De man die bomen plantte

Op dezelfde dag, tussen een onderzoek bij de dermatoloog in het ziekenhuis en het weghalen van een basaalcelcarcinoom, zat een paar uur. Om naar huis te gaan en weer terug, was te kort dag en de winkels waren op die vroege maandagochtend nog allemaal dicht. Alleen het bibliotheekfiliaal was open, zodat ik daar mijn heil zocht, na eerst een kopje koffie in het restaurant van het ziekenhuis te hebben gedronken en een enorme plensbui over had laten waaien.

Ik werd er getroffen door een kleine expositie met werk van Karenza van Zanten. Met name een prachtig acrylverfschilderij van een boom (zie foto) raakte me. Er ging juist op die donkere maandagochtend iets onvergetelijk troostrijks uit van die boom en van de naam die hij van Van Zanten had meegekregen: Wat ons rest. Het doek maakt, leerde ik van haar website, deel uit van een serie die ze in 1993 van de Gelderse bossen maakte.

Daarom snap ik niet, waarom ik nu pas, nadat een vriendin de titel van het boekje al voor de tweede keer had aanbevolen, er pas toe overging De man die bomen plantte van Jean Giono te kopen. Er moest eerst een haakje voor nodig zijn (een kleine studie van Giono van mijn kant) om het idee aan op te hangen, om te kunnen vermoeden dat dit wel eens net zo prachtig en troostrijk zou kunnen zijn als het kunstwerk in de bibliotheek. En dat is zo, dit uit meerdere lagen bestaande boekje.

De man die bomen plantte
Het verhaal zelf valt eenvoudig te vertellen. Een ik-figuur maakt een lange voettocht over een hoogvlakte in Zuid-Frankrijk. ‘Er groeide niets anders dan wilde lavendel’. Hij komt een herder met een dertigtal schapen en een hond tegen. Hij brengt een nacht bij hem door. ’s Avonds zit de herder eikels te sorteren. Hij scheidt de goede van de slechte.
De volgende dag leidde de herder zijn kudde met hond naar een weide in een dal. De herder en de ik-figuur beklimmen een berg. De herder maakt met een ijzeren staaf gaten in de grond, waarin hij een eikel legt. ‘Zo plantte hij zijn honderd eikels met uiterste zorg’, zoals hij al drie jaar deed. En hij dacht erover hetzelfde te gaan doen met beuken en berken.
Dit gebeurde allemaal aan de vooravond van de Grote Oorlog. Toen die voorbij was, zag de ik-figuur de vooroorlogse bomen, ‘hoger dan hij en ik’, en de herder terug. De herder was inmiddels imker geworden. De ik-figuur begreep, ‘dat de mens even doelmatig zou kunnen zijn als God, op andere terreinen dan de vernietiging’.
In de Tweede Wereldoorlog liep het project van de herder gevaar. Er werd begonnen met kappen, maar er werd ook even snel weer mee gestopt. Na de oorlog ontmoet de ik-figuur de planter, die Elzéard Bouffier bleek te heten, voor de derde keer. Hij had een linde geplant, die ‘al zwaar begon te worden als het onweerlegbare symbool van een wederopstanding’.
Het leven in de dorpjes is weergekeerd.

Joseph Beuys
Een andere man die bomen plantte, was de kunstenaar Joseph Beuys. In 1982 werd hij uitgenodigd om deel te nemen aan de Documenta 7 te Kassel, die overigens werd samengesteld door Rudy Fuchs. Beuys besloot de stad leefbaarder en groener te maken en liet 7000 eiken planten. Ze staan er naast 7000 basaltzuilen die hij als een keten voor het hoofdgebouw van de Documenta, het Fridericianum, neer liet zetten. Wie wilde kon voor 500 mark zo’n steen kopen.

Bomen. We kennen allemaal de aan Luther toegeschreven uitspraak ‘Als ik wist dat morgen de wereld zou vergaan, dan zou ik vandaag een appelboompje planten…’. Alleen is die niet van Luther, maar van, of verwant aan, een uitspraak van rabbijn Jochanan ben Zakkai (eerste eeuw), die zei dat ‘Als je met een boompje in de hand staat en de Messias komt, plant dan eerst het boompje, en ga dan de Messias begroeten’.
Er is hoop op een betere wereld. Bomen symboliseren terugkerend leven, zoals in het verhaal van Giono waar ze worden vergeleken met de opstanding van Lazarus. Misschien is dit wel het ultieme boek in coronatijd.

