, is ‘een praktijk van vergeving, verzoening, verdraagzaamheid en voorzichtige, aftastende gesprekken.’

Onder morele vooruitgang schaart Gabriel onder meer ‘het opblazen van het systeem van stereotypen, zodat we ieder mens in de eerste plaats als mens kunnen onderkennen en erkennen.’ Covid-19 leidt volgens hem tot het onder druk verenigd zijn van de mensheid, waarmee hij echter de tweedeling die er ook door ontstaat helaas niet onderkend.
Morele vooruitgang wordt geblokkeerd door ‘nepnieuws, digitale bewaking, propaganda en cyberoorlogsvoering.’

Kernthema’s
Tot zover enkele begrippen uit de titel van het boek. De kernthema’s die Gabriel onder de loep neemt, zijn: realisme, humanisme en universalisme. Waar hij zich tegen afzet, zijn: waardenpluralisme, – relativisme en -nihilisme. Zo zet hij zich bijvoorbeeld af tegen de cultuurstrijd van Samuel P. Huntington, en stelt daar de ideeën van Nobelprijswinnaar Amartya Sen tegenover. Het postmodernisme is hem een doorn in het oog en hij noemt dat ‘willekeur’ en ‘onzin’.

Hij geeft hoog op van kunst en cultuur, omdat deze ‘onmisbaar [zijn] voor de ontwikkeling van onze ethiek. Zonder ficties en hun verspreiding in de samenleving is een morele opvoeding onmogelijk. Het is geen toeval’, schrijft hij, ‘dat totalitaire systemen de artistieke vrijheid beperken – ze willen de verbeelding van hun onderdanen aan banden leggen’. In het verlengde daarvan ziet hij geen enkele reden om tolerant te zijn tegenover intolerantie, geen enkele reden om in gesprek te gaan met radicale politici, ‘omdat de basisregels van een dergelijke discussie niet worden geaccepteerd binnen de ideologie van de gesprekspartner.’ Een mooi voorbeeld in Nederland is de weigering van de gemeenteraad in Amsterdam, die onlangs weigerde te discussiëren over de vergelijking van de sjoah en de coronamaatregelen. Er zou volgens raadslid Gertjan van den Heuvel (CU) hiermee een grens worden overschreden.

Immanuel Kant
Er staan prachtige stukken in het boek. Ik denk bijvoorbeeld aan Gabriels uitleg van Kants ‘beroemde strenge verbod op liegen’. Onlangs kwam het nog langs, toen NPO2 Extra de film Irrational Man van Woody Allen (2015) vertoonde. De hoofdpersoon, filosofieprofessor Abe Lucas, zette daar een vraagteken bij dat je vaker hoort, – in de woorden van Gabriel: ‘Stel we verbergen in een totalitaire dictatuur een vervolgde familie in de kelder en liegen tegen de politie wanneer die aan de deur staat en vraagt of we de familie in kwestie hebben gezien.’ Gabriel legt uit, dat ‘wie een onwaarheid vertelt om een gezin dat zich in de kelder verstopt te beschermen tegen een wrede, onrechtvaardige overheid, niet liegt, want het doel is (…) niet om een voordeel te behalen, maar om de veiligheid van het gezin te waarborgen.’

Duitsland enzo
Nu is het niet zo, dat ik het met alles wat Gabriel stelt eens ben. Zijn blik is mij soms wat te eng op Duitsland gericht, en dan krijg je een zin als: ‘Natuurlijk zijn er veel fraaie successen geboekt op het grondgebied van de huidige Bondsrepubliek: de uitvinding van de boekdrukkunst, de symfonieën van Beethoven …’. Oké dat eerste klopt, dat tweede niet – Beethoven schreef alleen zijn eerste twee symfonieën in Bonn, de rest in Wenen; hij wordt niet voor niets tot de Weense klassieken gerekend (Haydn, Mozart, Beethoven).
Minder storend is Gabriels voorliefde voor het Duitse idealisme, met Kant, Fichte, Schelling en Hegel.

Storend is wel weer zijn louter negatieve benadering van sociale media (‘zonder Twitter en Facebook zou Trump waarschijnlijk nooit president van de VS zijn geworden’, een rol die wellicht eerder geldt voor de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021), waar hij op andere plaatsen wel ontwikkelingen van meerdere kanten kan bekijken en wijst op eenzijdige mensbeelden als ‘het idee dat de geest identiek is aan neuronale processen, de homo economicus [en] de ontkenning van het bestaan van de vrije wil’. Smakeloze uitglijders als ‘De eenentwintigste eeuw zal het tijdperk zijn van de pandemie van de nieuwe verlichting als gevolg van globalisering’ en: ‘We moeten ons allen tezamen inenten tegen het mentale gif dat ons verdeelt’ vormen gelukkig een zeldzaamheid.

