Spetterende Shakespeare

Het lijkt wel of het dit jaar het jaar van Shakespeares Midzomernachtsdroom is: een productie door Toneelgroep Oostpool/Phion/Introdans/Musis & Stadstheater Arnhem, en een opvoering van de gelijknamige opera van Benjamin Britten door Opera Zuid. In beide gevallen met twee grote regisseur: respectievelijk Daria Bukvić en Ola Mafaalani.

Schrijver Vera Morina en Daria Bukvić (die al eerder een onvergetelijke Othello regisseerde) maakten er een ‘ultieme post-COVID-voorstelling’ van, zoals het fraai uitgevoerde, gratis programmaboek stelt. Daar is niets mee miszegd, want dat is het ook. Niet alleen door de knipogen naar deze periode, in het decor van Marloes van der Hoek en Wikke van Houwelingen, maar ook in de regie waarin bijvoorbeeld Puck en Hermia anderhalve meter afstand moesten houden. Anders slaat de bliksem in. Maar vooral omdat de voorstelling een ode is aan de liefde en de kunsten die we zo hebben gemist.

Een waar spektakelstuk
Het laatste in het meervoud: een waar spektakelstuk is het, in de beste zin van het woord, neergezet door de drie grote, rijksgesubsidieerde instellingen van Oost-Nederland: theater, muziek en dans. De tekst van Shakespeare is zwaar bewerkt, de muziek is er met een goede hand van Joris Nassenstein bij gezocht en door Toek Numan gearrangeerd, en de dans is door choreograaf Regina van Berkel vormgegeven, maar niets, werkelijk niets is ‘gezocht’ in de negatieve betekenis van het woord. Het past allemaal als een handschoen om de hand van de makers. En om die van Shakespeare!

Midzomernachtsdroom is een komedie, ja, maar met de onmiskenbare diepte die ook de komedies van Shakespeare kenmerkt. Neem koning Theseus van Athene (een glansrol van Fahd Larhzaoui) die aan het begin telkens met zijn vingers knipt en hoopt dat zo de zon opkomt. Als een g/God die sprak en het licht was er. Of als een verlicht despoot (de Zonnekoning) of zelfs dictator …
Ook andere personages zijn inhoudelijk soms omgebogen, zoals de regisseur van de amateurtoneelgroep die een stuk instudeert om bij het huwelijk van koning Theseus op te voeren. Die regisseur heet Nana Mouskouri (een prachtrol van Isabelle Kafando). Of neem Yordi/Titania (Laura de Geest), een ‘vloekteling’ (!) uit de ijstijd, waar ze al klimaatproblemen kenden. Een rol waarmee de actualiteit dubbel binnen sijpelde; er wordt daarmee namelijk ook gezinspeeld op de achtergrond van zowel de schrijver als de regisseur van deze productie, beiden vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië.

Muziekinstrumenten
Om nog maar te zwijgen van de humor met betrekking tot de muziekinstrumenten die een al even grote rol spelen; zo bespeelt het personage Fluit fagot. Niet ondubbelzinnig, want zo kennen we Shakespeare natuurlijk óók. De musici van Phion, het orkest van Gelderland en Overijssel, zijn geheel à la Shakespeare als ze niet lopen en zich in de mise en scène mengen, in twee blokken op het toneel geplaatst: links de blazers, rechts de strijkers en het slagwerk. Dat wil zeggen: enkele blazers en strijkers en één slagwerker.

Wat valt er meer te zeggen dan: ga de 36 uitvoerenden in kostuums van Dymph Boss zien! Het kan nog tot eind van de maand. (Ik zag de opvoering in Orpheus in Apeldoorn).

