Karl Jaspers bij HOVO Amsterdam

‘Wat is transcendentie? Waarom moeten we wat we niet kunnen uitleggen – liefde, hoop – toch koesteren? Jaspers kan inzichten bieden om er een eigen oordeel over te ontwikkelen.’

Zo staat het in de cursusaankondiging van HOVO Amsterdam: een cursus die binnenkort start over de psychiater Karl Jaspers, die vooral bekend werd als filosoof. Er is een cursusboek: Sporen van transcendentie van Jozef Waanders. De samenvatting daarvan luidt: ‘De Duitse filosoof Karl Jaspers (1883-1969) heeft als weinig anderen de crises van het moderne denken en bestaan verwoord en geduid. Daarbij stelt hij heel nadrukkelijk de vraag wat de filosofie – in het bijzonder de metafysica – in de moderniteit nog kan betekenen. Hij staat sceptisch tegenover de mogelijkheid van iedere (systematische) kennis en wijst voortdurend op de onoplosbare gespletenheid van het moderne leven. Maar tegelijkertijd laat hij zien hoe zich juist in die begrenzing en gebrokenheid óók de mogelijkheid van authentiek mens-zijn en transcendentie openbaart.’
Alles bij elkaar genoeg om me direct voor deze cursus via Zoom aan te melden. En ter voorbereiding vast een ander boek dan dat van Waanders te gaan lezen. Met als opgave om na afloop van de cursus te bekijken of ik op grond van het boek dat ik las, de cursus door Petra Bolhuis én het boek van Waanders in staat ben om een eigen oordeel te ontwikkelen.

Ik begon met het boek Filosofie van de onbekende God. Een kritische schets van het denken van Karl Jaspers van de hand van J.M. Spier. Hieronder geef ik weer, wat ik daaruit heb opgestoken. Voor lezers van deze blog die misschien, net als ik, nog niet zoveel van Jaspers weten wellicht ook interessant.

Ouverture
Een zin die mij aansprak, is: ‘Aan de ene kant wil filosofie bij hem geen wetenschap en geen gesloten systeem zijn. Want de waarheid is niet, doch zij wordt (…). Anderzijds wil zijn existentie-filosofie geen irrationalisme zijn, geen tegen-redelijke beweging’ (p. 8). Mooi, zorgvuldig geformuleerd, want wat ik nu al door heb, is dat Jaspers geen existentialist was, maar een existentie-filosoof, en dat is wat anders.
Het rijtje van filosofen waarvoor Jaspers een voorkeur heeft, en het rijtje van filosofen in wiens voetsporen hij wilde denken, zijn ook al veelbelovend. Enerzijds zijn dat Plotinus, Boëthius, Cusanus en Kant, en anderzijds Plato, Plotinus, Spinoza en Kant.
En dan heb ik het nog niet eens over de dialectische beweging die Spier in zijn werk herkent. Ik meen daar een zekere verwantschap met Karl Barth in te herkennen, hoewel die volgens Spier kritisch tegenover Jaspers denken stond. Niet alleen in de dialectiek, maar ook door een omschrijving als het ‘terugkeren tot de “grond”, nl. de transcendente, onbekende God’ (p. 14), ‘de grond van het Zijn’ (p. 16).
Met name het woordje ‘grond’ doet mij denken aan diens Tambacher Rede, maar ook aan Spinoza zoals Herman De Dijn hem in een recent boek (De andere Spinoza) beschrijft: de grond ‘als Natura Naturans, “onder” alle dingen’ (p. 200), hoewel De Dijn dat met Jean Wahl ‘trans-des-cendentie noemt. De Dijn schrijft in in zijn recente boek niet dat ‘aan zijn God wellicht toch een vreemde soort transcendentie toegekend moet worden’ (p. 11), hoezeer ook altijd de nadruk valt op diens immanente denken? Jaspers heeft het over de transcendentie die verschijnt in de immanentie (p. 33 Spier). We zullen het zien; het is complex, zoals De Dijn terecht concludeert.

Immanentie en transcendentie
Spier gaat in het vijfde hoofdstuk van zijn boek dieper in op de verhouding tussen wat hij noemt ‘de wijzen van het omvattende’, immanentie (bewustzijn, geest) en transcendentie (existentie en rede) bij Jaspers. Spier heeft het in dit verband over ‘het dualisme van Jaspers’ conceptie (…), die niet op een diepere eenheid teruggaat’ (p. 27), Dit is dan in tegenspraak met eerdere uitingen over de dialectiek van Jaspers, die hij denk ik eerder bedoelt en die wel degelijk een diepere eenheid, een grond kent zoals wij zagen. En het is ook in tegenspraak met latere uitlatingen, waarin hij stelt dat beide niet tegenover elkaar staan, alsof er tweeërlei zijnde is (p. 43) en dat de dialectiek ‘geen tegenstellingen overbrugt, noch gevaarlijke spanningen opheft, doch die laat voor wat ze zijn’ (p. 73). Het is alsof ik mijn oud-wijkpredikant ds. Eddy Reefhuis hoor, die mij wees op Barths Tambacher Rede en die vond dat ik maar mooi bij het dialectische denken moest blijven.

Chiffre
Het omvattende staat voor ‘het zijn zelf, god en wereld’ (p. 32). De wereld is het ‘radikaal-andere tegenover de Transcendentie’ (p. 35), de ‘verborgen God (…) [die] boven en buiten de wereld staat’ (p. 39). In de wereld zou niets anders van Hem zijn dan het chiffre, het codeschrift of symbool ‘waarin god spreekt of verschijnt’  (p. 95). Jaspers ontkent, dat je g/God kunt kennen. Niet door het chiffre, dat ‘wordt vernomen, niet begrepen of gekend’ (p. 96) en ook niet door Zijn Woord, dat hij hier helemaal niet noemt, of ombuigt in ‘de ervaring van deze wereld als spraak van god’ (p. 47) waarnaar men eenvoudig moet luisteren.
Overigens is niet alleen het zinnelijk-waarnemen in de wereld, maar ook de gedachte zelf die een chiffre kan worden. Bijvoorbeeld in ‘ontvouwingen bij dichters en filosofen’ (p. 97). ‘Chiffre wordt alles, als ik erbij vertoef, getroffen door een lichtstraal uit de grond van het Zijn’ (p. 98). Daar hebben we de grond weer! Maar dat kan wel zo zijn, Spier benadrukt telkens weer, dat ‘alles hoogstens gelijkenis en heenwijzing is. Nooit bereik ik god zelf’ (p. 98). Het chiffre benadrukt ‘de tegenwoordigheid én afwezigheid van de Godheid’ (id.). Het gaat niet om het kennen van g/God, ‘maar om de zelfverwerkelijking van de mens’ (p. 99).

