Op uitnodiging – Psalm 87

Mijn ouders kochten op advies van de orthopeed een duur bed met een lattenbodem voor me. Op een gegeven moment, toen ik eens ziek in dat bed lag, ging mijn moeder op de rand ervan zitten en zegen wij langzaam naar de grond. Wat bleek: een poot was weggedraaid. Ik heb het bed nog steeds en nog steeds moet ik met enige regelmaat de poten vastdraaien.

Ik moest aan dit beeld denken, toen ik de ‘Exegetische miniatuur’ las van Wout van der Spek, in het laatste nummer van In de Waagschaal  (22 augustus 2020). Elke miniatuur, die een A5-pagina beslaat, kiest hij voor een Bijbelse psalm. Dit keer was Psalm 87 aan de beurt, in een eigen vertaling.

De lattenbodem lijkt aan het begin stevig. De Psalm begint in Van der Speks vertaling met de basis van JHWH, op heilige bergen en poorten die Hij liefheeft. ‘Vervolgens’, schrijft hij, ‘worden alle volken in Sion geboren. Zeer bijzonder. De dichter ziet het al voor zich en laat hen aan het slot in vers 7 dansen met de thora, zo lijkt het wel, wat joden tot op de dag van vandaag één maal per jaar op Simchat Thora doen.’
De hoofdredactie (Peter Verbaan en Niels den Hartog) schrijven in hun ‘Van de redactie’, of ‘dat beeld vastgehouden kan worden, is ondertussen nog maar de vraag’. Hierop kom ik later terug.

Hierna heldert Wout van der Spek, in zijn eigen, woorden, ‘nog een paar dingen op’. Zoals over de volkerenwereld die in de Psalm wordt genoemd: Rachab (Egypte), Babel, Filistea, Tyrus en Nubië, wat hij politiek lijkt me niet helemaal correct vertaalt met ‘Moor’.
Daar gaat het al een beetje schuren, maar als klap op de vuurpijl constateert de auteur dat ‘als zo de toenmalige wereld wordt bedacht, dan horen wij er ook bij. Amazing Grace!’.

Daar is het helemaal mis gegaan – de poot waarop mijn bed met lattenbodem rust, is weggedraaid en het geheel is naar de grond gezakt. Dat wil zeggen: Van der Spek is door de bodem gezakt waarop hij stond als predikant, en later gastpredikant van Tenach en Evangelie, eerst kerkenraadscommissie later leerhuis (LATE).

De ironie van het lot wil, dat een andere predikant die deze Psalm eens zo mooi uitlegde, Henk Vreekamp (op 31 december 2015 in de Grote Kerk van Epe) de ‘basis’ zoals Van der Spek vertaalde, vertaalde met gronding, ‘de grond waar je doorheen zakt’. Ironie, omdat Van der Spek in de laatste LATE-dienst waar ik hem hoorde, opeens, ins Blaue hinein de theologie van Vreekamp aanviel. Over de hoofden van de minjan, het tiental (want meer zijn het meestal niet) toehoorders heen, maar mij raakte het als auteur van een boekje over Vreekamp des te meer: waarom in Godsnaam?

Ik ben gaan zoeken of Vreekamp ooit iets over Psalm 87 heeft gezegd. En ja: dat heeft hij dus, twee maanden voor zijn dood (terug te vinden op zijn website onder Preken). Veel komt overeen met de miniatuur van Van der Spek, belangrijke accenten wijken af.
Ook Vreekamp vraagt zich, net zoals min of meer de redactie van In de Waagschaal af, of Sion nog steeds het spirituele centrum van de wereld is. Nee, antwoordt hij: het is de weerglans ervan.

Het belangrijkste is de constatering dat ‘Alle volken in Sion zijn uitgenodigd om het Loofhuttenfeest mee te vieren’. Uitgenodigd – dus niet: wij (alleen het woord al: wij – zij) horen er ook bij. Nee, we mógen erbij zijn. Op uitnodiging wel te verstaan. Want veel christenen hebben er in hun relatie tot het jodendom een potje van gemaakt, zodat – zoals een vriend van mij onlangs weer eens terecht zei – bescheidenheid past. Geen vooraanzitting, maar ook zeker geen annexatie van een Psalm.
Het is verdrietig, maar het moet blijkbaar toch steeds weer worden gezegd. Zoals ik die poot van mijn bed steeds moet aandraaien.

Nissen in- en uitlopen

Fra Angelico: De opstanding

Ik voelde me bedroefd en goed
(M. Vasalis, Fanfare-corps)

Pasen 2020 is weer achter de rug.1) Veel grote woorden werden er gesproken. Corona zou onze werkelijkheid doorbreken, zoals Jezus de werkelijkheid doorbrak. En ik zet er, geschokt als ik erdoor was, maar een groot woord tegenover: voor mij neigt dit naar onzindelijk denken. Ik heb liever een predikant die zegt: Ik weet het niet. Ik zou er echt eerst nog eens goed over moeten nadenken en die rust heb ik nu niet.

Toch vallen je wel brokjes toe, en die wijzen allemaal een beetje naar waar ik de afgelopen week op heb lopen broeden. Ik las om te beginnen ergens, dat de rooms-katholieke kerk het idee om aan de veertien staties een vijftiende, van de opstanding toe te voegen (de Paasstatie), lang heeft verworpen. Ik moest daarbij denken aan de veelvuldig geuite opmerking dat het zo jammer is dat Bach zijn Matthäus Passion eindigt met de dood van Christus. Ik heb daar altijd tegenin gebracht, dat die scherpe dissonant in de fluiten in het slotkoor oplost: het is een glimp van de opstanding. Een visioen van iets dat nog waar moet worden. Stille Zaterdag zit er nog tussen alvorens het Paasmorgen wordt.

Niet dat ik nu de coronacrisis ga vergelijken met Stille Zaterdag of een dal tussen twee bergen: die van ‘de eerste berg’ van een rijk leven ten koste van veel en velen, en de tweede met een andere relatie met de wereld, zoals David Brooks doet in zijn boek De tweede berg, toen er overigens nog geen sprake was van de huidige crisis. Ik hou het liever bij die berg uit Psalm 121:

En dan kijk ik op, kijk speurend.
Al die bergen!
Wie kan hier nog helpen?
(vert. Gert Bremer)

Nee, ik denk aan twee snippers tekst die mij toevielen. En misschien is dat ook een antwoord op de vraag die Coen Constandse stelde in een artikel naar aanleiding van mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek over Henk Vreekamp: Het is een typische theologische niche-markt geworden, dat Kerk-en-Israëlwerk. ‘Hoe dieper je de nis inloopt, hoe fundamenteler de inzichten en hoe sterker de overtuiging van het eigen gelijk (…). Zijn er ook nog mensen die de nissen in en uitlopen, en in andere delen van het gebouw inzichten komen halen en brengen?’ (in: In de Waagschaal, april 2020).