Link naar de website met informatie over nog komende voorstellingen deze week: https://www.toneelgroepoostpool.nl/voorstellingen/midzomernachtsdroom/

Matt Haig – Het troostboek

Het troostboek / Matt Haig ; vertaald uit het Engels door Monique ter Berg. – Amsterdam : Lebowski, 2021. – 272 pagina’s ; 21 cm. – Vertaling van: The comfort book. – Canongate Books, Ltd., 2021. ISBN 978-90-488-6192-7

Deze verzameling gedachten, meditaties, herinneringen, citaten en lijstjes schreef Haig in de tijd dat hij door een diep dal ging. Om zichzelf, en nu anderen, hoop te bieden en te troosten. Over die periode van depressie schreef hij in zijn boek Redenen om te blijven leven (2015). De meeste korte tot zeer korte hoofdstukken, van aforismen tot
iets dieper gaande teksten over zijn voorbeelden, zoals de Stoïcijnen, kan de lezer tot zich nemen in een willekeurige volgorde. De structuur wordt gevormd door vier onderdelen, maar inhoudelijk loopt alles door elkaar. Rommelig zoals het leven soms kan zijn. Die lijstjes zijn leuk, maar – met uitzondering van ‘Troostfilms’ – zonder context nietszeggend. Als de lezer meer achtergrond bij soortgelijke keuzes uit de literatuur, kunst en muziek wil hebben, dan zal Troost : als licht in donkere tijden (2021) van Michael Ignatieff wellicht een betere keus zijn.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Koffers gevraagd!

FENIX, het nieuwe museum in Rotterdam dat in 2024 open zal gaan, verzamelt voor ‘een levensgroot kofferdoolhof’ koffers. Rotterdam is immers dé haven waarvandaan mensen vertrokken en mensen aankwamen. Om wat voor reden dan ook. Ze hadden een koffer bij zich, of misschien zelfs ook dat niet eens. Zoals de vluchtelinge uit Oekraïne die op het Amsterdamse Centraal Station uit een internationale trein stapte, een man in de armen vliegend die op het perron stond, met een groen hesje om en haar naam in Cyrillische lettertekens op een kartonnen bordje in een plastic hoesje in zijn hand. Een linnen tasje had ze in haar hand, dat was alles. Er zat zo te zien niet veel in, maar ze had ongetwijfeld honderden herinneringen in haar hoofd en hart. Ik zal het beeld nooit vergeten.

De koffer is dan ook meer een metafoor. Zo zie ik dat. Zoals je ze soms als een installatie in een staan, of in het gelid, zoals in het Verzetsmuseum Amsterdam. Ze hebben wat meegemaakt. De koffer die ik aan het museum aanbied (zie foto links boven) heeft geen groots, bijzonder verhaal ‘over ware liefde, avontuur of het nemen van afscheid’. Of misschien toch. Een klein beetje dan.
Het is de koffer die mijn vader, Julius Bartelt van Swol (1917-2002) meenam als hij een reisje maakte. Bijvoorbeeld een (mid)weekje met zijn Zwitserse vriendin in St. Gallen, zo in de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw. Of naar mij. Heel veel kan er niet in, maar genoeg om bij je te hebben gedurende zo’n uitstapje.

Mijn vader ging graag op reis en voelde zich overal thuis. Al is hij nooit verder gekomen dan Zwitserland en Italië. Lijfelijk, want wie weet ging hij in zijn hoofd naar verre landen, zoals hij eens zendeling-arts had willen worden in Afrika, als zijn zwakke gezondheid hem geen parten had gespeeld. De koffer is een Sergio di Laurenti, nu een vintage merk. Ongetwijfeld gekocht door zijn vriendin. Na de dood van mijn vader heeft de koffer heel lang hij bij mij boven op een kast gelegen. Tot de oproep van FENIX. Het voelt alsof het afstaan van deze koffer óók een vorm van afscheid is. Niet groots en meeslepend, maar een beetje. Een klein verhaal levert het op, eentje dat ook verteld mag worden. Want hoeveel levens zijn niet zo verlopen?

De koffer gaat wederom nog een kleine reis maken, van Amsterdam naar Rotterdam. Hij was niet anders gewend. Dat hij moge herrijzen als een fenix, tussen al die andere koffers, groot en klein, en tussen al die andere verhalen die daaraan verbonden zijn, al even groot en klein. Als in een doolhof neergezet, als het leven zelf.
Nu heb ik hem voor de korte reis begint tussen wat andere koffers bij het inzamelpunt in de tuin van het Amsterdamse Rijksmuseum neergezet (zie foto hierboven; aan de linkerkant). Tussen andere koffers, want daar voelt hij zich vast thuis, zoals mijn vader een mensenmens was.

