Fons Brouwer (I) – ‘Nieuwe oude muziek’

Op een gegeven moment kwam toenmalig collega Fons Brouwer naar mij toe. Hij was een van de redacteuren van het imprint Donemus bij Muziek Groep Nederland (MGN), het latere Muziek Centrum Nederland (MCN). ‘De beste baan die ik maar kon hebben’, mailde hij mij onlangs. Ik zat op dat moment in de redactie, of was de redactie – dat weet ik niet meer – van In de Groep, het personeelsblad van MGN. Hij had een idee: om bij een nummer een cd te voegen met muziek van componerende collegae. Zo verscheen In de Groep cd 01, zoals deze hoopvol werd genummerd. Er waren immers veel collegae die ofwel in de klassieke muziek, de jazz of de popmuziek zaten, dus we konden vooruit. Ware het niet dat ik van de directeur op mijn kop kreeg vanwege de meerkosten.

CD 01 dus. Met twee werken van Ana Mihajlovic (componist, pianist en dirigent) en twee van Fons: Quintessens (1993) voor orgel en Tempera (1991) voor strijkkwartet. Over dat laatste werk zegt hij: ‘Ik beschouw het als één van mijn beste stukken’. Zo’n twee jaar geleden is het opgenomen door een professioneel kwartet. ‘Met financiële steun is het gerealiseerd. Ik ben trots op het resultaat: mijn hele ziel en zaligheid ligt erin’. Het werk was geselecteerd voor de finale van het BUMA-concours 1993.

Iedereen kan ervan genieten, want sinds december vorig jaar is Fons Brouwer fulltime bezig met zijn YouTube-kanaal. ‘Als monument voor alles wat René Nieuwint (dirigent en fondsenwerver), Christine Kamp (geweldig organist en pianist) en mijzelf als componist en programmeur van de concerten hebben gerealiseerd.’

The Art of Memory
Eerst iets over de componist. Brouwer (1963) studeerde na het Vossius Gymnasium in Amsterdam orgel bij Simon C. Jansen en Jacques van Oortmerssen. Tevens studeerde hij compositie bij Daan Manneke en orkestratie bij Geert van Keulen en volgde masterclasses bij Morton Feldman en John Cage. Het merendeel van zijn composities is uitgegeven door Donemus, op een orgelintonatie voor Muziek & Liturgie (2009) na over ‘Maak ons uw liefde, God’, voor orgel en melodie instrument.
Tijdens zijn studie compositie begon hij te onderzoeken hoe het muzikale geheugen werkt in een vluchtig medium als muziek, daarbij geïnspireerd door het boek The Art of Memory van Frances A. Yates (1966), dat ook in het Nederlands is vertaald. Deze zoektocht is bepalend voor zijn werk.

In 2003 schreven Anthony Fiumara (nog zo’n oud-Donemus collega) en Fons een artikel over Brouwers werk voor het tijdschrift Het Orgel. Het begint met een citaat: ‘De enige manier om het orgel recht te doen, is door het orgel uit het orgel te nemen’. Een uitspraak van de hiervoor genoemde componist Morton Feldman tijdens een lezing in Middelburg (1986). Daarmee wilde hij zeggen, dat het orgel los moet kunnen worden gezien van een christelijke context. Het is een uitspraak die veel indruk op Brouwer maakte.

Binnen- en buitenkant
In zijn geval zou je het kunnen vergelijken met de binnen- en buitenkant van het instrument, met de binnen- en buitenkant van Brouwers werk als totaliteit. Daarbij moet ik denken aan de Moulin mystique, een kapiteel in Vézelay (foto rechtsboven): Mozes stort het graan (= Tenach) en Paulus vangt het op (= Tweede Testament) dat door de molen (= de jood Jezus van Nazareth) wordt gemalen. Ook Brouwer speelt op een soortgelijke wijze met oud en nieuw, zoals in genoemd artikel meermalen valt te lezen. En dan laat ik even het toeval in het midden dat een molen vaak achtkantig is en dat Quintessens een acht maten lang durende pedaalpartij kent en dat er drie stiltes in het stuk vallen, ook een getal dat te denken geeft. Nee, het gaat mij nu primair om de rol van het geheugen waar de componist het over heeft. Met name de herinnering aan oude muziek. Zoiets als architect Victor Horta (1861-1947) die de art nouveau ‘moderne gotiek noemde’.

Of zoals het in het artikel in Het Orgel staat: ‘Zoals Quintessens minimal music lijkt zonder het te zijn, lijkt Mnajdra [voor blokfluitkwartet, EvS] melodie zonder het te zijn.’ Bij Mnajdra vraagt de componist zich af op welk punt je iets niet meer als melodie herkent. ‘Het werk heeft alles te maken met oude muziek, niets met avantgarde.’ Bij nog een andere compositie, Festina lente [voor orgel, EvS] doen de toonladders denken aan oude muziek, maar de sfeer is die van nieuwe muziek. ‘Festina is’, zegt Brouwer tegen Fiumara, ‘nieuwe oude muziek’.

Ook de tekst van de compositie La casa voor bariton en piano (1990) spreekt in dit geval boekdelen. Het is een gedicht van Cesare Pavese (1908-1950) over een huis, waarin een adem der vaderen als een schaduw liefkozend over het gezicht van een man strijkt. Het doe aan vervlogen tijden denken, ‘een heldere, innige stem die als het groen / van roerloze vijvers en heuvels ’s avonds verdonkert’. ‘Een vrouwenstem, geheimvol, die weerklinkt / op de drempel van het huis wanneer het duister valt.’

Maar naast het geheugen en herinneringen zijn er nóg twee dingen die Brouwers muziek kenmerken: de gelaagdheid en de ruimte die het ademt. Over dat eerste gaat het in een tweede blog over deze componist. In relatie tot de kunst van Tonie van Marle die ik onlangs zag. Over het tweede gaat een derde en laatste blog in deze korte serie.

