Belofte voor de toekomst

 

Op de een of andere manier lijkt het Fjordenhus, het door kunstenaar Olafur Eliasson en het architectuurteam van Studio Olafur Eliasson (foto rechts) dat op 9 juni a.s. opent in Vejle (Denemarken) op een geslaagd huwelijk tussen de architectuur van Zaha Hadid (1950-2016) en de nationale romantische stijl zoals je die in bijvoorbeeld Riga (Letland, foto links van Els van Swol) tegenkomt.

Hadid omdat het huis, net zoals dat ook bij haar wel het geval is, uit het water komt en een verbinding maakt tussen in dit geval het fjord en het centrum van Vejle (Jutland). Er is duidelijk sprake van een relatie tussen het gebouw met het water waarin de gebogen randen de oevers en de haven weerspiegelen. Er is ook duidelijk, door de holtes, sprake van een relatie tussen binnen en buiten.

De nationale romantische stijl van Letland omdat het gaat om cilinders, die in dit geval elkaar kruisen en worden opgestuwd tot achtentwintig meter hoogte. Er is een complex geheel ontstaan, van gebogen, cirkelvormige en elliptische vormen. Het gebouw – het hoofdkantoor van KIRK KAPITAL – verwijst echter niet alleen naar het verleden, maar ook naar de toekomst van Vejle.

Na jaren van onderzoek naar hoe een mens waarneemt, hoe beweging overkomt, hoe licht, natuur en ruimte worden beleefd, is een organisch totaalkunstwerk neergezet dat er mag zijn; Eliasson ontwierp ook het interieur met meubels en verlichting. Vorm en inhoud zijn een, in die zin dat de gebogen cilinders onze waarneming wijzigen wanneer we erdoor lopen. Dat kan, want de begane grond is ook voor bezoekers toegankelijk.

Eliasson is van plan zich meer richting architectuur te bewegen. Samen met de architect Sebastian Behrmann wil hij projecten van een omvang vergelijkbaar met het Fjordenhus gaan uitvoeren. Er zijn al internationale plannen. Het Fjordenhus is een monumentaal gebouw geworden dat je evenzeer sculpturaal kunt noemen. Het is een gebouw met een verhaal, in relatie met de omgeving en de mensen die het al vanaf het treinstation van Vejle lopend naar de haven kunnen zien. En in dat verhaal ligt volgens mij een belofte voor de toekomst verborgen, met oog voor het (nationale) verleden.

De reis van Dobedo – Peter Verhelst

De reis van Dobedo en van de arend met hoogtevrees / een concept van dr. Griet Dupont ; door Peter Verhelst ; met werken van Gerhard Richter en Olafur Eliasson. -Tielt : Lannoo, [2017]. – 53 pagina’s : gekleurde
illustraties ; 33 cm ISBN 978-94-01-44691-4

Verhaal over de spannende levensreis van het jongetje Dobedo (ik-figuur) door een bos, waarin tal van thema’s uit oude mythen en sagen zijn verwerkt. Het verhaal gaat over moed en vertrouwen, dromen, de toekomst, (faal)angst, aanpassen, dood en gemis, vriendschap en liefde. Griet Dupont is kinderpsychiater, Peter Verhelst een bekend auteur die meerdere prijzen won waaronder een Gouden Griffel en de Woutertje Pieterse Prijs. Het doel van dit boek is de verbeelding van kinderen aan te spreken en ze op weg te helpen in hun mentale groei. Prachtig uitgevoerd met paginagrote kleurenafbeeldingen van kunstwerken van niemand minder dan de bekende hedendaagse kunstenaars Gerhard Richter en Olafur Eliasson. Hoewel de illustraties binnen het verhaal geen echte functie lijken te hebben, zullen ze bij kinderen die daarvoor gevoelig zijn, beklijven en kan het een (eerste) kennismaking zijn met moderne kunst. Het toegankelijke verhaal met veel dialogen is verdeeld over vier
hoofdstukken en daarbinnen in meerdere paragrafen. Alle titelkopjes zijn oranje gekleurd. De tekst staat in vrij grote letters. Achterin zijn per hoofdstuk meerdere vragen opgenomen, evenals overwegingen rond de thema’s die aan bod komen. Om voor te lezen aan en over te praten met kinderen van ca. 6 t/m 12 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

In de palm van Zijn hand gegrift

Na Haarlem (Ph. Frankplein, 2012) en Heemstede (Vrijheidsdreef, 2016) heeft nu ook Bloemendaal, bij het bevrijdingsmonument (Hartenlustlaan) een door Patrick van der Vegt ontworpen namenmonument ter herinnering aan de 123 joden die uit het midden van Bloemendaal zijn weggevoerd en niet meer terugkwamen.
Ze vormen tezamen, en stuk voor stuk, een indrukwekkende herinnering waarin de hand van de maker valt te herkennen.

In het monument te Bloemendaal kun je naar believen denk ik primair een bima (de verhoogde plaats in de synagoge vanwaar uit de Tenach wordt gelezen) of een katheder herkennen. Bij het vooraanzicht lees je aan drie kanten de namen, aan de achterkant staat in het midden een afbeelding. Het geheel rust op een jodenster waarop de namen van de concentratie- en vernietigingskampen staan gebeiteld.

