Aan alle Nederlanders

Er is iets aan de hand met onze regering. Hoe komt het toch dat onze democratie zo aan het afbrokkelen is, dat sommige politici zich zo laag gedragen? Geen woord kunnen houden, zodat 71% van de bevolking ze niet meer kan geloven. Hoe komt het toch dat politici bij het niet houden van hun woord volstaan met een eenlettergrepig woord: ‘Sorry’? Politici die stemmen weg willen trekken van populistische partijen, maar zelf niet minder populistisch doen. Dat laten we in maart toch niet gebeuren?

U herkent het vast. Hoe een politiek leider die door een ander in het zadel werd geholpen, kwaad over hem spreekt en hem van zijn plaats verstoot. Hoe een politiek leider van een andere partij zich op de borst slaat en meent dat hij naar ‘het volk’ luistert, terwijl hij flyeren op straat bedoelt. Niet normaal.
We voelen een groeiend ongemak wanneer zulke mensen het woord nemen. Of collegae op de kieslijst gewoon een paar plaatsjes naar beneden laten zakken. Wat maakt het uit man. De volgende keer ben jij aan de beurt. Ieder op z’n tijd.

We zijn trots op mensen die naar ons land zijn gekomen voor die vrijheid en ons land mee willen helpen groot te maken. Als ze de kans krijgen. Eraan willen bijdragen in kunst en wetenschap. We ontvangen ze en we leren van ze. Ze moeten kunnen blijven. Dat gevoel heb ik. Al snap ik natuurlijk ook wel dat we welke groep dan ook niet over één kam moeten scheren, en dat er best wel eens iemand tussen zit die niet het goede met ons land voorheeft. De oplossing is gewoon een vorm van wellevendheid: normaal is om vreemdelingen die van huis en haard zijn gevlucht, over de woelige baren die de VOC vroeger bevoer, een huis te bieden. Dat moeten we toch kunnen snappen, en voor die grondhouding zullen we pal moeten blijven staan. Toch?

Het is normaal dat je als schild fungeert voor de vreemdeling, de wees en de weduwe. Voor mensen die het om wat voor reden dan ook, fysiek en/of geestelijk, minder goed hebben getroffen. Het is normaal dat je ze als mens behandelt. Dat je ze respecteert. Het is normaal dat ze mee mogen doen en hun eigen inbreng hebben. Het is normaal dat we een arm om ze heen slaan in zware tijden. Het is óók normaal dat we niet voor de problemen weglopen, maar ze in gezamenlijkheid benoemen en bespreken, over niemands hoofd heen. Dat we luisteren en niet onszelf overschreeuwen. Meer of minder.

De komende tijd is bepalend voor de koers die we als land willen varen. Het gaat om slechts één vraag: wat voor land willen we zijn? Van de achterkamertjespolitiek, van het niet je woord kunnen houden, van informatie achterhouden, van de sorry-cultuur, van het uitzetten van een vader die zijn gezin hier achter moet laten?

Laten wij ervoor strijden dat iedereen zich thuis blijft voelen in ons land. Laten we duidelijk maken dat dát normaal is. Wir schaffen das zegt de grootste West-Europese politicus van dit moment. Laten we het haar nazeggen door middel van onze stem. In maart straks.

 

PvdA 70 jaar

Dr. Willem Drees sr. bij een tuinhek. 1951.

Dr. Willem Drees sr. bij een tuinhek. 1951.

Diederik Samsom, partijleider van de PvdA, schijnt Nederland graag te vergelijken met een auto die moet worden opgetakeld en weer rijklaar worden gemaakt. Laat ik daarom de PvdA zelf eens vergelijken met een auto. Met die waarin ik tientallen jaren geleden eens Vadertje Drees zag zitten. Hij reed over de Stadionweg in Amsterdam, pal bij het Hervormd Lyceum. Hij zat achterin, en dat verbaasde me. O, er zullen ongetwijfeld goede redenen voor zijn geweest. Veiligheids-redenen, of om zo rustig stukken te kunnen lezen. Maar: van het op één lijn zitten, in dit geval letterlijk naast de chauffeur was op die manier geen sprake. Je zou het symbolisch kunnen opvatten voor de aandacht van de PvdA in het algemeen, en zeker niet – haast ik erbij te zeggen – voor Drees in ’t bijzonder.