Vierluik – momenten van inzicht

1. Schaduwrecensie Maria Stahlie
In de nieuwe roman van Maria Stahlie, Muilperen, draait het om momenten die als ‘luwten’ worden beschreven. In mijn recensie van dit boek op de website van Literair Nederland (LN, zie link onderaan deze blog) gaf ik drie voorbeelden:

  1. Het auto-ongeluk dat hoofdpersonage Lisette overkomt, en dat een ‘coherent plan’ in haar wakker maakt: tijd om te studeren en volwassen te worden.
  2. Tijdens een zuigcurettage tijdens haar vrijwilligerswerk in een ziekenhuis in Miami, snapt Lisette opeens, dat haar allergie voor de geur van zieke mensen van binnenuit komt. ‘Het was haar eigen lafheid die ze rook’.
  3. De vlieg, die ook al in Stahlies Boogschutters voor kwam en haar deed beseffen ‘dat ze samen met alle mensen en met alle dieren en zelfs met alle dingen WAS’.

Het zijn momenten – schreef ik op LN – die werden ‘doorkliefd door bliksemschichten’. Van onrust in dit geval. In tegenstelling tot Lisettes vriend Bram, die ook zulke momenten had en ze juist ervoer als momenten ‘van een rudimentaire bewustwording van een elementair inzicht’.

2. Passiestonde Witte Donderdag
Het doet denken aan wat ik tijdens de livestream van de vierde Passiestonde op Witte Donderdag 2022 vanuit de Oude Kerk in Zeist hoorde; ik beloofde er in een eerdere blog op terug te komen. Ds. G.M. van Schaik (Dordrecht) had het over ‘sleutelmomenten’ waar je meestal zelf op dat moment geen benul van hebt. Tenminste: dat gold Simon van Cyrene. Soms, later, besef je het belang ervan. Het gebeurt voor je ogen, maar het gaat aan je voorbij hoewel je er middenin staat. Dat kan, leert ons ook 9/11; hoeveel mensen hadden op het moment zelf door wat er op het spel stond, wat de gevolgen voor de wereld waren?

3. Joodse mystiek
Ten derde zweefden de uitdrukkingen ‘(sleutel)momenten’ en luwten’ ook af en toe door mijn hoofd tijdens de tweedaagse cursus ‘Joodse mystiek’ in Fredeshiem (Steenwijk), gegeven door dr. Martin Baasten. Hij omschreef het als een verlossingsmoment, een flits die het wezenlijke benadert, een glimp, een Godsvonk. Een ‘besefsel’, zoals een vriend van Baasten het met een mooi neologisme noemt.

4. Spinoza en Kunst
Tenslotte deden die momenten samen mij allemaal denken aan wat tijdens de cursus ‘Spinoza en Kunst’ van de Amsterdamse Spinoza Kring door dr. Anne Woodward werd gezegd over het begrip intuïtie in het denken van Spinoza: een moment van inzicht, waarin opeens het kwartje valt als bij de oplossing van een wiskundeformule waar je ook opeens de schoonheid van inziet. Een voorbeeld dat ik ook wel eens uit de mond van dr. Piet Steenbakkers heb gehoord.
Het gaat niet alleen om zo’n moment, maar ook om het bestendigen ervan. Je kunt volgens de joodse mystiek in de wereld leven en toch verlost zijn, rust voelen (Baasten).

Maar hoe zit het dan met die onrust van Lisette in de roman van Stahlie? Die onrust moet er ook zijn, want die zet aan tot doen. En daar gaat het mede om. Immers: ‘Want zo hebt u ons geschapen, gericht op u, en ons hart kent geen rust tot het rust vindt in u  [quia fecisti nos ad te et inquietum est cor nostrum, donec requiescat in te, Augustinus’ Belijdenissen].

