Een uitgelezen kans

Op twitter vroeg iemand zich onlangs af, waarom er in kranten wel televisieprogramma’s worden gerecenseerd, maar waarom kranten zelf eigenlijk nooit zelf worden besproken. Dat laat ik me als krantenkind (mijn ouders leerden elkaar bij het toenmalige Algemeen Handelsblad kennen) niet twee keer zeggen. Waarbij ik op het geluk heb dat ik momenteel van twee vakantievierders hun krant, NRC Handelsblad, krijg doorgestuurd. Deze lees ik gedurende een paar weken nu naast mijn eigen krant, Trouw. Een uitgelezen kans dus om de editie van afgelopen maandag met elkaar op twee overlappende items te vergelijken en er een toegift aan te plakken.

Analyse
Het eerste, grote artikel in zowel NRC Handelsblad als Trouw, allebei onder de kop ‘Analyse’, betreft de gebeurtenissen in Iran. Over het algemeen doen beide sterk aan elkaar denken. Dat in NRC Handelsblad is geschreven door ‘onze redacteur’ Floris van Straaten, dat in Trouw door Ghassan Dahhan, ‘redactie buitenland’.
Alleen tegen het slot wijken beide van elkaar af. Dahhan citeert kort een reactie van president Trump op twitter. Hij schreef ‘dat hij de demonstranten steunt’ en dat het opmerkelijk was ‘dat het bericht aan de Iraniërs onder meer in het Perzisch was opgesteld’. Van Straaten bezigt soortgelijke woorden, maar is aanmerkelijk minder zakelijk: ‘President Donald Trump en zijn minister van Buitenlandse zaken Mike Pompeo laten intussen niets na om de onrust aan te wakkeren’. Dát zou je van een kwaliteitskrant toch niet zo gauw (mogen) verwachten. Juist liberalen gaan er bovendien van uit, dat de lezer zelf wel zijn/haar conclusie(s) kan trekken.

Necrologie
Uiteraard besteden beide kranten aandacht aan het overlijden van Aart Staartjes. ‘Aartsvader kinder-tv verafschuwde braafheid’ staat er boven de necrologie in Trouw, ‘Opstandig en innemend televisie-icoon’ boven die in NRC Handelsblad. Laatstgenoemde krant wijdt maar liefst een hele pagina aan Aart Staartjes (auteur: Kester Freriks), Trouw driekwart kolom (auteur: Iris Pronk).
Behalve dat NRC Handelsblad daardoor meer plaats in kon ruimen voor een gegeven dat in Trouw geheel ontbreekt, namelijk Staartjes’ ‘indrukwekkende acteurscarrière’, zijn enkele al dan niet vermelde gegevens ook opvallend. NRC Handelsblad vult op een haast Telegraaf-achtige manier bijvoorbeeld details van het verkeersongeluk in Leeuwarden in, Trouw vermeldt dat Staartjes in de jaren 60 begon met Woord voor Woord, ‘waarbij hij bijbelverhalen voor kinderen voorlas’. Het eerste verwacht je wederom níet in een kwaliteitskrant, het tweede wel in Trouw.

Toegift
Hoewel Trouw en NRC Handelsblad hun journalistieke distantie ten opzichte van Iran al dan niet succesvol trachten te bewaren, had ik andere gevoelens bij de televisiebeelden die ik in het Journaal zag. Iraanse jongeren die de straat opgaan en stemmen met hun voeten door niet op de Israëlische- en Amerikaanse vlag te gaan staan maar eromheen te lopen, daar is in een land als het Iran van de ayatollahs moed voor nodig. Om die moed te omschrijven, heb je iets anders dan een nieuwsbericht sec nodig – dat kan in een column of achtergrondartikel. Zo’n column vond ik (toegift!) op afgelopen maandag in de Volkskrant, al werd het onderhavige item van Erdal Balci de volgende dag alweer gewraakt door Wout Woltz, die ik heb leren kennen tijdens vakantiebaantjes bij het Algemeen Handelsblad.
Waarheen de weg leidt die de studenten volgen, is nog niet duidelijk, maar dat ik als lezer moed put uit de jongeren die nu de straat opgaan, moge duidelijk zijn.