Wat ik als eerste snipper vond in een hoek van zo’n nis, is een Korantekst (immers geënt op zowel het Oude- als het Nieuwe Testament) die de islamoloog Noor Asrami deelde: ‘Moeilijkheden komen hand in hand met verlichtingen’. En de tweede snipper, die ik weer in een andere nis aantrof, was er een naar aanleiding van het woordje ‘verduren’ dat Augustinus al gebruikte, en de theoloog Charles Mathewes opnieuw. ‘”Verduren” (…) betekent niet dat je passief wordt, maar dat je attent bent op de dingen die je vandaag kan doen, zonder dat je kan weten hoe het allemaal gaat uitpakken, zonder dat je het naar je hand kan zetten’, aldus James Kennedy in een column in Trouw (11 april 2020). Om te besluiten met: ‘Tegelijkertijd leef je in verwachting’.

Ik wil de Matthäus Passion volgend jaar weer beluisteren, en dan niet alleen betwetering wijzen op die dissonant aan het eind die toch echt oplost, maar lernen. Luisteren, ernaar speuren of er in die Passion nog méér stukjes, meer brokjes zitten die in alle ellende hand in hand komen met verlichting. Ze lichten misschien soms, heel even op. Dat is al genoeg.

 

1) Tijdens de overdenking van ds. Sytze de Vries tijdens het morgengebed in de Domkerk (Utrecht) op 19 april jl., wees hij erop dat hij iemand had horen zeggen dat ‘Pasen weer achter de rug is’, maar dat dit zou moeten zijn: ‘Pasen is geweest’. Waarvan akte: https://www.kerkomroep.nl/#/kerken/21581 

Breuk of doorgaande lijn?

 

 

 

 

 

 

 

Op 14 februari jl. hield ik ’s middags een inleiding in het Huis van de levenskunst in de Bethelkerk in Amsterdam Oostzaan (zie foto links, EvS). Op verzoek van ds. Trinus Hibma werkte ik het thema ‘heidendom’ uit, naar aanleiding van mijn boek over Henk Vreekamp (Mythe, mysterie, mystiek) dat verleden jaar verscheen bij KokBoekencentrum. De vraag was: ‘Hoe kijken we in de huidige samenleving naar onze heidense roots? Vormen ze een breuk of een andere manier van kijken?’ Een gedeelte uit deze inleiding over bovenstaande vraag breng ik hier als blog. Plompverloren, midden in het hier iets aangepaste en met reacties aangevulde verhaal vallend.

Het eerste dat bij mij als voorbeeld van een doorgaande lijn bovenkomt, zijn de kerken die gebouwd zijn op, of aan ‘tempels van afgoden’, zoals paus Gregorius dat noemde en – sterker nog – ook goed vond dat die zo werden gebouwd, mits de kerk werd gewijd. Een mooi voorbeeld in Nederland is de Grote Kerk in Elst, tussen Arnhem en Tiel. Onder de kerkvloer vond men in 1947 de resten van twee Romeinse tempels, uit circa 50-100 van de gewone jaartelling. In de vroege middeleeuwen bouwden de eerste christenen op die resten een zaalkerk, die later in Romaanse stijl werd vergroot. Ook daarvan zijn de resten nog te zien in wat uiteindelijk tot een gotische kerk werd uitgebouwd.

Een historische opvatting
Je kunt óók zeggen dat hier geen breuk tussen heidense tempel en christelijke kerk is aangebracht, maar dat is er sprake is van een doorgaande lijn. Dat is een manier van denken die we kennen uit de boeken van de negentiende eeuwse Zwitserse historicus Jacob Burckhardt. Hij benadrukte de continuïteit en waarschuwde tegen harde, revolutionaire breuken. Als je me nu vraagt: Waar zie je dat in de geschiedenis en in de huidige samenleving, dan denk ik respectievelijk aan de middeleeuwen en aan de Arabische lente.

Wat het eerste, de middeleeuwen betreft, denk ik aan wat romancier Stefan Hertmans beschrijft in zijn roman De bekeerlinge. Een christelijke vrouw bekeert zich tot het jodendom, en Hertmans beschrijft dit als ‘een religieus alternatief voor de onrust en het geweld van de christelijke wereld’, een perspectiefwisseling. Hertmans concludeert, met Burckhardt: ‘Er loopt geen breuk (…) door de geschiedenis’. Dat Burckhardts opvattingen overigens ook een conservatieve achtergrond kennen, bleek gisteren nog weer eens uit een recensie van een boek van hem in dagblad Trouw.
Het tweede voorbeeld betreft de Arabische lente. In de slipstream daarvan voltrok zich een zachte revolutie die zich afspeelde op internet, waardoor iedereen – mits er geen censuur wordt toegepast – kennis kon maken met andersoortige ideeën. Ook hier gaat het om een alternatief, een seculier alternatief in dit geval voor onrust en geweld, en ook hier is sprake van een andere manier van kijken.

Door te spreken van vóór en ná, of het nu gaat om de kruistochten, de Arabische lente, de Tweede Wereldoorlog of de Wende, geef je tussen twee haakjes impliciet aan, dat je het voorspel tot die omwentelingen ontkend. Zo begint Johan Huizinga – een leerling van Burckhardt – zijn boek In de schaduwen van morgen (1935), dat onlangs opnieuw is verschenen bij ISVW Uitgevers, met: ‘We leven in een bezeten wereld en we weten het’. Let wel: dat was in 1935!

Niet-historische opvattingen
Er bestaan denk ik wat betreft de verhouding tussen het heidense- en christelijke denken, – om me daartoe te beperken – nog twee andere, niet historische opvattingen. De eerste voert ons terug naar het eind van het boek Als Freyja zich laat zien van Henk Vreekamp, waarin het over het visioen van de doop van Freyja gaat.
De tweede zou ik een symbolistische willen noemen, die uitgaat van gelijktijdigheid. Ik doe dat met in het achterhoofd de titel van een boek van de in oktober 2019 overleden dichteres en essayiste Anneke Reitsma: De poëzie van Ida Gerhardt in symbolistisch perspectief. Wat zij in Gerhardts poëzie zag, was onder meer suggestie en metafysische gerichtheid, – naar hetgeen dat boven ons uitgaat. Je moet je er als lezer van bewust zijn, dat poëzie op meerdere niveaus kan worden gelezen; het kan gelijktijdig naar meerdere voorstellingen verwijzen. Naar – vul ik in – een heidense én naar een christelijke.

Er worden zo nieuwe verbanden bloot gelegd, zoals Ede bij Vreekamp symbool stond voor Eden en het Kootwijkerzand, het enige woestijngebied in Nederland, voor de woestijn in Israël. Daarvoor is verwondering een vereiste, namelijk om in het alledaagse iets anders te kunnen zien. Denk bijvoorbeeld aan het gedicht ‘De disgenoten’ van Gerhardt, waarin een eenvoudig gedekte tafel de Avondmaalstafel blijkt te zijn.