 

https://www.literairnederland.nl/recensie-maria-stahlie-muilperen/

Filosofie voor leiders

Filosofie voor leiders : van opvoeders tot opvolgers : met wijsgeren en eindbazen Beauvoir, Machiavelli, Nietzsche, Trump, Poetin en Plato / hoofdredactie Coen Simon ; redactie en eindredactie Hannah Achterbosch, Alexandra van Ditmars, Tim Oudshoorn. – Nijmegen : Filosofie NL Media B.V., [2021]. – 99 pagina’s : illustraties ; 27 cm ISBN 8719992599

Filosofie Magazine kwam in 1992 voor het eerst uit en is in bijna dertig jaar uitgegroeid
tot een populairwetenschappelijk tijdschrift over publieksfilosofie voor een geïnteresseerd lezerspubliek. In ‘Specials’ worden de beste artikelen gebundeld over thema’s als Verlichting, Verlangen, Vrouwelijke denkers en nu over Filosofie voor leiders. In interviews, boekbesprekingen en artikelen komt het thema voorbij in verschillende uitingsvormen: opvoeding, koningschap, politie, bureaucratie en
charisma. En denkers van Plato, Machiavelli, Kant, Nietzsche en Simone de Beauvoir tot
Agnes Heller. Auteurs zijn onder meer Leon Heuts, Joep Dohmen, Maarten Meester,
Ivana Ivanovic en Stine Jensen. Met talrijke illustraties; uitgave in iets kleiner dan A4-
formaat.

Cop. NBD Biblion, Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Literatuur als vrijplaats

Het begint meteen al goed: met omschrijvingen en trefwoorden als: ‘literatuur als uitweg’, ‘meerstemmigheid en identiteit’, ‘vrijheid te kunnen kiezen’. ‘Het’ is het pamflet De ander bestaat niet van Christine Otten (De Geus, 2022).

Otten vervolgt met ‘de eerste “echte” schrijver’ die ze ontmoette: Sal Santen (1915-1998), die ik wel in ‘mijn’ bibliotheekfiliaal zag en die daar met égards werd omgeven. Het filiaal waarin de schrijfster zelf een keer werd geïnterviewd en wat vertelde over een nieuw verschenen boek. Het maakte allebei indruk op me, en leverde een mooie opdracht op in mijn exemplaar van dit nieuwe boek van en door Chrtistine Otten.

Paul Auster
Het zou zomaar een interview en praatje over Ottens debuutroman, Blauw metaal (1995) geweest kunnen zijn. Daarover gaat het tweede hoofdstuk. En over Paul Auster, wiens romans ze in de vijf jaar dat ze aan haar debuut schreef ‘gretig las’. Ik zei een keer in een lezing voor de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB) dat de componist Louis Andriessen Auster al even gretig las. Een musicoloog die na mij een praatje uitsprak, vond dit een volslagen idiote vermelding die nergens op sloeg – maar nu ik Ottens omschrijvingen zo lees, herken ik weer wáárom ik het vermeldde. Voor haar was het ‘het radicale humanisme dat Austers werk ademt en dat mij als lezer én schrijver zo inspireerde’, schrijft ze (p. 22). Zoiets was het mijns inziens ook wat betreft Andriessen.

Stuurloosheid?
In het volgende hoofdstuk vermeldt Otten, dat een van haar volgende boeken in de pers werd afgebrand, ‘voornamelijk vanwege de mengvorm’. Ze is zelfkritisch en denkt dat dit wellicht haar ‘stuurloosheid weerspiegelde’. Niet geheel of geheel niet terecht; een mannelijke schrijver zou dit nooit zo stellen en het zegt mijns inziens ook meer over het hokjesdenken van haar recensenten: fictie, essays, journalistiek – waar brengen we het in onder? Ze schreef alsof ze muziek maakte, zoals Andriessen componeerde alsof hij Auster in noten omzette.

Dáár ligt de kiem van Ottens eigen stijl. In de ontmoeting ook met The Last Poets, Afrikaans-Amerikaanse dichters uit de Black Powertijd, die wachtten ‘tot er iemand langskwam die ontvankelijk genoeg was om zich zijn geschiedenis [met name die van Umar Bin Hassan, EvS] en ervaringen eigen te maken, zodat hij zich er op een bepaalde manier van kon ontdoen’ (p. 32-33). Even verderop schrijft ze: ‘Een identiteit van een ander omarmen is wat anders dan je een identiteit toe-eigenen’ (p. 38). Iedereen die zich wel eens in discussies over het al dan niet mogen zingen van de joodse Psalmen in een christelijke context heeft begeven, zal dit min of meer (h)erkennen.