Balci verwees naar dit gedicht over de pijn van vrijheid van Paul Eluard: http://www.ekklesiadenhaag.nl/teksten130922.pdf

Drieluik – Pijn

1. Albert Camus

Afgelopen jaar begon voor mij op twitterland met een discussie over een artikel in Trouw dat door een auteur (historicus en recensent) was opgeduikeld en opnieuw onder de aandacht werd gebracht (zie link onderaan deze blog).
Ik struikelde over het verschil dat daarin wordt gemaakt tussen de God van het Oude- en de God van het Nieuwe Testament en tweette: ‘Daar hebben we de zogenaamde Oudtestamentische, jaloerse God weer eens… Jammer, jammer toch altijd weer. Alsof er twee bestaan: een Oud- en een Nieuwtestamentische’. Voor je het weet ben je in het dualistische Manicheïsme beland.

Je kunt er de klok op gelijk zetten en op een reactie wachten. Het ging alleen niet over waar ik mee kwam (zo blijf je zelf buiten schot), maar over een artikel dat ik eens over Albert Camus heb geschreven in Bekirbénoe, een periodiekje van het leerhuis dat in de huidige vorm een beetje van de leg lijkt te zijn geraakt, als ik hun programma voor komend jaar bekijk.[i]
Die reactie eindigde uiteindelijk met de zinsneden: ‘Ik vermoed dat hier wensdenken en toe-eigening uwerzijds in het spel is’. Ook die ben ik al in een eerder verband al in heel wat toonaarden tegengekomen, tot nationalisme aan toe. Het slaat er dan op dat ik joodse elementen in het werk van wie dan ook had aangewezen. Hoe zou ’t gaan als ik als niet-islamiet islamietische elementen zou aanwijzen, gewoon als ook een bron van onze westerse beschaving die vaak wordt veronachtzaamd? De beer zou dan denk ik helemaal los zijn …

2. In het vlees

Enkele dagen later las ik in hetzelfde dagblad Trouw als hiervoor genoemd, een interview van Sander Becker met de dichter, wiskundige en filosoof Roelof ten Napel naar aanleiding van diens nieuwe dichtbundel In het vlees (uitg. Hollands Diep). Aan het begin schrijft Becker: ‘Pijn manifesteert zich in vele gedaanten, met vleselijke en geestelijke elementen in wisselende verhoudingen’. Ik kon het op grond van de hiervoor geschetste ervaring – en niet alleen die – alleen maar beamen. Ten Napel heeft de pijn letterlijk vorm gegeven in honderdveertig essayistische sonnetten, die bijna allemaal verminkt zijn, omdat ze niet de klassieke sonnetvorm bezigen, maar andere, als door pijn verwrongen. Niet dat ze allemaal autobiografisch zijn, dat niet. Want het is volgens de dichter ‘vooral belangrijk dat een goed gedicht bij de lezer iets laat meeresoneren, ook als de lezer een heel andere achtergrond heeft dan ik’.

De overeenkomst tussen de hiervoor beschreven twitterervaring en de pijn van Ten Napel is ‘het systematische leed dat mijn religie produceert’. Bij Ten Napel gaat het om LHTBI-haat, bij mij om anti-judaïsme dat steeds maar weer de kop opsteekt en niet wordt (h)erkend of omzeild. Ten Napel zegt tegen het eind van het interview dat ‘als het erop aankomt, je eerder voor pijnverlichting van je naasten zou moeten kiezen dan voor God, hoe paradoxaal dat ook klinkt’. Het is een zinsnede die geeft te denken; misschien zou het voor christenen hetzelfde moeten zijn: kiezen voor de naaste is kiezen voor God, kiezen voor God is kiezen voor de naaste.

3. Anatomie van pijn

Aan het eind van de tweede week van 2020 woonde ik de voorstelling Anatomie van pijn van regisseur Lies Pauwels bij in het Internationaal Theater Amsterdam (ITA), opgevoerd door NTGent. Eigenlijk kwam hierin alles samen: pijn in verschillende gedaanten, met vleselijke en geestelijke elementen, pijn als metafoor voor de conditie van de westerse beschaving, waarvan maar niet uit te roeien antijudaïsme denk ik een graadmeter is. Eveneens vorm gegeven als evenzovele eenakters als de sonnetten bij Ten Napel, al heb ik de tel niet bijgehouden. En evenzeer het autobiografische overschrijdend.
Niet dat er gedurende de krap twee uur telkens wat bij mij meeresoneerde, maar gefascineerd was ik wel. Door de reminiscenties aan Samuel Beckett, de onmogelijkheid om in taal te vatten of misschien zelfs überhaupt te vatten wat pijn met je doet. Misschien soms nog het beste in schrijnende muziek van Monteverdi, Marcello, Bach en uit veel andere uithoeken, hard afgedraaid. Of soms door één viool, haperend en brokje bij beetje bespeeld. Tegelijkertijd hangt er met enige regelmaat iemand in een trapeze en valt er soms uit. Het is een oproep om alles vanuit een ander perspectief te bekijken en kwetsbaarheid toe te laten. Misschien vanuit het perspectief van een jood, van een islamiet. En dan niet zeggen: ik doe daar niet aan mee, want het is mijn traditie niet, zoals een bekende hoogleraar praktische theologie en Eerste Kamerlid mij eens domweg zei. Ja, domweg – christendommelijk.