Et voilà
, in de woorden van W. Dekker in een recensie over Vreekamps De tovenaar en de dominee (in: Kontekstueel, november 2010): ‘In de[ze] mystiek komt de door de openbaring geheiligde mythe terug (…). In door de openbaring worden beide (mythe en mystiek) geheiligd’. Waarmee alle drie uit de titel van mijn boek (mythe, mysterie, mystiek), of: verleden, toekomst, heden weer bij elkaar zijn gebracht. Ik had namelijk eerder betoogd, dat deze drie in het denken van Vreekamp eigenlijk niet los van elkaar zijn te zien, hetgeen in de vragen na de pauze werd bewaarheid.
Daarin ging het niet alleen over zijn visie op het heidendom, die door mij was uitgewerkt en die voor sommigen vreemd bleef, tot in zeer felle bewoordingen aan toe, maar vooral ook over zijn visie op het jodendom die in verschillende opmerkingen helaas wat dreigde te ontaarden (hier is nog steeds werk aan de winkel!), zijn visie op het Palestijnse vraagstuk, en – daar had ik eigenlijk al dan niet terecht geen aandacht aan geschonken – op human interest-vragen aangaande Vreekamps leven en sterven.

Conclusie
Als je dan tenslotte vraagt wat het heidendom (en ook het christendom overigens) in de huidige, seculiere samenleving kan betekenen, dan vind je in de beelden van Gerhardt, en ook van bijvoorbeeld Nijhoff, denk ik het antwoord: ze doordringen elkaar wederzijds.
Dat is de Sjechinah, de inwoning van God in het alledaagse, en dan mag je voor heidens in dit verband in onze tijd ‘seculier‘ lezen, want het gaat al lang niet meer alleen om Noordse heidenen als Freyja, om heidenen als de nazi’s bij de theoloog Miskotte (Edda en Thora, 1939) of om Apollo, Dionysus en Aphrodite bij de filosoof Simon IJsseling of om – zoals iemand van de ruim twintig toehoorders zei – ‘barbaren’.
Het gaat om een andere manier van kijken. Niet wegkijken maar kijken, góed kijken. Niet alleen naar ‘de’ heiden buiten ons (oorspronkelijk een bewoner van de heide), maar ook naar de heiden in ons. Vreekamp noemde zichzelf een heiden-christen die werd uitgedaagd door het jodendom. Hij erkende dat er twee zielen in zijn borst huisden: het heidendom en het christendom.

We kunnen in deze wereld niet zonder elkaar, heiden, jood en christen, om de schepping te helpen voltooien en tot zijn bestemming te brengen. Een opdracht, een mitswa zou de jood zeggen, die ons allen aangaat, wonend in één stad, in één wereld, zoals Ambrogio Lorenzetti het als een visioen à la Freyja schilderde op de lange wand in het stadhuis van Siena.
Opvallend is dat Lorenzetti ook niet-religieuze onderwerpen bij de kop pakte, wat in zijn tijd (ca. 1340) nog niet was vertoond. Het goede bestuur van de ideale stad die hij verbeeldt, laat alle mensen genieten van de oogst van hun akkers, van de wijn van het Koninkrijk en het brood uit de hemel. Sy hit swa, moge het zo zijn, zoals Vreekamp zijn Als Freyja zich laat zien eindigt. Zonder punt. Om het open te laten.

Link naar de genoemde recensie van het boek van Burckhardt in Trouw: https://www.trouw.nl/religie-filosofie/juist-ook-door-het-contrast-met-het-huidige-denken-geeft-dit-boek-te-denken~b7c062d0/

Ommekeer

Afgelopen zondag had ik me voorgenomen ’s middags een leerdienst te bezoeken in Amsterdam-West, waar na afloop afscheid werd genomen van de beheerder van het kerkgebouwtje. Een vriendin vond zeker dat ik ’s ochtends niet van geestelijk voedsel verstoken kon blijven, en wees mij op de Eucharistieviering die op NPO2 vanuit ‘haar’ kerk werd uitgezonden. Niet dat ik nu rooms-katholiek ben of van geestelijk voedsel verstoken zou zijn; het interview in Buitenhof van Hugo Logtenberg met Arnon Grunberg over de jeugdzorg in De Koppeling (Amsterdam, foto hierboven) schaar ik daar ook onder: aandacht voor de zwakken in onze samenleving.
Die Eucharistieviering, waarvan ik het gedeelte tot en met de preek door diaken Rob Polet zag, de leerdienst inclusief afscheid en – op een indirecte manier – ook het interview met Grunberg gingen een geladen gesprek met elkaar aan.

Van graaier naar gever
Polet (foto rechts) vergeleek het verhaal over Zacheüs (Lucas 9:1-10) met Scrooge van Charles Dickens: een ommekeer en sprak over de manier waarop God in de levens van mensen die Hij zoekt inwerkt. Het gaat erom wat er níet gebeurt: Jezus zegt helemaal niets, is alleen aanwezig. Zacheüs gaat op zoek naar verandering, naar hoe hij echt is bedoeld. Hij verlangt naar een dieper, rechtvaardiger leven. Hebben wij ruimte om om te zien naar het verlangen van een ander? Om om te keren?

Noach de akkerman
De preek in de protestantse leerdienst ’s middags, over Noach, was van een totaal andere snit: niet troostrijk en appellerend, maar stelling nemend en min of meer verankerd in drie boeken, waarvan er geen bij name werd genoemd.
Het begon met het idee van Henk Vreekamp over het overnemen van bijvoorbeeld het joodse Loofhuttenfeest. (Welk boek zou de emeritus-predikant toch hebben gelezen …?). Het zou de herfsttijd op de kerkelijke kalender kunnen opvullen, meende hij, alsof het Vreekamp daar primair om te doen was. Dat moeten we volgens de predikant niet willen; het moet leeg en ongemakkelijk blijven. Het in elkaar schuiven van joodse- en christelijke feesten staat nog uit. (Zie p. 66 en 75 e.v. in mijn boekje Mysterie, mythe, mystiek, foto links).

Hij ging verder met het idee van de Übermensch van de niet nader genoemde Friedrich Nietzsche (foto rechts), maar dan volgens de aloude, foutieve invulling daarvan als was de Übermensch een pré-nazistische Ariër, terwijl het in wezen zo’n mooi idee is: de mens die, om op Polet terug te grijpen, verlangt én werkt aan een dieper, rechtvaardiger leven, boven (über) zijn eigen tekorten uit. Zoiets als de conatus bij Spinoza, de filosoof die Nietzsche immers bewonderde.

Het derde en laatste item linkte Noach de akkerman aan de huidige protesten van de boeren. Het was een oproep voor circulaire landbouw, verwijzend naar Sicco Mansholt. De ommekeer van Polet ingevuld, terwijl ik het híer misschien liever leeg had gelaten.
Jammer genoeg volgde geen nagesprek, zoals te doen gebruikelijk bij de maandelijkse leerdiensten.