Tenslotte
Universele ethiek staat lijnrecht tegenover de moraal die de inmiddels overleden Engelse opperrabbijn Jonathan Sacks in zijn boek Moraal (Uitgeverij KokBoekencentrum, 2020) beschreef, en waar ik eerder (kritisch) over blogde. Immers: monotheïsme is volgens Gabriel ‘geen geschikte basis voor een universele ethiek, omdat universele waarden geen goddelijke steun nodig hebben’. Als voorbeeld noemt hij allereerst het feit dat ‘er geen absoluut gebod [is] dat voorschrijft dat men moet glimlachen naar voorbijgangers. Toch verbetert de geluksbalans van de maatschappij als we ons voornemen om anderen en onszelf een prettig gevoel te bezorgen’. Voorts noemt hij het feit ‘dat men kinderen niet mag martelen’, wat ‘niet alleen een beslissing [is] van God waaraan men zich moet houden (…), maar een moreel feit dat met of zonder God geldt.’
De Tien Geboden acht hij niet ‘geschikt als basis voor welke ethiek dan ook (zelfs niet voor een christelijke ethiek die hoe dan ook niet kan bestaan, omdat een ethiek die christelijk zou zijn daardoor haar universele geldigheid zou verliezen)’. Over de zeven universele Noachitische of Noachidische geboden of voorschriften heeft Gabriel het helaas niet.

Rest echter gelukkig meer dan genoeg interessants om dit boek van harte aan te kunnen bevelen, zoals ik in de podcast van 8WEEKLY en hier uit de doeken deed. Een boek dat ik voor het overgrote deel met veel instemming en herkenning heb gelezen. Iets wat ik van het boek van Sacks helaas niet kon zeggen.

Markus Gabriel: Morele vooruitgang in duistere tijden
Vert. Huub Stegeman
Boom Uitgevers, 2021
ISBN 978 90 2443 663 7
Prijs: € 24,90

Linkje naar genoemde podcast van 8WEEKLY: https://open.spotify.com/episode/6QMHKvMo1Gy7w3oMAnKYKT?go=1&sp_cid=d23ca7030e6da31319547f3be4d68ee9&utm_source=embed_player_p&utm_medium=desktop&nd=1
Mijn bijdrage begint op 26’04”

‘Auschwitz is een ziekte’

Aan de vooravond van de internationale conferentie ‘The Politics of Jewish Literature and the Making of Post-War Europe’ spraken op 28 januari jl. Yolande Jansen (universitair hoofddocent filosofie aan de UvA en bijzonder hoogleraar aan de VU) en David Wertheim (directeur van het Menasseh Ben Israel Instituut) met schrijver Arnon Grunberg.

Wertheim trapte af met de vraag: ‘Auschwitz is een ziekte, waarvan je niet wilt genezen. Wat voor ziekte?’
Ik neem dit beeld tot uitgangspunt voor deze blog. Eerst citeer ik het antwoord van Grunberg en vervolgens ga ik na wat die metafoor mij te zeggen heeft. In het laatste geval gebruik ik een mooie recensie die Vrouwkje Tuinman schreef over het boek Het ontsterven van Pulitzerprijswinnaar Anne Boyer (in Trouw, 30 januari jl.).

Arnon Grunberg
Grunberg antwoordde, dat dit een gevaarlijke metafoor is, een parafrase van Primo Levi. ‘We zijn er nog steeds vatbaar voor. We herinneren ons en (h)erkennen, dat de vervolgingen nog wel eens terug kunnen komen. Het idee van genezen verklaard zijn, staat me tegen. Ik kan niet geloven in een terugkeer naar de normaliteit, naar de status quo.’

Wertheim vraagt of het hem dan heeft verrijkt, en Grunberg antwoordt dat dit hem al even gevaarlijk in de oren klinkt. ‘Je mag dat alléén zeggen, als je dat breder trekt. De Tweede Wereldoorlog gaat iedereen aan, niet alleen het joodse mensbeeld of het Duitse. We kunnen niet terugkeren naar het humanisme van vóór 1933. De geschiedenis ontkennen, is absoluut onwenselijk. We moeten anders omgaan met het verleden. Misschien leren we komende catastrofes voorkomen. Misschien.’

Tot zover Wertheim en Grunberg.

Anne Boyer
Vrouwkje Tuinman bespreekt als gezegd Anne Boyers boek Het ontsterven, waarin ze ‘onopgesmukt, scherp en snedig schrijft over (haar) kanker en de kankerindustrie’. Boyer moffelt de waarheid over ‘het maatschappelijke moeras waarin je bij kanker belandt’ niet weg. Ze moet niets hebben van “het verslaan” van de ziekte, want er zijn mensen die het niet “lukte”. Omdat ze geen geld hadden of omdat ze ‘er een andere ziekte aan overhielden’.

Wie is het, vergelijkenderwijs, gelukt de Tweede Wereldoorlog te overleven, zonder nachtmerries en depressie(ve gevoelens)? Niet veel mensen. Zijn de Duitsers verslagen, of kunnen we toch ook van de naoorlogse manier van hun omgang met het beladen verleden leren, zoals Susan Neiman in een recente studie betoogt? Misschien.