Wijsgerig geloof
Wat ook hand in hand gaan, zijn ‘het geloof en de rede als uitingen van de existentie’ (p. 45). Het filosofisch geloof, wel te verstaan, dat ‘nooit kan stollen tot dogma of confessie’ (id.). Daarin kun je de dialectiek van these en antithese niet loslaten, want dan verval je in ‘eenlijnige gedachtengangen’ (p. 51) in plaats van het rusteloos zoeken naar de waarheid. ‘Waarheid voor de geest is overtuiging in ideeën, terwijl waarheid voor de existentie geloof is’, schrijft Spier elders (p. 66). Waarheid en liefde zijn de bron van vrijheid. Die vrijheid doet ons onvoorwaardelijk handelen bij iets nieuws uitkomen.

Je kunt niet ontkennen dat Jaspers daarin een kernboodschap van het Christendom heeft gegrepen. Hij schreef zelf, dat hij zich ervan bewust is ‘te leven in samenhang met het Bijbelse denken, daarin geboren te zijn en te ademen’. Hij houdt zich ‘voor een protestant (…) en heeft de gelukkige protestantse vrijheid zelf – zonder middelaar – in onmiddellijke relatie tot de Transcendentie, volgens de leidraad van de Bijbel en met Kant’ (p. 104). Al ziet Spier dit anders: ‘Zonneklaar blijkt dat juist datgene, wat het christendom tot christelijke religie maakt, bij hem niet alleen afwezig is, maar dat hij daarentegen een verbeten strijd voert’ (p. 107). Jaspers treft de drie-eenheid volgens Spier ‘in het hart’ (p. 107), daarmee omzeilend dat er veel gelovige niet-trinitariërs bestaan.
Sterker is misschien het feit, dat Jaspers de goddelijke openbaring verwerpt. Dit is volgens hem ‘een mythisch begrip, dat is beeldspraak met een bovenzinnelijke betekenis. Wie – volgens hem – aan de openbaringsidee haar mythisch karakter ontneemt en de openbaring opvat in de zin van empirische realiteit, die vervalt tot materialisme’ (p. 111). Hiermee ontzielt volgens Spier ‘deze denker de christelijke religie’ (id.). Sterker nog, volgens hem komt hij ‘plotseling aandragen met een platvloerse rationalistische kritiek op de mysteriën van het christendom’ (p. 112).

Beoordeling
Spier stelt, dat ‘de betekenis van het wijsgerig-bezig-zijn zó hoog is gespannen, dat het schijnt, alsof de functie, die de filosofie in het bestaan van de eigenlijke mens vervult, een religieus karakter draagt’ (p. 135). Ten aanzien van de verhouding tussen beide, filosofie en religie, schrijft Spier dat ‘ons leven gedragen moet worden door een diepere ordening, anders gaat het in versplintering verloren. Doch mét een ordening heeft het een zin’ (p. 137), een zinsnede die mij doet denken aan het bekende lied van Willem Barnard waarin sprake is van ‘zin en samenhang’ (Lied 225 uit het Liedboek voor de Kerken). ‘Filosoferen is tegelijk leren leven en kunnen sterven. Dan is het bestaan zinvol’ (p. 138). Onder dit gezichtspunt is filosofie geseculariseerde religie. Oftewel: ‘De filosofie kan niet geven wat de religie aan de mensen geeft. Daarom laat ze ruimte voor de religie’ (p. 139). ‘Twee wegen naar het ware geluk’, om de ondertitel van het hiervoor genoemde boek van Herman De Dijn over Spinoza aan te halen.

Spier besluit zijn boek met ‘Wat anderen zeggen’ (Barth, Van Riessen, Zuidema, Severijn, Jonker, Van Peursen en Beerling). Dat laat ik hier voor wat het is; het gaat me er straks om, wat Waanders in zijn boek en Bolhuis in haar HOVO-cursus over Jaspers te zeggen hebben en uiteindelijk hoe ik Jaspers’ werk weeg. Dan heb ik pas wat geleerd.

Nanda van Bodegraven – Wandelgids naar vrijheid

Wandelgids naar vrijheid : filosofeer doeboek en teksten bij vrijheidvanamsterdam.nl / Nanda van Bodegraven ; redactie Jeroen Hoogerwerf. – [De Meern] : Levendig Uitgever, [2020]. – 96 pagina’s : illustraties ; 23 cm ISBN 978-94-917407-7-0

De filosofe, publiciste en trainer Nanda van Bodegraven nam het initiatief om tien filosofische stoeptegels in het centrum van Amsterdam aan te laten brengen. Dit boek geeft achtergrondinformatie bij twee filosofische wandelingen daarlangs: een over het ontstaan van de vrijheid in Amsterdam en een van Descartes naar Spinoza. De informatie (gericht op kinderen) en wandelingen nodigen kinderen uit om zich zowel bewust te worden van de wortels van onze vrijheid als na te denken over dit begrip in het verleden, nu en in de toekomst. De auteur beperkt zich tot de zeventiende eeuw (alhoewel de zestiende eeuwer Coornhert een paar keer nadrukkelijk wordt genoemd), met de nadruk op Spinoza en waaiert daarbij soms ver uit, bijvoorbeeld over wat Spinoza las (Bacon). Bevat enkele schoonheidsfoutjes en soms zou je een ander monument verkiezen; zo is de Alteratie in de Oude Kerk nog zichtbaar in een tekst op het koorhek. Fraai vormgegeven, met invulvragen en opdrachten. Zie ook www.vrijheidvanamsterdam.nl voor (gratis) audioversie, route en (uit te vergroten) plattegronden. Leuke wandelgids over het thema vrijheid. Voor leerkrachten, of (groot)ouders, om met kinderen van ca. 10 t/m 13 jaar al filosoferend te lopen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

‘As described in section six’

Ik ga nog even verder met Spinoza. Dit keer in verband met Samuel Beckett, in het bijzonder naar aanleiding van een vraag die Ron Hoffman stelde tijdens een HOVO-cursus over Beckett. Die vraag had betrekking op Becketts Murphy en luidde: ‘Werkt hoofdstuk 6 of niet? Het hoofdstuk werd al in hoofdstuk 1 aangekondigd’.