De ideologische veren zijn afgeschut. Het is al vaak gezegd. De lijn is die van een draaikont. Ook dat is maar al te waar helaas. En toch blijft de mantra van Samson dat de partij die in zulk zwaar weer verkeerd, er aardig in is geslaagd om ‘de’ inkomensverschillen kleiner te maken, ‘de’ huizenmarkt vlot te trekken, ‘de’ hypotheekaftrek aan te passen. Het woordje ‘de’ zet ik tussen aanhalingstekens, want zó sociaaldemocratisch is dat allemaal niet. Eerder iets van onder de vleugels van het neoliberale denken, waarbij vooral de hogere- en middenklasse verbeteringen zagen, maar de lagere- en arbeidersklasse niet of nauwelijks. En zo kan ik nog wel even doorgaan.

pvdaDe afwachtende houding met veel problemen die op ons afkomen, en dan opeens een knoop (vaak de verkeerde mijns inziens) in de besluitvorming erover doorhakken, zal met een oud-collega van mij die de uitdrukking te pas en te onpas gebruikte, binnenskamers wel ‘voortschrijdend inzicht’ worden genoemd. Eerst Syrië niet willen bombarderen, en dan opeens wel. Eerst vluchtelingen welkom heten en sommigen dan opeens linea recta met een veerboot terug willen sturen naar Turkije; een plan – volgens Amnesty International een ‘moreel failliet’-  dat van origine uit de koker van Gerald Knaus (European Stability Initiative) schijnt te komen. Het kan verkeren.
Pragmatisch heet dat, of met andere woorden: praktisch. In ieder geval verre van ideologisch, al plakt de PvdA er graag het etiket van wereldverbetering op.

Jarenlang ben ik lid van de PvdA geweest, en begrijp me goed: van de oude PvdA, die de veren nog niet had afgeschut, die nog niet aan draaikonterij deed. De partij van mensen als Cohen en consorten. Ik hoop nog steeds op een nieuwe PvdA, die het vaker aandurft om met GroenLinks op concrete punten samen te werken, zoals een klimaatwet. Tot zolang stem ik op de partij van Jesse Klaver. De man die eerst in alle bescheidenheid wil luisteren. Bijvoorbeeld waar het de vluchtelingenproblematiek aangaat. Eerst horen, dan pas doen. En dan liefst meteen de goede keuze maken.

Als het waar is (II): acht jaar later

Eddy Reefhuis_2Eerder publiceerde ik hier een interview dat ik bij het intrede van Eddy Reefhuis (zie foto) als predikant van de Oude Kerk in Amsterdam met hem had. Hier volgt deel II, het verslag van een gesprek dat ik voerde t.g.v. zijn afscheid op 22 november a.s. (zie onder aan deze blog voor meer gegevens).

Ik maak me steeds meer zorgen voor de joodse wortels in de christelijke eredienst, ook in die van de Oude Kerk. Niet zozeer wat jou betreft, maar bijvoorbeeld soms luisterend naar de voorbeden. Herken je dat?
Na acht jaar heb ook ik de meeste vragen bij de aandacht voor de joodse wortels, niet alleen van onze liturgische, maar van onze hele christelijke traditie.
Wat ik destijds daarvan had geleerd, ben ik niet kwijt geraakt, integendeel. Die respectvolle vrijmoedigheid, en dat het ‘gans andere’ nu juist in onze concrete werkelijkheid zo ‘gans anderspolitiek‘ blijkt, dat is het geheim van het onderlinge geloofsgesprek dat in de laatste jaren in de Oudekerkgemeente op gang is gekomen. Maar dat dat alles joodse wortels heeft – daarvoor is de aandacht meer en meer verdwenen. Interne discussie over wat dan ‘echt joods’ zou wezen, en toenemende wrijving over de politiek van de staat Israël, hebben ernstig afbreuk gedaan aan de belangstelling daarvoor. En voor volgende generaties is de vervolging en systematische moord op joodse landgenoten steeds meer een ver in plaats van een huiveringwekkend nabij verleden.