Boyer schrijft geen handleiding over hoe je met kanker om moet gaan, want dat kan niet. Een handleiding hoe te leven bestaat volgens dichteres Ellen Deckwitz ook niet. Handleidingen over hoe je je leven moet leiden (of hoe je het lijden uit de weg zou kunnen gaan), over omgaan met ziekte en sterven. Al zijn er genoeg schrijvers die naar zulke inzichten zoeken, van Aelius Aristides tot René Gude. ‘Ik kan’, schrijft Boyer, ‘alle juiste ideeën aanhangen (…) en toch aan borstkanker sterven, en ik kan louter foute ideeën aanhangen en foute dingen doen en toch blijven leven’.

Verbergen
Het probleem is misschien hetzelfde als bij de gevolgen van de Tweede Wereldoorlog: ‘Voor je het weet ben je’ of is het ‘onderdeel geworden van een industrie met uiterst dubieuze kanten’: slechte films over de oorlog, de kankerindustrie. De aandacht gaat in het laatste geval dan naar pruiken, protheses en andere manieren om te ziekte te verbergen.
Zo hoeft het ook niet verborgen te blijven dat je een jood bent, zegt Grunberg. Je kunt, zegt hij ‘niet meer oprecht geloven dat je onzichtbaar bent’, waarbij hij George Steiner citeert. Je spreekt namens jezelf en je valt nooit geheel met een groep samen. Niet met ‘de’ zieken en niet met ‘de’ joden.

Boyer breekt met de trend om te verbergen. Ze laat volgens Tuinman ‘zien hoe het die grote groep mensen die op oncologiefolders staan, stralend van “multiraciale en alle leeftijd omspannende blijdschap” werkelijk vergaat. En wat dat zegt over onze maatschappij’.
Heeft het haar verrijkt, zoals Wertheim aan Grunberg vroeg? ‘De overtuiging dat sterfelijkheid een “schitterend raamwerk” is? ‘Na mijn kanker vond mijn auteurschap dat het nu vrij baan had’.

Grotesken
Bij Grunberg is het misschien omgekeerd. Hij antwoordt op een vraag van Yolande Jansen, dat hij het groteske, ironische dat een boek als De joodse messias kenmerkt, steeds minder is gaan inzetten. Dat heeft, zegt hij, ook met de tijdgeest te maken en de iets andere rol die hij als schrijver is gaan spelen, toen hij zich meer in politieke debatten ging mengen. Het groteske kan steeds minder op begrip rekenen. Maar: ‘een wereld zonder grotesken is een wereld zonder romankunst’. Over grotesken in de romankunst in een volgende blog meer.

Kunst én kijker serieus nemen

Ze staan momenteel in de belangstelling: bordjes bij kunstwerken, onder meer die in musea. Woorden die gevoelig liggen worden, of dienen te worden veranderd. Koloniale achtergronden moeten bijvoorbeeld worden toegevoegd en verduidelijkt.
In mijn tijdlijn op twitter wordt er zelfs de draak mee gestoken. Zo twitterde iemand: ‘Het wachten is op museumteksten die rekening houden met álle vormen van onbegrip. “U denkt: saai, zo’n stuk kaas op een tinnen bord met een glas rode wijn ernaast, en ja, een lekker wijf zou leuker zijn om naar te kijken, maar in de 17e eeuw schilderde men nu eenmaal zo. Sorry”.’

In Trouw van afgelopen weekend (8 februari jl.) voegde zich een andere stem in dit koor, die van emeritus hoogleraar Esthetica aan de Vrije Universiteit Amsterdam, Wessel Stoker. Een afwijkende, of aanvullende stem, het is maar net hoe je het bekijkt, die meent dat op die bordjes ook zou moeten worden aangegeven of een kunstwerk een religieuze achtergrond heeft. Hij vindt dat, als dit niet gebeurt, de kunst én de kijker tekort worden gedaan. Dat ben ik, zoals ik in deze blog uiteen zal zetten, niet met hem eens.

Voorbeelden
Stoker noemt verschillende voorbeelden: Jesus Serene van Marlene Dumas op een overzichtstentoonstelling van haar werk in het Stedelijk Museum in Amsterdam (2015) [1], Van Goghs Zaaier met ondergaande zon op de tentoonstelling met werk van François Millet (2019-2020) in het Van Gogh Museum. In beide beide gevallen ontbrak die context. En hij noemt enkele voorbeelden waarbij deze wél was aangegeven, allebei in het buitenland: in Baltimore (Holy Image, Holy Space, 1998) en Seering Salvation in Londen (2000).

Allemaal voorbeelden van hedendaagse kunst, die ook met exposities van oude kunst zouden kunnen worden aangevuld. Ik denk daarbij in positieve zin aan de tentoonstelling Rembrandt-Velázquez in het Amsterdamse Rijksmuseum (2019-2020) waar bij de schitterende kleinood Beker water en roos (zie afb. links, foto EvS) van De Zurbaran de symboliek hiervan (Heilige Geest en Maria) op het bordje ernaast was vermeld. Ik vond het fijn dat deze extra laag was geduid, omdat je zou denken: ‘Saai, zo’n beker en roos’ als in de tweet, maar het was méér dan dat. Afgezien van het feit dat het helemaal niet saai was.