Murphy
Eerst even kort iets over Murphy (1938). Ik baseer me daarbij op Hoffman, die vindt dat je het voorwoord tot de door hem aanbevolen Faber and Faber-uitgave in de editie van J.C.C. Mays (2009) niet op voorhand moet lezen.
In Becketts eerste roman is sprake van een hoofdpersonage, Murphy, die op zoek is naar een soort verlossing.

In het eerste hoofdstuk is de vraag of Murphy nu vrij is of niet: lichamelijk en/of geestelijk. Het antwoord is, dat hij zichzelf vrij maakt: ‘For it was not until his body was appeased that he could come alive in his mind as described in section six’ (p. 4).

De ontknoping volgens Hoffman is, dat hoofdstuk 6 er zó uit zou kunnen. Waarschijnlijk, omdat hij ervan uitgaat, dat literatuur geen filosofie is, en filosofen die literatuur schrijven – zoals Sartre – volgens hem geen goede schrijvers zijn.

Spinoza
Het antwoord op de vraag over de verhouding tussen hoofdstuk 1 en 6 vond ik echter juist in het filosofische motto van het laatstgenoemde hoofdstuk:

            Amor intellectualis quo murphy se ipsum amat

‘Daar wil ik even niets over zeggen’, antwoordde Hoffman nadat ik de naam van Spinoza in dit verband had laten vallen. Dit geeft mij gelegenheid dat hier wél te doen. En er meteen bij te zeggen, dat hij er een les later wel op terugkwam en concludeerde dat Beckett de draak met Spinoza stak.

Om te beginnen zet dit citaat de lezer die wat van Spinoza weet, op het spoor van stelling 36 uit het vijfde deel van de Ethica over de Amor intellectualis Dei (de verstandelijke liefde tot God):

‘De verstandelijke liefde van de geest jegens God is de liefde voor God, waarmee God zichzelf liefheeft’ (vert. Henri Krop).

Natuurlijk, Beckett neemt er een loopje mee, maar we zijn hoofdstuk 6 in ieder geval met Spinoza binnengekomen, zoals Hoffman ons liet zien dat we elders op bijvoorbeeld Kant en Schopenhauer stuiten.

Beckett
Als Becket het in hoofdstuk 1 dan heeft over lichamelijke en/of geestelijke vrijheid, dan ben je in hoofdstuk 6 niet ver verwijderd van wat Spinoza over die verhouding schrijft, wat wel met een foutief woord ‘parallellisme’ wordt genoemd. Lichaam en geest zijn bij Spinoza – in tegenstelling tot bijvoorbeeld Descartes – één, hoewel ze op hun eigen wijze tot uitdrukking komen.

Spinoza heeft het in die stelling ook over de liefde van God voor zichzelf … Dus Beckett vertaalt dit alleen maar naar de situatie van Murphy, die zichzelf lief heeft!

Zeer Beckettiaans allemaal, maar zonder Spinoza was ik hier nooit op gekomen. En zonder Hoffman ook niet, die de kunst verstaat je zelf aan het denken te zetten.

Mooi boek met schoonheidsfoutjes

Er is lang gewacht op het boek van Frédéric Lenoir over Spinoza. Het werd eerst aangekondigd door Ten Have, maar ik uiteindelijk bij Uitgeverij Balans verschenen onder de titel Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud.
Het moet meteen gezegd: het is een mooie inleiding tot het werk van de filosoof. Met name diens Ethica wordt helder en toegankelijk over het voetlicht gebracht. Toch zijn er ook kleine kanttekeningen bij te plaatsen.

Eerst de loftuiting. Het raakte mij meteen, dat Lenoir – filosoof, socioloog en godsdiensthistoricus – begint met een vergelijking tussen Spinoza en Johannes Vermeer; van beider werk ben ik een liefhebber, al deel ik net zo min als de Franse auteur ‘noodzakelijkerwijs al zijn [i.c. Spinoza’s] ideeën’. Lenoir wijst op een ‘verrassende verwantschap: het licht. De kwaliteit van het licht in de binnenkamers van Vermeer vindt zijn echo in de heldere bewijzen van Spinoza’. Van de Ethica gaat volgens Lenoir een ‘kalmerende, troostende kracht uit’ – en dat geldt wat mij betreft ook voor Vermeer.

Als gezegd vormen de gedeelten over Spinoza’s Ethica een sterk onderdeel van dit boek. Het altijd moeilijke onderscheid tussen Natura naturans en Natura naturata wordt bijvoorbeeld helder uiteen gezet, net als het verschil tussen inadequate en adequate ideeën en begrippen als ‘conatus’ en ‘eeuwigheid’.

Nederland in de tijd van Spinoza
Je zou verwachten, dat Lenoir door zijn eerder genoemde verwijzing naar Vermeer meer werk heeft gemaakt van het Nederland in de tijd van Spinoza. Dat is niet het geval. Hij wijst er wel op, dat Spinoza ‘vloeiend Vlaams, Portugees en Spaans sprak, Italiaans, Duits en Frans kon lezen en vier klassieke talen beheerste: het Hebreeuws van de Bijbel, het Aramees, het Grieks en het Latijn’. Nog afgezien van het feit dat Vlaams mij vreemd voorkomt, wordt niet genoemd dat Spinoza het Nederlands niet machtig was. Ook Lenoirs lof op het ‘tolerante land’ waar de familie zich vestigde, wordt de laatste tijd terecht wat genuanceerd.
Het contact met de mennonieten waar Lenoir in verband met Rijnsburg en de nabijheid van Leiden op wijst, bestond al in Amsterdam, waar het alleen in algemene zin wordt benoemd als ‘liberale christenen’. En tenslotte: de gedenksteen achter de Nieuwe Kerk in Den Haag staat niet ‘op de begraafplaats waar Spinoza ter aarde werd besteld’ (p. 87).

Dat geeft meteen al aan, dat Lenoir niet zoveel melding maakt van recentere ontdekkingen. Bijvoorbeeld die van Odille Vlessing aangaande het verband dat Spinoza de erfenis en zware schulden van zijn ouders niet aanvaardde (en dus geen eerbied voor zijn ouders had, conform de Tien Woorden) en de ban die over hem wordt uitgesproken. De mythe dat Spinoza een aanval met een dolk wist te ontwijken, wordt nog gewoon als vaststaand feit opgevoerd.