https://www.trouw.nl/nieuws/het-ethisch-reveil-van-albert-camus~b8061ae7/ (Let vooral en passant even op de titel: Het ethisch reveil … Over toe-eigening gesproken).
https://www.trouw.nl/cultuur-media/voor-dichter-roelof-26-doet-de-vraag-of-god-bestaat-er-niet-meer-toe~b4afc60b/
https://ita.nl/nl/voorstellingen/anatomie-van-pijn/3347/

[i] Ik ben het eens met de kop boven een artikel van Alex van Heusden in Roodkoper (februari 1997), dat mij werd toegestuurd door Jan Kok: ‘De noodzaak van het “leerhuis” actueler dan ooit’, maar helaas kijkt hij alleen terug en geeft voor heden en toekomst een dystopisch beeld in plaats van een uitwerking hoe het dan wél zou kunnen.

Lorenz Demey – Waarheid

Waarheid / Lorenz Demey. – Antwerpen ; Amsterdam : Lannoo Campus, [2019]. -167 pagina’s : illustraties ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-01-46228-0

De auteur verwondert zich over waarheid en onwaarheid in een tijd van ‘fake news’, hoewel de filosofische begrippen oude papieren hebben en teruggaan tot de Griekse oudheid. De centrale vraag is of waarheid er toe doet of niet. Demey beperkt zich tot de dagelijkse waarheid en gaat niet in op de Waarheid betreffende grote levensvragen. Lorenz Demey is hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven en zijn ideeën liggen dicht bij een filosofie die is gebaseerd op de wiskunde. Hij behandelt net als Andreas Kinneging en Rob Wiche in hun boek Waar of niet? (2013) verschillende, zij het andere begrippen. Achtereenvolgens gaat hij in op enkele deelgebieden van de filosofie:
metafysica van waarheid, taalfilosofie, epistemologie (studie van kennis) en logica. Op deze manier wordt een breed palet aan ideeën en theorieën geboden. Op grond hiervan, uitgaande van het imprint Junior College Series en het feit dat de lezer met ‘je’ wordt aangesproken, lijkt het doel primair een studieboek filosofie te zijn. Met literatuurverwijzing.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

‘Ik ben een entertainment’

Als je op de flyer van de IDFA-documentaire King of the Cruise afgaat, – een film die nog steeds in de bioscoop draait (en op PICL valt te zien) -, zou je denken dat de hoofdpersoon Ronnie Reisinger, pardon: baron Ronald Reisinger, dagelijks over het dek flaneert in een Sinterklaasachtige koningsmantel. Niets is minder waar: we zien hem slechts één keer in die mantel om op de foto te worden gezet (zie foto hierboven). Meestal heeft hij een overhemd en een korte broek aan, soms een Schotse kilt.

Niet dat hij niet op wil vallen, want daar is het hem eigenlijk allemaal om te doen. Ouder worden is onzichtbaar worden, zegt hij, en daar heeft hij een broertje dood aan. En niet dat hij de enige extravagante persoon op het cruiseschip is. Neem een Estse vrouw waarmee hij vaak aan tafel zit. Zij is buitengewoon in hem geïnteresseerd en deed me denken aan een Estse die ik eens op een congres ontmoette en die elke winkel indook om een boek over Europese koningshuizen te bemachtigen. Het trekt, zegt Ronnie, baron of koning zijn.

Het is wellicht net zo’n combinatie van echt en verzonnen als de naam van het cruiseschip (Edge) en de naam van de maatschappij op de badges van het personeel (CNO). Regisseur Sophie Dros doet ook geen moeite om er duidelijkheid over te scheppen, net zomin als ze dat doet over het waarheidsgehalte van Reisingers opgediste verhalen; ‘Ik ben een entertainment’ volstaat. Dat is goed, maar denk dan óók niet dat het grote schip model staat voor ‘het’ cruiseschip, net zomin als de passagiers dat doen. Die zijn er allebei in soorten en maten.