Het eerste beeld, dat van de bima c.q. katheder, vind ik mooi en raak gekozen. Net als het feit dat aan de achterzijde de zijkanten open zijn gehouden. Het is als een waarschuwing: de jodenvervolgingen kennen geen einde en we moeten ervoor waken en vechten dat ‘het’ niet nog eens gebeurt, én het is als een verbeelding van de toekomst: het móet een einde kennen, er mogen niet nóg meer namen bijkomen. Het is genoeg geweest.

Met de sokkel, de jodenster en de namen van de kampen, heb ik wat meer moeite. Natuurlijk, het is het teken dat de joden op hun kleding moesten naaien. Maar het vormt een deel van de joodse identiteit, waarbij ik denk aan de zogenaamde schijf van vijf van Ido Abram. Hierin heeft de sjoah en het antisemitisme, de vervolging (en voegt hij toe: overleving) natuurlijk een nadrukkelijke plaats, in het midden. Na de joodse religie, cultuur en traditie, na Israël (Zionsverlangen en zionisme) en voor iemands persoonlijke levensgeschiedenis en de Nederlandse cultuur en omgeving.

Je zou haast wensen dat de drie namenmonumenten van Van der Vegt qua beeldvorming in elkaar overvloeien, zoals dia’s dat kunnen doen. In mijn gedachten vervang ik de jodenster dan graag door het opengeslagen boek zoals dat in Heemstede vorm is gegeven. Geen beeld van de dood, maar als het boek des levens (Maleachi 3:16), waarin 123 namen van de weggevoerde inwoners van Bloemendaal zijn bijgeschreven, als in de palm van Zijn hand gegrift (Jesaja 49:16). Voor mijn gevoel doet dit het joodse denken meer recht. Wat nadrukkelijk niets afdoet aan het feit dat we altijd moeten blijven herinneren en gedenken.

Foto’s: Peter Folstar

Hein Stufkens – Vrede dichterbij

Vrede dichterbij : wijsheid voor verwarrende tijden / Hein Stufkens. – Deventer : Edicola Publishing b.v., [2017]. – 158 pagina’s ; 21 cm. – Titelpagina vermeldt: Bres. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-925006-9-4

Voornamelijk op de boeddhistische en christelijke mystiek gebaseerde ervaringen en inzichten die moeten leiden tot ontspanning, deemoed en gelijkmoedigheid, die uiteindelijk de basis kunnen vormen voor alomvattende vrede. Vrede met jezelf, je
verleden, je heden, anderen, het lot en je toekomst. Ook voor een seculier lezerspubliek dat hiervoor openstaat en deze universele waarden en deugden
nastreeft. De filosoof en schrijver Hein Stufkens is een bekende (zen)leraar en auteur van tal van meditatieve boeken en gedichten. Toegankelijk geschreven, een enkele keer wat kort door de bocht. Met oefeningen en literatuurlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Oefening baart kunst. En kerk

Louter om gezondheidsredenen kon ik er helaas niet bij zijn, maar ik kreeg de orde van dienst en preek op Voleindigingszondag in de Amsterdamse Oude Kerk toegespeeld. Tijdens deze dienst werd ingespeeld op de tentoonstelling NA van Christian Boltanski die daar momenteel is te zien.

Mijn primaire reactie was: kan en mag dit wel, het denken van deze humanistisch kunstenaar pur sang zo in een christelijke context plaatsen? Ik moest denken aan de reactie van de componist György Ligeti toen pianist Ronald Brautigam hem op zijn verzoek in 1990 diens Pianoconcert voorspeelde, en hij – al dan niet terecht – verordonneerde: Afblijven, je doet het stuk met je interpretatie geen recht.
Mijn tweede reactie was meer overdacht: natuurlijk mag dat, als een kunstenaar zijn werk heeft vrij gegeven, mag je er – mits je het inderdaad recht doet – over doordenken. Want denken, dát is de kernboodschap bij deze expositie, zoals Boltanski mij desgevraagd vertelde.

Het was niet de eerste keer dat er in de Oude Kerk werd doorgedacht naar aanleiding van een expositie. Ik denk aan de preekstoel die David Bade in 2012 plaatste naast de vaste in de kerk – toen de kerk overigens nog geen museum was. Twee kansels die – schreef ik toen op verzoek in een Zondagsbrief (18 maart) – ‘vooral als elkaars tegenover werden gezien, als vertegenwoordigers van respectievelijk kerk en wereld, kerk en kunst, hemel en aarde.’ Ik vroeg me toen af wat er zou gebeuren als je ze niet als tegenover zou zien, ‘maar als een vorm van verkapte meerstemmigheid als in de solopartita’s voor viool of cello van Bach; Tenach en Evangelie samen in de dooptuin (…) verbonden als in één band die de twee boeken bij elkaar houdt.’