Ronduit in de fout gaat Lenoir, wanneer hij stelt dat het ‘optimistische denken van Montaigne wortelt in zijn lichamelijke kracht en levensvreugde’. Het laatste misschien, maar het eerste zeker niet; als iemand een zwakke gezondheid had, en daar ook over berichtte, dan was het wel Montaigne.

Tijdgebonden én voorloper
Vreemd is ook, dat Lenoir op pagina 13 schrijft dat Spinoza’s ‘boodschap niets heeft te vrezen van de tand des tijds of van tijdgebonden kenmerken’, en in de Conclusie dat wijst op wat in de wandeling de ‘zwarte pagina’s’ worden genoemd: Spinoza’s opvatting over vrouwen die je zowel tijdgebonden als, op z’n zachtst gezegd, zeer vrouwonvriendelijk kunt noemen. Overigens trapt Lenoir in zekere zin toch ook nog in deze val, wanneer hij boud vaststelt, ‘dat er in het denken van de grote filosofen oorverdovend wordt gezwegen over hun eigen lichamelijke sensibiliteit’. Correcter was wellicht geweest, als hij had geschreven: ‘in het denken van de grote mannelijke filosofen’.

Je kunt Spinoza niet ‘als de grondlegger van de Bijbelexegese’ in het algemeen beschouwen, wel van de historisch-kritische methode.
Er zou ook best meer aandacht geweest mogen zijn voor het feit dat bepaalde woorden, zoals ‘democratie’, in de tijd van Spinoza iets totaal anders betekenden dan in onze tijd, zonder dat hij daarin zo ver gaat als Victor Kal in een recent boek over Spinoza (De List van Spinoza) en het – volgens uitgever Prometheus – ‘in feite [heeft over] een staatsideologie, om het volk daarin met list en bedrog op te sluiten’.

Soms vraag je je af of Lenoir bepaalde foute woorden bezigde, of dat de vertalers (Marga Blankestijn en Alexander van Kesteren) bezig zijn geweest. Clara-Maria van den Enden speelde zeker geen piano, het Nieuwe Testament is niet in het Latijn geschreven maar vertaald (Vulgaat). Tenslotte schemert duidelijk door de tekst heen dat Lenoir een rooms-katholieke achtergrond heeft. Op een gegeven moment is er zelfs sprake van ‘katholieke, christelijke’ autoriteiten en van een pastoor in een protestantse kerk.

Dit zijn voornamelijk (schoonheids)foutjes die verder geen al te grote afbreuk doen aan dit boek waar lang op is gewacht en dat zeker dienst zal kunnen doen voor mensen die meer van Spinoza’s denkwereld, met name diens hoofdwerk, de Ethica, te weten willen komen.

 

Frédéric Lenoir: Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud
Uitgeverij Balans, 2020
ISBN 978 94 638 2108 7
Prijs: € 19,99

Het voelende brein

De serie jaarlijkse lezingen met nabesprekingen over Spinoza’s Ethica door de Vereniging Het Spinozahuis in het Amsterdamse Spinozalyceum is inmiddels over de helft. We zijn ondertussen bij deel vijf van de Ethica aangekomen. Diezelfde Vereniging heeft op 20 februari jl. de zilveren erepenning – de hoogste onderscheiding – uitgereikt aan Spinozablogger Stan Verdult, die [aanvulling] op 31 mei 2020 overleed.
Beide evenementen tezamen, de eerste lezing over deel vijf van de Ethica door emeritus hoogleraar Herman De Dijn en het heugelijke feit dat Verdult de zilveren erepenning kreeg, gaven mij aanleiding tot deze blog.

Artikelen in Preludium
Om te beginnen zou je dat vijfde deel, met een gedeelte uit de ondertitel van een boek van Antonio Damasio over Spinoza, samen kunnen vatten als ‘het voelende brein’.
Die constatering van Damasio leidt mij namelijk om te beginnen naar een aantal artikelen in het tijdschrift Preludium (maart) van het Amsterdamse Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO). Wat niet vreemd is, omdat Verdult in zijn blog met enige regelmaat schrijft over muziek uit met name de renaissance en de barok, al dan niet gerelateerd aan Spinoza.

Het gaat om drie items. Het eerste betreft een interview door René van Peer met dirigent Alain Altingoglu. De dirigent zegt dat hij opereert ‘met een mengeling van intuïtie en kennis’ (p. 27). Het tweede item is een interview van Rahul Gandolahage met de leden van het Busch Trio. Primarius Mathieu van Bellen zegt daarin iets wat aan ons thema raakt: ‘Je hebt eigenlijk twee hoofdparameters in muziek: aan de ene kant moet je de muziek structureel begrijpen (…). Aan de andere kant moet je de muziek emotioneel begrijpen’ (p. 48). Het voelende brein dus. En het derde item tenslotte is een toelichting die Michel Khalifa schreef bij het Pianokwintet van de componist Thomas Adès. Hij schrijft daarin dat Adès ‘ernaar streeft zijn notenmateriaal zo logisch te ordenen dat subjectieve expressie en objectief vakmanschap hand in hand kunnen gaan’.

Drie kennissoorten
Los van definitiekwesties (Altingoglu zal onder intuïtie wellicht iets anders verstaan dan Spinoza), valt in alle drie de stukken in Preludium op, dat er sprake is van ‘mengeling’, ‘aan de ene en de andere kant’ en ‘hand in hand gaan’. In die mengeling gaan de drie kennissoorten die Spinoza benoemt (verbeelding, ratio en intuïtie) hand in hand, en is er dus sprake van wat De Dijn een soort parallellisme noemt. Of zoals Piet Steenbakkers tijdens zijn lezing over het derde deel van Spinoza’s Ethica zei: ‘kennis wordt een affect’. De Dijn meent dat stelling 20 uit het vijfde deel van Spinoza’s Ethica door Nico van Suchtelen verkeerd is vertaald. Daar, in het deel waarin intuïtie en amor intellectualis Dei (verstandelijke liefde jegens God) de hoofdtoon voeren, lezen we:

Deze liefde jegens God kan noch door nijd, noch door ijverzucht worden ontwijd, maar  zij wordt juist des te sterker, hoe méér mensen wij ons ons onder éénzelfde band van Liefde met God verbonden denken.

Volgens De Dijn zou je hier op grond van het Latijn ‘verbeelden’ moeten lezen. Ze hangen aan elkaar, aldus De Dijn. Hij zoekt zijn ‘bewijslast’ vaak in gedichten, onder andere in die van Leo Vroman; Stan Verdult blogde erover (zie link onderaan deze blog). Ik deed dat overigens onlangs ook, met enkele regels uit een gedicht van Maud Vanhauwaert.