Is de dialoog, of misschien inmiddels trialoog (inclusief de islam) daarvoor niet wezenlijk?
Of die aandacht voor de joodse wortels ooit terugkeert via de dialoog tussen kerk en synagoge, weet ik niet. Op dit moment zie ik meer mogelijkheden in de hele actuele interculturele dialoog, waarin een groep als Salam – Sjaloom een belangrijke en vrolijke rol speelt. Nu nog vooral, omdat zij de steeds fellere tegenstelling tussen joden en moslims rondom de Israëlische politiek overbruggen. Maar daarin brengen ze beide hun eigen traditie mee en die is ook nu soms verfrissend anders dan de onze.

In de tijd dat je predikant in de Oude Kerk was, is ook de Nieuwe Bijbelvertaling ingevoerd, wat niet zonder slag en stoot ging; er wordt ook in de Oude Kerk, en vooral van aanhangers van de Amsterdamse School, veel kritiek op geleverd. Op het leerhuis heb je naast kritiek op de NBV ook regelmatig waardering voor deze vertaling geuit. En zelfs de Bijbel in Gewone Taal kwam op tafel. Ben je opgeschoven qua ideeën?
Nou, voor de NBV heb ik altijd naast kritiek ook waardering gehad. Direct al bij de verschijning merkte ik, hoe mensen, lezend in de NBV, soms voor het eerst in zeventig (!) jaar ontdekten, dat de bijbel ook voor hen was. Dat is geen kleinigheid, lijkt me.
Maar terugkijkend op acht jaar Oude Kerk, en ook op ook op meer dan dertig jaar predikantschap, verbaas ik me er vooral over, hoeveel moeite het ook mezelf nog steeds kost om de Bijbeltekst als tekst, als literatuur te lezen. En daarin ben ik misschien eerder meer dan minder Amsterdamse School geworden. ‘De tekst mag het zeggen’ is daar het adagium. En hoever dat reikt, is me in de afgelopen jaren nog veel duidelijker geworden. Mede dankzij de diensten rond kunst in de kerk werd me duidelijk, hoezeer de bijbel zelf ook kunst is, literatuur, die als alle kunst op heel eigen wijze bepaalt hoe ze wil worden verstaan.
Maar als ik over een tekst moest preken, en die zich niet zo gemakkelijk prijsgaf, was het toch moeilijk om geduldig die tekst te blijven volgen, en begon vroeg of laat toch de vraag naar wie God is – over die tekst te heersen.
Daar wil ik nog verder van worden verlost. Bijbellezen, samen met anderen – ja graag.
Maar preken – eerst maar eens een jaartje niet.

