De imperfectie van deze Pièta in Rome

In Trouw van donderdag 15 augustus jl. schreef Naema Tahir een column onder de kop ‘De perfectie van deze David in Florence’. Ik antwoord met een blog over de imperfectie van de Pièta in Rome. 

Tahir beschrijft hoe ze kijkt naar de David van Michelangelo in de Galleria dell’ Accademia in Florence. Ze vertelt dat deze David is gemaakt tussen 1501-1504. Ze is er stil van, ‘zoals ik dat zelden ben van een kunstobject’. En ze probeert dit in woorden te vangen, een week lang, en pas uiteindelijk is ze ‘in staat (…) om op te schrijven wat de David met me heeft gedaan’.

Ik herken het, van een mannenkop in een museum in Oslo waar ik opeens voor stond. Nee, niet van Michelangelo, maar van Donatello. Volgend jaar zomer hoop ik hem weer te kunnen ontmoeten. De kop maakte een verpletterende indruk. Ik heb er geen foto van gemaakt, toen, want ik had toen althans hetzelfde als Tahir: ‘Liever dan foto’s maken van de bezienswaardigheden die ik als toerist bezoek, sla ik al dat moois op in mijn herinnering’.

Toen ik deze Donatello zag, had ik slechts één Michelangelo gezien. In de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge. Een Madonna met kind. Eigenwijs als ik ben, vond ik de Donatello véél mooier dan dit beeld in Brugge waarvan ik zo gezegd kennis had genomen omdat de naam van de grote beeldhouwer eraan verbonden was.
Ik kan het zo in woorden vangen: de Madonna was mij te gelikt, té mooi, de mannenkop van Donatello was die van een oude man, doorleefd en verre van wat je in de gangbare betekenis van het woord ‘mooi’ zou kunnen noemen. Het was anders mooi. Ik zweerde bij Donatello.

Tot ik opeens voor de Pièta (1498-1499) in de Sint Pieter in Rome stond en moest erkennen dat ik het niet helemaal bij het rechte eind had. Misschien was Michelangelo toch een groter beeldhouwer dan Donatello. Volgens Tahir hoef je, ‘als je de David hebt gezien, geen andere sculptuur te zien’. Misschien, maar Donatello pakken ze toch niet van me af.

Sterker nog – die oude mannenkop en de Pièta hebben zelfs iets gemeen: de emotie die ervan af straalt, die je als toeschouwer ervaart. Die emotie is precies het omgekeerde van wat Tahir in de David in Florence zo mooi vond: die is perfect, en dat is de Pièta niet. Voor haar school de schoonheid van de David in diens perfectie, voor mij school de schoonheid van de Pièta in diens imperfectie, voor zover je daarvan kunt spreken.

Natuurlijk, de Pièta kent draaiingen die niet kunnen, maar daar gaat het mij niet om. Het gaat mij als gezegd om de emotie die Maria uitdrukt, in tegenstelling tot de serene Madonna in Brugge. Maria houdt haar linkerhand iets naar buiten gekeerd omhoog. Ze ondersteunt er Jezus niet mee, dat doen haar knieën en rechterhand. Ze trekt met dat ene gebaar de toeschouwer in het verhaal. Het heeft iets vragends, in tegenstelling tot het meer stellige in Brugge.

Het is géén poging – ik citeer Tahir, die er uiteindelijk woorden voor vond – ‘om het ideaal te vangen, weer te geven, de mens uit te dagen om perfectie te benaderen, ernaar te zoeken en je best te doen. Zo verhef je jezelf boven het alledaagse’. Nee, het is een manier om de mens uit te dagen je in te leven, empathie te hebben. Zo blijf je met beide benen op aarde, bij je naaste in nood.

Dat vertelde mij de Pièta, en ja ook die oude mannenkop van Donatello in Oslo.

Het Koninkrijk Gods

Bij uitgeverij Aspekt verscheen het boek De Grande Finale van Anton Wessels, over de Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran. Dit boek is gebaseerd, oftewel een uitwerking van een cursus die de theoloog Wessels in 2018 gaf voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Ik woonde deze cursus bij en heb er aantekeningen van gemaakt. De aantekeningen van één ochtend, 17 november 2018, de tweede over ‘Wie zeggen de joden, christenen en moslims dat ik ben?’, heb ik hieronder als blog uitgewerkt.