Ik kreeg het antwoord min of meer in de orde van dienst op Voleindigingszondag. Niet alleen omdat de Bijbelteksten erin waren ‘opengebroken’ en ‘niet perse in de vanzelfsprekende volgorde’ klonken, na elkaar als vanaf twee preekstoelen (in sommige kerken staand voor Oude en Nieuwe Testament), maar in dialoog met elkaar, zoals in de Bemoediging (Eerste brief van Paulus aan de Thessalonicenzen 5:5, Daniël 12:2).
Het mooie was voorts dat de hele dienst in het verlengde lag van de vorm van de tentoonstelling zelf. Hierin loop je tussen tombes van verschillende hoogte door langs mensachtige figuren op houten benen met een jas aan en een lamp als hoofd (Le Manteau, zie foto Gert Jan van Rooij), die – als je dichtbij komt –, je vragen hoe je je dood hebt ervaren: ‘Zeg eens, ben je weggevlogen?’, ‘Zeg eens, was je bang?’ of: ‘Zeg eens, heb je licht gezien?’

Daarmee ging de dienst qua vorm en inhoud een stap verder dan die bij Bade, en werd – zou je kunnen zeggen – een diepere laag aangeboord. Zo was de preek weliswaar in de vorm van dialoog, vraag en antwoord, stem en tegenstem, maar uiteindelijk inhoudelijk meer dan dat. Lees bijvoorbeeld de volgende drie regels die mij veel deden: achtereenvolgens vraag, antwoord en inter-actie:

Roepen wij die rampen niet over onszelf af?
Dan zijn het geen tekenen van zijn toekomst, maar eerder van zijn vertraging. Van zijn oponthoud!
Redenen om te bidden, te smeken om zijn komst.

Dit mag je misschien tussendenken noemen, zoals de oud Denker des Vaderlands Marli Huijer het noemde, daar waar haar voorgangers Hans Achterhuis een tegendenker was en René Gude een meedenker.
Tussendenken gaat bij kerk en kunst dan om de verschillende rollen, van de kerk enerzijds en van de kunst anderzijds, maar vooral over de ruimte daartussen die een interpretatie openhoudt, niet zozeer in de zin van vraag en antwoord of stem en tegenstem en al helemaal niet van een vastgeroest dogma, maar één met perspectief. Als dat zo is, dan bood deze kunstdienst ook anderszins een perspectief voor een samen op weg van kerk en kunst. Oefening baart kunst. En kerk. Dan waren de diensten met de twee kansels in 2012 een mooie aanloop daartoe. Telkens een stapje verder. Dat belooft wat!

In de dienst op 26 november 2017:
voorgangers: ds. Jessa van der Vaart en ds. Marcel Barnard
co-auteur preek: Roelof Langman
organist: Matthias Havinga
voorzangers: Erik Idema en Christiaan Winter

 

http://8weekly.nl/recensie/a-place-to-think-about-life/

 

Een andere tijd

In het tijdschrift Ophef las ik een recensie over het boek Het drievoudige pad van Maria de Groot (foto links), aan wier werk op deze blog al eens eerder aandacht schonk. Als liefhebber van haar werk, heb ik dit boek meteen aangeschaft en inmiddels ook gelezen. Eén, kort, hoofdstuk blijft mij achtervolgen: ‘Terugkeer’ uit het tweede gedeelte, ‘Pelgrim’ (de andere twee delen heten ‘Leerling’ en ‘Sterveling’). Het is een hoofdstuk dat in mijn hoofd op één of andere manier een gesprek aangaat met een ander boek dat destijds na lezing (2006) diepe indruk op mij heeft gemaakt: In het einde ligt het begin van Jürgen Moltmann. Ook hierin volgt de auteur als het ware een drievoudig pad: geboorte, wedergeboorte – dood – opstanding. Ik verwijs naar een mooie bespreking van dit boek door Rens Kopmels: http://www.renskopmels.nl/pagetxt277.html
Ik doe geen inbreuk op het auteursrecht, als ik hier als eerbewijs aan Maria de Groot én als aanbeveling om het hele boek ook te gaan lezen, dat korte hoofdstuk ‘Terugkeer’ in zijn geheel overneem (p. 103-104).