Een cruiseschip is – de tweede hoofdpersoon van de film –, nog steeds volgens de genoemde flyer, ‘een drijvende micro-gemeenschap die aantrekkelijk is voor sommigen, en afstotelijk voor anderen’. Ik behoor een beetje tot de eerste categorie, maar denk niet dat ik me op de foto laat zetten, telkens met champagne in mijn hand of in de buurt heb, ga golven, naar de pedicure of de fitness ga. Het zijn dingen die ik thuis ook niet doe, dus waarom zou ik dat daar opeens wel doen?

Ik zie het wel om me heen: mensen die zich vol eten (zoals ook de baron, met de mogelijke gevolgen van dien; halverwege wordt hij naar een ziekenhuis vervoerd), mensen (ook jongeren, die bij mijn rederij ontbreken, zie foto) die zich vervelen en niet of nauwelijks van boord gaan, waar ik de kans te baat neem dat wél te doen om wat te zien van de steden en dorpen in het land waardoor ik heen vaar. Aan boord schrijf ik me in voor de leesclub, bezoek de korte kerkdiensten (andersoortig dan op Ronnies schip), geniet van het uitzicht, zoals dat in King of the Cruise af en toe ook mooi in beeld is gebracht, ben blij als me aan het diner een mooi gesprek toevalt in plaats van de small talk uit de film en bezoek de première van een film van David Attenborough met live muziek.

De muziek die ik verder verkies is niet de rake, ironische keuze van de film (‘Nice skin’ op het moment dat een gerimpelde nek van een oudere dame in beeld wordt gebracht), maar concerten van meereizende conservatoriumstudenten die bijvoorbeeld een Pianokwintet van Brahms spelen. En die zingende serveersters ben ik ook nog nooit tegengekomen. Wel het vriendelijke tot overdreven vriendelijke personeel dat zich afbeult. Ik pas ze af te vallen; geen dagkrantje ontvangen? Dan haal ik er wel een uit een display en niet aan de receptie, want daar vragen ze naar het nummer van je ‘Stateroom’ …

Het zijn twee werelden, die van mij en die van Reisinger en de Estse, die van het ene en het andere cruiseschip, de ene en andere (minder vervuilende) maatschappij, maar op een gegeven moment kantelt de film. In zijn luxe balkonhut vertelt Reisinger over zijn leven, het gebrek aan liefde dat hem ten deel viel en valt. Staat hij (of liever: zit hij, uitgeput op een bankje, terwijl iemand om hem heen aan het stofzuigen is) ‘symbool voor de leegte in de westerse wereld’, zoals ik ergens las? Nee – hij maakt er deel van uit, net als ikzelf op een bepaalde manier. Dat kun je maar beter erkennen en proberen wat meer inhoud aan je eigen leven te geven. Dat kan ook, ja werkelijk, op een cruiseschip.

Zie ook: https://8weekly.nl/special/confrontatie-met-jezelf/

Klaas A.D. Smelik – Flarden van gesprekken

Flarden van gesprekken : Etty Hillesum discussieert met vrienden over God, lot, lijden en haat / Klaas A.D. Smelik. – Oud-Turnhout ; & ‘s-Hertogenbosch : Gompel & Svacina, 2019. – 150 pagina’s : illustraties ; 24 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-637-1158-6

Het werk van Etty Hillesum (1914-1943) blijft een bron van inspiratie. Bij uitgeverij Gompel & Svacina, die ook de reeks ‘Etty Hillesum studies’ uitbrengt, verscheen een nieuwe studie van de theoloog Klaas A.D. Smelik. Hij publiceerde al eerder over Hillesum. Dit keer reconstrueert hij diverse onderwerpen (klassenstrijd, emancipatie, liefde voor de medemens, joods bewustzijn) aan de hand van fragmenten uit Hillesums dagboeken en brieven, gericht aan uit die dagboeken en brieven reeds bekende vrienden zoals Julius Spier, Henny Tideman en Ru Cohen. Deze fragmenten zijn met name voor in Etty Hillesum en haar kring geïnteresseerde lezers(groepen) interessant. De opzet van de twaalf hoofdstukken is telkens hetzelfde: een lang citaat uit het werk van Hillesum, enkele biografische notities over zowel haarzelf als degene die centraal staat en een beschouwing over één van de thema’s. Dit is een originele invalshoek, die echter vanwege de soms wat summiere informatie en uitwerking beschouwd kunnen worden als uitgebreide voetnoten bij haar verzamelde werk. Met literatuurlijst en illustraties in zwart-wit; Duitse citaten worden in voetnoten vertaald.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Overdonderende onderdompeling