Schrijfgroep en diepe herkenning
Dan komt Ottens werk ‘als collega-schrijver’ aan de orde bij de schrijfgroep in Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard. Literatuur als vrijplaats. Ook hierover schreef ze, namelijk de roman Een van ons. De schrijfgroep heeft geleid tot ‘een inclusiever en “collectiever” soort schrijverschap’, meent ze.

De titel van het essay komt aan de orde in het volgende hoofdstuk. Eerst stelt Otten, dat ‘de diepe herkenning’ van literatuur ‘vooral in het wit [zit] tussen de woorden en zinnen, (…) in de ruimte die de schrijver laat aan de lezer’ (p. 49). Het doet mij denken aan een uitspraak van mijn blokfluitleraar, Juho Myllylä, die eens bij eens zei: ‘Geniet van de ruimte rond de noten’. Noten die uiteraard een relatie met elkaar hebben, maar elkaar ook de ruimte geven om elk voor zich tot hun recht te komen.

Toni Morrison en mens-zijn
Vervolgens komt Toni Morrison ter sprake, als schrijfster die ‘zich diepgaand bezighield met het begrip “de ander”.’ Ze dichtte een vreemde, een ander ‘allerlei eigenschappen toe waarnaar ze zelf verlangde’ (p. 60). De vreemdeling, de ander is louter een versie van onszelf.

In het zevende en laatste hoofdstuk bezint Otten zich op datgene waarmee ze bezig is. De conclusie is een logische: ‘Ik denk dat de gevestigde literaire wereld zijn voordeel kan doen met (…) andere en niet zelden vernieuwende stemmen en stijlen en verhalen’ (p. 67) – denk aan de kritiek op Blauw metaal! Literatuur zal altijd wel gemarginaliseerd blijven en dat is op zich niet erg, want de werkelijke waarde ervan ‘zit verstopt in en tussen de woorden en zinnen, het “iets” wat je een glimp gunt van het “onzegbare en onbevattelijke” en wat het betekent om mens te zijn’ (p. 68). Schitterend toch?

Ja, het ís een schitterend pamflet, een prachtig essay – en doet in niets denken aan wat Kees ’t Hart bijvoorbeeld in een artikel (in De Groene Amsterdammer, 7 april jl.) naar aanleiding van de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2022 schrijft wat hem tegenstaat ‘overtuigingsdwang’ ten gunste van schoonheid. Daar gaat het bij Otten (die hij niet noemt) niet om, maar over en-en. Het een hoeft niet los te staan van het ander, want voor je het weet kom je weer in hokjesdenken terecht. Dat moet worden voorkomen. En daarvoor is inderdaad moed nodig.

 

Christine Otten: De ander bestaat niet
Pleidooi voor moed in de literatuur
Verschenen in de reeks Publieke werken
Uitgever: De Geus, 2022
ISBN 978 90 445 4574 6
Prijs: € 10,00

In je hart bewaren

In een foldertje van de supermarkt die bekend is door de tv-reclame ‘Natuurlijk wel’ stond een mooie foto van een gedekte tafel. Het perspectief deed denken aan een tafel zoals de kunstenaars Dick Ket of Mommie Schwarz ze wel schilderden, met een bovenaanzicht. Er stond een doosje eieren op, een schaaltje met drie kleine appelflappen en een kommetje nootjes.
Toen ik het hoofdkantoor van de supermarkt mailde, of ik ook een foto van deze reclame-uiting kon krijgen, werd er enthousiast gereageerd: ‘Wat leuk dat je iets wilt schrijven over een product van xxxx.’ Het enthousiasme werd minder, toen bleek dat het me niet zozeer om een product ging, als wel om de foto zelf. Die afbeelding heb ik nooit gekregen.