‘Wij keren terug uit het verleden naar de toekomst. De Eeuwige is onze toekomst. Naar Wie ons tevoorschijn riep, keren wij terug. Volwassen geworden. Door de wederwaardigheden van dit aardse bestaan heengegaan, veranderd naar lichaam, ziel en geest, keren we terug naar ons oorspronglicht, onze eerste verschijning, nu voltooid na het onvoltooide. Wie verlangt daar te zijn waar zij hoort, gaat voorspoedig. Wie treuzelt in de bermen van de weg, komt later aan. Niet per se minder geschoold. Integendeel. Elk avontuur, iedere onverwachte gebeurtenis leert ons. Door en door leerling wordt wie vaak verdwaalt. Door en door pelgrim. Zij of hij leert van elke dwaalweg sneller naar de levensweg terug te keren. Heb ik een beeld gemaakt van de Eeuwige of van mijzelf of van anderen? Ik sla het stuk en keer om, keer langs de kortste weg terug naar de weg die het maken van dergelijke beelden verbiedt.
Als ons hart in ons brandt om de Eeuwige te naderen, hoezeer van verre ook, dan jaagt dit vuur ons voort.
Waar is mijn God? Zal de zee het mij zeggen? Zonsopgang bij zee, zonsondergang, het vurige waterpad naar de einder, gelijkenissen zijn het van wat en Wie ik zoek. Al wat ik zie en bega brengt mij dichter bij U, Verborgene, Onzienlijke, die ook in mij is en niet gezien kan worden, die zich in mij verborgen houdt.
Ik ga naar de toekomst als ik terugkeer naar de Eeuwige. Ik ben de terugkeerpelgrim. Ik heb mijn aardse huis verkocht, mijn bezittingen uitgedeeld, mijn tijdelijkheid ingewisseld voor de eeuwigheid van de Eeuwige. Die bij mij en in mij is. Ik keer terug naar mijzelf. Bij mijn bron zal ik drinken en rusten. Ik zal vanaf het duin de zon zien ondergaan en weten dat zij opkomt. Maar niet op de plaats die ik zie. Zij zal bij mij terugkeren op een andere tijd. En zo voort, totdat mijn ogen zich sluiten. Totdat ik neerlig en niet meer opsta. Totdat zij mij beschijnt voor de laatste maal zonder dat ik het merk. Totdat mijn as vervluchtigt in haar stralen. Totdat ik ben teruggekeerd in stof dat mij vormde. Dan zal mijn ziel het weten. Mijn ziel zal haar gebed schrijven in de ziel van de Eeuwige, de letters die ontbraken en waarom de Altijdzijnde altijd weende. Ik zal de tranen van Gods aangezicht wissen en ik zal herhalen wat de psalmist heeft geschreven:
“Overdag bewijst de Eeuwige mij zijn liefde,
’s nachts klinkt een lied in mij op,
een gebed tot de God van mijn leven.”
Dan zal ik zijn ingekeerd tot wat ik niet wist, tot Wie ik niet kende.’

Maria de Groot: Het drievoudige pad. Leerling, pelgrim, sterveling. Uitgeverij Elikser, Leeuwarden. ISBN 978 90 8954 894 8 (2016). € 19,50

 

El Niño in ZaterdagMatinee

Al jaren heb ik de gewoonte om in de passietijd een stuk passiemuziek te beluisteren dat ik nog niet kende. Die gewoonte zou zich wel eens kunnen gaan uitbreiden richting Advent. In ieder geval was vandaag de ‘aftrap’ met El Niño van de Amerikaanse componist John Adams (zie foto). Het werd als oratoriumversie (zonder filmbeelden) uitgevoerd in de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw. Het was er al eens eerder te horen geweest, onder leiding van de componist, maar die uitvoering heb ik gemist. Die schade heb ik nu ingehaald.

De magistrale uitvoering was vandaag in handen van het Radio Filharmonisch Orkest, het Groot Omroepkoor (ingestudeerd door Peter Dijkstra) en het Nationaal Kinderkoor (ingestudeerd door Wilma ten Wolde) onder leiding van Markus Stenz. De zonder uitzondering sterke solistenbezetting bestond uit: Joélle Harvey (sopraan), Jennifer Cano (mezzosopraan), Aubrey Allock (bariton), Daniel Brubeck, Nathan Medley en Brian Cummings (countertenoren).

Adams vertelt het verhaal van het kindje (El Niño), en zijdelings ook de storm die naar die naam luistert, vanuit het perspectief van moeder Maria. Hij gebruikte hiervoor niet alleen de klassieke Bijbelteksten uit het Nieuwe Testament, aangevuld met enkele Oudtestamentische teksten, zoals die in één geval ook door Händel werd getoonzet in diens Messiah (‘For thus saith the Lord’), maar ook teksten uit apocriefe Bijbelverhalen en enkele hedendaagse Spaanstalige gedichten.
Daarmee tilt hij het verhaal van de geboorte van het kind Jezus naar een niveau van de geboorte van ‘een’ kind in het algemeen, dat hij als telkens weer een wonder omschrijft.

In de opbouw van het tweedelige werk, dat in 2000 in Parijs in première is gegaan, vielen mij om te beginnen de orkestrale inleidingen op de verschillende, in totaal veertien onderdelen op. Vaak gaat het om toonschilderingen, zoals wanneer sprake is van aartsengel Gabriel, die wordt aangekondigd door een soort nerveus vleugelgefladder in de strijkers. Of de revolutionaire Lofzang van Maria, die wordt ingeleid met wat wel een serie hamerslagen lijkt.

Maar hoe verder het werk vorderde, hoe meer viel mij op dat er, als een diepere laag, sprake is van een dialectische werking. Niet alleen qua instrumentatie, die ronduit geraffineerd is, en waarin zenuwachtigheid binnen een mum van tijd wordt afgewisseld door een lyrische lijn, maar door de tegenstellingen die ook in de tekst voor komen en worden uitgebuit. Heden en verleden staan zo tegenover elkaar (ook in de remiscenties aan bijvoorbeeld de koebellen bij Mahler), maar worden opgeheven met het oog op de toekomst. Bijvoorbeeld in het door vijfenveertig bloedmooi zingende meisjesstemmen gezongen slotkoor, zoals ik het maar zal noemen: het beroemde gedicht Een palmboom van Rosario Castellanos, de Mexicaanse dichteres en ambassadeur in Israël. Hierin buigt een palmboom door de wind en knielt zo om het kind te aanbidden, als in een gebaar van gebed voor de (komende) Messias. Prachtig!