Existentiële diepte
Zou het echter erg zijn als zoiets niet werd toegevoegd? Stoker citeert daarbij een uitspraak van de Belgische museumdirecteur Isabelle Benoit, die in 2010 tijdens een conferentie over museum en religie zei, dat christelijke duidingen niet primair de taak zijn van een museum. Dit wordt uiteraard door Stoker tegengesproken, die stelt dat het zijns inziens wel ‘een taak van het museum is, wil het echt iets laten zien van de existentiële diepte van een werk’. Noch het één noch het ander is denk ik waar.

Om te beginnen werp ik tegen, dat die ‘existentiële diepte’ universeel is. Uitingen van zaken als leven en dood, hoop en liefde kunnen niet worden geclaimd door het christelijk geloof, maar worden door iedereen anders ervaren. De kunstenaar heeft zijn werk losgelaten, een museum toont het en de kijker mag tenslotte het existentiële van het werk, christelijk of niet, zelf invullen.
Als een museum dat zelf gaat doen (behalve bij de symboliek van een oud werk als dat van De Zurbaran, dat niet meer door iedereen, inclusief in dit geval mijzelf zal worden begrepen), voel ik me als bezoeker niet tekort gedaan, maar juist als volwassene aangesproken om actief mee te denken, het kunstwerk als het ware af te maken.

Vrouw met dood kind
Als voorbeeld hoe dat werkt, noem ik de ets Vrouw met dood kind van Kathe Kollwitz (1903, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, zie afb. rechts): een universeel, existentieel motief van een moeder met een dood kind. Het model was haar zoon Peter, die in 1915 nota bene zelf zou vallen in de Eerste Wereldoorlog. Je kunt de ets ook als een Piëta ervaren, en daar is denk ik echt niet zoveel kennis voor nodig. Voor de één zal dit een laag op het universele thema zijn, voor de ander een dragende laag van betekenis eronder. Dat is aan de toeschouwer en diens eigen context.

Er zijn lang niet altijd bordjes nodig of zelfs gewenst, maar eerder bijvoorbeeld museumlessen en kunstonderwijs. Daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen. En dan kun je een woud aan bordjes (christelijke geïnspireerd, beïnvloed door de islam, uiting van humanistisch denken tot multiple religious belonging (MRB) aan toe) gewoon achterwege laten. Hoe minder lezen hoe beter. Hoe meer zelf kijken hoe verrijkender het is.

 

[1] De oorspronkelijke titel is overigens Men’s View …

Link naar het artikel van Wessel Stoker:
https://www.trouw.nl/religie-filosofie/musea-verzwijgen-religieuze-kant-van-kunstenaars-en-hun-werk~b44ebc03/

Spinoza en Steven Nadler (III)


Morgenavond voor 22.00 uur dienen de studenten van de Universiteit van Amsterdam die de cursus volgden over de Ethica van Spinoza door Steven Nadler, een paper (900 woorden) bij hem in te dienen. Ze kunnen daarbij kiezen uit enkele vragen en dienen zelf te kunnen reflecteren over zaken als: was Spinoza een goed gelovige, een atheïst, een pan(en)theïst , een joodse jongen of doet die vraag er helemaal niet toe?
Ik heb genoten van de zes collegeavonden, van de inzichten die Nadler op een heldere manier over het voetlicht wist te brengen en van de soms pittige discussies met de circa vijfendertig studenten en circa vijf aanschuivers via de Illustere School. Jammer was dat op het eind wat interessante onderwerpen, zoals het begrip
multitudo, erdoor werden gejaagd.
Op bovengenoemde vraag alleen al werden vele, meest goed beargumenteerde antwoorden gegeven. Waaruit overigens maar weer eens bleek hoeveel verschillende visies er mogelijk zijn.
Zoals ook bij de vorige opdracht (zie blog
Spinoza en Nadler I), waag ik me aan deze slotopdracht.

Vroom
Nadler zelf gaf een voorzet. Romantische dichters, betoogde hij, zagen in Spinoza de meest vrome filosoof ooit, omdat hij God overal zag. In ieder geval was hij geen traditionele Deïst en was zijn God niet de God van Abraham, Isaak en Jacob.
Spinoza als pantheïst zien, is een anachronisme aldus Nadler; de term bestond in zijn tijd nog niet. Hooguit kun je hem als een panentheïst beschouwen, zie stelling 15 uit deel een van de Ethica:

Al wat is, is in God en niets is zonder God bestaanbaar noch denkbaar.