De foto van de componist is ontleend aan de LinkedIn-pagina van Fons Brouwer.
Link naar het YouTube-kanaal van Fons Brouwer: https://www.youtube.com/@nostos-music
Link naar de composities uitgegeven door Donemus: https://webshop.donemus.com/action/front/search?name=%22Brouwer%2C+Fons%22&order=name
Link naar samenvatting van het artikel in Het Orgel: https://www.hetorgel.nl/2003/12/n2003-03c/

Een man die Ove/Otto heet

Het boek Een man die Ove heet van de Zweedse auteur Frederik Backman ligt ten grondslag aan twee films: de gelijknamige uit 2015 met Rolf Lassgård in de hoofdrol en A man called Otto uit 2022 met Tom Hanks in de hoofdrol.

Het verhaal is hetzelfde, de uitwerking door de regisseurs en op de kijkers verschillend.
De bestseller van Backman gaat over Ove, een weduwnaar die in een nieuwbouwwijkje woont dat hij angstvallig bewaakt. Op alles en iedereen heeft hij commentaar: op degenen die zijn straat in een woonerf inrijden, wat niet mag, op degenen die lege blikjes bij oud papier gooien, op de krantenjongen die reclameblaadjes in zijn voortuin gooit en ga zo maar door.

Toch verandert er gaandeweg iets: aan de overkant komt een echtpaar met twee kleine kinderen wonen. In de Zweedse film zijn het de kinderen die het – blijkt in het ziekenhuis grote – hart van Ove doen smelten, in de Amerikaanse versie is het een Mexicaans echtpaar met twee kinderen. Dat is een haast nationaal ingegeven verschil: kinderen worden in Zweden op handen gedragen. Mexicanen en Amerikanen daarentegen staan op gespannen voet. Toch is het de Mexicaanse actrice Martiana Treviño die de Amerikaanse film draagt; wat een actrice!

Natuurlijk, de twee hoofdrolspelers mogen er ook zijn, maar er zit ook hier een groot verschil tussen de manier waarop ze hun rol invullen. Dat heeft alles te maken met zowel hun uitstraling als de herinnering aan eerdere rollen die ze met zich dragen. Lassgård kennen we vooral als politieagent (Gunvald Larsson, Kurt Wallander, Sebastian Bergman) en Hanks voornamelijk als mopperkont. Lassgård speelt zijn rol meer als een melancholicus na de dood van zijn vrouw. Hij werkt daardoor minder op de lachspieren en is ook ingetogener dan Hanks, die meer op het sentiment speelt.

Ook hier kun je zeggen dat de film met Hanks op-en-top Amerikaans is. Sentimenteel op z’n tijd, komisch en moralistisch ook. Ik kan me herinneren dat ik bij Een man die Ove heet soms heb moeten glimlachen, maar dat is iets anders dan de vele lachers die Hanks op z’n hand had bij de filmvoorstelling die ik onlangs zag.
De doodstrijd van Otto is in de remake langer uitgerekt dan die van Ove en past in het rijtje melodramatisch mislukte zelfmoordpogingen – een hartafwijking (tot grote hilariteit van zijn buurvrouw; had hij dan een hart?) – bureaucratie en een tegenwerkende zoon bij een ook al door ziekte geplaagd echtpaar in de buurt. En dan blijkt Otto opeens, veel sneller dan Ove, zijn (te grote) hart op de goede plaats te hebben.

Het is leuk beide versies te zien, maar als ik zou moeten kiezen, dan toch liever die met Lassgård. Nee – dat is geen goodfeel movie, maar minder gepolijst, geloofwaardiger en langer beklijvend.

Rust vinden

Eind vorig jaar zag ik twee films die als de raderen van een uurwerk in elkaar grepen. De Groene Filmclub trakteerde abonnees op de film The Quest for Tonewood, NPO2 Extra kwam met de film Poulet aux prunes. Respectievelijk een recente Noors-Nederlandse film en een al wat oudere Frans/Duits/Belgische coproductie uit 2011.

In beide films staat een viool centraal. In The Quest for Tonewood zoekt vioolbouwer Gaspar Borchardt, die samen met zijn ook viool bouwende echtgenote woont in dé stad van de viool, Cremona, naar hout dat de ultieme viool kan opleveren na Stradivarius. Violen die volgens Janine Jansen, voor wie hij die viool wil bouwen, zich meer naar het karakter en de wensen van de violist voegen dan bijvoorbeeld de violen van een Guarneri die meer een eigen wil hebben.
Poulet aux prunes vertelt het fictieve verhaal van de Perzische violist Nasser Ali Khan, een violist die leeft voor zijn viool en, nadat zijn vrouw Faringuisse zijn viool heeft stukgegooid, op zoek is naar de ultieme viool die dit gemis kan goedmaken. Wellicht een Stradivarius.

Regisseur Hans Lukas Hansen vertelt in zijn film het verhaal door middel van klank. Borchardt beklopt stukken hout, van beneden naar boven en weer terug, om te horen hoe het klinkt. Marjane Satrapi en Vincent Paronnaud vertellen hun verhaal in visualia, van animaties (ze werden bekend door de zwart-wit animatiefielm Persepolis), flashbacks en vooruitblikken tot sprookjesachtige scènes. Sprookjes met een zwart randje.

Herinneringen
Beide filmers gaan in wezen uit van wat een herinnering kan zijn. Herinneringen aan ‘de’ klank van een viool, zoals die van een Kalliope in de Griekse mythologie. In Poulet aux prunes versmelt die herinnering met de liefde van Nasser Ali Khans leven, die hij op straat tegenkomt en die hem zegt hem niet te herkennen. Wat natuurlijk niet waar is, getuige het feit dat ze op straat een hoek omslaat en in huilen uitbarst; ze mochten niet met elkaar trouwen, maar konden elkaar nooit vergeten.

Borchardt keert zijn herinnering aan de esdoorns in Bosnië, waar hij eens als twintigjarige een fietstocht maakte, om ten goede. Hij gaat op zoek naar dé esdoorn om uiteindelijk zijn ultieme viool van te kunnen maken. Een zoektocht die niet zonder gevaar is en die vijf jaar duurt, al wordt die tijdsspanne in de film niet helemaal inzichtelijk gemaakt.
In tegenstelling tot de acht dagen die Nasser Ali Khan uiteindelijk nog leeft nadat hij heeft besloten te willen sterven, nu zijn zoektocht naar de ultieme viool op niets is uitgelopen. Hij wendt zijn herinnering met andere woorden niet ten goede aan.