Kunst, religie en samenleving

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfreeWaar gaat het heen binnen de vier levenssferen die René Gude in zijn Het agoramodel – de wereld is eenvoudiger dan je denkt (uitgeverij ISVW) beschrijft? Privé, privaat, publiek en politiek, met kunst, religie en samenleving, met het vreemde en het eigene in een wereld waar Nederland onmiskenbaar deel vanuit maakt? Ik schreef er eerder over in een column voor een NVMB-Nieuwsbrief die ik hier t.g.v. het verschijnen van het boek van de filosoof Gude (zie foto) en een lezing over hem op 15 september a.s. (zie onderaan) in iets geupdate versie herplaats.

 

Kunst en wereldreligies
Laten we klein beginnen. Want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunst en wereldreligies, hoe je het ook wendt of keert, een marginale rol in de Nederlandse samenleving spelen. Het ontregelende dat beide cultuuruitingen zouden moeten aankleven, willen zij een daadwerkelijke functie in de openbare ruimte hebben, is vaak teruggebracht tot esthetische vraagstellingen over het schone – het eerste element in de platonische trits het schone, ware en goede.

Damien Hirst_For the love of GodDat was zo toen het platina afgietsel van een mensenschedel, ingelegd met diamanten, onder de titel For the Love of God van Damien Hirst (zie afb. rechts) in het Amsterdamse Rijksmuseum viel te zien. Het bood niet een blik op de vergankelijkheid en kwetsbaarheid van het leven, als op een Vanitasschilderij, maar bleef ook aan de buitenkant met perfecte, niet door de tijd aangetaste diamanten en gebleekte tanden. In die zin past het kunstwerk perfect in een tijdsgewricht waarin een menselijk lichaam door cosmetische ingrepen, liposuctie en facelift, geen sporen van veroudering meer lijkt te mogen tonen. En we in de toekomst volgens de gerontologe Andrea Maier zelfs 130 jaar zouden kunnen worden. We leven in een tijd waarin kopieën voor kunst worden versleten, wat op zich veel interessants oplevert, al waarschuwde Magritte nog zo door expliciet onder zijn afbeelding van een pijp te zetten: Ceci n’est pas une pipe.

Dat was ook zo bij de installatie van Joris Staal tijdens de tentoonstelling Recht voor zijn raap van het Centraal Museum in Utrecht. Vanaf het dak van het museum, naast de Nicolaikerk, klonk vijf keer per dag een oproep tot het islamitische gebed. Staal hoopte primair op een debat op straat, maar oogstte uiteindelijk meer waardering voor het esthetische aspect van zijn werk.

Ook het idee om te komen tot zogenaamde lokjoden, een voorstel van Ahmed Marcouch, berust op het concept van een kopie. In beide gevallen, van Staal en Marcouch, loste het debat op in goede aanzetten tot een gesprek zonder dat er wat veranderde. Zo’n opzet heeft pas zin als iedereen een hoofddoek of een keppeltje gaat dragen, zoals in de Tweede Wereldoorlog er Denen waren die een jodenster op hun jas speldden. Het vreemde is dan eigen geworden.

Kunst en religie maken zichzelf pas waar, als ze gaan waarover ze horen te gaan: over vragen van leven en dood (de schedel van Hirst!), over een kier waardoor de werkelijkheid achter de rauwe realiteit van alledag, voorbij de economische kloof tussen de eerste, tweede en derde wereld zichtbaar wordt. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop. Een richeltje inzicht’, noemde de protestantse predikant Henk Vreekamp dat eens. Waarop een vakgenoot aanvulde: ‘Maar dit moet wél geschieden.’

De kunst en het leven
Als je beide uitspraken bij elkaar voegt, ontstaat het ware, het tweede element in de platonische trits. Hierin doen – zoals de film Copie conforme laat zien – de kunst en het leven er zelf toe. De hoofdpersoon James Miller (William Shimell) laat zich uit over het eigen leven dat je moet leiden, Elle (Juliette Binoche) zoekt bevestiging van haar eigenheid na een ontmoeting op een pleintje in een Toscaans dorpje, de bakermat van de renaissance. Nog afgezien van het deze wat clichématige uitwerking is de boodschap van de film het overdenken meer dan waard: de impact van wat de w/Werkelijkheid is of – al dan niet in kopievorm – voorstelt.

Barnett Newman_CathedraMaar deze kunnen wij niet altijd aan of durven wij niet altijd onder ogen te komen. Zijn het niet juist díe kunstwerken die het ware, deze w/Werkelijkheid tonen die worden vernield, zoals Cathedra van Barnett Newman? (zie afb. links). Omdat het een w/Werkelijkheid is die niet op zichzelf staat, maar uitnodigt tot een gesprek, zoals in aanzet de azan (gebedsoproep) en de klokken van de belendende kerk in Utrecht op de momenten dat ze tegelijk klonken, of op een pleintje in San Gimignano?