De eerste keer, op 3 november 2018, had Wessels het Evangelie van Marcus als uitgangspunt genomen; het is het enige evangelie dat de Koran ook als zodanig erkent. Eén van de bronnen die Wessels benoemde, is het boek Marcus als tegenevangelie van Egbert Rooze (uitg. Halewijn, 2012).
Twee weken later vervolgde Wessels zijn betoog met Marcus 8, dat begint met de notie van de Mensenzoon. Jezus is huiverig voor de titel ‘Messias’, want dat zou tegen Rome en Pilatus ingaan.[1] Mensen-zoon geeft een verhouding weer: die tussen mens en Zoon.

Deze notie dien je in de context van het Oudtestamentische boek Daniël te plaatsen, waar dit woord ook belangrijk is (Daniël 7:13). De Willibrordvertaling is in dit verband belangrijk. De Mensenzoon vertegenwoordigt de menselijke heerschappij ten opzichte van alle dieren die worden genoemd. De vier grote dieren zijn de vier koninkrijken die de aarde zullen beheersen (vs. 17).

Het Koninkrijk Gods is met kracht gekomen, lezen we in Marcus 9:1. Het zijn de zachte krachten die zullen winnen. Het is geen spektakelstuk. Maar wat dan wel?
Het Koninkrijk is gekomen met de dood van Jezus aan het kruis (verleden tijd!). Dat is een onthullend, openbarend moment en een appèl om Hem te volgen, het kruis op te nemen en anderen te redden.

Dit is een herverstaan, of een opnieuw verstaan van het Evangelie en de Koran. De komst van het Koninkrijk zet zich door op een niet-gewelddadige manier. Het proces gaat verder in de Koran, zoals Kronieken Koningen opnieuw probeert te lezen.
Het kernverhaal blijft echter Exodus, het op weg gaan naar een nieuwe aarde. Dan kunnen joden, christenen en moslims samen Pasen vieren.

Het zijn de teksten van Henriëtte Roland Holst (over de zachte krachten), het zijn liederen (van Mozes en Mirjam) en de poëzie van een Willem Barnard (‘Een mens te zijn op aarde’) die ons helpen de Schriften te verstaan: Tenach, Evangelie en Koran.

Anton Wessels: De Grande Finale
De Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran
Uitgerij Aspekt
ISBN 9789463388924
Prijs: € 35,–

 

Met dank aan Anne-Marie Visser die mij op deze uitgave attent maakte.

[1] Iets soortgelijks vertelde ds. Paula de Jong tijdens een Bijbelkring in de Nieuwendammerkerk te Amsterdam: zinsneden als ‘Zie, dat gij niemand iets zegt’ (Marcus 1:44) en: ‘En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken’ (Marcus 3:12) hebben ook met onder andere angst voor de Romeinen te maken.

 

Monteverdi’s Mariavespers in Holland Festival

Tijdens het komende Holland Festival zullen in de Amsterdamse Gashouder van de Westergasfabriek de Mariavespers van Claudio Monteverdi (1567-1643) worden uitgevoerd in de vorm van een ‘mise-en-espace.’ Pierre Audi zal een nieuwe visuele en ruimtelijke interpretatie laten zien. Hij werkt hiervoor samen met de Belgische beeldend kunstenares Berlinde De Bruyckere. De muzikale leiding is in handen van dirigent Raphaël Pichon en de zangers en instrumentalisten (op historische instrumenten) van zijn barokensemble Pygmalion.

Ik schreef eerder over de Mariavespers in mijn boekje Dialoog in muziek (1997). Een gedeelte van het hoofdstuk over hem, en over Benedetto Marcello, herneem ik in het kader van de uitvoering in het aanstaande Holland Festival hieronder.