Aandacht
Immers: na de dienst volgende het officiële afscheid van de beheerder van het gebouw, met onder meer enkele toespraken, die niet op elkaar waren afgestemd. Eén toespraak verviel, omdat een pianiste, die regelmatig op de vleugel in de kerk oefent, óók nog graag wat had willen zeggen. Zij werd vergeten.
Toen popte bij mij niet alleen Grunberg (foto links) even op, die de naam van God niet had genoemd maar wél en sterker voor de joodse- en christelijke waarde van aandacht voor de zwakkeren in de samenleving was opgekomen. Ik heb mij in de tram terug zitten verbijten: waarom heb ik niet even geroepen: ‘Er is nóg iemand die wat wil zeggen?’. Ik heb haar tijdens de receptie helaas niet meer gezien, maar kon me op dat moment zó goed voorstellen waarom mensen soms de kerk de rug toekeren. Ze was er voor de eerste keer, en wellicht ook voor de laatste.

Relevantie van de kerk
Dezelfde commissie die dit soort leerdiensten organiseert, had onlangs prof. dr. John Grin uitgenodigd voor een lezing over de vraag ‘De weg naar de kerk weer vinden’, die hij terecht had omgebogen tot ‘Hoe kan de kerk weer relevant worden?’
Veranderingen, zei hij, gebeuren in niches, zoals de studentenecclesia. Kernwaarden daarbij zijn: beleving – autonomie – verbondenheid. Zijn conclusie was, dat de klassieke (wijk)gemeente niet meer in deze tijd past. Je moet het oude niet koste wat het kost in stand willen houden. De commissie probeert dat wel, maar misschien juist ómdat zij een niche is, zou een ommekeer haar passen.

Misschien op de manier die Welmoed Vlieger in een column in Trouw (5 november 2019) beschreef: ‘Ooit vroeg ik mijn vader wat dat nu eigenlijk is, een preek. Hij zei dat je in een preek probeert het hart te zoeken van de hoorder, nadat je eerst je eigen hart hebt gezocht.’ Ik ervoer dat bij de preek van Rob Polet. Zij vervolgt: ‘De kerkdienst is geen leerdienst’ – dat mag overigens van mij wel, als de eenheid die Grin benoemde (leren – veren – dienen – pastoraat) erin terug te vinden is. Een nabespreking is ook niet weg, in een tijd van (nog steeds) eenrichtingsverkeer vanaf de kansel. Vlieger vervolgt: ‘Het [de kerkdienst, EvS] is een plek waar mensen worden getroost, bemoedigd, geconfronteerd en uitgedaagd. Wie op zondag de kerkdienst bezoekt, gaat op een “dijk” staan om uitzicht te krijgen. Dan doet het er niet zoveel toe hoeveel mensen er zitten’- bij de leerdiensten in Amsterdam-West is men al blij als de minjan (10 mensen) wordt gehaald. ‘Dat die dijk er is, daar gaat het om.’ Zou het misschien mogelijk zijn om de leerdiensten c.s. om te zetten naar een Pioniersplek? Waar wordt geoefend in een andere manier van kerk zijn.

Buskes en Kroon – twee dwarsliggers

Uit de nalatenschap van Rie de Kater-Engel, die ik primair kende van ‘mijn’ muziekclubje in het verzorgingshuis waar zij woonde, verkreeg ik de feestbundel voor de vijfenzeventigste verjaardag van ds. J.J. Buskes: Dwarsliggers (uitg. Zomer & Keuning, 1974). Aan hem bewaar ik twee dierbare herinneringen. Op een dag liepen mijn moeder en ik langs een huis dat vol stond met boekenkasten. Mijn moeder liep achteruit om het naambordje te lezen. Buskes dus. De tweede keer was een dienst van de Alle-Dag-kerk in Amsterdam. Een kleine man met een witte haardos en – zag ik later – een slecht gebit stond onder het orgel de kerk in te kijken. Buskes dus.

Het kan niet anders of zo’n boek als dit en de herinneringen aan mevrouw De Kater en mijn wat eerder geboren en gestorven ouders doen je wat. Herinneringen die op een of andere manier verhevigd terugkomen, terwijl ik het boek las, en soms ook in elkaar over lijken te gaan.

Dwarsliggers
Ik zou ze allemaal na kunnen lopen: om te beginnen het hoofdstuk over dr. H.F. Kohlbrugge, die ds. Thijs van Meijeren noemde tijdens de presentatie van mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek in de Amsterdamse Thomaskerk. De man die – zo lees ik – met één woord sprak: ‘de rechtvaardiging van de goddeloze’ – het woord dat Henk Vreekamp, over wie mijn boekje gaat, van hem heeft overgenomen.
Zo zou ik kunnen doorgaan, maar ik kies ervoor enkele hoofdstukken te nemen waarin de naam van ds. K.H. Kroon (zie foto rechts) voor komt. Ook zijn naam werd tijdens bovengenoemde presentatie genoemd. Mijn vader, zo meende de middagvoorzitter, zou bij hem in de kerkenraadscommissie Tenach & Evangelie hebben gezeten. Niets is minder waar; hij had zacht gezegd niets met hem en was penningmeester ten tijde van ds. René Venema. Al lezend in het boekje van mevrouw De Kater kom ik er gaandeweg achter waarom mijn vader waarschijnlijk niet zoveel met Kroon op had.

K.H. Kroon
Ik begin met het artikel dat K.H. Kroon schreef over Martin Buber. Ik proef daarin helaas iets van de wat verongelijkte man die ik eens trof. Het woord ‘aanvechtbaar’ valt nogal eens. Hij heeft kritiek op een niet nader genoemde vrijzinnig hervormde theoloog [dat is: professor Pieter Smits] en uit zijn teleurstelling over Buskes’ antwoord. Pijnlijk, voor een feestbundel zou ik zeggen.

Hoe anders van toon is de bijdrage van pater Van Kilsdonk over Kleijs Kroon. Ik snap waarschijnlijk opeens mijn vader, wanneer Van Kilsdonk schrijft: ‘Kroon is een man niet van het schrijft maar van het woord: in die zin ook niet van de Schriften, maar van de Mikrá (het Hebreeuwse werkwoord kara = roepen, denk aan: korán). Dat betekent: hij leest de tekst niet naar binnen toe maar roept hem uit, met mompelende, peinzende, soms ineens lichtgevende stem’.

Ik denk dat het één niet zonder het ander kan; dat heb ik van ds. Sytze de Vries geleerd: ‘Als een mens zich zijn vreugde niet meer uit kan zingen, zich Gods liefde niet meer te binnen kan zingen, heeft hij één van zijn grootste uitingsvormen verloren’ [vet EvS]. Misschien zit daar ook de crux waarom mijn vader geen affiniteit met Kroon had. Het een kan niet zonder het ander, vond deze ‘Psalmenmens’ zoals diezelfde middagvoorzitter hem eens raak omschreef.

Op zijn plaats vallen

In het laatst verschenen nummer van Filosofie Magazine (juli/augustus 2019, zie foto rechts) staat een interessant interview met emeritus-hoogleraar kunst en techniek Petran Kockelkoren over mythen en techniek. Ik las dat met bijzondere aandacht, omdat ik me daar de laatste tijd voor mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek (zie foto links) over Henk Vreekamp ook mee heb beziggehouden. Met name met Noordse en Germaanse mythen.