Deze vormen van kunst, religie en (samen)leven zetten de ramen naar de buitenwereld op een kier, incorporeren voorbeelden uit het verleden en andere culturen in het heden met oog op een hoopvolle toekomst waarin stem en tegenstem niet dissoneren. Waarin niet alleen financiële markten zijn geïntegreerd, maar waarin een Iraanse filmregisseur op een Italiaanse markt die als Griekse agora, als een plaats van ontmoeting fungeert, Europese renaissance(denk)beelden tot leven wekt. Aan de ene kant benadrukt hij door het gebruik van de Italiaanse taal ook nog eens de eigen identiteit van de regio, maar aan de andere kant laat hij zijn personages ook Engels spreken, de taal van de globalisering bij uitstek. Dat er ook nog Frans wordt gesproken, drukt des te meer uit dat de wereld klein is.

Kunst, religie en samenleving
Het is de kunst- en literatuurkritiek van de collegae van James Miller die bij uitstek, na primair goed gekeken, geluisterd en gelezen te hebben, zou kunnen bemiddelen tussen kunst, religie en samenleving. Daarbij uitgaande van wat als ‘vreemd’ kan worden ervaren in die kunst, door de wereldreligies onderling en in de samenleving. Met als doel dat er empathie ontstaat en iedereen, all over the world zich het vreemde eigen kan maken.

Kunst moet zowel in de religie als in de samenleving ‘infiltreren’ opdat ze zich door haar vreemdheid laten gezeggen, het vreemde stem krijgt, wordt gehoord en gezien. Opdat ze er alle drie door worden verrijkt, zichzelf niet tekort doen en de politiek er niet meer omheen kan als zouden het ‘linkse hobby’s’ zijn.

Hafid BouazzaJe kunt je afvragen of de stem van de kunst niet is verzwakt omdat ze zich niet of nauwelijks engageerde en de samenleving op een veilige afstand hield. Je kunt je evenzeer afvragen of de wereldreligies niet alleen zijn verzwakt omdat ze zich vaak boven hun voorganger verheven voelde (christendom als vervangingstheologie van het jodendom, islam boven jodendom en christendom), maar ook omdat zij op grond van een foute uitleg van het beeldverbod uit het Oude Testament, – waar het niet om (af)beeld(ingen) in algemene zin maar om het verbod op het afbeelden en vooral aanbidden van afgoden gaat -, kunst buiten de deur heeft gewerkt en veelal gehouden. Dat geldt evenzeer voor de islam; Hafid Bouazza (zie afb. hierboven) betoogt in zijn pamflet onder de titel Beelden tot leven wekken (uitg. Querido), zoals de Iraanse regisseur Abbas Kiarostami in zijn film een beeld tot leven wilde wekken, dat het ontbreken van gevoel voor kunst de islam geen ademruimte laat. En tenslotte kun je je afvragen of de Nederlandse samenleving niet is geworden wat zij nu is, vol onvrede en angst voor het ‘vreemde’ en zich louter vastklampend aan het ‘eigene’, omdat ze kunst en religie niet als tegenstem aanvaardt en soms verre van zich werpt met een felheid die je bang te moede maakt. Het kan geen toeval zijn dat juist in deze context verschillende zachte krachten wijzen op het belang van een gesprek tussen kunst, wereldreligies en samenleving, tussen het schone, ware en goede, de eerste, tweede en derde wereld.

Kunstkritiek

Anna TilroeWat de kunstkritiek betreft, is dat bijvoorbeeld de stem van Anna Tilroe (zie foto). Zij stelde in 2008 de tiende Sonsbeek-tentoonstelling samen. Haar doel was, en is, kunst in verband te brengen met de samenleving en er een gesprek in de publieke ruimte over aan te gaan. Met de genoemde tentoonstelling was zij niet langer, om de ondertitel van haar boek uit 2002 aan te halen, op zoek naar een nieuw visioen, maar bood ze niet alleen esthetische gewaarwordingen maar ook ethische implicaties daarvan ter discussie aan. Het begon met een processie waarbij kunstwerken door Arnhem werden gedragen. Een gebruik dat religieus is in de ruime betekenis van het woord. Tilroe was op het spoor ervan gezet door een Japanse processie, maar het idee dat beelden van ouds als het goed is met de cultus van een gemeenschap waren verbonden, was niet ver weg. Met de Franse filosoof Alain Badiou noemde zij dit ‘een gebeurtenis die iets doorbreekt.’ Datzelfde probeerde zij met de kunstwerken zelf die tentoon werden gesteld te bereiken. Kunst die, zoals Tilroe in een interview in Metropolis M (nr. 6/2007) zei, ‘paf, keihard binnenkomt.’ Het was kunst uit alle werelddelen, want eenkennigheid was zij bij het samenstellen van de tentoonstelling niet.