Het is nog altijd een onderwerp van discussie of de Mariaverspers moeten worden gezongen met of zonder de Gregoriaanse antifonen – in dit verband een vers voor de psalmen. Musici die ze weglaten doen dit omdat zij vinden dat de sobere antifonen contrasteren, om niet te zeggen strijdig zijn met de weelderige meerstemmigheid van de psalmen. Toch hoeft dat niet zo te zijn. Beide elementen kunnen elkaar goed aanvullen als er voor een andere uitvoeringspraktijk van het Gregoriaans wordt gekozen, bijvoorbeeld zoals die hoorbaar wordt in de interpretatie van Boston Camerata. Of in de interpretatie van het Parijse ensemble Gilles Binchois. Zij gaan ervan uit dat het Gregoriaans oorspronkelijk werd versierd, een praktijk die pas verviel met de Medicaea-uitgave.
Dit uitgangspunt ligt in het verlengde van de visie van de Oostenrijkse musicoloog en componist Egon Wellesz (1885-1974). Hij zei tijdens een lezing eens het volgende: ‘Zolang men aannam dat het Gregoriaanse gezang in Rome is ontstaan, kon de these worden geaccepteerd, dat de eenvoudigste vormen hiervan ook de oudste en oorspronkelijkste waren. Wij weten nu echter, dat van verschillende kanten en in verschillende versies oosters gezang uit Palestina, Syrië, Alexandrië en later ook uit Byzantium in Italië is doorgedrongen. Daarmee vervalt de hypothese, dat het Gregoriaanse gezang oorspronkelijk eenvoudig was en dat de rijkere vormen tot een latere tijd behoren.’

Ook in de psalmen uit de Mariavespers zou de oosterse invloed hoorbaar kunnen worden gemaakt. Het is bekend dat de tenor Nigel Rogers zich niet alleen baseert op de bekende informatie over het zingen in de 16de en 18de eeuw, maar evenzeer op oosterse zangtechnieken. De oosterse versieringen op de wijze van Nigel Rogers, gecombineerd met het origineel versierde Gregoriaans, zouden een uitvoering van de Mariaverspers (met antifonen, die trouwens van elke psalm de cantus firmus zijn) een treffend voorbeeld maken van de joodse invloed op de westerse muziek.

Dat geldt trouwens niet alleen voor de versieringen. Marcel Pérès, leider van het ensemble Organum, wordt bijvoorbeeld niet moe erop te wijzen dat het oosterse element ook in de klank zit waarmee het Gregoriaans van de Mariavespers door zijn ensemble wordt gezongen. Daarbij gaat Pérès net als Nigel Rogers te rade bij entnologische bronnen en levende tradities die de oosterse oorsprong hebben bewaard.

Ik ben benieuwd wat er straks, tijdens het Holland Festival, onder de handen van Raphaël Pichon tot klinken komt! En natuurlijk hoe Audi’s ‘mise-en-espace’ en de installatie van De Bruyckere eruit komen te zien. Ik verheug me er nu al op.

Senkrecht von oben

meteorietenmarinusboezem2016photorobert-glas2

… In elke letter
zit een nieuw heelal
(Ester Naomi Perquin)

1.
’s Ochtends hoor ik in een preek in de Amsterdamse Oude Kerk, door ds. Jessa van der Vaart, over het omslag van de folder die de Nexus-conferentie 2016 aankondigde. Daarop staat een foto van een pianist die tussen de puinhopen in Syrië zit te spelen. De vernietigingen daar en elders zijn geen aankondiging van het laatste der dagen, maar de pianist zit in, te midden van het geweld, en doet er inbreuk op. Zoals bidden dat kan doen, maar dan op de manier zoals die op wandschilderingen in catacomben in het oude Rome werd afgebeeld: met het hoofd ten hemel gericht, en zowel de handen als de ogen open, ontvangend.
En dat te midden van de tentoonstelling met werk van Marinus Boezem dat momenteel in de Oude Kerk wordt tentoongesteld. Alsof meteorieten dwars door het dak naar binnen zijn geslagen en als spiegels op de grond uiteen zijn gevallen (zie foto Robert Glas).[1]

2.
’s Middags bezoek ik de performance A prayer door Snejanka Mihaylova en Lisa Holmqvist in het kader van Amsterdam Art in de Amsterdamse Thomaskerk (curator: Dorothé Orczyk). Een gebed zoals wij nu gewend zijn te bidden: ingetogen, de ogen geneigd, in stilte. De kunstenares Mihaylova spreekt een gebed uit, en geïnspireerd op het Holy Book of the Great invisible spirit oftewel het Koptische evangelie van de Egyptenaren. Er zijn alleen klinkers uit overgebleven. Langzaam klinken ze door de ruimte, waarbij de uitvoerenden onder de koepel in het dak tegenover elkaar zitten. In de nieuwe spirituele muziek van Lisa Holmqvist weerklinken de klinkers ook, van de hoge a (in de sopraan) tot de lage e (in de bas). Gezongen door drie vrouwen en drie mannen en met één dwarsfluit (in plaats van de origineel twee (blok?)fluiten die volgens de partituur zijn voorgeschreven). De componist, die tevens dirigeert, houdt haar handen open naar boven gericht op de manier zoals we, sinds ik vanmorgen weet, uit de catacomben in Rome kennen. Op z’n tijd de losse letters tot woorden aaneen te rijgen; transformation, transliteration. In trance ook.
De morgen en de middag gaan een gesprek met elkaar aan.