Pantheïst of atheïst
De pantheïsten zeggen hetzelfde als de atheïsten: al wat er is, is Natuur. Alleen begeven zij zich daarmee op glad ijs. Immers: bij Spinoza is geen sprake van transcendentie, maar van immanentie. Als er al een verschil is (God=Natuur), dan is het de eerbied voor God waar bij de pantheïsten sprake van is; er is iets gewijds in de Natuur. De atheïsten ontkennen beide. Hoewel, volgens Nadler, niet valt te ontkennen, dat er in de wetenschap ook een gevoel van eerbied voor de Natuur bestaat. Het is het gevoel van: Wow, wat verbazingwekkend is de Natuur! Een gevoel dat aanzet om dieper te graven. Bij de pantheïst bestaat dat gevoel ook, maar dat uit zich in sprakeloosheid.Stoïcijn
Op een vraag van een student of Spinoza niet eerder als stoïcijn kan worden beschouwd, antwoordt Nadler dat hij eerder vanuit Maimonides gelezen dient te worden. In die zin, dat Maimonides ervan uitging, dat als je je verstand gebruikt, je langer en gelukkiger leeft. Als voorbeeld noemt hij iemand die juist als het geweldig stormt besluit op een schip te stappen dat met man en muis vergaat. Dit was hem niet overkomen, als hij even had nagedacht en dit had na gelaten.
In de tijd van Spinoza noemde je iemand een atheïst, als hij niet in jouw God geloofde. Iets dat volgens Nadler vergelijkbaar is met ‘communist’ in het Amerika van McCarthy. Je kunt niet ontkennen dat Spinoza het ware geloof aanhing, wanneer hij stelt

Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden.

Dit staat overigens bekend als de zogenaamde gulden regel, het Thoragebod van de naastenliefde (Lev. 19:18) dat ook in het Nieuwe Testament terugkomt. Dit heeft volgens Nadler echter niets met geloven in God te maken, zonder dat hij het overigens als humanisme bestempelde. Het heeft alles te maken met een gedeelde moraal, het onderwerp van de laatste collegeavond dat niet helemaal uit de verf kwam omdat Nadler te lang bij onderwerpen van de vorige avond bleef hangen.

God is één
Terug naar stelling 15 uit deel een. Nadler vergeleek deze met de visie van de filosoof Pierre Bayle, die onderscheid maakte tussen vrolijke en droevige mensen die nooit tegelijk in God kunnen zijn. Nadler zette daar het idee van éénheid tegenover, waarin binaire en duale ideeën zijn opgeheven en eindigde met de conclusie dat God mee lijdt met de wereld – voorwaar een theologische visie die ik echter niet op het conto van Spinoza durf te schrijven, omdat God volgens hem geen gevoelens heeft. Iets dat later uit het betoog van Nadler wel weer naar voren kwam, toen hij stelde dat God geen enkele morele karaktertrek heeft. ‘Hij is’, aldus Nadler (JHWH, denk ik dan: Ik ben die Ik ben).
Zowel het idee van de éénheid als deze laatste constatering, voerden mij in gedachten naar het Sjema Israël:

שמע ישראל יהוה אלהינו יהוה אחד

(Sjema Israel, Adonai Elo-hénoe, Adonai echád ,
Hoor Israël, de HEER is onze God, de HEER is één (Deut. 6:4)).


MRB
Als je stelt dat het er allemaal niet toe doet, welk etiket je op het denken van Spinoza plakt, dan gaan zulke doorzichten verloren. Daarom pleit ik niet voor een of-of oplossing (Spinoza was atheïst of Spinoza was panentheïst of Spinoza was een joodse jongen of zelfs een humanist), maar voor de visie die heden ten dage wel opgang doet onder de naam multiple religious belonging (MRB). Ik citeer hoogleraar André van der Braak, kenner van MRB: ‘Wat is MRB nu precies? De term valt lastig in het Nederlands te vertalen. Ze probeert te beschrijven dat voor veel mensen tegenwoordig de waarheidsclaims van één religieuze traditie als een keurslijf voelen. Niet alleen keren ze zich af van de kerken en de religieuze instituties, ze willen ook niet langer onderworpen zijn aan religieuze autoriteiten die ze voorschrijven waar ze in moeten geloven (…). Eigenlijk passen MRB-ers niet in de bestaande hokjes. We moeten op een nieuwe manier gaan nadenken over religie en het verlangen naar religieuze verbondenheid (…). Het gaat misschien niet meer om de vraag “wat is mijn religieuze identiteit?” De nieuwe vragen zijn veel meer: wat betekent het om je echt thuis te voelen in een religieuze traditie? Moet je dan ergens lid van zijn? Moet je het eens zijn met de geloofsuitspraken van die traditie? Of gaat het erom dat je bepaalde praktijken uit die traditie beoefent? Of dat die traditie je een richtsnoer biedt voor je dagelijkse handelen?’

Bij elke zin zowat moet ik aan Spinoza denken, die het jodendom als een keurslijf ervoer, uit de synagoge werd gezet, niet meer onderworpen aan de parnassiem, niet in een hokje passend, maar wél nadacht over religie en bepaalde opvattingen hiervan in zijn dagelijks handelen incorporeerde (‘Behandel anderen zoals je door hen behandeld wilt worden’).
Het is geen verlegenheidsoplossing, maar een van deze tijd. Een anachronisme? Nee, eentje die naar mijn idee aan het denken en doen van Spinoza méér recht doet dan welke eenzijdig antwoord dan ook. We hebben er een naam aan gegeven, maar het bestond stilzwijgend ook vast in de tijd van Spinoza.

En om in sfeer te blijven, liggen er twee Mededelingen vanwege het Spinozahuis ter lezing op me te wachten.