Van haar hand verscheen ook een pamflet, onder de titel De Ja-Sprong, naar een nieuwe vitaliteit in de kunst (uitg. Querido). In dit pamflet stelt Tilroe zich enerzijds te weer tegen de internationale kunstmarkt en vestigt anderzijds haar hoop op de kunst zelf. Niet als autonome kunst, maar als soevereine uiting in een geglobaliseerde wereld. In de kunstwereld is het kapitalisme volgens haar bijna crimineel geworden, of wordt de markt niet door intrinsieke kunstwaarden maar door economische beginselen bepaald.

Leescultuur
Datzelfde geldt voor de leescultuur. De reclame focust wereldwijd op e-books. Om die te kunnen lezen is echter een e-reader noodzakelijk. Maar wanneer iemand bijvoorbeeld een e-book bij Amazon bestelt, is hij automatisch gebonden aan de Kindle van Amazon. Het e-book kan daardoor niet als een handzame kopie van een gedrukt boek (Ceci n’est pas un livre) worden beschouwd. De astrofysicus, beeldend kunstenaar en publicist Vincent Icke beroept zich in een artikel in NRC Handelsblad (6 augustus 2010) dan ook niet alleen op de boeken van Spinoza in zijn boekenkast omdat die niet in sommige gevallen ‘anoniem vanaf grote afstand kunnen worden gewist zonder dat wettelijke garanties dat verbieden’, maar ook omdat vorm en inhoud bij hem één zijn in die zin dat Spinoza, maar ook een andere grote gigant uit de renaissance, Shakespeare ‘en de rest (…) schitterende dingen hebben geschreven over vrijheid. Op papier.’

Monika Van PaemelDe hiervoor genoemde denkers uit heden en verleden zijn gelukkig niet de enigen die hun stem, een tegenstem laten horen. De Vlaamse schrijfster Monika Van Paemel (zie foto), die al eerder een pamflet schreef onder de titel Te zot of te bot (uitg. Querido) kwam met een boek onder de titel Een intieme geschiedenis (uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep). Net als Tilroe en Icke stelt zij zich te weer tegen vercommercialisering en vluchtigheid. In dit geval van de hedendaagse roman, ongetwijfeld in gedrukte vorm. Van Paemel spreekt zich uit over een gedeeld verhaal, een inclusieve geschiedenis, over het leven in alle facetten, zowel in esthetische als ethische zin. ‘Een intieme geschiedenis’ die niet de tijdsgeest weerspiegelt zoals de kunstwerken van Hirst en Staal, maar vergezichten biedt, door de kier van een muur, een raam met uitzicht zoals de film van Kiarostami die biedt. Dit maakt dat de literaire roman niet beperkt blijft tot een vermelding in een nationale canon, maar deel uitmaakt van wereldwijd gedragen, gemeenschappelijk bezit, tot gezamenlijk cultureel erfgoed. De roman is per definitie vreemd én eigen en biedt lezers de gelegenheid zich het vreemde eigen te maken. Je herkent je eigen verhaal en laat je verrijken door dat van een ander. Op die manier biedt de roman via de kunstkritiek, via het openbare debat ruimte voor een vruchtbare dialoog. Zodat iedereen erdoor wordt aangesproken en niemand, ook in de politiek niet, erom heen kan.

In perspectief
DeLillo_Vallende manEen roman die dit bij uitstek doet, en waarin alle hiervoor gesignaleerde aandachtspunten worden samengebald, is Vallende man (uitg. Anthos/Manteau, zie afb.) van Don DeLillo. De kleine, intieme geschiedenis van de hoofdpersoon, Keith Neudecker – we eindigen ook weer klein –, weerspiegelt de gebeurtenissen op 9/11. De performances van de schoonspringer, die van gebouwen springt, zijn een kopie van de val van de man op de beroemde, iconische foto van Richard Drew. De ex-vrouw van Neudecker, Lianne weet niet met deze performances om te gaan. Net zo goed als zij de Arabische muziek van haar onderbuurvrouw na 9/11 niet meer kan verdragen en daarmee de buurvrouw afwijst. Deze muziek staat symbool voor het vreemde, dat zij zich niet eigen kan en wil maken. De vraag is of zij in de Nature morte, de stillevens van Morandi ook een kopie van de werkelijkheid na 9/11 ziet, of dat deze gelijk bij Newman symbool staan voor het goede – het derde een laatste element in de platonische trits – waarop Lianne lijkt te hopen en daadwerkelijk, met vallen en opstaan aan wil werken. De hoop schuilt in de opvoeding die Lianne hun zoontje Justin (de rechtvaardige) geeft. Onder andere wanneer ze hem meeneemt naar een demonstratie. Zo voegt zij de daad bij het woord en gloort een kiertje licht, een weinigje hoop.

Hetzelfde geldt voor de laatste zin van het boek. Hierin beschrijft DeLillo dat Keith Neudecker niet langer zoals tot dan toe als in een film een overhemd uit de lucht naar beneden ziet vallen, maar ook dat hij niet van steen is en opeens tot zijn bewustzijn door laat dringen dat er uit de mouwen van dat overhemd armen steken, ‘armen die zwaaiden als iets wat in dit leven ondenkbaar is.’