Zoektocht
Even lijkt ook de zoektocht van Borchardt op niets uit te lopen. De bomen die hij tegenkomt op zijn tocht zijn ofwel te jong ofwel wil hij ze niet kappen, omdat hij dit uit liefde voor de boom niet kan opbrengen. Een keer komt hij een louche handelaar tegen die ‘de’ boomstronken lijkt te hebben, maar hij verbrandt ze nadat hij hoort hoeveel violen Borchardt ervan kan maken en hoeveel die per stuk kosten, zodat de stronken uiteindelijk aan Borchardts neus voorbij gaan. Maar dan vindt hij, alles met behulp van een tussenpersoon, stronken die aan zijn verwachtingen voldoen. Hij bouwt zijn ultieme viool en Janine Jansen is er helemaal verrukt van. Op het eind van de film wandelt hij met vrouw en hondje door het bos bij Cremona. Hij heeft rust gevonden, zijn doel is bereikt. Op het eind van Poulet aux prunes sterft de violist. Ook hij heeft rust gevonden, alleen op een andere manier.

Kleine en grote mechanieken (III)

In deze derde en laatste blog over Een Duitse fantasie van Philip Claudel, oorspronkelijk bedoeld als lezing voor de Volksuniversiteit Amsterdam, ga ik tenslotte in op het thema ‘het kwaad’, de vraag of genoemd boek een verhalenbundel is of een roman, op de receptie, de ontvangst ervan in recensies en op blogs, en de verwantschap met Bernard Schlink.

‘Het kwaad’
Als auteur heeft Claudel geen oordeel over ‘het kwaad’. Daarmee staat hij in de traditie van wat historici de zogeheten historiserende benadering noemen. Dat wil zeggen, dat morele dimensies bij de auteur naar de achtergrond verdwijnen. De reden hiervoor is, dat morele oordelen inzicht in en verklaring van gebeurtenissen als de Tweede Wereldoorlog in de weg staan.[i]
Dat wil niet zeggen, dat je als lezer geen morele reflectie over de verhalen kunt hebben. Ik moet daarbij denken aan een recent boek van de Duitse filosoof Markus Gabriel: Morele vooruitgang in duistere tijden. Hij vervangt het grijs waar Claudel het vaak over heeft, al dan niet terecht door ‘het neutrale’, hoewel je daar ook kanttekeningen bij kunt plaatsen. Bij Gabriel kom je dan niet uit op het goede aan de ene kant en het kwade aan de andere kant, zoals prof. Lou de Jong in zijn beschrijving van de Tweede Wereldoorlog, maar op: het goede – het neutrale – en het kwade. De twee uitersten kennen we wel: verzetshelden en andere mensen die de mensheid vooruit hielpen en helpen aan de ene kant, en het kwaad, met name het radicale kwaad van bijvoorbeeld oorlogen aan de andere kant. Het gaat dan over het tussengebied, dat grijze of neutrale midden waarop reflectie aan de hand van een boek als dit ons zicht kan geven en de erkenning dat het in ieder van ons zit, in onze dagelijks denken en doen.

Verhalen of een roman?
Het korte verhaal ‘Roman’ in de bundel Kleine mechanieken begint met de zinsnede: ‘Met mijn rug tegen een muur die nog warm is, schrijf ik kleine romans, heel kort, zo scherp als een dolk’. Het verhaal speelt, zoals de meeste verhalen in die bundel, tijdens de middeleeuwen, wat bij de lezer meteen associaties oproept met een titel als de Roman de la Rose.
In Een Duitse fantasie zegt Wilfried F. Schoeller (in het verhaal ‘Gnadentod’) over zijn boek over Franz Marc: ‘Ik vind het een biografie, anders had ik het wel een roman genoemd’. En hoe noemt Claudel zijn boek? Een fantasie! Is Claudel, de traditioneel schrijvende auteur een experimenteel pad ingeslagen, of staat hij op een of andere manier toch in de traditie van de Franse literatuur? Van beide wat, lijkt het. Denk aan de ene kant aan titels als de Roman de la Rose, wat ook geen roman is maar een gedicht. En aan de andere kant aan de titel van het boek: fantasie.
De auteur gaat op dat laatste zelf in in zijn ‘Aan de lezer’ aan het slot van het boek: ‘Het woord “fantasie” uit de titel is volstrekt niet ironisch bedoeld. Het moet worden begrepen in de muzikale en poëtische betekenis, die zoals bekend duidt op een werk waarin de subjectiviteit van de auteur de overhand heeft en zich onttrekt aan de strikte regels’ van vorm. Waarmee Claudel zich bekent tot de romantiek, waarin de fantasie hoogtij vierde. Wordt een oorlog niet altijd begeleid door muziek? Van oudsher tot de pianospelende Aehem Ahmad op de puinhopen van Syrië  toe. Ook dit resoneert mee in het nieuwe, sterke boek van Philippe Claudel.

Receptie
Ik wil nu kort enkele saillante opmerkingen uit recensies die na het verschijnen van de Nederlandse vertaling door Manik Sarkar van Een Duitse fantasie in de pers of op internet verschenen.

Nico Voskamp ging op zijn blog (Nico’s recensies) ook onder meer in op de titel van het boek: ‘Denk even na over die woorden: Duitse fantasie. Hoe verdragen die twee woorden elkaar, waarom vechten ze niet tot de laatste snik om één van de twee onder het tapijt te vegen? Duits en grondigheid, dát combineert goed, al jaren. Maar fantasie? Zo’n frivool, ondeugend, niet-solide woord?’ Het antwoord kan worden gevonden in het motto dat het boek opent:

Voorbij de Rijn
Hangen drama en melancholie
Krijgen de gewone zaken van het leven
Een schijnsel van schemering.
[En dan komt het, vet EvS:]
Wat de reiziger, naargelang zijn humeur
Ofwel charmeert
Ofwel beangstigt.