Intellect en intuïtie
Maar ik zoek het, net als Verdult, ook graag in muziek. De drie artikelen in Preludium wezen mij de weg. En – als toegift – een recensie van de CD Double Solo van pianist Stevko Busch en altsaxofonist Paul van Kemenade (in: Trouw, 28 februari 2020) door Mischa Andriessen, onder de kop ‘Een combinatie van intellect en intuïtie’. Niet ‘Duo’ maar ‘Double Solo’. De twee musici doen allebei, zoals De Dijn het wellicht zou noemen, adequaat en in samenspraak ‘hun ding’.
Elke keer als ze optreden weer anders, want dat is niet alleen inherent aan jazzmuziek, maar aan elke goede uitvoering van welke muziek dan ook. Zoals De Dijn ook weer elke keer iets nieuws in de Ethica vindt. Ook nu maakte hij ons daar deelgenoot van.

Vooruitblik
De laatste lezing dit jaar wordt volgende week zaterdag gegeven door Paul Juffermans [vervalt i.v.m. maatregelen t.a.v. het coronavirus]. Hij zou het tweede gedeelte van het vijfde deel uit de Ethica behandelen en onder meer over het begrip eeuwigheid bij Spinoza spreken.
Herman De Dijn gaf daar al een voorzetje van. Eeuwigheid, definieerde hij, is een perspectief in de tijd. Ik veerde daarom op, toen ik zondag 1 maart tijdens het televisieprogramma Podium Witteman de IJslandse pianist Vikingur Ólafsson Le rappel des oiseaux (1728) van Jean-Ph. Rameau hoorde spelen, met zijn kenmerkende rusten. Ter toelichting daarop zei hij, dat de tijd daarin stopt. Ja – even voel je daar de eeuwigheid zoals Spinoza dat wellicht bedoelde. In het hier en nu.

 

http://blog.despinoza.nl/log/leo-vroman-spinozistisch-dichter.html

Le rappel des oiseaux van Rameau, gespeeld door Matthias Havinga op het Ahrendorgel in de Bovenkerk van Kampen: https://www.youtube.com/watch?v=pTwSt4prp9M

Wanneer de sjofar klinkt

Naar aanleiding van het overlijden van de cultuurfilosoof en schrijver George Steiner,
3 februari jl., plaats ik hier een oorspronkelijk voor
Quadraatschrift (maart 2004) geschreven column in een iets verkorte en aangepaste vorm. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

De laatste zin van Ludwig Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus luidt: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zwijgen’. George Steiner heeft de filosoof na het verschijnen van zijn boek geantwoord, dat er altijd een joods alternatief is geweest: ‘Waarover men niet kan spreken, moet men zingen’. Waarmee hij stond in de traditie van het chassidisme, de joodse mystiek die aan muziek (mét maar ook zonder woorden, zoals de nigun) altijd een grote rol toekent.

Of, en hoe, Wittgenstein op Steiners antwoord heeft gereageerd, weet ik niet. Maar een vondst door Michael Nedo, directeur van het Wittgenstein Instituut, vormt wellicht ‘het’ antwoord, neergekrabbeld op een notitieblok: vier maten muziek van Wittgenstein zelf. De componist Anthony Powers heeft die onderhavige maten met als aanduiding Leidenschaftlich beschreven als: ‘Het is de voortzetting van een onvolledige zin, alsof hij was begonnen iets te zeggen, maar niet de woorden vond om het te beëindigen en zich tot muziek wendde’. Inderdaad – waarover men niet kan spreken, moet men zingen of van spelen.

Ook in de opera Moses und Aaron van Arnold Schönberg (zie afb. rechts) neemt de muziek het over als de stem verstikt.[1] Het orkest houdt dan op met spelen, op de violen na die unisono (eenstemmig), als symbool van het Sjema Israël (Deut. 6:4), de eenheid weergeven: ‘Een erkenning (zoals wij die ook vinden bij Kafka, Broch, Adamov) van het feit dat woorden falen’, aldus Steiner.

Volgens sommigen is in den beginne (in principe) het Woord (Joh. 1:1). Daarin meldt zich Eén die ons beweegt en in beweging zet. Woord – gesproken of gezongen, of alleen in het hart wanneer het instrumentaal wordt gespeeld – en daad vormen vanaf dat moment een eenheid (dabar), net als ethiek en esthetiek, gevoel en ratio, lichaam en geest. Want wat deze polen bij uitstek op een heilzame manier bij elkaar brengt, is fiducie in de toekomst.

Als de trompet, de sjofar, in Beethovens derde Leonore-ouverture, die van achter het toneel een glimp van Gods Koninkrijk laat horen en zegt/zingt/speelt dat waar het – om Spinoza te citeren – werkelijk om gaat vrijheid is.

 

[1] Zie ook mijn blog Muziek als betekeniscode (13 oktober 2015): https://elsvanswol.nl/muziek-als-betekeniscode/

Lees verder over George Steiner: https://www.filosofie.nl/nl/artikel/30041/george-steiner-ook-ik-kan-niet-zonder-hoop.html?utm_source=redactioneel&utm_medium=email&utm_campaign=redactioneel-05-02-2020

Poëzieweek 2020 en Spinoza

Afgelopen zaterdag, 1 februari, startte weer de jaarlijkse reeks lezingen met nabesprekingen vanuit de Vereniging Het Spinozahuis in het Amsterdamse Spinozalyceum. Dit keer over de delen 3-5 van Spinoza’s Ethica.
Ik weet niet hoe het u vergaat, maar gedurende zo’n periode (t/m maart a.s.) heb ik altijd de neiging een beetje in het onderhavige onderwerp, in dit geval ‘in Spinoza’ te zijn.

In ieder geval las ik op diezelfde (zater)dag het gedicht dat Janita Monna had gekozen voor haar rubriek ‘Poëzie’ in dagblad Trouw op Spinozistische wijze.
Het is een gedicht van de Vlaamse dichter en acteur Maud Vanhauwaert (1984), ‘Er komt een vrouw’, dat is opgenomen in de bundel Nu. Tien Dichters dat verscheen ter gelegenheid van de Poëzieweek 2020 (zie afb.).

Het eerste strofe luidt:

Er komt een vrouw naar mij toe. Ze zegt
‘wij zijn evenwijdig, raken elkaar in het
oneindige, laten we rennen’.