3.
En dat gaat ’s avonds nog zo even door. Thuisgekomen lees ik in NRC Boeken, die iemand in de kerk altijd voor me meeneemt, een recensie van Toef Jaeger van het boek Het valse seizoen van Christiaan Weijts (NRC Boeken, 25 november 2016).
Het begint met een beschrijving van een vrouw die altviool speelt, daags na de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo, terwijl een duif neerstrijkt op de krul van het instrument. Weijts vraagt zich volgens Jaeger af of die viool troost biedt of weerstand oproept, kunst is of kitsch. Volgens Jaeger komt Weijts uit op ‘het idee van interventie, al dan niet maatschappelijk, als voorwaarde voor kunst.’ Inbreuk doen in de werkelijkheid, al wil volgens haar de vrouwelijke hoofdpersoon uit Weijts’ boek aan de puinhopen betekenis geven.
Die betekenis wilde Jessa van der Vaart, als ik haar goed heb begrepen, niet in het spel van de pianist in Syrië leggen. Doodeenvoudig omdat die betekenis er niet is. En inbreuk doen, Senkrecht von oben zoals de spiegels van Boezem, des te meer.
Bidden – met de ogen open, om die gebroken spiegels, de gebroken wereld heel helpen te maken. Dat misschien?

[1] Recensie: http://8weekly.nl/recensie/kathedraal-van-de-verbeelding/

marinus boezem

 

Händels eerste oratorium op NPO Radio4

Emmaneulle HaïmHändel

Gelukkig zijn er enkele radiozenders (Omroep MAX, NTR, AVROTROS) die muziekliefhebbers als tegenwicht tegen de vele sportuitzendingen op de televisie, en ter afwisseling van heerlijke detectiveavondjes, rechtstreeks of een paar dagen later laten (mee)genieten van wat buitenlandse muziekfestivals deze zomer bieden. Vanavond was op NPO Radio4 een afgelopen woensdag gemaakte opname in het Théâtre de l’Archeveché (Aix-en-Provence) van Händels eerste oratorium Il Trionfo del tempo e del disinganno te beluisteren. In een uitvoering door solisten en Le Concert d’Astrée onder leiding van Emmanuele Häim (zie foto rechts), de ideale dirigent voor dit repertoire.

Het stuk ontstond in 1707 en beleefde zijn première onder leiding van concertmeester Arcangelo Corelli in Rome. Hij wist – gaat het verhaal – geen weg met de oorspronkelijk Franse ouverture, maar zal zijn hart zeker hebben opgehaald aan het slot van het eerste deel, een chaconne gelijk die ook in zijn eigen vioolsonates voorkomt. Al werd die in de onderhavige uitvoering in het kader van het Festival d’Aix-en-Provence gevolgd door een filmfragment uit Ghost dance. Een ingreep die we onlangs ook in het Muziekgebouw aan het IJ meemaakten bij een concert door het Nederlands Kamerkoor.

Vier protagonisten spelen de hoofdrol: La Bellezza (de schoonheid), Il Piacere (het plezier), Tempo (tijd) en Disinganno (ontluistering). Bellezza werd vertolkt door de stersopraan Sabine Devieilhe die dan wel haar schoonheid heet te verliezen, maar dit compenseerde door ijzingwekkend en trefzeker gezongen hoge noten. Piacera werd gezongen door de in dit festival debuterende Franco Fagioli, een countertenor met een enorm vibrato dat soms vreemd contrasteerde met het pittig en dan weer ingetogen maar in ieder geval strak spelende orkest. De rol van Tempo was in handen van de een enkele keer als heldentenor opererende Michael Spyres en Disinganno tenslotte stond op naam van de Italiaanse contralto Sara Mingardo, die indruk maakte door haar mooie, donkere stemgeluid.

Hoewel sommige aria’s bekend zijn uit latere oratoria, en in het eerste deel zelfs vooruit wordt gelopen op de latere orgelconcerten die als onderbreking van het verhaal werden gespeeld, had ik dit vroege oratorium van Händel nog niet (volledig) gehoord. Het is fijn daartoe door de omroep in staat te zijn gesteld!