Vierde Adventszondag. De Dorpskerk in Bloemendaal. Een Festival of Lessons and Carols. De kerk is afgeladen vol. Er worden stoelen bijgezet, mensen wijken uit naar de galerij. Het Kleinkoor zingt onder leiding van Peter Folstar en met een zelfstandige orgelpartij, gespeeld door Agnes van Bekkum, een kort stuk van de Duitse organist en componist André Heberling (1975):

Das Volk das noch im Finstern wandelt, bald sieht es Licht, ein grosses Licht!
Und über denen die da wohnen im Finstern Lande scheint es hell!

Het is een tekst uit Jesaja 9:1-2. Het begint in de donkere diepte van de stemmen en culmineert met een uitbarsting op ‘Licht!’.
Agnes van Bekkum speelt verderop in de dienst het orgelkoraal Nun komm der Heiden Heiland van Joh. Seb. Bach. Ook nu begint het in de donkere diepten. Niet dat het daarbij bleef, want het koor had even tevoren als laatste bijdrage aan deze dienst het O magnum mysterium van de Zwitserse componist Ivo Antognini (1963) gezongen – bedoeld als een opmaat naar kerst, zoals het laatste, schrijnende akkoord in Bachs Matthäus Passion oplost met de blik richting Pasen.

Ik moet eraan terugdenken, terwijl ik – nog net in de Adventstijd – in de Amsterdamse Oude Kerk loop door de installatie Poems for Earthlings van de Argentijn Adrián Villar Rojas (1980). Niet dat daar op de acht uur durende soundscape iets van Heberling, Bach of Antognini klinkt. Nee, het is de sfeer die de installatie oproept: donker, vooral donker, onder meer door de geblindeerde ramen. Hoe zou je dat als kerkganger ervaren op kerstmorgen? En de rest van het kerkelijk jaar, tot en met 21 april 2020?

Wat je ziet zijn vooral houten schotten en zandzakken. Sommige zakken zijn overigens gevuld met piepschuim om het niet al te zwaar te maken. Zij moeten herinneren aan de zandzakken die in de Tweede Wereldoorlog de schatten in kerken, zoals de kathedraal van Reims, beschermden tegen het oorlogsgeweld. Ds. Marcel Barnard refereerde in zijn preek op derde Adventszondag (na te lezen op de website https://oudekerk.amsterdam) ook aan een andere bedoeling ervan: het buiten sluiten van het ‘economische en toeristische en wellustige geweld van deze buurt’.
De kerk als een naar binnen gekeerde schuilplaats en niet openstaand naar buiten, open voor bijvoorbeeld asielzoekers. Dat laatste is eerder indrukwekkend verbeeld door Sarah van Sonsbeeck (2017, zie: https://8weekly.nl/recensie/gelaagde-mylar-dekens-havenkerk/). Daar ging het om beschermende dekentjes voor bootvluchtelingen.
Een verwijzing naar de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog, die wel wordt gelegd, heb ik zelf niet; de looppaden zijn daarvoor te breed.

Wat je ziet zijn vervolgens kroonluchters die, op staketsels leunend, laag bij de grond hangen. Ze verlichten de donkere kerk spaarzaam. Wat je hoort is geen kerkmuziek, maar – in de tijd dat ik er rond liep – het geschrei van een baby (toch een beetje kerst!) en het gegrom van een aap.
In die zin is het toch niet helemaal een site specifiek werk, zoals de Stichting Oude Kerk aankondigt, maar een conceptueel kunstwerk waartoe je je als bezoeker moet verhouden.

Dat gebeurt alom. Aan de heftige meningsverschillen die dit helaas oplevert, ga ik hier voorbij; het valt allemaal na te lezen op een webpagina waarop de kerkelijke gemeente tal van reacties bij elkaar heeft gezet: https://oudekerk.amsterdam/nieuws/het-kunstwerk-in-de-oude-kerk-discussie/ Waaraan trouwens (nog?) het mooie stuk ‘Collectief’ van Niña Weijers (in: de Groene Amsterdammer, 12 december jl.) ontbreekt; zij heeft het over ‘een kunstervaring die (…) overdonderend was’. Over een ‘onderdompeling’ waarvan ze hoopt dat iedereen hem zo zou kunnen beleven. Over de inhoud van de installatie heeft ze het niet. Sterker nog: wil ze het niet hebben. En dat ligt in het verlengde van de abstractie die Villar Rojas voorop stelt.