De arme Lazarus

‘Een van de eerlijkste en inspirerendste films die ik ken.’ Dat schrijft Dana Linssen in De Filmkrant van maart jl. over Lazzaro felice van de Italiaanse regisseur Alice Rohrwacher (1982), wier zuster Alba er ook (weer) een rol in speelt. Ze kreeg er in Cannes de Palm voor het beste scenario voor. Linssen heeft niet teveel gezegd; het ís een film die ontroert, je bij de kladden grijpt en aan het denken zet. Nog lang nadat je hem hebt gezien.

Veerle Snijders, die de film inleidde voor Rialto Filmclub, wees erop dat je de wolf die regelmatig in beeld komt, en wiens gehuil met eenzelfde regelmaat in het Italiaanse landschap in de buurt van Inviolata weerklinkt, wel eens voor God zou kunnen staan en nodigt de Filmclubleden uit hierover na te denken.

Om te beginnen zou ze wel eens gelijk kunnen hebben: de bevolking is bang voor de wolf/God, maar dat is een uiting van een periode die in de film voorbij gaat en opschuift naar het hier-en-nu. Lazzaro, de hoofdpersoon, heeft soms zelfs het idee dat de wolf hem antwoordt als hij zijn huilen nadoet. Alleen zijn dat dan (een humanistisch element in de film) mensen die het gehuil van de wolf nadoen.
In ieder geval is het de wolf die Lazzaro, nadat hij van een hoge rots naar beneden is gevallen, weer tot leven wekt; in die zin staat de arme doch vrolijke Lazzaro (Lazzaro felice) voor de arme Lazarus uit de Bijbel (Elazar, God heeft geholpen, Johannes 11). Lazzaro doet zijn ogen open en staat op, letterlijk (een sociaal-realistisch element in de film): zijn ogen gaan open voor het ongeluk dat de geknechte tabaksboeren in Inviolata treffen en (een actueel gegeven) tegen de bank die de horigen een schuld liet opbouwen die ze nooit kunnen aflossen.

Een wolf is in de christelijke iconologie het attribuut van vele heiligen (Antonius de Grote, Radegundis, Remaclus). Ook in het verhaal van Franciscus van Assisi, op wie in de film even wordt gezinspeeld, duikt een wolf op (zie afb. hierboven). Lazzaro kun je eveneens als een soort heilige beschouwen, die als vreemdeling wordt gewantrouwd. Men denkt dat hij, wanneer hij de bank binnenloopt om over de schulden te praten, een wapen bij zich heeft. Als dit al zo is, dan is het de katapult zoals de Bijbelse David die had en die Lazzaro van Tancredi, de zoon van Marchesa Alfonsina de Luna van de tabaksplantage, cadeau heeft gekregen en als teken van vriendschap altijd bij zich moet dragen.

Op een gegeven moment trekken de horigen naar de grote stad. Let wel: een stad met allemaal zendmasten die symbolisch wat lijken te willen opvangen van het leven voorbij de fysieke werkelijkheid. Als dat wat het aardse leven te boven gaat of dat wat er grond aan geeft. De groep gaat een kerk binnen en horen op het orgel spelen. Een non jaagt ze weg; het is, zegt zij, een besloten mis. Het lijkt of de orgelklank in de kerk wordt opgesloten. Je kan in deze scène kritiek zien ten opzichte van het instituut kerk, die het niet voor de landarbeiders opnam (een enkele uitzondering, zoals Thomas Münzer daargelaten), die niet meeging met de tijd. Alleen Lazzaro heeft in de film wat tijdloos; hij verandert gedurende de speeltijd niet.

Het slot van de film zegt nog iets anders: de orgelklank groeit uit tot het orgelkoraal Erbarm’ dich mein, o Herre Gott BWV 721 van Joh. Seb. Bach, die Lazzaro vergezelt. De strekking van de tekst van dit koraal (Psalm 51 in de Luthervertaling) zegt méér dan woorden kunnen uitdrukken.
Al met al is het een film die bij je blijft. Eerlijk en inspirerend. Op z’n minst.

Betrokken raken in een gesprek

Theo Witvliet heeft een prachtig essay geschreven over het humanisme van Martin Buber. Eigenlijk moet ik zeggen: Theo Witvliet heeft wéér een prachtig boek geschreven, na onder meer Het geheim van het lege midden (2004). Meteen aan het begin deelt hij al zijn inzicht op Buber met de lezer: ‘Wie op de een of andere manier geraakt wordt door wat de heilige geschriften te vertellen hebben, ontvangt geen kant en klare waarheid, maar raakt betrokken in een gesprek.’ Met God en als mensen onderling, in de wetenschap dat er voor Buber geen scheiding bestaat tussen ‘leven in de wereld’ en ‘leven in God’, tussen het leven van alledag en de cultus van religie. Een gewone gebeurtenis kan heel bijzonder zijn. ‘Het is de opdracht van de mens de breuken te helen tussen God en wereld, materie en geest, heilig en profaan, en ook tussen mensen en volken onderling.’

