Het theodiceeprobleem voorbij

Onlangs las ik het boek Van zichzelf bevrijd van Renée van Riessen (uitg. Sjibbolet, 2019). Een indrukwekkende studie over Emmanuel Levinas (zie afb.), transcendentie en nabijheid. Een boek dat is genomineerd voor de Hypatia-prijs 2020, de tweejaarlijkse prijs voor het beste en meest prikkelende filosofieboek geschreven door een vrouw.

Iets uit dit boek resoneerde mee tijdens een korte presentatie die Beatrice de Graaf gaf tijdens een webinar over ‘Religie, wetenschap en politiek in tijden van corona’ van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen op 4 september jl. De titel van haar lezing luidde: ‘Coronavirus en de hand van God/de goden: is theodicee revisited?’
Ook Van Riessen heeft het in het derde hoofdstuk van haar boek over het theodiceeprobleem, over de vraag naar het waarom van het kwaad en de aan- of afwezigheid van God.

De Graaf opende de archieven met betrekking tot het denken over het kwaad, vanaf Augustinus tot Ernst Bloch, die zij overigens consequent Marc Bloch noemde, maar dat was een Frans historicus. Augustinus zei dat het kwaad niet het einde is en de mens een opdracht heeft: een Godsstad op aarde bouwen.

Blochs Das Prinzip Hoffnung kent ook een opdracht: mee te lijden met de onderdrukten op deze aarde. Bloch staat daarin niet alleen, zegt De Graaf en ze verwees naar het recente boekje God and the Pandemic van Tom Wright.

Gaandeweg kwam bij mij het bij Van Riessen gelezene over Levinas boven. Ook Levinas heeft het over de archieven van het denken, een aan De Graaf door religiewetenschapper Birgit Meyer ingegeven uitspraak eerder op de avond. Maar bij Levinas gaat het om de archieven van de ‘heilige geschiedenis’ (Van Riessen, p. 98). ‘Een geschiedenis die telkens opnieuw een beroep doet op de bronnen van compassie’ (ibid.).

De Graaf zou het zomaar met Van Riessen en Levinas eens kunnen zijn, want ze menen allemaal dat ‘de aandacht verschuift (…) van de vraag naar het waarom en de zin van het lijden naar het menselijke vermogen tot medelijden of compassie’ (ibid.).

Met Wright zouden we kunnen wijzen op de vroege kerk, waarin iets nieuws werd gedaan: er werden hospitalen gebouwd en armenzorg opgezet. God werd door hun handen in de wereld present gesteld. Het theodiceeprobleem voorbij. Toen al.

Nigel Cliff – Moskouse nachten

Moskouse nachten : hoe een man en zijn piano de Koude Oorlog veranderden / Nigel Cliff ; vertaald [uit het Engels] door Conny Sykora en Vera Sykora. – Eerste druk. – Houten : Spectrum, 2017. – 542 pagina’s, 16 ongenummerde pagina’s, platen : foto’s ; 24 cm. – Vertaling van: Moscow nights. – New
York : HarperCollins Publishers, © 2017. – Met literatuuropgave, register. ISBN 978-90-00-35532-7

Ten tijde van de Koude Oorlog gebeurde wat voor onmogelijk werd gehouden: de Amerikaanse pianist Van Cliburn won in 1958 het Eerste Internationale Tsjaikovski Concours in Moskou. De hoop was geboren dat hij de wereld kon veranderen. Op basis
van interviews en materiaal uit Russische en Amerikaanse archieven vertelt de auteur, voorheen journalist voor The Times en The Economist, het hele verhaal. Het contextueel opgezette boek gaat over het leven en de carrière van de pianist, de Amerikaanse en Russische leiders uit die tijd en het Tsjaikovski Concours. Een rijk en in een zeer leesbare stijl geschreven boek voor iedereen zal aanspreken die is geïnteresseerd in beide grootmachten, de Koude Oorlog, muziek in het algemeen en pianisten in het bijzonder. Met uniek fotomateriaal, notenapparaat, bibliografie en register. Uitgeroepen tot het beste boek van 2016 door de Boston Globe.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.