Ik moest wat dit laatste betreft tenslotte denken aan wat iemand mij vertelde over een Artist talk waar ik zelf niet bij ben geweest. Volgens haar kwam er niet helemaal uit naar voren wat Adrián Villar Rojas nu precies met het kunstwerk bedoelde. Zij weet dat aan zijn gebrekkige Engels, maar misschien wilde hij, net als Weijers, het gewoon open laten en niet, zoals nu een beetje gebeurt, dicht timmeren met woorden; het kunstwerk vraagt om er stil doorheen te slenteren. Dan kun je niet anders dan Weijers beamen, alle nuanceringen die je er ook bij kunt bedenken ten spijt.

Foto (Jörg Baumann) bovenaan deze blog is ontleend aan een Nieuwsbrief van de Oude Kerkgemeente in Amsterdam.

https://oudekerk.nl 

‘Het breidt zich alleen maar uit’

De tweede en laatste blog naar aanleiding van een middag (9 december jl.) in het Amsterdamse Spui25 rond het nieuwe boek De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) van P.C. Hooftprijswinnaar Maxim Februari.

Deze keer blijf ik stil staan bij zijn opmerking, dat een roman niet valt samen te vatten, in tegenstelling tot een filosofieboek; zijn vriend René Gude (beiden filosoof) vond het omgekeerde. ‘Het breidt zich alleen maar uit’. Een opvatting die ik tussen twee haakjes tijdens een weekend over joodse filosofie bij de Internationale School voor Wijsbegeerte, geleid door Rico Sneller, ook meende op te maken als zijnde de visie van Derrida: literatuur, filosofie en theologie vormen ‘in den beginne’ een herhaling met andere woorden.
Uit de zaal volgde naadloos hierop aansluitend dan ook de vraag of interpretaties dan altijd nodig blijven. Ja, kwam uit in verschillende bewoordingen uit diverse monden.

In dezelfde week als de Spui25-bijeenkomst las ik in het tijdschrift In de waagschaal een ‘Exegetische miniatuur’ van emeritus predikant Wout van der Spek over Psalm 2 die hieraan raakt. Het is, schrijft Van der Spek, als je ervan uitgaat dat Psalm 1 later is toegevoegd, eigenlijk de eerste Psalm die ook nog eens begint met: ‘Waarom’.
De auteur schrijft van Tom Naastepad te hebben geleerd, dat het vervolg van een verhaal of een boek een herlezing ervan is. Dat is mooi, maar Van der Spek had ook dichter bij huis kunnen blijven: de Talmoed (wij zaten nota bene enkele jaren samen aan de voeten van een joodse leraar Talmoed te lernen) is de uitbreiding ervan, om Maxim Februari te parafraseren.

Mijn hart sprong dan ook op, toen ik tijdens een Bijbelcursus in mijn eigen wijkkerk de predikant Paula de Jong hoorde zeggen, dat de (Psalm)citaten in de Evangeliën meestal net niet letterlijk zijn; een soort kleine Talmoedfragmenten dus: kleine uitbreidingen, herhalingen in net andere bewoordingen, interpretaties. Derrida (zie link onder aan deze blog) zou het haar hebben kunnen nazeggen.

Zo zou je, tenslotte, Marcus 4:25 volgens haar ook kunnen lezen:

Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

Niet in materiële zin, maar als sommetjes: 1+1=2, 1-1=0. De rijke wordt rijker, aan Bijbelkennis die hij/zij als rijkdom met zich draagt en die zich steeds uitbreidt. Interpretatie op interpretatie.

 

https://www.dbnl.org/tekst/_voo013201501_01/_voo013201501_01_0036.php

 

Te groot voor een sterveling

Twee blogs naar aanleiding van een middag (9 december jl.) in het Amsterdamse Spui25 rond het nieuwe boek, De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) van Maxim Februari. Enkele dagen later werd bekend dat aan hem de C.C.S. Croneprijs werd toegekend voor zijn oeuvre, en een week later dat hij de P.C. Hooftprijs 2020 zal ontvangen.
Ik volg de gang van Februari’s lezing en blijf bij enkele opmerkingen die mij raakten stilstaan.