Eigenlijk hoeft dat achteraf eerlijk gezegd ook niet. Ik zou zo’n tafel van Ket of Schwarz kunnen laten zien, maar ik blijf bij mijn oorspronkelijke idee over wat ik eigenlijk wilde zeggen, en kies uiteindelijk voor een prachtig schilderij van de Spaanse schilder Francisco de Zurbarán (1598-1664), dat enkele jaren geleden te zien was op een overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Rijksmuseum: Beker water en roos (foto EvS).
Ik moest eraan denken, toen ds. Paula de Jong het in haar kerstpreek van 2020 had over ‘het alledaagse dat het leven heilig maakt’. Alledaags en buitengewoon om de titel van een boek aan te halen.

Het kleine schilderij is namelijk zowel het een als het ander: alledaags én buitengewoon en ook nog eens spiritueel. Ga maar na: het tafereeltje is op het eerste gezicht zo alledaags als het maar kan zijn: een beker water op een zilveren schoteltje, waarop ook een roos ligt. Alles op een ruw houten tafel en niet, zoals op de reclamefoto, op een met een damasten tafelkleed overdekte, nette tafel.
Die alledaagse voorwerpen zijn christelijke symbolen, wat het schilderijtje buitengewoon én spiritueel maakt. De roos zonder doorns staat voor Maria, de kelk op het zilveren bordje voor Christus en het water ín die kelk is het water van de doop. Het zou me niet verbazen, als die oren van de kelk óók een betekenis hebben.

Je kunt een poosje naar het schilderij kijken, er bij blijven stilstaan en het overdenken. Dat is wat De Zurbarán ongetwijfeld ook wilde. Een folder gooi je meestal weg, maar dit schilderij valt te zien (National Gallery in Londen) en – als je het eenmaal hebt gezien -, kun je het op je netvlies en in je hart bewaren.

Verscheen eerder in Drieluik van de Protestantse Wijkgemeente Amsterdam-Noord (december 2021) en wordt hier met toestemming overgenomen.

Giorgio Agamben – Epidemie als politiek

Epidemie als politiek : de uitzonderingstoestand als het nieuwe normaal / Giorgio Agamben ; vertalingen Ype de
Boer, Tim Christiaens en Menno Grootveld ; voorwoord Ype de Boer ; nawoord Tim Christiaens. – [Amsterdam] : Starfish Books, [2021]. – 127 pagina’s ; 20 cm. – Vertaald uit het Italiaans. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-927341-2-9

Twintig korte teksten en vier interviews over de coronacrisis van de bekende Italiaanse filosoof Giorgio Agamben (1942). Hij denkt na over de ethische en politieke gevolgen van de crisis. Het eerste essay was bij publicatie (26 februari 2020 in Il Manifesto) meteen al geruchtmakend. Agamben stelt daarin dat de Italiaanse overheid ten onrechte de noodtoestand uitriep en daarmee een voorwendsel had om de democratie buiten spel te zetten. Een filosoof die hier tegenin ging, is Slavoj Zizek (Pandemie. Hoe corona de wereld veranderde). Het is een tweestrijd die ook in Nederland woedt en dit boek actueel maakt. Iedere lezer wordt uitgedaagd zelf een standpunt in te nemen. Een kenner van Agambens werk, Ype de Boer, plaatst diens analyses in een voorwoord in de bredere context van zijn denken. Tim Christiaens biedt in een nawoord inzicht in Agambens specifieke coronakritiek. Verzorgd uitgegeven bundel, met verklarende voetnoten en literatuurlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Passie en Pasen 2022 – een drieluik

Voor het eerst na coronatijd kon ik weer de Paascyclus ‘elders’ bijwonen; verandering van spijs doet immers eten. Na Ermelo (de Zendingskerk) en Utrecht (de Dom) was het dit keer in de Oude Kerk, de Pniëlkerk in Zeist (foto ontleend aan de website van deze kerk) en enkele diensten bij de Evangelische Broedergemeente, ook in Zeist. Een drieluik.