Op de blog forum.fok.nl verscheen een anonieme recensie die onder het kopje ‘Mijn mening’ het volgende meldt: ‘Dit boek bestaat uit vijf losse verhalen, die allemaal op de één of andere manier toch met elkaar verbonden blijken te zijn. Allemaal vertellen ze over delen van levens in een unieke eeuw en locatie, waarvan we langzaam maar zeker ontdekken dat ze ofwel in de verte, ofwel diepgaand, ofwel aan de oppervlakte met elkaar te maken hebben, hetzij door toeval, hetzij door het noodlot.’ De auteur houdt het erop dat het om verhalen gaat ‘die zich makkelijk laten lezen.’

De enige recensent die wijst op de overeenkomst qua vorm tussen Een Duitse fantasie en de eerdere verhalenbundel Onmenselijk, is Dirk Leyman in De Morgen. Hij schrijft: ‘Je kunt veel zeggen over de Franse successchrijver en filmmaker Philippe Claudel, maar niet dat hij het zichzelf makkelijk maakt. Na elk boek lijkt hij zich flink te herbronnen en durft hij soms resoluut voor een meer experimentele aanpak te opteren. Zo schokte hij onlangs de goegemeente met het rauwe, ongemakkelijke en gitzwarte Inhumaines [in het Nederlands vertaald als Onmenselijk], een “roman in verhalen” waarin hij ongelijkheid én hedendaagse wantoestanden op de slof nam.’

Rianne Nieuwdorp schrijft in de Boekenkrant (augustus 2021) dat Claudel zich in Een Duitse fantasie liet ‘inspireren door de onsamenhangendheid van de geschiedenis en de rol die mensen daarin spelen – of vooral: denken te spelen.’ Met dat laatste raakt zij aan wat Jako van Gorsel op Visdief.nl meent, namelijk dat Claudel ‘rakelings langs het randje’ van het determinisme gaat: de plaats die de mens is toegedacht, is voorbestemd.

Gelijkenissen
Ik wil aan het eind wijzen op twee overeenkomsten. Een die de auteur zelf heeft aangegeven in een interview met Rik Van Puymbroeck in De Tijd en een die ik zelf op het spoor kwam en misschien dienstig kan zijn voor mensen die zich – zoals bij mijn vorige lezing over Claudel voor de Volksuniversiteit – afvragen: op het werk van welke andere schrijver lijkt dat van Claudel nu?

Eerst het interview dat Van Puymbroeck in juli 2021 met Claudel had. Hij vertelt daarin dat hij werd beïnvloed door de biografie Orlando (1928) van Virginia Woolf, waarin een biograaf het levensverhaal van Woolfs minnares Vita vertelt als dat van de jonge dichter Orlando, die tijdens zijn drie eeuwen lang durende leven verandert van een man in een vrouw. Je kunt Orlando vergelijken met Viktor. Overigens komt in Claudels boek ook een Viktoria voor, namelijk een kunsthistorica in het verhaal over Franz Marc, die Claudel niet in 1916 maar in 1940 laat overlijden. Dit is echter een bestaand figuur, Victoria Charles en dus kan dit meer toeval dan wijsheid zijn.

En dan: aan welke andere schrijver is het werk van Claudel verwant? Ik denk dat dit de Duitse schrijver Bernhard Schlink is, bij ons vooral bekend door zijn De voorlezer, dat ook werd verfilmd als The reader. Recent verscheen van hem een in het Nederlands vertaalde verhalenbundel: Afscheidskleuren. Kleuren die in de herinnering blijven. Ook bij Schlink gaat het, net als bij Claudel niet alleen over het geheugen en herinneringen, maar ook over morele dilemma’s als schuld en boete, waarheid en bedrog, leugens en verraad. Een andere overeenkomst is dat in één van de verhalen de hoofdpersoon telkens als zoon of jongen wordt aangeduid, en net als bij sommige personages bij Claudel – en, zoals we zagen Strindberg – geen naam heeft. Een verschil is dan weer, dat de ook als detectiveschrijver opererende Schlink ons geen mooie, poëtische beschrijvingen voorschotelt en zijn stijl vergeleken met Claudel kaler is.

Concluderend kun je denk ik stellen, dat Claudel niet alleen een boodschap deelt, maar dat vooral vol verbeelding en in een literaire taal doet. Hij heeft met dit boek een goede balans daartussen gevonden.

 

[i] Conny Kristel, Geschiedschrijving in opdracht. Abel Herzberg, Jacques Presser en Loe de Jong over de jodenvervolging, Meulenhoff, Amsterdam 1998, blz. 24.

 

Kleine en grote mechanieken (I)

Op 26 oktober jl. zou ik voor de Volksuniversiteit Amsterdam een online lezing houden en een gesprek leiden over het boek Een Duitse fantasie van Philippe Claudel. Doordat er weinig deelnemers waren, werd in overleg besloten deze avond niet door te laten gaan.
Als pleister op de wonde, publiceer ik de lezing nu op deze blog. In drie delen:

1. De korte inleiding (hieronder)
2. De verhalen/hoofdstukken zelf nader bekeken (31 oktober), de langste blog en
3. Het thema ‘kwaad’, de vraag of het om verhalen of een roman gaat, de receptie en een vergelijking met andere schrijvers (3 november).

Titel
Eerst de titel van het boek, waarin het woord ‘fantasie’ opvalt. Een woord dat primair staat voor ‘verbeeldingskracht’, voor iets dat niet altijd op waarheid hoeft te berusten. Ook in de psychoanalyse kennen we dit woord voor iemand die door middel van fantaseren probeert te ontsnappen aan een moeilijke situatie. En ook binnen de filosofie is het bekend, en die insteek kan verhelderend zijn in verband met ons boek.
Binnen de oude Griekse en Latijnse filosofie, van Plato, Aristoteles en een Stoïcijn als Epictetus, is ‘fantasie’ gebaseerd op een zintuiglijke ervaring. Volgens Plato is het een vermenging van oordeel en mening, volgens Aristoteles iets tussen waarnemen en denken in en heeft het te maken met dromen en hallucinaties. Bij de Stoïcijnen is het een term die verwijst naar informatie die door middel van de zintuigen binnenkomt en leidt tot gedachten, tot indrukken. De perceptie is waar, maar de meningen (doxa) die eraan worden gehecht hoeven dat niet te zijn.