Eigenlijk zou je mythisch denken met de onlangs overleden Hongaarse filosofe Ágnes Heller (1929-2019) een ‘antropologische grondhouding’ kunnen noemen. Er is immers sprake van voorouders, taal, streek en religie als startpunten. Al dan niet geconstrueerd, als een invented tradition, zoals soms bij Vreekamp, die haast als een antropoloog keek naar de vele landen en volken die hij samen met zijn vrouw Marjo bezocht.
Zo keek hij ook naar de Veluwe. Ik beschreef dat als een pars pro toto; Ede stond bij hem zeg maar voor Eden.

Hun oudste zoon, Leonhard, mailde mij pal voor de presentatie van het boekje in Amsterdam een andere invalshoek die dit aanvult: ‘Ik zoek (…) een reden waarom hij [zijn vader, EvS] de Veluwe nodig heeft gehad om te overleven en structuur aan te brengen in zijn gedachten en roeping. Zonder de Veluwe viel het niet op zijn plaats. Was het te groot om onder woorden te brengen.’

Of, zoals Kockelkoren het in het genoemde interview met Maurice van Turnhout zegt: ‘Het mythische wereldbeeld helpt je om de wereld bewoonbaar te maken’.
Mythen zijn dan niet iets om in te geloven, dat wist Vreekamp als theoloog als geen ander. Ze zijn haast om te doen, vindt Kockelkoren. Hierbij moest ik denken aan een van de andere kinderen Vreekamp, Cunera, die bij de presentatie van zijn boek Als Freyja zich laat zien (31 oktober 2013 in de Grote Kerk van Epe) als Freyja verkleed de kerk binnenkwam.

Kockelkoren kijkt met een mythische blik naar techniek, Vreekamp ging door de mythen heen richting mysterie en mystiek, met de mysterie in het midden, als middelpunt. Niet iedereen kan daarin meegaan en dat hoeft ook niet. Maar ‘ongelooflijk rijk en interessant’ (Kockelkoren) is het wél. Dat valt niet te ontkennen.

 

https://www.de-veluwenaar.nl/2016/10/15/hier-willen-staan/

Mythe, mysterie, mystiek

Onlangs verscheen mijn boekje over Henk Vreekamp, Mythe mysterie mystiek (uitg. KokBoekencentrum). Tijdens de presentatie daarvan, op 14 juni in de Amsterdamse Thomaskerk (Thomastheater), sprak ds. Thijs van Meijeren (Hoevelaken) enkele mooie woorden. Onder meer over de drieslag die in de titel tot uitdrukking komt:

‘De mythe. Overleven op de rand van angst en duisternis, de dood. De mystiek. Vlucht uit de werkelijkheid. De ziel met God alleen. Versmelten. De liefde, minstens zo sterk als de dood. Het mysterie. Het heilige midden. Als een kiertje licht, een weinigje hoop, stem en tegenstem van Israëls God, de teksten van de heilige Schrift, waardoor de andere twee panelen, mythe en mystiek, op hun plek vallen.’

Alles wat ik na 14 juni las, las ik door de ogen van Vreekamp, met de bril van Van Meijeren. Met name twee artikelen: ‘Verlangen naar mythes’ van Arnon Grunberg in Wordt Vervolgd (juni 2019, p. 9) en ‘De weg van de Stilte’ van Margreet Hogeterp over het gelijknamige boek van Jan de Jongh (uitg. Narratio) in Vredesspiraal (juni 2019, p. 14).

Mythe
Ik begin met het linker paneel: de mythe. Grunberg citeert uit een 4mei-lezing van Caroline de Gruyter, correspondent en columnist met aandacht voor Europese zaken: ‘De prijs die we voor dit systeem betalen, is dat Europa geen helden heeft, geen mythes, winnaars of verliezers’. Terecht, stelt Grunberg, benadrukt zij ‘het verlies van mythes, en dat is een groter verlies dan velen van ons lang hebben aangenomen (…). Het gaat niet om zelfonderzoek of onderzoek naar hoe het verleden echt was [invention of tradition noem ik dat in mijn boekje over Vreekamp, EvS], maar om het vinden van betekenis, en betekenis heeft de eigenaardige onhebbelijkheid de gedaante aan te nemen van een verhaal.’ Grunberg concludeert dat ‘wij met zijn allen de mythes hebben verwaarloosd, hebben gedacht dat vrede zonder mythes kan, en in dat gat is (…) extreemrechts gesprongen met heel specifieke en mijns inziens schadelijke mythes (…). Nu komt het erop aan ons verlangen naar mythes, oftewel betekenis, serieus te nemen.’
Vreekamp heeft ons voorgedaan hoe je dat kunt doen, en daarin is hij niet altijd begrepen. De mens is van den beginne verbonden met de aarde onder zijn voeten. Om dat te voelen liep hij blootsvoets over de heide, een woord waarin niet voor niets het woord ‘heiden’ mee resoneert: ‘de heiden in de oorspronkelijke zin: mens van de heide, het platteland, levend op het ritme van de seizoenen en vergroeid met de natuur’.
Vreekamp herontdekte de mythen van de aarde in Noord-Europa. ‘Midden in de nieuwe wereld begon ik de oude wereld wakker te lezen’, die van de Edda en de Heliand, die ‘Christus als de machtige Held, sterker schildert dan Wodan of Thor’.

Mystiek
Het rechter paneel bestaat uit de mystiek. Hogeterp beschrijft de volgorde van de thema’s in het boek van Jan de Jongh, ‘de weg van verlangen naar de veelal verloren Stilte, die kan uitkomen bij de levensbron van mystieke ervaring’. Het is een andere weg dan die Vreekamp volgde. Voor hem kwam de weg ergens anders uit, waarover straks. Hogeterp citeert het slot van De Jonghs boek:

‘Laten we dat verschrikkelijke en onverklaarbare WAAROM van Jezus en al die andere gemartelden in onze dagen laten staan – en niet vluchten in een theorie over verzoening of iets dergelijks. Het antwoord op de vraag blijft in de mystieke stilte. Want nooit kom ik los van jou, mijn God’.

Vreekamp vond zo’n antwoord niet in de mystiek. Het bleef voor hem een geheim, een mysterie. Een woord dat ook in de bespreking van Hogeterp valt, wanneer ze Kick Bras, theoloog en oud-docent spiritualiteit aan de Protestantse Theologische Universiteit (Kampen) uit het voorwoord citeert: ‘Liturgie is voor De Jongh stil en aandachtig, ritueel en poëtisch omgaan met de levensraadsels en het daarin zich manifesterende goddelijke Mysterie’. De mystiek was voor Vreekamp geen antwoord, zoals bij De Jongh, maar een vermoeden. Een mysterie.