Niet dat er niets meer te wensen zou zijn. Wanneer Witvliet bijvoorbeeld vertelt over het bezoek dat Gershom Scholem, de grote kenner van de joodse mystiek, uitgerekend in 1943 aan Buber bracht, en zijn bezwaren uit tegen Bubers interpretatie van het chassidisme (Kafka zou dat ook doen), was Bubers antwoord dat het hem totaal niet interesseerde. Al dan niet in de voetsporen van Eric Kurlanders boek Hitler’s monsters: u supernatural history of the Third Reich had Buber dieper kunnen pijlen.

Witvliet heeft overigens wel gelijk wanneer hij zegt dat Bubers denken ‘meer is dan een spiegeling van twee wereldoorlogen, van de Shoah en van het gevecht om de staat Israël.’ Dat heeft volgens hem te maken met drie inspiratiebronnen:

  1. Het chassidisme
  2. De bevrijding uit de slavernij
  3. Het woord jichoed (eenheid), dat verwijst naar het Sjema Israël (Deut. 6:4).

Witvliet schrijft in verband met het laatste dat hij ‘echte gemeenschap niet vaak heeft meegemaakt. Maar de enkele keer dat ik echt iets van gemeenschap voelde, waren juist momenten waar mensen van verschillende achtergronden en culturen bij elkaar waren.’ Zo licht een stukje van het rijke leven van de theoloog Witvliet op, in contact met anderen en daarmee ook het dialogische aspect dat kenmerkend is voor Martin Buber doordenkend. Een mooi boek, dat is het.


Theo Witvliet: Kwaliteit van leven. Het humanisme van Martin Buber (uitg. Skandalon, 2017). ISBN 978-94-92183-39-2, € 19,95

Ontmoetingen

Zondag 21 mei jl. interviewde Marleen Stelling in Het Vermoeden de theoloog Theo Witvliet (NPO 2, 11.30 uur, zie foto). Een theoloog wiens denken ik een warm hart toedraag; wie in het zoekvenstertje bij deze blog zijn naam intypt, kan dat beamen.
Witvliet – zoon van een predikant die ik graag mocht horen – werkte aan de Universiteit van Amsterdam als hoogleraar ‘Geschiedenis van het christendom in de moderne tijd’ en was gasthoogleraar aan de Universiteit van Genève. Internationale bekendheid kreeg hij door vertalingen van zijn publicaties over de bevrijdingstheologie,
Een plaats onder de zon (1984) en De weg van de zwarte Messias (1984). Verder schreef hij onder meer Gebroken traditie (1999) en Het geheim van het lege midden (2003). Met name van dit laatste boek ken ik hem, al staat zijn recentste boek, dat a.s. zondag centraal zal staan (Kwaliteit van leven; het humanisme van Buber) hoog op mijn verlanglijstje.
Het kan niet missen dat ik in mijn MA-scriptie ook verder denk in de voetsporen van Witvliets boek
Het geheim van het lege midden. Enkele alinea’s daaruit neem ik hier t.g.v. de televisie-uitzending van a.s. zondag over. Aangevuld met wat mij opviel in een ander gesprek, diezelfde zondag (NPO 1, 11.20 uur) dat Jeroen van Kan in het programma VPRO Boeken had met de schrijver Tim Parks over diens nieuwste boek, De roman als overlevingsstrategie.

1. Theo Witvliet

Enerzijds doet de omschrijving ‘het lege midden’ denken aan het joodse makom (= plaats), anderzijds, mede door zijn toevoeging dat de plek leeg is, aan een begrip dat Witvliet ontleende aan Karl Barth.[1] De plek is niet, zoals bij Augustinus (354-430) opgevuld door een beeld van God.[2] En het gaat ook niet om een mystieke open ruimte, maar om het midden van een Talmoedpagina die is gevuld met dialogen en verschillende interpretaties van een Bijbeltekst. Witvliet schrijft:

Met het geheim van het ‘lege midden’ doel ik dan ook niet op een mysterie dat uitstijgt boven de verhalen, liederen, voorschriften, wijsheidsspreuken en brieven, maar op de onvermoede geheimen die in de teksten besloten zouden kunnen liggen.[3]

Dat geldt zeker zo wanneer de mens leeft naar de teksten die Witvliet noemt, en deze heeft geïnternaliseerd, oftewel opgegeten (Ezechiël 3:1). Zodat transcendentie en immanentie “uiteindelijk een en dezelfde zijn. En precies daarin schuilt de ontroering” aldus auteur en filosoof Roel Bentz van den Berg (1949).[4] “De kracht van het transcenderen bewaren, maar die ombuigen naar de immanentie, daar gaat het” volgens Safranski om.[5]

Witvliet heeft het in het gesprek met Marleen Stelling over een ontmoeting (in het lege midden?) die gebeurt, bijvoorbeeld wanneer de tijd even wegvalt. Dat hoeft niet alleen tussen mensen te zijn, maar kan ook met literatuur; Witvliet heeft het over de Zwitserse schrijver Max Frisch, in wiens werk hij zich heeft verdiept.
Die ontmoeting gaat verder in het gesprek dat Jeroen van Kan nagenoeg tegelijkertijd (leve Uitzending gemist!) met Tim Parks heeft.