 

Jean Giono: De man die bomen plantte
Vert. en nawoord: Ernst van Altena
Foto’s: Martin Kers
Uitgeverij Jan van Arkel
ISBN 978 90 6224 449 2
€ 14,95

http://www.karenza.nl

Vijfentwintig jaar knutselen

De eerste in de serie Zomergasten van dit jaar die mij van begin tot eind mateloos wist te boeien, was de derde: Marleen Stikker, internetpionier en directeur van Waag, onderzoeksinstituut voor kunst, technologie en samenleving.

Meteen al aan het begin raakte ze een snaar, met haar onderscheid tussen een ‘werkelijkheidsmens’ en een ‘mogelijkheidsmens’. De laatsten proberen door experimenteren de wereld beter te maken. Het zal haar wellicht door haar (niet afgeronde) studie filosofie zijn ingegeven, in ieder geval deed het mij denken aan het onderscheid tussen filosofen die de wereld goed vinden zoals hij is en degenen die de wereld beter bewoonbaar willen maken.

Tot de eerste categorie behoort Leibniz, die onze wereld de beste van alle mogelijke werelden vindt. Ook Hegel accepteert de wereld zoals hij is: doelmatig, vrij, eindig en zinvol. De mens hoeft zich niet op een andere wereld of een andere werkelijkheid (transcendentie) te richten. Het overwinnen van het kwaad gebeurt in de loop van de geschiedenis door te vertrouwen op de rede. Het is de bedoeling dat een mens, ja: de mensheid volwassen wordt, wat automatisch leidt tot bewustwording, ratio en vrijheid in het kiezen tussen goed en kwaad.

Daar staat Voltaire tegenover. Volgens hem moeten wij werken aan een betere wereld, zijn eigen adagium dat onze wereld de slechtste is van alle werelden hiermee nuancerend (in: Candide, ou l’optimiste). In die zin kan Candide worden opgevat als een beschrijving op de grens van de moderne tijd. Dit laatste sluit aan op het enige dat ons nog zou resten, en dat is hoop. Hoop op morele vooruitgang, op een betere wereld en die wereld in het hier en nu telkens een stapje dichterbij proberen te brengen. Hoop op het goede, ware en schone, waarbij het goede de moraal is, het ware kennen en filosofie behelst en het schone staat voor de schone kunsten.

Maar behalve hopen is er ook zoiets als werken aan een betere wereld om die dichterbij te brengen (tikoen olam in het Hebreeuws). [1] Dat kan alleen als mensen elkaar werkelijk ontmoeten, aankijken en verhalen vertellen.[2] Philippe Claudel is zo’n verhalenverteller  – op 21 september a.s. houdt hij in Amsterdam de Spui25-lezing. Op 11 september verschijnt zijn nieuwste boek, Archipel van de hond.

Tenslotte is er in de filosofie ook een tussenpositie. Die wordt bijvoorbeeld ingenomen door Susan Neiman. Zij gaat niet geheel en al uit van de wereld zoals deze is, maar kan verwondering voelen “in the moments when we see the world is as it ought to be” (“op die momenten dat we de wereld zien zoals hij zou moeten zijn”).[3] Zij zoekt naar het alternatief voor wat zij omschrijft als de verwoesting van of gedwarsboomde “de mogelijkheid op zich om intellectueel” op Auschwitz te reageren in transcendentie.[4] Neiman definieert de geschiedenis als een categorie die “enables us to understand the world and gives us hope for changing it” (“ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen.”).[5]

Hetzelfde geldt voor de techniek waar Stikker mee bezig is. Internet als een moreel netwerk, tussen goed en kwaad. En niet zonder hoop: ‘Internet is kapot’, aldus Stikker, ‘en we gaan gewoon vijfentwintig jaar knutselen en maken het weer goed’. Wat een mooie uitzending was dit!

 

[1] Vergelijk ook met de Dialogphilosophie van Martin Buber (1878-1965), Franz Rosenzweig (1886-1929) en Ferdinand Ebner (1882-1931).
[2] Zie: Ruud Welten, Als de graankorrel niet sterft. Een filosofische archeologie van openbaring (Zoetermeer 2016).
[3] Neiman, Evil in modern thought, 323. Neiman, Het kwaad denken, 341.
[4] Neiman, Evil in modern thought, 256. Neiman, Het kwaad denken, 273.
[5] Neiman, Evil in modern thought, 44. Neiman, Het kwaad denken, 63.

 

http://www.spui25.nl/gedeelde-content/evenementen/evenementen/2018/09/spui25-lezing-met-philippe-claudel.html