Het is een links uitgelijnde strofe, zoals er nog twee in dit gedicht voor komen. De volgende bestaat uit één regel:

Ze haakt haar arm in de mijne tot een lemniscaat.

En tot slot, met het voor deze gedichten kenmerkende underscore liggende streepje dat dit gedicht met een volgend, niet in de bundel opgenomen gedicht:

En we rennen. Met onze armen
zwaaiden wij een maat die bij ons past_

Als ik de links uitgelijnde regels ga ontleden, kom ik – met Spinoza als leidraad – uit bij een vrouw, bestaande uit lichaam en geest tezamen. Want Spinoza bracht niet langer de scheiding daartussen aan, wat Descartes deed. Lichaam en geest vormen, net als de vrouw en de ik-figuur, samen het zogenaamde parallellisme van Spinoza, alhoewel hij de term zelf – die verwarring kan zaaien – niet gebruikt. Het gaat immers niet om twee parallel lopende zaken (evenwijdig noemt Vanhauwaert het), maar om twee perspectieven, dat van het lichaam en dat van de geest, dat van het ene personage en dat van het andere in het gedicht.

De volgende regel gaat over het in elkaar haken van de twee armen tot een lemniscaat, het wiskundige symbool voor de oneindigheid die in het eerste vers al voor kwam. Ook dit kun je weer à la Spinoza lezen: de twee renners raken elkaar in het oneindige, in het absoluut oneindige (absolute infinitum), in God of de Natuur. Wat ze doen is rennen, richting daarnaartoe, zwaaiend met hun armen in een maat die bij ze past.
Wellicht is dat Bach, waarnaar iemand tijdens de nabespreking wees en het verband legde met toonsymboliek, zoals Piet Steenbakkers, de spreker voor de pauze, het verband had gelegd tussen Spinoza en de retorica. Overigens het thema van het Festival Oude Muziek dit jaar.

Het zijn maar respectievelijk drie, één en twee regels (over ritme gesproken), maar ze raken me, geven mij veel stof tot nadenken. Zoals iemand tijdens de nabespreking afgelopen zaterdag zei, dat één vergelijking die Piet Steenbakkers maakte al zóveel voor hem had verduidelijkt, dat de hele middag voor hem was geslaagd.
Het ging over iemand die zijn wiskunde weer wilde ophalen, bij de HOVO of de Volksuniversiteit. Hij zag de eerste les een som op het bord die hij/zij met geen mogelijkheid kon oplossen. Tijdens de laatste les stond die som weer op het bord, en hij/zij zag in één oogopslag (Eureka!) het antwoord: 42. Dat kon, omdat hij/zij alle stof van de tussenliggende lessen had verwerkt.

Zoiets bracht mij ook het gedicht: de hele Poëzieweek, die nog t/m 5 februari duurt, mag voor mij door die paar regels al geslaagd heten.

Ommekeer

Afgelopen zondag had ik me voorgenomen ’s middags een leerdienst te bezoeken in Amsterdam-West, waar na afloop afscheid werd genomen van de beheerder van het kerkgebouwtje. Een vriendin vond zeker dat ik ’s ochtends niet van geestelijk voedsel verstoken kon blijven, en wees mij op de Eucharistieviering die op NPO2 vanuit ‘haar’ kerk werd uitgezonden. Niet dat ik nu rooms-katholiek ben of van geestelijk voedsel verstoken zou zijn; het interview in Buitenhof van Hugo Logtenberg met Arnon Grunberg over de jeugdzorg in De Koppeling (Amsterdam, foto hierboven) schaar ik daar ook onder: aandacht voor de zwakken in onze samenleving.
Die Eucharistieviering, waarvan ik het gedeelte tot en met de preek door diaken Rob Polet zag, de leerdienst inclusief afscheid en – op een indirecte manier – ook het interview met Grunberg gingen een geladen gesprek met elkaar aan.

Van graaier naar gever
Polet (foto rechts) vergeleek het verhaal over Zacheüs (Lucas 9:1-10) met Scrooge van Charles Dickens: een ommekeer en sprak over de manier waarop God in de levens van mensen die Hij zoekt inwerkt. Het gaat erom wat er níet gebeurt: Jezus zegt helemaal niets, is alleen aanwezig. Zacheüs gaat op zoek naar verandering, naar hoe hij echt is bedoeld. Hij verlangt naar een dieper, rechtvaardiger leven. Hebben wij ruimte om om te zien naar het verlangen van een ander? Om om te keren?

Noach de akkerman
De preek in de protestantse leerdienst ’s middags, over Noach, was van een totaal andere snit: niet troostrijk en appellerend, maar stelling nemend en min of meer verankerd in drie boeken, waarvan er geen bij name werd genoemd.
Het begon met het idee van Henk Vreekamp over het overnemen van bijvoorbeeld het joodse Loofhuttenfeest. (Welk boek zou de emeritus-predikant toch hebben gelezen …?). Het zou de herfsttijd op de kerkelijke kalender kunnen opvullen, meende hij, alsof het Vreekamp daar primair om te doen was. Dat moeten we volgens de predikant niet willen; het moet leeg en ongemakkelijk blijven. Het in elkaar schuiven van joodse- en christelijke feesten staat nog uit. (Zie p. 66 en 75 e.v. in mijn boekje Mysterie, mythe, mystiek, foto links).

Hij ging verder met het idee van de Übermensch van de niet nader genoemde Friedrich Nietzsche (foto rechts), maar dan volgens de aloude, foutieve invulling daarvan als was de Übermensch een pré-nazistische Ariër, terwijl het in wezen zo’n mooi idee is: de mens die, om op Polet terug te grijpen, verlangt én werkt aan een dieper, rechtvaardiger leven, boven (über) zijn eigen tekorten uit. Zoiets als de conatus bij Spinoza, de filosoof die Nietzsche immers bewonderde.

Het derde en laatste item linkte Noach de akkerman aan de huidige protesten van de boeren. Het was een oproep voor circulaire landbouw, verwijzend naar Sicco Mansholt. De ommekeer van Polet ingevuld, terwijl ik het híer misschien liever leeg had gelaten.
Jammer genoeg volgde geen nagesprek, zoals te doen gebruikelijk bij de maandelijkse leerdiensten.