De huidige Denker des Vaderlands, Paul van Tongeren, heeft het in dit verband over een machientje, een mechaniek (onthoud dit woord; het komt later bij het verhaal ‘Ein Mann’ terug) achter je ogen die wat zien als je bijvoorbeeld de gordijnen opendoet. De mens ziet de kwaliteit van het weer: mooi, zonnig weer of somber, druilerig weer. Met je zintuigen neem je dit waar (je ziet, hoort, voelt, ruikt – allemaal belangrijk in het werk van Claudel), maar dat mechaniekje laadt de betekenis, de kwaliteit van het weer of de natuur. Bij Claudel is dat vaak symbolisch geladen.

De bedoeling is dat dingen als een betekenisvol geheel worden ervaren. Daar morrelt Claudel met zijn titel aan, want wat is een Duítse fantasie? Jerker Spits schreef in het Nederlands Dagblad dat ‘het woord “Duitse” in de titel (…) vooral een synoniem lijkt van schuld.’ Een andere recensent, Henk Pröpper, denkt in de Volkskrant nog weer anders over de titel: ‘Het boek is uiteindelijk een Fantasie, een soort vrije, muzikale oefening, waarbij de schrijver zich niet aan de regels van de harmonie houdt’ [lees: vorm]. Ik kom hier in de laatste blog op terug, maar ik sla eerst het boek open en kom dan uit bij de

Motto’s
Elk boek van Claudel begint in feite met één of meer veelzeggende motto’s. In dit geval twee. Om te beginnen van de Franse schrijver Pierre Mac Orlan:

Voorbij de Rijn
Hangen drama en melancholie
Krijgen de gewone zaken van het leven
Een schijnsel van schemering.
Wat de reiziger, naargelang zijn humeur
Ofwel charmeert
Ofwel beangstigt.

Het tweede motto is al even belangrijk voor het begrijpen van dit boek en is van de in 1989 overleden Oostenrijkse toneelschrijver Thomas Bernhard:

Duitslands adem ruikt naar zwavel.

Het is de tegenhanger van het eerste motto, omdat geuren – zoals we zullen zien – bij Claudel staan voor zowel een vorm van kennis als voor herinnering, waarbij aangetekend dat herinneren een creatieve daad is en geen exacte geschiedenis oplevert. Herinneringen die Duitsland met zich meedraagt en die heus niet bij de landsgrenzen ophouden. Zoals de uitstoot van de fabriek pal bij Claudels huis in Dombasle-sur-Meurthe omgekeerd tot in Saarbrücken te zien is. Een chemieconcern dat ook in één van de verhalen/hoofdstukken in dit boek (‘Die Kleine’) een rol speelt, zoals overigens in veel van Claudels boeken een fabriek voor komt.

Ik zal in de volgende blog eerst de verhalen langslopen en wat kenmerkende elementen eruit belichten. Vooraf een opmerking: dit boek bestaat uit vijf verhalen of hoofdstukken. Claudel schreef ze afzonderlijk. Twee ervan zouden deel uit gaan maken van een nieuwe roman, die hij Sommeils (Slaapt) had genoemd. Zijn vrouw las ze en keurde ze af, maar Claudel bleef met de thematiek (ex-Joegoslavië) rondlopen. Uiteindelijk heeft hij ze omgewerkt en zijn ze in dit boek terecht gekomen. Uit het Nawoord is niet helemaal duidelijk welke (‘Ein Mann’, ‘Irma Grese’, ‘Die Kleine’?), maar dat doet er verder ook niet zoveel toe.

Bij de dood van Liuwe Tamminga

Op 26 april jl. overleed onverwacht de organist-klavecinist-componist Liuwe Tamminga.
Hij was organist aan de San Petronio in Bologna (zie foto), waar ik hem een keer heb horen spelen. Als componist heb ik hem een
keer ontmoet, in Parijs nota bene. Beide herinneringen bewaar ik in mijn (muzikale) geheugen.
Over dat muzikale geheugen gaat deze blog, ter nagedachtenis aan Tamminga. Zijn nagedachtenis tot zegen.

In een boek van Marli Huijer, oud-Denker des Vaderlands, staat een paragraaf over ‘Materiële cultuur.’ Het is een term die slaat op de relatie tussen mensen en voorwerpen. Aan het eind ervan stelt zij dat wanneer materieel erfgoed wordt verwoest en alle afbeeldingen ervan worden gewist, de kans bestaat dat ook de verhalen en herinneringen daaraan niet overleven.

Ik waag het een beetje te betwijfelen en moet daarbij denken aan wat me jaren geleden in Bologna overkwam. Op een zondagochtend was ik nog iets te vroeg voor het Morandimuseum openging, en liep de San Petronio binnen op het moment dat de mis begon. Als toeristen mochten we achter in de kerk naar het orgel luisteren. Ik werd bevangen door een klank die zó apart, zo uniek was, dat deze zich in mijn gehoor nestelde. Dacht ik.
Toen ik jaren later een cd van Liuwe Tamminga op de orgels in Bologna kocht, instrumenten die dateren uit 1471-1475, bleek nadat ik hem in de cd-speler had gelegd, dat de herinnering in de loop der jaren was vervormd, dat zeg maar mijn zogeheten echoïsche geheugen (auditieve geheugen) me in de steek had gelaten.

Heeft Huijer daarmee dan het gelijk aan haar kant? Zoals vaker heeft niet de filosofie maar de literatuur (deels) de wijsheid in pacht. Ruth Cole, een personage uit John Irvings Weduwe voor een jaar, troost me met de gedachte dat ‘de zuiverheid van de verbeelding boven de herinnering gaat.’ Ik heb nog altijd spijt die cd te hebben gekocht, maar deze troost rest.