‘Ik denk dat ik op een intuïtieve manier denk’

RozalieHirs-foto-300x300                                    (speling)

Lees je, droom, je, denken, nu?

Rozalie Hirs i

‘Ik heb mij lange tijd beziggehouden met de studie van de abstracte wetenschappen’ schrijft de Franse wis- en natuurkundige en filosoof Blaise Pascal (1623-1662) in zijn Pensées, de na zijn dood gevonden notities die nog steeds worden gelezen.

Hij vervolgt met te zeggen dat hij er genoeg van kreeg ‘omdat het zo weinig met mensen te maken heeft. Toen ben ik studie gaan maken van de mens en heb ik ingezien dat abstracte wetenschappen eigenlijk niet geschikt zijn voor de mens, en dat ik er minder mens van werd.’ Je zou kunnen zeggen dat de componist, dichter en chemisch ingenieur Rozalie Hirs (geb. 1965 te Gouda) dezelfde weg is gegaan.

Alvorens zang en compositie te studeren, studeerde zij Chemische Technologie aan de Universiteit van Twente te Enschede en de Universitá La Sapienza in Rome. Tijdens deze studie ‘leer je je denken te ontwikkelen. Wetenschap is iets van deze wereld, terwijl in poëzie [en muziek] ook de wereld van dromen en intuïtie een plaats heeft. Als je probeert te analyseren waarom je iets mooi vindt, blijft er altijd iets mysterieus over, iets dat buiten de rationele verklaring valt. Dat intrigeert me.’ ii

Hierin ligt de overeenkomst tussen Hirs en Pascal, de man die schreef over ‘de relatie tussen wetenschap en geloof, vrijheid en verbeelding, geluk en medelijden, macht en kracht, waarbij hij voortdurend een verband legt tussen toeval en wet, natuur en gewoonte, geest en hart, wetenschap en ervaring, het aardse en de mystiek’, aldus Jacques Attali in zijn biografie over Pascal. iii Of zoals Rozalie Hirs het in een interview met Ivo Postma omschreef: ‘Ik heb een soort liefde voor denken. Denken is leuk. Ik ben (…) emotioneel maar ik heb daarnaast mijn denken (…) ontwikkeld en dat heeft me een soort balans gegeven. Ik denk dat ik op een intuïtieve manier denk.’ iv

En dat is volgens een andere Franse filosoof, René Descartes (1596-1650), daarin gevolgd door Spinoza (1632-1677) een ander niveau dan denken op een puur rationele manier: eerst de ratio (rede) dan de scientia intuitiva (intuïtieve kennis), waarbij het één zich aan het ander spiegelt. Zo spiegelen de gedichten en muziek van haar zich aan elkaar en hebben op de lezer/luisteraar ook nog eens een bespiegelende uitwerking en nodigen uit tot ‘nadromen’ (Dirk de Geest).

Beide, gedichten en muziek maar ook gevoel en ratio hebben elkaar nodig net zoals het denken de wereld nodig heeft. Het gaat Hirs in haar muziek en gedichten om een dialoog tussen beide, muziek en gedichten, het onderzoeken van de buitenwereld enerzijds en introspectie anderzijds, het lichamelijke en het geestelijke, het zintuiglijke en de beelden die samen de ver-beelding vormen, wereldbeeld en zelfbeeld

i Rozalie Hirs: ‘(speling)’, eerste gedicht uit de gelijknamige bundel. Uitg. Querido.
ii Michiel Cley: ‘Chemisch ingenieur, dichter en componist.’ In: OORsprong, mrt. 2000; p. 38-41. Toevoeging tussen vierkante haakjes van Rozalie Hirs tijdens een gesprek dat ik met haar had na terugkomst van een periode in Berlijn, waar zij onder andere optrad met de componist/performer James Fei en samen met Karin Kiwus en Jan Oberländer de Duitse vertaling van haar gedichten redigeerde.
iii Jacques Attali: ‘Blaise Pascal: het Franse genie.’ Uitg. Agora.

Inleiding tot een in Mens en melodie verschenen artikel over Rozalie Hirs (2004/2005) dat hier wordt herplaatst n.a.v. een uitvoering van haar Roseherte tijdens November Music, 6 november 2014 in Den Bosch.