Aandacht
Immers: na de dienst volgende het officiële afscheid van de beheerder van het gebouw, met onder meer enkele toespraken, die niet op elkaar waren afgestemd. Eén toespraak verviel, omdat een pianiste, die regelmatig op de vleugel in de kerk oefent, óók nog graag wat had willen zeggen. Zij werd vergeten.
Toen popte bij mij niet alleen Grunberg (foto links) even op, die de naam van God niet had genoemd maar wél en sterker voor de joodse- en christelijke waarde van aandacht voor de zwakkeren in de samenleving was opgekomen. Ik heb mij in de tram terug zitten verbijten: waarom heb ik niet even geroepen: ‘Er is nóg iemand die wat wil zeggen?’. Ik heb haar tijdens de receptie helaas niet meer gezien, maar kon me op dat moment zó goed voorstellen waarom mensen soms de kerk de rug toekeren. Ze was er voor de eerste keer, en wellicht ook voor de laatste.

Relevantie van de kerk
Dezelfde commissie die dit soort leerdiensten organiseert, had onlangs prof. dr. John Grin uitgenodigd voor een lezing over de vraag ‘De weg naar de kerk weer vinden’, die hij terecht had omgebogen tot ‘Hoe kan de kerk weer relevant worden?’
Veranderingen, zei hij, gebeuren in niches, zoals de studentenecclesia. Kernwaarden daarbij zijn: beleving – autonomie – verbondenheid. Zijn conclusie was, dat de klassieke (wijk)gemeente niet meer in deze tijd past. Je moet het oude niet koste wat het kost in stand willen houden. De commissie probeert dat wel, maar misschien juist ómdat zij een niche is, zou een ommekeer haar passen.

Misschien op de manier die Welmoed Vlieger in een column in Trouw (5 november 2019) beschreef: ‘Ooit vroeg ik mijn vader wat dat nu eigenlijk is, een preek. Hij zei dat je in een preek probeert het hart te zoeken van de hoorder, nadat je eerst je eigen hart hebt gezocht.’ Ik ervoer dat bij de preek van Rob Polet. Zij vervolgt: ‘De kerkdienst is geen leerdienst’ – dat mag overigens van mij wel, als de eenheid die Grin benoemde (leren – veren – dienen – pastoraat) erin terug te vinden is. Een nabespreking is ook niet weg, in een tijd van (nog steeds) eenrichtingsverkeer vanaf de kansel. Vlieger vervolgt: ‘Het [de kerkdienst, EvS] is een plek waar mensen worden getroost, bemoedigd, geconfronteerd en uitgedaagd. Wie op zondag de kerkdienst bezoekt, gaat op een “dijk” staan om uitzicht te krijgen. Dan doet het er niet zoveel toe hoeveel mensen er zitten’- bij de leerdiensten in Amsterdam-West is men al blij als de minjan (10 mensen) wordt gehaald. ‘Dat die dijk er is, daar gaat het om.’ Zou het misschien mogelijk zijn om de leerdiensten c.s. om te zetten naar een Pioniersplek? Waar wordt geoefend in een andere manier van kerk zijn.

Zin en samenhang (I)

Begin september bezocht ik samen met een vriendin en een reisgezelschap de Biënnale Arte in Venetië; ik blogde er al over (Twee paar handen).
In de boekwinkel van Giardini kocht ik de tweetalige dichtbundel Vita e opinioni di DJ Spinoza (The Life and Opinions of DJ Spinoza) van Eugene Ostashevsky (Companatto Editore Poesia, zie afb. links). Dat kon niet missen, voor een Spinoza-liefhebber, zeker omdat ik een eerdere uitgave, waarover Stan Verdult in 2009 blogde, had gemist.

Thuis gekomen, las ik een aankondiging van de tentoonstelling Spinoza in Beeld Vertaald in de Amsterdamse Oranjekerk (nog t/m 8 december a.s.). Deze tentoonstelling was eerder, in uitgebreidere vorm, te zien geweest onder de titel Marrano of Reason in de Amstelkerk en het Plein van Siena, ook in Amsterdam. Toen had ik hem door omstandigheden gemist (https://bdespinoza.blogspot.com/search?q=Amstelkerk).

Met genoemd boekje op zak toog ik naar de Oranjekerk en maakte er een leuk uurtje van, vol zin en samenhang. Net als in Twee paar handen ontstond een gesprek: tussen het boekje, enkele kunstwerken in het bijzonder en mijzelf als lezer/beschouwer. In een paar blogs zal ik achtereenvolgens op een paar kunstwerken van internationale hedendaagse kunstenaars ingaan.
Om te beginnen Billha Zussmanns Upper Last Supper, in relatie tot het laatste gedicht, Remember the Cogito van Ostashevsky.

Zussmann – tevens curator van de tentoonstelling in de Oranjekerk – maakte een installatie op een tafel die eruit ziet als een landschap. Er liggen zeven op, ‘symbool van de geschiedenis (…), van scheiden tussen goed en kwaad, het goede bewaren en wat overbodig is, doorzeven …’, aldus een omschrijving in Kerk in Mokum (september 2019).
Helemaal links (zie foto rechtsboven, EvS) ligt (de op één na meest linkse) een zeef waaraan op het eerste gezicht nog een prijskaartje hangt. ‘Hineni’ staat erop, ‘Hier ben ik’. Volgens een A4tje in plastic, dat aan een tafelpoot is bevestigd, zou hieraan de naam van Gerard Vroom verbonden zijn. Hoe het ook zij, dit onderdeel brengt mij om te beginnen naar het gedicht van Ostashevsky, waarvan ik hier een gedeelte in eigen vertaling weergeef:

De HERE God sprak nu tot DJ Spinoza,
Baruch, ben je daar?

En DJ Spinoza antwoordde tot de HERE God, Hier ben ik!

God: Baruch, wat zegt het je dat je mijn spiegel bent?

DJ Spinoza: Spiegel? Maar God achterstevoren gespeld wordt dog!

GOD: Wees niet zo letterlijk.
Vertel me iets moois
over mezelf, vertel me dat Ik besta.

DJS: U bestaat.

God: Nee, zeg het alsof je het meent.

Het gedicht verwijst naar de mens, geschapen naar Gods evenbeeld, de zeef met materie naar Deus sive Natura (God of de Natuur). Het verwarrende is de Avondmaalstafel (Upper Last Supper) waarop alles is uitgestald, in symbolische (brood van de hemel en wijn van het Koninkrijk) of letterlijke zin (het lichaam van Christus). Een theoloog die ik raadpleegde, adviseerde mij dit alles bij wijze van spreken toch maar net zo letterlijk te nemen als in het gedicht, zoals we straks zullen zien, – het als een ‘kunstgreep’ te zien en me verre te houden van een interpretatie van de presentie realis.