Mysterie
Het mysterie vormde voor Vreekamp het middelpunt, het hart van het drieluik, het wat ik in mijn boekje met H. Berkhof ‘het perspectivisch middelpunt’ noem. Het gegeven midden was voor hem Jeruzalem, het geloof der Vaderen. De liturgie waar De Jongh het over heeft, was voor hem iets ‘tussen mythe en mystiek [in]’, de preek ‘de verkondiging van het mysterie van de Messias’. Zoals God ‘in een tent wil wonen te midden onder zijn volk. Dichtbij de mensen, letterlijk in het midden’. Zó vallen, zoals Van Meijeren zei, ‘de andere twee panelen, mythe en mystiek, op hun plek’.

Lees hier de tekst van Thijs van Meijerens reactie op mijn boek, in twee delen:

Deel 1: https://www.theoblogie.nl/hernieuwde-ontmoeting-met-henk-vreekamp/
Deel 2: https://www.theoblogie.nl/de-drieslag-van-henk-vreekamp/

Mythe, mysterie, mystiek in de poëzie van Anton Ent

Tekst uitgesproken bij de presentatie van mijn boek over Henk Vreekamp,
14 juni 2019 in het Thomastheater (Thomaskerk) te Amsterdam

Toen emeritus-hoogleraar Martien Brinkman verleden jaar winter op deze plaats een inleiding verzorgde over het werk van de dichter Rutger Kopland, – waarover hij in een van zijn essaybundels, Dicht bij het onuitsprekelijke, had gepubliceerd -, begon hij met te zeggen dat het moeilijk was – een inleiding houden waarover je je ook al in boekvorm had geuit. Je moet niet te dícht bij die gepubliceerde tekst blijven, zei hij, want dan denkt iedereen: Dát had ik thuis ook wel kunnen lezen. Maar je moet er ook niet tevéél van afdwalen, want dan vraagt iedereen zich af wat hij/zij hier eigenlijk doet.
Iets soortgelijks voelde ik ook, en daarom heb ik gekozen voor een korte inleiding die weliswaar uitgaat van de centrale thematiek in het boek over Henk Vreekamp (mythe, mysterie, mystiek), maar dan bekeken vanuit de gedichten van zijn vriend en geestverwant Anton Ent (pseudoniem van Henk van der Ent). Specifieker: met name aan de hand van twee poëziebundels, Binnen de wildroosters (uit 2011) en De gele zweep (2019). Beide bundels verschenen bij Uitgeverij kleine Uil in Groningen. Laatstgenoemde ter gelegenheid van zijn vijftigjarig dichterschap.
In de eerste bundel staat ook een mooi gedicht over Vreekamp, Google earth, in het tweede een In memoriam, ‘Open velden’.

  1. Mythe, mysterie, mystiek in Binnen de wildrooster
    Om te beginnen kom ik er niet onderuit, te definiëren wat ik onder mythe, mysterie en mystiek versta. Daarbij blijf ik bij de tekst die op de achterflap van het boekje over Vreekamp staat; een beetje smokkelen dus ten aanzien van mijn uitgangspunt (‘Dat had ik thuis ook wel kunnen lezen’):

‘de mythe [is datgene] waarin het goddelijke en menselijke door elkaar lopen; het mysterie, de genade, [datgene] waarin hemel en aarde van elkaar onderscheiden worden; en de mystiek [datgene] waarin God en mens elkaar ontmoeten.’

Ook in het werk van Anton Ent vormt deze drieslag vanaf het begin van zijn dichterschap (hij publiceerde in 1969 zijn eerste bundel, Hagel en sneeuw) een constante. Ik werd dit gewaar, toen ik ter voorbereiding van deze inleiding het archief van de website literairnederland.nl raadpleegde; een website waarvoor ik overigens ook recenseer.

Ik zet de drie thema’s (mythe, mysterie, mystiek) eerst als gedachtebepaling achter elkaar, maar niet nadat ik er nog even op heb gewezen dat in de fuga van de Preludium en fuga in C gr.t. uit het eerste boek van Bachs Wohltemperierte Clavier dat Joanna Rotberg zojuist speelde, de componist ook een fraai staaltje hiervan liet horen; het thema van de fuga is namelijk gebaseerd op het bekende soldatenliedje L’homme armé, waarvan bekend is dat het ook tot basis van veel missen heeft gediend. Daarom wordt wel aangenomen dat Bach door het gebruik hiervan een saluut aan de oude Franco-Vlaamse scholen heeft gebracht. Maar omdat zo’n parodie ook elders bij Bach terugkomt, is het mijns inziens ook op te vatten als een ontmoeting tussen geestelijke en wereldlijke muziek, hemel en aarde. Waarvan akte. Terug naar ons eigenlijke thema, om te beginnen de mythe.

1.1 Mythe
In het werk van Anton Ent is grote aandacht voor mythische natuurbeelden. Hij heeft er een beeld, een symbool voor gevonden, – het beeld van het hert. De verleiding ligt op de loer, daarbij meteen aan het Bijbelse hert te denken. En dat klopt deels ook wel, als je het slot leest van het gedicht ‘Vrees’ uit de bundel Binnen de wildroosters, waarop ik mij nu eerst concentreer:

Water hijg ik. Ben ik dat hert?
Waar stroomt de beek? Waar
kan ik op mijn knieën slurpen?

Ook het gedicht dat luistert naar de titel ‘Hert’ heeft een christelijke connotatie. ‘Het is’, mailde Henk van der Ent mij, ‘het laatste van een viertal dat ieder op zich een paasgedicht is, een vers met een bevrijdend slot’. Het slot van ‘Hert’ stelt het burlen van een hert naast eten van het jonge groen en besluit met:

Dat was schreeuwen en dit is genot
Ik ontken de onrust niet, iemand huilde
van vreugde en een ander schreef totdat

Waarbij het open slot, met de mooie afwisseling tussen de klinkers ‘a’, ‘e’, ‘i’, ‘o’ en ‘u’, verwijst naar Pascal en Augustinus: ‘Totdat het rust vindt in U’.
Maar bij een zinsnede als

Was hij een hert, hij zou niet vluchten
bij het zien van de dode houthakker
aan de voet van de eik

in het gedicht ‘Wandelaar’ moet ik eerder denken aan Karel Eykman én aan het verhaal van de heiden Hubertus die op Goede Vrijdag ging jagen. Dit gedicht zou je kunnen beschouwen als een tegenzang bij deze legende, – dit mythische verhaal. Hubertus kwam het mooiste hert op het spoor dat hij ooit had gezien, maar het ontsnapte hem steeds weer, wat hem niet belette door te gaan. Op een gegeven moment draaide het hert zich om en in diens gewei verscheen een afbeelding van Jezus aan het kruis. Het hert zei: ‘Hubertus waarom vervolg je mij?’ Hubertus viel ter aarde neer en vanaf dat moment volgde hij Christus na, in tegenstelling tot de Noordse Freyja bij Henk Vreekamp, over wie vele mythen bestaan; háár doop bleef een visioen. De heiden is zo bij Vreekamp geen overwonnen positie. En die eik – ja, dat is misschien een van de veertig bronzen boomstronken van Marinus Boezems land art ‘Kathedraal 1999’ die tezamen de plattegrond van de kathedraal van Reims vormen en waarover Anton Ent in het slotgedicht van de bundel, ‘Boomstronkkathedraal’, dichtte:

en eiken bespotten de veertig eenvormige
stronken van brons, geen hert zal er knielen