Deze eerste keer bij Fay Weldons Letters to Alice, een boek waar Februari zich wel vaker over uitspreekt. Weldon heeft het over wat Februari ‘de ziel van het boek’ noemt: erotische bedwelming, angst en beven. Dat is waarom veel schrijvers niet lezen of lezen voor zich uit schuiven: het is te groot. We mogen volgens Februari immers niet vergeten, dat de roman één van de grootste ontdekkingen van de mensheid is, net als de symfonie.

Ik herken die angst ook – een logisch bruggetje – in mijn muziekbeleving. Toen ik tijdens mijn studie in Amsterdam met een vriendin op kamers woonde, luisterden we af en toe, samen of afzonderlijk, naar de weinige grammofoonplaten die we hadden meegenomen. Eén van haar was de Sinfonia concertante in Es gr.t. KV 364 van Wolfgang Amadeus Mozart (1779).
Ik hoorde het stuk niet graag en het was die opmerking van Weldon/Februari die me op het spoor zette van het waarom.

Een opmerking die in dezelfde week, op donderdag 12 december door een rechtstreekse uitzending vanuit het Amsterdamse Concertgebouw (door Mezzo) werd bevestigd. Het waren de geweldige solisten, violiste Isabelle Faust en altvioliste Tabea Zimmermann met het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van de door mij zeer geliefde dirigent Iván Fischer die de Sinfonia concertante speelden.
Met een ongekende diepgang en retorische accenten, geweldig begeleid door een orkest waarvan de leden op het puntje van hun stoel zaten, net als ik voor de buis.

Clemens Romijn schreef in Preludium, het muziekmagazine van Het Concertgebouw en het Concertgebouworkest, in een toelichting: ‘De gebruikelijke zonnige sfeer van het genre ademt het werk niet. Het Andante in c klein doet zelfs bijzonder droef en klaaglijk aan’. Dat hij daarbij er toch biografische achtergronden bij haalt, doet aan deze constatering niets af. Het werk was voor een adolescent op kamers gewoon te groots, dat is mijn conclusie die nu telt.

Dit is, zoveel jaren later anders en de grootste uitvoering, door ‘twee verschillende zielen, de viool en de altviool’ (Fischer in een pauze-interview), van een dialoog pur sang is niet langer iets om nog angst voor te hebben, maar dat je zoiets groots toch niet al te vaak moet horen (of lezen), is iets dat ik Weldon na moet geven. Daar is een mens nu eenmaal niet tegen bestand.

Had Vulcanus scoliose?

‘In de geneeskunde is observatie (…) een belangrijk instrument bij het stellen van diagnoses. Jammer genoeg zijn we het belang van louter observatie steeds minder gaan waarderen. Dit komt omdat steeds meer hulpmiddelen ter beschikking zijn gekomen om medische diagnoses te kunnen stellen.’ Dit staat te lezen aan het begin van de leporello Therapy in Art (Rijksmuseum Amsterdam).

Dat is de ene kant. Aan de andere kant woedde onlangs op twitter een ware strijd over het feit of je dergelijke observaties ‘methodologisch goed in elkaar kunt zetten’: motieven, stijl, kunstenaar enzovoort. Dit naar aanleiding van een artikel in Annals of Human Biology over de zogenaamde Habsburgse kaak die op veel schilderijen opduikt en uit inteelt voort zou kunnen zijn gekomen.

In het Rijksmuseum hangt op dit moment een schilderij van Vulcanus door Velázquez. Volgens de mythe was Vulcanus in ieder geval mank en volgens sommigen had hij ook een bochel, maar zo wordt hij eigenlijk zelden of nooit afgebeeld. Op dit schilderij lijkt zijn houding erop te wijzen dat hij mank liep en/of een zijwaartse kromming, scoliose, had (zie beide afbeeldingen hierboven ter vergelijking).

Belangrijker is misschien, dat Velázquez niet alleen mythische figuren, maar vooral ook mensen met een handicap als mens afbeeldde en niet als een type. Die constatering hoor je op de geslaagde audiotour bij de tentoonstelling ‘Rembrandt–Vélazquez – Nederlandse & Spaanse meesters’.