Pas als de orgels in Bologna in vlammen zouden opgaan, de cd ervan niet meer af te spelen is en geen achterblijvers meer leven die erover kunnen verhalen, is de klank van de instrumenten pas echt uitgedoofd. Alsof alle registers langzaam zijn ingeduwd en de lucht uit de pijpen definitief is verdwenen. ‘Een afwezig object’ schijnt zoiets te worden genoemd, lees ik in het redactioneel van Dana Linssen in een aflevering van De Filmkrant: het niet meer met anderen kunnen delen van herinneringen aan indrukwekkende films of – in dit geval – de klank van unieke orgels en een bespeler als Liuwe Tamminga.

En dan nóg bestaat de hoop dat er een orgelbouwer opstaat die zich de unieke klank en technische zaken als de mensuur en legering van de pijpen wél herinnert, zodat hij aan de wederopbouw van de instrumenten kan beginnen, zodat ze als een Phoenix uit de as herrijzen. Net als de schrijfster Eva Meijer, die in de Jonge Schrijvers Gids van Vrij Nederland eens schreef, dat ze misschien wel begon met schrijven omdat ze alles wilde bewaren, gebeurtenissen en herinneringen. Maar het kan echt niet, zegt ze Huijer haast na. Nee – en daarom zal het een nieuw instrument worden, zoals ook schrijven volgens Meijer ‘iets nieuws maken is met wat er is.’ Bouwen met woorden. Of met orgelpijpen. En op basis van herinneringen. Misschien zit het gewoon zo.


Deze blog verscheen eerder, in een iets kortere vorm, als column op de website van Literair Nederland (26 april 2017).

Organist en klavecinist Liuwe Tamminga (67) overleden | Orgelnieuws.nl

 

De imperfectie van deze Pièta in Rome

In Trouw van donderdag 15 augustus jl. schreef Naema Tahir een column onder de kop ‘De perfectie van deze David in Florence’. Ik antwoord met een blog over de imperfectie van de Pièta in Rome. 

Tahir beschrijft hoe ze kijkt naar de David van Michelangelo in de Galleria dell’ Accademia in Florence. Ze vertelt dat deze David is gemaakt tussen 1501-1504. Ze is er stil van, ‘zoals ik dat zelden ben van een kunstobject’. En ze probeert dit in woorden te vangen, een week lang, en pas uiteindelijk is ze ‘in staat (…) om op te schrijven wat de David met me heeft gedaan’.

Ik herken het, van een mannenkop in een museum in Oslo waar ik opeens voor stond. Nee, niet van Michelangelo, maar van Donatello. Volgend jaar zomer hoop ik hem weer te kunnen ontmoeten. De kop maakte een verpletterende indruk. Ik heb er geen foto van gemaakt, toen, want ik had toen althans hetzelfde als Tahir: ‘Liever dan foto’s maken van de bezienswaardigheden die ik als toerist bezoek, sla ik al dat moois op in mijn herinnering’.

Toen ik deze Donatello zag, had ik slechts één Michelangelo gezien. In de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge. Een Madonna met kind. Eigenwijs als ik ben, vond ik de Donatello véél mooier dan dit beeld in Brugge waarvan ik zo gezegd kennis had genomen omdat de naam van de grote beeldhouwer eraan verbonden was.
Ik kan het zo in woorden vangen: de Madonna was mij te gelikt, té mooi, de mannenkop van Donatello was die van een oude man, doorleefd en verre van wat je in de gangbare betekenis van het woord ‘mooi’ zou kunnen noemen. Het was anders mooi. Ik zweerde bij Donatello.

Tot ik opeens voor de Pièta (1498-1499) in de Sint Pieter in Rome stond en moest erkennen dat ik het niet helemaal bij het rechte eind had. Misschien was Michelangelo toch een groter beeldhouwer dan Donatello. Volgens Tahir hoef je, ‘als je de David hebt gezien, geen andere sculptuur te zien’. Misschien, maar Donatello pakken ze toch niet van me af.

Sterker nog – die oude mannenkop en de Pièta hebben zelfs iets gemeen: de emotie die ervan af straalt, die je als toeschouwer ervaart. Die emotie is precies het omgekeerde van wat Tahir in de David in Florence zo mooi vond: die is perfect, en dat is de Pièta niet. Voor haar school de schoonheid van de David in diens perfectie, voor mij school de schoonheid van de Pièta in diens imperfectie, voor zover je daarvan kunt spreken.

Natuurlijk, de Pièta kent draaiingen die niet kunnen, maar daar gaat het mij niet om. Het gaat mij als gezegd om de emotie die Maria uitdrukt, in tegenstelling tot de serene Madonna in Brugge. Maria houdt haar linkerhand iets naar buiten gekeerd omhoog. Ze ondersteunt er Jezus niet mee, dat doen haar knieën en rechterhand. Ze trekt met dat ene gebaar de toeschouwer in het verhaal. Het heeft iets vragends, in tegenstelling tot het meer stellige in Brugge.

Het is géén poging – ik citeer Tahir, die er uiteindelijk woorden voor vond – ‘om het ideaal te vangen, weer te geven, de mens uit te dagen om perfectie te benaderen, ernaar te zoeken en je best te doen. Zo verhef je jezelf boven het alledaagse’. Nee, het is een manier om de mens uit te dagen je in te leven, empathie te hebben. Zo blijf je met beide benen op aarde, bij je naaste in nood.

Dat vertelde mij de Pièta, en ja ook die oude mannenkop van Donatello in Oslo.

‘Flardenbewustzijn’

De dichtbundel Hogere natuurkunde van Ellen Deckwitz (Uitgeverij Pluim, zie afb.) bracht mij in gedachten terug naar drie vakanties, jaren geleden. Alle drie maakten ze veel bij mij los. Wat ik hier, als herinnering aan die vakanties, probeer te plaatsen aan de hand van een column die Wessel Krul (emeritus-hoogleraar moderne kunst- en cultuurgeschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen) uitsprak tijdens een middag op 19 november jl. in het kader van ‘Honderd jaar Herfsttij der Middeleeuwen’, voorafgaand aan een optreden van Capella Amsterdam o.l.v. Daniel Reuss.