1.2 Mysterie
Binnen het mysterie worden als gezegd mens en natuur, hemel en aarde, dood en leven van elkaar onderscheiden. In het gedicht ‘Zomer’ – nog steeds in de bundel Binnen de wildroosters – wordt het mythische natuurbeeld van het bos een mysterie, of – zoals Anton Ent waarschijnlijk liever zou zeggen: vindt het mythische zijn tegenpool in het mysterie:

Deze vijver noem ik moeders oog
omdat iemand van omhoog
zwijgend in de spiegel kijkt

Het bos is dé plek waar het mysterie zich voltrekt:

Niet iedere seconde maar wel elke minuut
dringt hij zich aan mij op in varens
en vallende eikels, de volkomen stilte

scheurt mijn trommelvliezen in stukken
Dan zie ik een kleurrijk duivenpaartje
uitgeroeid door de kroon der schepping

Waarbij aangetekend, dat de terugkerende a-klank (aan mij op dringende varens en vallende eikels) iets melancholieks uitdrukt, en de o-klank (volkomen stilte, scheurt mijn trommelvliezen) iets zwaars. In de slotregels (een kleurrijk duivenpaartje uitgeroeid door de kroon der schepping) komen de klanken samen.
Er is zelfs een gedicht in de bundel dat ‘Mysterie’ heet:

Het geheimenis blijft een geheim
een blauwe waas boven het korenveld
de stilte voor het vallen van een speld

Het overstijgt het horen en het zien
het overtreft het weten en geloven
en overschrijdt de grenzen van misschien

Het gloedt in diepten van het kennen
en bloeit in tuinen van de ziel
die elke onzekerheid ontkennen

 1.3 Mystiek
Dit gedicht staat naast het gedicht ‘Eenwording’, wat uiteraard duidt op mystiek als datgene waarin God en mens elkaar ontmoeten:

Ik slaap met het licht, sta ermee op
en baad me daarin, eet veelkleurig
gekleed een zonnestraal als ontbijt

Het ragfijne licht daagt mij uit
Ik streel en betast het, ik voel
hoe gretig het zich aan mij opdringt

Het ademt in mij, honger en eet
dorst en drinkt, spuwt, watert en zweet

Ik laat het geworden, dat onbreekbare licht
zodat ik één word, eenvoudig en heel

  1. De gele zweep
    De vraag is nu tenslotte, of en hoe we de drieslag mythe, mysterie, mystiek terugvinden in de laatst verschenen bundel van Anton Ent: De gele zweep.

2.1 Mythe
Onbenoemd, maar o zo aanwezig, komt het mythische naar voren in het eiland Kythira. Namelijk in de twee gedichten ‘De f van lief in Amersfoort’, op de gulden snede van de bundel. In het eerste heet het:

Uw oog sprak: je bent er, je mag zijn
wie je bent, ik ben open water voor jou
scheep je in en vaar naar het eiland

Kythira is sinds de oudheid het eiland waarop een tempel stond die gewijd was aan Aphrodite, de godin van de liefde die werd geboren uit het schuim (aphros) van de zee dat later in het gedicht voor komt. In de Franse poëzie duikt het eiland op als symbool voor de amoureuze liefde. Hier is het, blijkt, méér dan dat.

2.2 Mysterie
In het tweede gedicht ‘De f van lief in Amersfoort’ valt de symboliek van de amoureuze liefde samen met het mysterie en uiteindelijk ook de mystiek.
De ik-figuur is ook op een eiland en zijn geliefde, of is het God zelf, verbergt zich als in de Psalmen:

Op dit eiland weet ik niet waar u bent
Misschien verbergt u zich in mijn verlangen
naar uw stem. Door de koude die mij bijt
hoor ik uw warmte en geborgenheid

Het water dat het eiland omringt heeft veel reminiscenties. Hoor maar:

Grijs is de zee, ze komt me keer op keer
te na, binnen de golven van de loutering
speelt ze het spel van de vereniging
en wat ik mis biedt zij genadig aan

De meeuwen die boven de pier vliegen staan symbool voor de dood en geven geen antwoord als de ik-figuur vraagt ‘Waarom?’:

De pier is wit bespat met meeuwen, traag
opvliegend als ik nader, papieren in de lucht
geen antwoord schreeuwend als ik vraag:
waarom haar naam verscheuren op de vlucht?

De vierregelige verzen gaan over in een drie- en tweeregelig vers, waarin de grens die we eerder tegenkwamen terugkeert; hier doet het ook denken aan Aphrodite die uit het schuim werd geboren:

De zee is woester aan mijn rechterhand
en draagt nu koppen schuim tot aan de horizon

De ik-figuur is bang dat God heult met Orpheus, en komt niet verder dan de grens die in veel beelden in dit gedicht aanwezig is; behalve horizon ook schemering en branding.
Er is weliswaar sprake van ‘genadig’ aanbieden, maar de genade zélf, het mysterie, blijft uit.
Het geloof blijkt een aanvechting, zoals Henk Vreekamp het soms ook kende. En toch: uiteindelijk klinkt Gods stem, boven waar de golven breken (de branding) uit, als vanuit het brandende braambos; één van de onderdelen uit de bundel De gele zweep heet niet voor niets ‘De struik die niet verteert’. Maar

nu uw stem boven de branding klinkt
sla ik verwaten uit: genade past
mij niet, dwang bent u en overlast

Verwaten is volgens Van Dale een oud-Nederlands woord voor aanmatigend, met ijdele hoogmoed.

2.3 Mystiek

Mystiek is tenslotte met name het laatste gedicht van de bundel, waarin sprake is van

Zandkorrels in het enkelvoud

Hierin resoneert heel veel mee: het middeleeuwse idee van de macrokosmos die wordt weerspiegeld in de microkosmos (de zandkorrel vertegenwoordigt het strand, – het strand is geheel in de kleine zandkorrel aanwezig) of het spinozistische besef dat een enkelvoudige modus deel uitmaakt van het oneindige en eeuwige subject dat Spinoza ‘God of Natuur’ noemt.

Waarbij moet worden aangetekend, dat je dit volgens sommige denkers overigens niet mystiek moet opvatten maar rationeel.
Je kunt je concluderend afvragen, of dit niet een keerzijde van dezelfde médaille is die je ook bij Vreekamp aantreft die zich uitte in een met Anton Ent gedeelde aandacht voor mythe, mysterie, mystiek. Of, zoals Anton Ent in zijn ‘Open velden, In memoriam Henk Vreekamp’ dichtte:

Elk woord zocht bij ons zijn tegenpool
water zand, vroeg en laat, vuur en ijs
jood en heiden, mythe en mystiek

Boekpresentatie 14 juni a.s.