Tenslotte wil ik nog een kritische noot met je kraken. Ik vind het jammer dat de afgelopen jaren de Paascyclus aan ingetogenheid verloor, en de liturgie op zondag maar uitdijt met bijvoorbeeld een Hallelujah voor de Evangelielezing waar je vragen bij kunt zetten. Wat is de diepere bedoeling achter dit alles?
Je doelt waarschijnlijk op de veranderde opzet van de Witte-Donderdag-viering, waar we de afgelopen drie jaar hard aan hebben gewerkt. Niet langer de Pesachviering van Jezus met zijn leerlingen als opmaat naar het eigenlijke Pasen, Jezus’ lijden en sterven en zijn opstanding uit de dood; maar de joodse Pesachviering als het kader waarbinnen Jezus met zijn leerlingen, dus ook met ons, zijn eigen lijden en dood durft te vieren als verhaal van bevrijding, van opstanding dus ook. Daardoor is de Witte-donderdag-viering veel uitbundiger geworden. Over de juiste vorm zijn we ook niet uitgedacht. Maar die omkering – Pesach als kader in plaats van als opmaat – daar ben ik erg enthousiast over. Die moeten we niet meer kwijt.
En dan die extra responsies op zondag, met als laatste ‘aanwinst’ het Hallejujah voor het het evangelie – die responsies bevorderen volgens mij, dat de dienst geen eenrichtingverkeer is, maar we die samen doen. Bij dat Hallelujah kun je inderdaad je vragen hebben. Suggereer je daarmee niet toch, dat het Evangelie uiteindelijk de hoogste waarheid is, belangrijker dan Tenach? Voor mij is het Evangelie vooral de verbazing dat deze hoogst bijzondere teksten ook voor buitenstaanders, dus ook voor mij, opengaan. Dat begroeten met het van oorsprong Hebreeuwse maar inmiddels in heel de christenheid en daarbuiten bekend geworden Hallelujah vind ik wel geestig. Maar ik herinner me veel diensten waarin we ook zonder bleken te kunnen. Dus die vragen erbij – vooral stellen.

En aan het eind van het gesprek stelde Eddy Reefhuis mij een vraag terug – dialoog met de teksten en met elkaar hebben we immers meer en meer als de kern van ons leerhuis ontdekt – : hoe kijk jij terug op de afgelopen acht jaar, in het bijzonder op het leerhuis waar je praktisch vanaf het begin aan hebt meegedaan?
Voor mij vallen leerhuis door de week en kerk op zondag niet los van elkaar te zien. Wat beide samenbindt, is dat ik hoop dat er een evenwicht in wordt bereikt tussen gevoel en ratio; dat mijn hart soms even opspringt en dat mijn hersenen op z’n tijd knarsen. Zodat je de week weer door kunt en op iets kunt blijven door kauwen, en in beweging wordt gezet. Tot het zich, naar je hoopt, een volgende keer weer herhaalt. Haast als een ritueel, door de gang van de seizoenen heen.
In het leerhuis kom ik ook om anderen te ontmoeten – werkelijk te ontmoeten. Dat gebeurt niet altijd, en soms wordt je er ook in teleurgesteld, maar áls het gebeurt, levert dat bijzondere momenten op om te koesteren. In de kerk kom ik vooral om (zoals je zelf een keer treffend zei) God te ontmoeten, – God in de eerste plaats (en voor mij meer dan Jezus) en als een ander je tegemoet komt – dat ervaar ik vooral in het gezamenlijk zingen, zelfs fysiek door soms naar elkaar toe te buigen – dan geeft dat een extra dimensie. En als een ander je links laat liggen – ook dat gebeurt -, dan is er de ratio die je tot de orde roept: alla, láát. Het blijft mensenwerk, dat heb ik nooit sterker ervaren dan in de teleurstellende tijd dat ik scriba en kerkenraadslid was. God heeft soms raar grondpersoneel. Ik niet in ’t minst.


De nieuwe hemel komt in de bijbel op aarde. Het is een stad!
In de eerste stad in de bijbel, Babel (of Babylon), doen ze het omgekeerde. Daar willen ze met een toren naar de hemel. Een grote spraakverwarring verhindert dat. En die spraakverwarring is van God gegeven. Want al die verschillende talen geven ruimte aan allemaal verschillende verhalen. In plaats van zich te uniformeren voor een hoger doel waaieren de mensen uit over de aarde om hun eigen weg te zoeken en hun eigen verhaal te vinden.