  1. Hogere natuurkunde

In 1981 reisde ik, als 28-jarige, met een reisgezelschap naar Noord-Engeland en Schotland. Het hotel waar ik verhalen over de Jappenkampen hoorde, uit de mond van een medereizigster, staat me nog scherp voor de geest. Het was het soort landhuis dat je wel in Engelse televisieseries ziet. De vrouw herinner ik mij wat vager, de manier waarop ze na het eten in de gang op een zetel zat (een ander woord zou niet passen), des te scherper. Gesust door haar reisgenote, wat ze naast zich neerlegde, bleef ze vertellen over alle ellende die daar was gebeurd en haar leven tekende. Er stonden altijd wat mensen om haar heen. Geïnteresseerd of uit beleefdheid? Ik zoog alles wat ze zei op, omdat haar wereld en verhalen mij allebei vreemd waren en ik vond dat daar verandering in moest worden gebracht.
Net als bij de bundel Hogere natuurkunde van Ellen Deckwitz, gaat het om wat Johan Reijmerink in een recensie daarvan omschreef als ‘flardenbewustzijn’. Kan het ook eigenlijk niet anders, met zulke heftige verhalen? De bundel van Deckwitz heb ik op eenzelfde manier in me opgenomen. De dichteres vertelt fragmentarisch, in twaalf hoofdstukken haar verhaal, met veel tussen haakjes en veel wit. Het kwam me al lang niet meer zó vreemd over. Het leek of ik de gruwelijke beelden me inmiddels te binnen herinnerde, vanuit Engeland. Ze schoven over de beelden van de Tweede Wereldoorlog, die me van huis uit vertrouwder waren.

  1. Putten

Beelden die ik kende uit de boeken van Lou de Jong én van een andere, veel eerdere vakantie, rond 1965, met mijn ouders in Putten. Zij hadden er, dol op de Veluwe zijnde, een huisje gehuurd waar mijn moeder nog de roep van een koekoek verwarde met het koeren van een bosduif.
Op een avond werden we uitgenodigd bij de eigenaars van het huisje thuis. Een moderne bungalow, dat herinner ik me net zo goed als het hotel/landhuis in Engeland. Ik zie het echtpaar nog zitten – vooral zitten, want hun gezichten zijn weggevallen. Gespannen, net als mijn ouders, vooral mijn moeder. Het echtpaar had levendige herinneringen aan de gebeurtenissen in 1944 in Putten, toen 661 mannen waren weggevoerd als vergelding voor een aanslag op een Wehrmachtauto. Als ik het me goed herinner, was daar ook familie van het echtpaar onder. Madelon de Keizer schreef er later een boek over: Putten. De razzia en de herinnering. Nog altijd moet ik denken aan wat er toen gebeurde, als ik met de trein door Putten rijd. Ik de kerk werden de mannen samengedreven, en – hoorde ik later van Beatrice de Graaf in een televisie-interview – zongen ze Psalm 84: 3 en 4.

  1. Polen

Mijn vader was er niet blij mee, dat ik me als puber zo verdiepte in alles wat met de Tweede Wereldoorlog had te maken. Ik geloof wel, dat ik hem ooit heb verteld over mijn ontmoeting met een Poolse bevrijder en diens Nederlandse echtgenote, maar ik kan me niet meer heugen hoe hij daarop reageerde.
Het gebeurde in Rijsbergen (Noord Brabant) tijdens een overstap op een bus richting de Provence, in 1982, een jaar na mijn reis naar Engeland. Ik zat samen met hem, zijn vrouw en nog enkele anderen aan een tafel, ongetwijfeld met koffie en gebak, en hij vertelde over de bevrijding van dit stukje Nederland. Of we wel wisten dat de Polen hierbij een grote rol hadden gespeeld, zei hij, en dat dit vaak wordt vergeten. Hij zei het rustig maar indringend, zonder accent en een beetje naar ons toe gebogen, die luisterden en spaarzaam wat terugzeiden. Al kan ik me niet herinneren of ik zelf wat heb gezegd. Ik denk het eerlijk gezegd niet. Ook dit verhaal was, net als over de Jappenkampen, nieuw voor mij en ik zou het nooit vergeten.

  1. KNAW

Wessel Krul, die ik in de introductie tot deze blog noemde, vertelde dat wij een voorstelling of een beeld van het verleden vormen. Onder dat beeld vallen volgens hem ook tastzin, reuk en smaak. Hij had het ook over het geestesoor en het geestesoog, want na de tastzin en dergelijke volgden volgens hem geluid en beeld. Het geluid is bij mij in voorgenoemde gevallen weggevallen, maar de beelden staan, weliswaar fragmentarisch, op mijn netvlies gebrand. Van mensen, rustig, intens, gespannen, emotioneel en heftig soms.
Ik ben geneigd om dit met Herman Wijffels een ‘transcendente dimensie’ te noemen, dat wil zeggen dat wat buiten mijzelf valt, wat ik niet aan den lijve heb ervaren, maar dat me wel innerlijk raakt, oprecht en diep. Opgeslagen in mijn geestesoor en geestesoog.

De zuiverheid van de verbeelding

In een van de boeken van Marli Huijer, oud-Denker des Vaderlands, staat een paragraaf over ‘Materiële cultuur.’ Het is een term die slaat op de relatie tussen mensen en voorwerpen. Aan het eind ervan stelt zij dat wanneer materieel erfgoed wordt verwoest en alle afbeeldingen ervan worden gewist, de kans bestaat dat ook de verhalen en herinneringen daaraan niet overleven.

Ik waag het een beetje te betwijfelen en moet daarbij denken aan wat me jaren geleden in Bologna overkwam. Op een zondagochtend was ik nog iets te vroeg voor het Morandi-museum openging, en liep de San Petronio binnen op het moment dat de mis begon. Als toeristen mochten we achter in de kerk naar het orgel luisteren. Ik werd bevangen door een klank die zó apart, zo uniek was, dat deze zich in mijn gehoor nestelde. Dacht ik.
Toen ik jaren later een cd van de orgels in Bologna kocht, instrumenten die dateren uit 1471-1475, bleek nadat ik hem in de cd-speler had gelegd, dat de herinnering in de loop der jaren was vervormd, dat zeg maar mijn zogeheten echoïsche geheugen (auditieve geheugen) me in de steek had gelaten.