Mythe, mysterie, mystiek’ door Els van Swol biedt een eerste kennismaking met het werk van Henk Vreekamp (1943-2016), predikant en schrijver van onder meer de Veluwe-trilogie. Hij noemde zichzelf een heidens-christelijk theoloog die uitgedaagd werd door het joodse denken. Dit boek bevat ook de preek die hij één dag voor zijn overlijden hield. Drie thema’s vormen een rode draad door zijn denken: de mythe, waarin het goddelijke en menselijke door elkaar lopen; het mysterie, de genade, waarin hemel en aarde van elkaar onderscheiden worden; en de mystiek, waarin God en mens elkaar ontmoeten.

 

 


Programma

Opening – door Wilken Veen
Wilken Veen is predikant van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie en redacteur van de boekenreeks van de Vereniging voor Theologie en Maatschappij waarin dit boekje verschijnt.

Kort recital – Joanna Rotberg, piano
Joanna Rotberg (geb. 1995) begon op 6-jarige leeftijd met haar pianostudies en studeerde op 17-jarige leeftijd cum laude af aan de 1st Private School of Music in Kielce (2012). In hetzelfde jaar trad ze toe tot de pianoklas van Eugen Indjic aan de Schola Cantorum in Parijs. In 2016 behaalde ze haar Diplome Supérieur met de aantekening ‘Très Bien a l’Unanimité avec Felicitations du Jury’.
Sinds 2016 vervolgt ze haar studie aan het Conservatorium van Amsterdam bij Frank Peters.
Zij speelt achtereenvolgens: de Toccata in e kl.t., de koraalprelude ‘Ich ruf’ zu dir, Herr Jesu Christ’ en de Prelude en Fuga in C gr.t. uit het eerste boek van het Wohltemperiertes Clavie van Joh. Seb. Bach.

Mythe, mysterie, mystiek in de poëzie van Anton Ent – korte inleiding door Els van Swol
Henk van der Ent (geb. 1939) studeerde Nederlandse taal- en letterkunde, Wijsbegeerte en spiritualiteit aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, en was leraar in Apeldoorn.
Onder de naam Anton Ent publiceerde hij zestien poëziebundels, waarvan de laatste, De gele zweep, dit jaar verscheen. In deze bundel is ook het gedicht ‘Open velden. In memoriam Henk Vreekamp’ opgenomen.
In Anton Ents werk kan eenzelfde drieslag worden aangetroffen als in dat van zijn vriend en geestverwant Henk Vreekamp.

Korte inleiding n.a.v. enkele punten uit het boek – door Thijs van Meijeren
Thijs van Meijeren (geb. 1989) studeerde theologie in Apeldoorn (TUA), Utrecht (UU) en Amsterdam (PThU) en is sinds 2015 predikant van de Hervormde gemeente Hoevelaken, Stoutenburg en Achterveld (PKN).

Overhandiging van het eerste exemplaar namens de uitgever – door Aart de Bonte

Receptie

De Thomaskerk, Prinses Irenestraat 36, Amsterdam, is bereikbaar met de metro richting Station Zuid (uitgang Zuidplein); tram 5 (halte Prinses Irenestraat); bus 15, 62 of 65 (halte Station Zuid).

Wij nodigen u hierbij van harte uit aanwezig te zijn. Aanvang: 15.00 uur.
U hoeft zich niet van tevoren aan te melden.  

https://www.kokboekencentrum.nl/boek/mythe-mysterie-mystiek/

Het vijfde seizoen; aan de vooravond van de klimaatmars

Opeens is er in het boek Het jaar van Vivaldi van Henk Vreekamp weer een figuur die je ook in Als Freyja zich laat zien tegen had kunnen komen. Ze stapt door de deur, gemaskerd als voor het Venetiaanse carnaval, en neemt plaats in de lege stoel bij de haard. Ze blijkt Vivaldi goed te hebben gekend. Ze vertelt:

‘Vivaldi heeft me ooit toevertrouwd (…), dat hij plannen had aan De Vier jaargetijden een Vijfde jaargetijde toe te voegen. Op dat idee was hij gekomen toen hij op de vierde zondag van Advent in het Missaal de beginwoorden van Psalm 19 las: “Coeli enarrant gloriam Dei: et opera manuum eius annutiat firmamentum”. De hemelen verhalen de glorie van God en het firmament kondigt de werken van zijn handen aan. De vonk in deze woorden sprong bij hem over, op slag. Verrast dronk hij de woorden van Psalm 19 in als “sonnet” voor het vijfde seizoen.’                                                                                       

Het vijfde seizoen vormt de ziel van de vier. Het verbindt ze, zet ze in beweging zodat ze niet verstarren in hun wederkeer. Het is zoiets als ‘het vijfde evangelie, het zesde zintuig, de achtste dag, de dertiende maand’. Of wellicht de dertiende apostel (Joh. Seb. Bach). In ieder geval ‘boventallig. Over de grens van het gewone heen, om juist dat gewone te bezielen’.

Het doet me, aan de vooravond van de klimaatmars in Amsterdam, denken aan een schilderij van David Hockney dat ik afgelopen week op de tentoonstelling Hockney – Van Gogh in het Van Gogh Museum in Amsterdam zag:

Een moerbeiboom links lijkt te juichen van vreugde. Hockney heeft wat met de wisseling der seizoenen in het Engelse Yorkshire. De boom lijkt te juichen voor het vijfde seizoen, in de hoop ‘op U, op ons’ zoals André F. Troost dichtte. Het tegendeel van de klagende, kreunende, schreeuwende en roepen schepping op het beroemde schilderij De schreeuw van Edvard Munch.

Troost lijkt als slot van zijn gedicht ook het vijfde seizoen te benoemen, het ‘jaargetijde dat al ons vuil in schoonheid doopt’:

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping klaagt, de
aarde huilt – akkers en weiden: straks woestijnen,
het voedsel schaars, de grond vervuild.

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping kreunt, de
aarde vraagt: gun ons de tijd nog te vermijden dat
al wat leeft wordt weggevaagd.

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping schreeuwt,
de aarde zucht – hoe konden wij zo bruut ontwij-
den uw werk: het land, de zee, de lucht?

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping roept, de
aarde smeekt – dit is toch niet het eind der tijden
nu hebzucht wereldwijd zich wreekt?

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping bidt, de
aarde hoopt op U, op ons – een jaargetijde dat al
ons vuil in schoonheid doopt.

 

Afb.: David Hockney “May Blossom on the Roman Road” 2009
Oil on 8 canvases (36 x 48″ each) 72 x 192″ overall
© David Hockney Photo Credit: Richard Schmidt

Mijn recensie van deze tentoonstelling, die nog tot 26 mei a.s. valt te zien, verscheen op de site van 8weekly.nl: https://8weekly.nl/recensie/kunst/een-ode-aan-het-leven/

Tussen mei-september a.s. komt bij uitgeverij KokBoekencentrum een boekje van mijn hand uit over denken en werk van Hendrik Vreekamp: Mythe, mysterie, mystiek.