2. Tim Parks

Tim Parks ziet in zijn boek over de roman (zie afb. links) het lezen van een roman ook als een ontmoeting en een deel van het gedrag van een auteur. Boeken krijgen een relatie met ons en onze levens. Je kunt bijvoorbeeld boos worden bij het lezen van een boek (zie mijn blog over Siegfried van Harry Mulisch!), maar dar zegt iets over mijzelf. We vormen een opinie in relatie tot waar het boek over gaat.

Twee spannende boeken, lijkt me: van Theo Witvliet enerzijds en van Tim Parks (ook voor op het verlanglijstje!) anderzijds.


[1]
Theo Witvliet, Het geheim van het lege midden. Over de identiteit van het Westers christendom (Zoetermeer 2003). Barth sprak in zijn Der Römerbrief (1922) over ‘Hohlraum’, lege ruimte.
[2] Hoewel er mijns inziens geen bezwaar tegen is, hierin het beeld te zien van een Zich achter de wolken terugtrekkende God (in de Bijbelse Psalmen), of een zich samentrekkende, transcendente God die plaats maakt voor de mens (tsimtsoem,
Kabbala). 
[3] Witvliet 19.
[4] Roel Bentz van den Berg, ‘BVDB’, De Gids 179 (nr. 1 2016) 2.
[5] Een mooi voorbeeld is Rüdiger Safranski’s bespreking van het Bijbelboek Job. Hij stelt eerst dat Job niet prijs wil geven dat “een zelf (…) kan transcenderen” en zo “weigert verraad te plegen aan de transcendentie” (Het kwaad, Amsterdam 2005, 260). Vervolgens concludeert hij dat de God van Job niet bóven hem staat, maar ín hem, dus immanent is (id., 262).

Evangelische muziek in concertzaal?

Rafael_Estasi di Santa CeciliaTerwijl de kerk een steeds meer marginale plaats in de samenleving krijgt, speelt religieuze en zelfs liturgische muziek een steeds grotere rol in concertseries in de concertzaal. Soms gecondenseerd in één weekend, zoals afgelopen zaterdag en zondag. En met, toeval of niet, eenzelfde geestelijke achtergrond die de kerk een al dan niet gewenst nieuw leven in moet blazen: een evangelische. Met – zoals Van Kooten & De Bie het een keer omschreven – ‘een hoog Hallelujah-gehalte’.

Het begon zaterdag tijdens het ZaterdagMatinee. Van de Milanese componist Pasquale Corrado ging in een uitvoering door het top Ensemble Intercontemporain o.l.v. Matthias Pintscher een nieuwe compositie in première: D’Estasi, gebaseerd op het schilderij Estasi di santa Cecilia (Pinacoteca nazionale in Bologna) van Rafaël (zie afb.).
En het ging zondagmiddag verder tijdens een concert in de Z-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Daniel Harding, waaraan werd meegewerkt door het Nederlands Kamerkoor. Op het programma stond onder meer het motet Jesu meine Freude BWV 227 van Joh. Seb. Bach.

Corrado, zo lazen we in het programmaboekje, had de muzikale structuur van zijn in opdracht van het NTR ZaterdagMatinee geschreven werk in zes zones verdeeld, ‘één zone voor elk door Rafaël gepresenteerd figuur plus één zone die de figuur van Christus representeert’. Niet dat die op het doek voorkomt – maar toch. Volgens Corrado is Hij ‘impliciet aanwezig’ in de ziel van Cecilia.
De inleider tijdens de rechtstreekse radio-uitzending wist te melden, dat Rafaël het doek schilderde op de grens van een door christendom beheerste kunstperiode en het humanisme, waarin de mens centraal staat. Corrado wist dit vakkundig onderuit te halen en een evangelische duiding aan het schilderij te geven die helemaal past in de opkomst van het evangelische christendom.

Die tijdgeest drong ook door in de interpretatie van genoemd Bachmotet: Jesu meine Freude. Waarbij het duidelijk was, dat het Harding meer ging om ‘Jesu’ dan om ‘Freude’. Zowat elke zin waarin Jezus werd bezongen, werd er expressief uitgelicht. In de zin ‘mir steht Jesus bei!’ en ‘Jesus will mich decken’ ging dat gepaard door in beide gevallen een enorme vertraging. In de zin ‘Jesu meine Lust!’ (in het programmaboekje met uitroepteken) met een sterk diminuendo.

Wat moet je hier nu van denken? In ieder geval dat het fijn is dat de scheiding tussen kerk en concertzaal wat betreft religieuze en liturgische muziek steeds meer wordt geslecht. Het kan je overal toevallen. Of het ook bevalt, is een tweede en zal voor iedere luisteraar verschillend zijn. En ook dat is een goede zaak. Een vleugje humanisme wellicht.

Zie ook mijn bespreking van het boek Tussen aarde en hemel van Kasper Jansen op: http://leerhuisamsterdam.nl/ (onder: Leerhuis – Boekbesprekingen), die eerder verscheen in De Verbreding (nr. 4, augustus 2005).