In Nieuw Babylon is die spraakverwarring niet verdwenen. Nog steeds mogen er verschillende verhalen naast elkaar bestaan en brengen die ook hun eigen taal mee. Maar in Nieuw Babylon nodigt de Oudekerkgemeente ieder die op 22 november a.s. de Oude Kerk komt binnenlopen, uit, niet alleen het eigen verhaal te vertellen maar ook te luisteren naar een ander. Wie weet hoor je een verhaal dat je niet kende, waarvan je de taal niet eens verstaat, en dat je toch raakt en een nieuwe wereld voor je opent, pal voor je neus.

Jeruzalem is de andere stad in de bijbel. Daar wordt erkend dat die verschillen ook tot botsingen leiden en pijnlijk zijn. Maar in Jeruzalem roepen de slachtoffers daarvan niet om wraak maar om verzoening. Gemakkelijk is dat niet. Door de eeuwen heen gaan verzoening en verraad hand in hand. Maar soms ….
Het nieuwe Jeruzalem is, dat die verzoening niet de welhaast onmogelijke taak is die wij mensen moeten volbrengen, maar een onvermoede werkelijkheid die, o wonder, over ons neerdaalt. Voor dat wonder nodigt de Oudekerkgemeente u, samen met haar afscheid nemende predikant, uit om op zondag 22 november a.s. ’s middags de Oude Kerk binnen te lopen en dat te beleven.

Zie voor meer informatie: http://www.oudekerk.nu

War and Peace

Boeken_Tweede KamerHet gebeurde ’s middags, tijdens het deel ‘Peace’ van de lustrumconferentie ‘War and Peace’ van het Nexus Instituut, 20 september 2014 in Amsterdam. De Israëlische filosoof Avishai Margalit nam het woord. ‘Hij staat bekend om zijn evenwichtige analyses’, stond in het programmaboekje. En als medeoprichter van Peace Now.

Dat nam allemaal niet weg, dat de rest van het forum, toch ook geen kleine jongens en één vrouw, naar de tafel staarde en hem geen blik waardig keurde. Hij moet het gemerkt hebben, want hij zat aan het ronde uiteinde van de tafel. Ook in de zaal ontstond onrust. De mijnheer naast me begon zelfs hard te lachen, terwijl Margalit toch echt geen joodse mop vertelde. Hij had het over een invulling van het begrip ‘war’ met bijvoorbeeld ‘civil war,’ over vrede en recht, volgens hem geen ‘tweeling’ zoals – waar ik meteen aan moest denken – חסד ואמת (chesed we ‘emet, genade en waarheid). Michael Ignatieff viel hem fel aan, Hassan Mneimneh zag er een verschil in framing in. Ik kan er nog wel wat dagen op kauwen.

Zo ging het nog een poosje door, maar uiteindelijk vermanden de mannen zich, en vielen de lachers stil. En ik dacht met weemoed terug aan een bijeenkomst bij de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden, waar Margalit door Arnon Grunberg werd geïnterviewd en na afloop alle tijd nam om handtekeningen te zetten. Veel handtekeningen.

Lila Azam Zanganeh viel tenslotte Rob Riemen, gespreksleider, voorzitter en oprichter-directeur van het Nexus Instituut bij die zei dat boeken het verschil kunnen maken. Ze dacht aan de Mémoires de Hadrien van Marguerite Yourcenar. Ze dacht aan Emmanuel Levinas, met zijn oproep om je door de ogen van de ander wat te laten ge-zeggen. ‘Dat gaat aan praten vooraf.’ Of, misschien zelfs aan luisteren.

Azam Zanganeh werd verweten niet met beide benen op de grond te staan. Ze ontkende dit, terecht, ten stelligste. En ik moest denken aan de steeds terugkerende discussie over het rijtje boeken op het bureau van de griffier in de Tweede Kamer (zie afb.): de koran, de bijbel, Spinoza. Boeken die ertoe doen. Maar laten we eerst de ander in de ogen kijken als hij spreekt, en luisteren naar wat hij te zeggen heeft.