Omdat het idee er naar mijn idee toch wat langs schuurt, sluit ik af met het slot van het gedicht van Ostashevsky:

Nu zegt de HERE God tot DJ Spinoza, Baruch!

En DJ Spinoza antwoordt tot de HERE God, Hier ben ik!

God: Ben je daar zeker van? Ik bedoel, je argument bestaat niet louter uit woorden toch? Slaat het echt ergens op?

DJ Spinoza: In zoverre alles ergens op slaat.

God: Maar niets slaat echt ergens op. Slaat het woord hond op honden?[1]

God: Nou?

DJ Spinoza: Ik kan het niet zeggen. Zullen we het uitproberen? (DJ Spinoza loopt naar Yasha.) Yasha! Yasha! (Yasha wordt wakker.) Yasha, hond! Hond, Yasha! Yasha, hond! (Yasha kijkt niets begrijpend op.)

God: Zie je?

[1] Het palindroom God – dog gaat nu verloren.

‘Muziek als mimiek van God’

Ik wist al dat de filosoof Jos Kessels (1948) van muziek hield en die ook praktiseerde; in de tijd dat ik secretaris was van het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB), bezochten de toenmalige voorzitter en ik hem thuis om hem over te halen een deel van een studiedag te verzorgen. Als ik het me goed herinner, deed hij zijn kralenspel met ons. Wat ik niet wist, was dat dit is gebaseerd op de tien sefirot van de Boom des Levens uit de Kabbala. Dat las ik in zijn dit jaar bij Boom verschenen Het welgetemperde gemoed (p. 83).

Jo Van Cauter
Volgens de achterflap vraagt Kessels zich in dit boek af, of je Bachs Das Wohltemperierte Klavier kunt zien ‘als een verzameling essays, zoals die van Montaigne? Als woordloze bespiegelingen over de tempering van het gemoed?’ Die zinnen vind je haast letterlijk terug in het boek (p. 64). Toen ik ze las, moest ik echter eerder aan Spinoza denken met diens ‘kennis van de passies als medicijn voor gemoedsrust’, om de titel van een essay van Jo Van Cauter aan te halen (in: Ethiek & Maatschappij, jrg. 12 nr. 4, p. 17-32). Een essay dat ik hier naast het boek van Kessels leg.

Kennisleer van Spinoza
Om te beginnen moet worden aangetekend, dat Kessels Spinoza nergens noemt en als uitgangspunt dan ook niet diens kennisleer neemt met de drie soorten kennis (verbeelding, ratio, intuïtie), maar een drieslag uit het Griekse denken: het ware, goede en schone (p. 127). In deze volgorde. Toch doet waar hij gaandeweg op uitkomt mij wel degelijk aan Spinoza denken. Niet alleen aan de soorten kennis zoals hij die in zijn Ethica beschrijft, maar ook aan de Ethica als geheel.

Das Wohltemperierte Klavier
Eerst de gang die Kessels door Das Wohltemperierte Klavier maakt. Hij ervaart ‘muziek primair als communicatie, een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’ (p. 63) en de bundel van Bach als ‘de ontwikkeling van een getemperd gemoed’ (p. 64), ‘enerzijds puur zintuiglijk, anderzijds diepzinnig en van een wiskundige schoonheid’ (p. 84) als beschreef hij de Ethica. Raak is een omschrijving als: ‘Muziek is geen expressie maar expositie; zij geeft niet de gemoedstoestand van een componist weer, maar zijn kennis ervan, zijn inzicht erin’ (p. 124-125).

Zo gaat het van prelude en fuga naar prelude en fuga, vierentwintig keer opnieuw, steeds verder en dieper. Of, zoals Kessels het op een gegeven moment benoemt: ‘In eerste instantie overstelpt door sensaties (…). Daarna (…) ontstond er een beeld van de structuur’ en tenslotte werd in de kern ‘het enige volledige leven blootgelegd’ (p. 193). Ik herken er de drie hiervoor genoemde kennissoorten van Spinoza in: verbeelding, ratio en intuïtie.

Zelfkennis
Zowel bij Spinoza als Kessels (en volgens hem ook Bach) draait het om zelfkennis, om een mensbeeld waarin wordt gezocht naar vrijheid en gemoedsrust (p. 20). Wanneer je, zoals Kessels, muziek als een vorm van communicatie ziet, als ‘een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’, dan heb je de scheidslijn tussen passieve affecten of passies en actieve affecten zoals Spinoza die onderscheidt al overschreden.

De ‘actieve affecten – ook wel handelingen van de geest genoemd – spelen bij Spinoza een belangrijke rol in het streven van de mens naar zoveel mogelijk autonomie, vrijheid en geluk’ (Van Cauter, p. 25). Via de adequate ideeën komt Spinoza bij ‘ware voorstellingen van onszelf en de wereld rondom ons’ (p. 26).

Het mysterie van overgave
Op het eind van het boek komt de auteur, die het rooms-katholieke geloof vaarwel zei, niet uit bij ‘de God van de filosofen en geleerden, maar op (…) het mysterie van overgave aan de bron’ (p. 232). Hij vraagt zich af, of dit ‘zoiets onpersoonlijks als de natuur is of eerder de hand van Iemand wiens beeld en gelijkenis ik draag?’ (p. 233). Hij, en wij zien in, dat dit ‘een fundamenteel verschil is’. De God of Natuur van Spinoza is niet een persoon, niet een Iemand. Toch blijkt waar Kessels uitkomt op waar Spinoza in zijn vijfde deel van de Ethica op uitkomt: geestkracht (stelling 1 t/m 13), God (stelling 14 t/m 20), de Geest (stelling 21 t/m 23) en tenslotte De Gelukzaligheid als Deugd zelf (stelling 42).

Conclusie
Ik ben dan ook benieuwd of Kessels hier ook zou zijn uitgekomen als hij de weg van Spinoza was afgelopen in plaats van die van het ware, goede en schone. Misschien bij wat emeritus-hoogleraar Akke van der Kooi in haar essay ‘Uit de nacht’ in een feestbundel voor collega Rinse Reeling Brouwer, die immers ook over Spinoza publiceerde, omschrijft als voorbij het onderscheid tussen Spinoza’s ‘God-substantie en de God van Abraham’ (Messiaanse exegese, uitg. KokBoekencentrum, 2019, p. 34). Wie zal het zeggen.