Ik moet daarbij denken aan een ‘het beslissende moment’ waarover Chris de Zeeuw, hoogleraar neurowetenschappen, eens tijdens de middag Lof der geneeskunst (9 oktober 2009, de Doelen te Rotterdam) vertelde. Als jonge coassistent op de tweesprong met de vraag welke kant hij uit zal gaan, ziet hij in het Picassomuseum in Barcelona het schilderij Ciencia y Caridad (Wetenschap en Zorg): een vrouw op bed met links een dokter (de wetenschap) en rechts een verpleegster (de zorg verbeeldend). Achter zich hoort De Zeeuw iemand in een rolstoel aankomen. Naast hem komt Stephen Hawking tot stilstand en kijkt ook naar het schilderij. Op dat moment weet De Zeeuw welke kant hij op wil en ziet dit door het voorval bevestigd: de wetenschap.
Thuisgekomen vertelt hij dit voorval aan zijn vrouw. Zij antwoordt dat ze dit onzin vindt; voor hetzelfde geld had hij Hawking niet gezien als een beroemde wetenschapper, maar als een patiënt met ALS en had hij voor de zorg kunnen kiezen.

Ik denk dat allebei samen kan komen. Kunst en wetenschap en/of zorg bedrijven met heel je hart. Vélazquez laat het zien.

Meer dan alleen voor de salontafel

In de schitterende publicatie bij de tentoonstelling ‘Cyprus – eiland in beweging’ (zie afb. links) in het Rijksmuseum van Oudheden (RMO) te Leiden (nog t/m 15 maart 2020), die ik nota bene won, zitten prachtige foto’s van al even mooie objecten. Twee in het bijzonder trokken mijn aandacht, mede omdat ze aansluiten bij een eerdere blog: ‘Drieluik’ (17 november jl., https://elsvanswol.nl/drieluik-5/). Ze zitten in het hart van het boek, dus dat zegt al wat.

  1. Vrouwelijk en mannelijk

Zowel de eerste als de tweede beschrijving zijn van de hand van Efthymia Alphas, archeoloog bij het Departement van Oudheden op Cyrpus.
De eerste betreft een antropomorf beeldje, een stenen mensfiguur van ongeveer 32 cm hoog dat zowel vrouwelijke als mannelijke kenmerken heeft: ‘de vorm van de figuur zelf is fallisch, maar het beeld heeft twee prominente borsten, wat een vrouwelijke identiteit benadrukt’. Hiermee werden, schrijft Alphas, ‘thema’s met betrekking tot seksualiteit, vruchtbaarheid en voortplanting onder de aandacht gebracht’.
Tijdens de tweede van de ‘Drie paradijselijke middagen in de Ark’, waarover ik blogde, kwam Genesis 2 op tafel. Volgens de inleider, dr. Wilken Veen, wordt in het vers waarin sprake is van het feit dat ‘het niet goed is, dat de mens alleen is’ (2:18) afstand genomen van een dergelijke vruchtbaarheidscultus.
Maar mooi blijft het, zo’n klein beeldje uit een andere cultuur, én het overdenken waard.

  1. Barende vrouw

De tweede beschrijving gaat over een ander beeldje, dat nog kleiner is (ruim 8 cm). Het is een kruisvormige mensfiguur (zie afb. rechts). ‘De gebogen knieën en gespreide armen (…) doen denken aan de houding tijdens het baren: een vrouw beviel gehurkt en werd in haar rug ondersteund door vrouwen die haar hielpen’. Vermoed wordt ‘dat ze vruchtbaarheid en moederschap suggereren’. Beeldjes als dit zijn overigens ook in graven gevonden.
Het deed me denken aan het slot van de performance Golem, waar ik ook over blogde. Daarin stonden de Golem en zijn maker lepeltje lepeltje met beiden de handen geheven in de vorm van een kruis. ‘Een afrondend gebaar? Een kruisteken?’ vroeg ik me af. Of, met dit beeldje op het netvlies, de geboorte van de Golem? Of zijn dood?

Zo bieden de afbeeldingen en teksten uit deze prachtige uitgave onder redactie van Ruurd Binnert Halbertsma en Despina Pilides (uitg. Sidestone Press) heden ten dage nog inspiratie. Een rijk geïllustreerde uitgave met inleidende essays over de verschillende periodes (neolithicum, chalcolithicum, brons- en ijzertijd, Hellenisme en Romeinse periode en Byzantijns Cyprus) en uitgelichte topstukken, waaronder bovengenoemde twee. Met uitgebreide lijst van aanbevolen literatuur. Een lees- en plaatjesboek ineen en daarom méér dan alleen voor de salontafel!

Afbeeldingen ontleend aan de website van het RMO: https://www.rmo.nl/tentoonstellingen/tijdelijke-tentoonstellingen/cyprus/