Heeft Huijer daarmee dan niet het gelijk aan haar kant? Zoals vaker heeft niet de filosofie maar de literatuur (deels) de wijsheid in pacht. Ruth Cole, een personage uit John Irvings Weduwe voor een jaar, troost me met de gedachte dat ‘de zuiverheid van de verbeelding boven de herinnering gaat.’ Ik heb nog altijd spijt die cd te hebben gekocht, maar deze troost rest.
Pas als de orgels in Bologna in vlammen zouden opgaan, de cd ervan niet meer af te spelen is en geen achterblijvers meer leven die erover kunnen verhalen, is de klank van de instrumenten pas echt uitgedoofd. Alsof alle registers langzaam zijn ingeduwd en de lucht uit de pijpen definitief is verdwenen. ‘Een afwezig object’ schijnt zoiets te worden genoemd.

Ze hebben hier in Cremona wat op bedacht, lees ik in Trouw van vandaag. Vanaf nu tot 9 februari worden daar bijzondere geluidsopnamen gemaakt van violen uit ‘de vioolhoofdstrad van de wereld’. Van violen van Stradivari, Amati en Guarneri Del Gesù. Men wil de unieke klank hiervan bewaren in een digitale databank. De klank van twee violen, een altviool en een cello. Met 32 microfoons wil men dat doen in de grootst mogelijke stilte. De straten rondom de opnamestudio zijn afgesloten voor verkeer en buurtbewoners wordt gevraagd zich zo stil mogelijk te houden. Dat wil bijvoorbeeld zeggen: niet op naaldhakken te lopen. In het gebouw waar de opnamen worden gemaakt, zijn de liften stilgezet en de airco uitgezet.

De klanken van de violen worden zo onsterfelijk gemaakt en voor ons nageslacht bewaard. De instrumenten worden namelijk een dagje ouder. Het is de bedoeling op den duur aan de hand van die afzonderlijke klanken in de toekomst zelfs muziek samen te kunnen stellen. Op het moment dat de instrumenten zijn uitgespeeld.

Ik hou het toch maar op de verbeelding in mijn hoofd. Misschien is die mooier gemaakt dan de werkelijkheid is (of door veroudering wordt), maar deze verbeelding gaat boven de werkelijkheid. Maar niet iedereen denkt er zo over. Dat mag.

Deels gebaseerd op een column die ik in 2017 schreef voor Literair Nederland.

De clown uithangen

Mijn moeder hield van Buziau, mijn vader van (Stan) Laurel & (Oliver) Hardy. Ze zouden hun hart ongetwijfeld hebben opgehaald aan een kleine tentoonstelling over de eerste in Museum Rijswijk, en aan de biopic Stan & Ollie die vanaf morgen in de bioscopen draait. En wellicht ook aan de roman over een clown (een novelle eigenlijk) De tuinen van de herinneringen van Michel Quint en de solovoorstelling De laatste van Jack Wouterse, waarover ik hier al eerder blogde.

In het fraaie boekje dat ter gelegenheid van de tentoonstelling in Rijswijk verscheen, staat als laatste zin: ‘Zij zijn alleen maar zichzelf. Tijdloos.’ Een zin die blijft haken. Gaven de genoemde komieken ook niet allemaal een tijdsbeeld van de periode voor de Tweede Wereldoorlog, zoals Quint dat gaf van de periode tijdens en na de oorlog? Het verschil zit hem er misschien in, dat Buziau, om met Quint te spreken, ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ gelijk Jack Wouterse in zijn rol? Terwijl Laurel & Hardy volgens Joost Broeren-Huitenga, recensent van De Filmkrant, vooral ‘goedmoedige acts’ ten beste gaven. Wat tussen twee haakjes overigens meteen, wat overdreven, het verschil in levenshouding tussen mijn moeder en vader aangeeft.

Op een of andere manier bestond er eenzelfde gevoel van verstandhouding tussen mijn moeder en Buziau als tussen de ik-figuur en de clown in het verhaal van Quint. Een verstandhouding over zowel het uiterlijk als het innerlijk van Buziau. Hij had de borstelige wenkbrauwen die mijn vader van nature ook had. Wee je gebeente als de kapper ook maar opperde of hij deze maar eens wat zou uitdunnen. Buziau had, net als mijn moeder en de vader van de ik-figuur bij Quint, een enorme klap van de oorlog opgelopen. Na de oorlog trad Buziau niet meer op, leerde ik in de tentoonstelling te Rijswijk. Het ging gewoon niet meer.

Laurel & Hardy hadden ook hun beste tijd voor de oorlog gehad, al is het wellicht schokkend te zien dat zij zich in 1937 meer bezig hielden met ‘gekissebis onderweg naar de set (over geldgebrek, vrouwen, gokken en drank)’ aldus Broeren-Huitenga, wat een aanzet moet vormen tot hun teloorgang na de oorlog, in 1953.

Over die tijdloosheid valt tenslotte ook nog wel wat te zeggen. Misschien zouden we dat nu wat oubollig vinden, dat ‘gedoe met bagage bij een hotelbalie; een hutkoffer die van een trap af dondert’ (Broeren-Huitenga). En of mijn vader er nu ook nog om zou moeten lachen, weet ik nog zo net niet. Feit blijft dat zowel Laurel & Hardy als Buziau zichzelf bleven. Net als Jack Wouterse. Zelfs zo dat je je kunt afvragen of de titel van zijn solovoorstelling niet verwijst naar een laatste voorstelling. Soms moet dat zo zijn.

Soms niet. Dat geldt voor de jongen in de roman van Quint die zegt: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al degenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt proberen te wekken. Ik zal ook proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid!’

Deels gebaseerd op een column (uit 2016) op de website van Literair Nederland: https://www.literairnederland.nl/?s=Buziau