1.
Ter voorbereiding volgde ik de vier Passiestonden van de Oude Kerk (van maandag tot en met donderdag in de Stille Week) via de livestream en werd erdoor gegrepen. Aansluitend op de laatste, op Witte Donderdag, beluisterde ik in mijn hotelkamer op de radio een uitvoering van Bachs Matthäuspassion door de Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Shunske Sato (zie foto rechts) waarin – een geschenk! – qua sfeer eenzelfde soort accenten mij troffen als in drie van de vier overwegingen tijdens de Passiestonden; op de vierde kom ik in een andere blog, in een ander verband nog terug.

De vier Passiestonden hadden een overkoepelend thema: ‘Passie voor dertigers en anderen’. Maandag stond ‘een zekere vluchtende jongeman’ centraal (Marcus 14: 32-52), dinsdag ‘Petrus begint te huilen’ (Marcus 14: 66-72) en woensdag de ‘spottende soldaten’ (Marcus 15: 16-20).

Ds. J. Minnema legde maandag de nadruk op de ‘lijnwaad omgedaan over het naakte lijf’ van de jongeling (Marcus 14: 52). Is dit dezelfde ‘jongeling, zittende ter rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed’ uit Marcus 16: 4? Het wit waarin voorganger en diakenen bij het Heilig Avondmaal op Witte Donderdag bij de Evangelische Broedergemeente gekleed gingen. Het wit van de reinheid.

Dinsdag sprak ds. F. van Roest over het feit dat Petrus in een van de andere Evangeliën door Jezus wordt aangekeken. Petrus weende op het moment dat hij de woorden en tekenen indachtig wordt – wat meer is dan herinneren – door de Heilige Geest. Zoals Jezus Zijn tranen later offerde gelijk het plengoffer in Psalm 56.

Woensdag had ds. G.M. van Meijeren, de wijkpredikant van de Oude Kerk (die ik ken; vandaar dit jaar mijn keuze voor Zeist dit jaar), het over de purperen mantel, de doornenkroon en de rietstok. De doornenkroon hield Hij op, waardoor deze niet alleen wonden in het hoofd achterliet, maar ook een overwinningskroon werd. De mantel werd Hem door de soldaten uitgedaan.
In die wonden mogen wij ons, volgens een gebed tijdens de Gethsemanedienst bij de Evangelische Broedergemeente op Goede Vrijdag, verbergen.

2.
Ook in de uitvoering van Bachs Matthäuspassion waren het de accenten op die plaatsen die de adem even deden stokken.

Het begon al in het openingskoor bij de letter F in mijn klavieruittreksel (uitg. Peters). Opeens werd de muziek verbreed, op het moment dat sprake is van ‘Sehet ihn aus Lieb und Huld’ (liefde en genade), zoals Jezus Petrus aankeek (Lucas 22: 61, ‘De Heer draaide zich om en keek Petrus aan’).
Het tweede moment was in nr. 33, het duet ‘So ist mein Jesus nun gefangen’. En wel wanneer er sprake is van ‘Mond und Licht’.
Het derde en laatste adembenemende moment was in nr. 41, de aria ‘Geduld’ tegen het eind, waar de tenor zingt over ‘der liebe Gott’.
Het program van dirigent/violist Sato is duidelijk en behoeft geen verdere toelichting.

3.
Wat maakt gelukkig? heet het boek met een tekst van Thomas van Aquino dat ik tijdens mijn verblijf in Zeist las (uitg. Damon, 2021). Wel: zulke momenten. Thomas schrijft ‘dat de gelukzaligheid vooral bestaat in die activiteit [van het theoretische verstand, EvS], namelijk in de beschouwing van de goddelijke dingen’, als ‘de beschouwing van de waarheid’ (p. 84-85). Thomas citeert Augustinus, die in Boek X van zijn Belijdenissen schrijft ‘dat de gelukzaligheid de vreugde over de waarheid is’ (p. 93). Niet dat we ‘de volmaakte en ware gelukzaligheid (…) in dit leven (kunnen) hebben’, aldus Thomas.
Misschien zou je het, (over)denk ik dan, voorsmaak kunnen noemen. Of de ‘weerspiegeling van de hemel op aarde’ (Thijs van Meijeren, Goede Vrijdag). Zomaar, even. In liefde. In licht.