Het is zoals pianist/dirigent Daniel Barenboim tijdens zijn Nexus-lezing 2010, De ethiek van de esthetiek het verwoordde: de kloof tussen verstand en levensvraagstukken is gedicht. Maar tussen kopie en ultieme Werkelijkheid moet altijd een kiertje blijven bestaan. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop, een richteltje inzicht.’ Opdat niets wordt dichtgemetseld, er ruimte blijft om te ademen en het vreemde tot zijn recht kan komen. In die ruimte, op dat pleintje ontmoeten mensen uit de hele wereld, uit alle culturen elkaar. Om samen het vreemde en eigene in perspectief te zien.

Op 15 september opent het Huis van de Levenskunst in Tuindorp Oostzaan (Amsterdam) weer zijn deuren. Het gaat deze keer opnieuw over de filosoof René Gude uit Amsterdam-Noord die vorig jaar is overleden. Hij was vanaf 2013 Denker des Vaderlands. Trinus Hibma, predikant van de Bethelkerk, zal enkele belangrijke punten uit zijn werk presenteren en met de aanwezigen daarover praten.

Plaats: Huis van de Wijk de Evenaar, Kometensingel 189, Amsterdam.
Tijd: donderdag 15 september van 14.00 tot 16.00 uur.
Toegang gratis. € 2 voor consumpties.

 

Cultuur die een spiegel voorhoudt

Maya_MexicoN.a.v. de Maya-tentoonstelling in het Drents Museum in Assen schreef ik al eerder een, inmiddels van een naschrift voorziene blog: https://elsvanswol.nl/?p=1180. In 2000 schreef ik bovendien in de rubriek Literatuursignalering voor de NVMB-Nieuwsbrief ook over de Maya’s, n.a.v. het boek The untold story of the Ancient Maya van Linda Schele en David Freidel. Ik meldde toen dat wat hier wordt verteld, zich kan spiegelen aan enkele recente boeken en ideeën. Ik stipte een paar items aan, die ik hier in het kader van de tentoonstelling in Assen opnieuw publiceer. Ze benadrukken de actualiteit van het denken van de Maya’s.

Eerste spiegel
De eerste spiegel vormt het boek De flexibele mens van socioloog Richard Sennett. ‘In zijn boek’, schrijft Gerbert van Loenen in Trouw (17 mei 2000), ‘beschrijft Sennett wat de nieuwe, flexibele economie doet met het karakter van mensen (…). Sennett stelt de vraag of dit ook echt een wenselijk karakter is. Alleen relaties waarin mensen hun zwakte tonen en op elkaar durven te steunen, scheppen vertrouwen.’
De Maya’s hebben dat ‘sociale kapitaal’ van de samenleving al begrepen. Zij hadden er ook een beeld voor: dat van maïs, dat zichzelf niet kan uitzaaien, maar daar de hulp van de mens voor nodig heeft. Ongeacht of het om een boer of een koning ging, in de Mayasamenleving was sprake van één sociaal verband, zoals Schele en Freidel niet nalaten telkens te benadrukken, al was er een hiërarchie. Maar dat is volgens Sennett juist positief; het huidige teamwerk vindt hij – conform de kop van het artikel van Van Loenen in Trouw – een ‘toneelstuk.’
Sennett ziet dit als keerzijde van de flexibilisering – in tegenstelling tot bijvoorbeeld prof. dr. Arjen van Witteloostuijn, hoogleraar algemene economie in Groningen, die in een lezenswaardig boekje over De nieuwe economie een zijns inziens negatief rijtje opsomt: ‘lage lonen, flexibele contracten, tijdelijke banen, hiërarchische verhoudingen.’ Daar tegenover stelt hij ‘hoge lonen, vaste contracten, duurzame loopbaanpaden [waar ook Sennett voor is, EvS] en werknemersmedezeggenschap.’
Het zijn van die ongenuanceerde rijtjes, waar de Maya’s ook dol op waren en zoals Aart Brouwer er ééntje opsomde in een essay in De Groene Amsterdammer (20 mei 2000): ‘hardheid, zelfstandigheid, realisme, geslotenheid, hiërarchie, rationaliteit’ wat staat voor mannelijke eigenschappen tegenover zogenaamde vrouwelijke als ‘empathie, zorgzaamheid, gevoelswarmte, communicatie, egalitarisme, opofferingsgezindheid.’

Tweede spiegel
Maïs – om daar naar terug te keren – stond bij de Maya’s symbool voor het leven, dat zij zich complementair voorstelde: in het ene deel leefden zijzelf, in het andere geestelijke wezens. Dit doet denken aan de ideeën die natuurwetenschapper Margaret Wertheim neerlegde in haar boek  De hemelpoort van cyberspace – de tweede spiegel.
Hierin wordt onderscheid gemaakt tussen een spirituele en een fysieke ruimte. Een soortgelijke cultureel-religieuze inbedding gaf Wertheim al eerder in haar boek De broek van Pythagoras. Maar deden de Maya’s dat óók niet? Net zoals ze kosmologie en geschiedenis op elkaar betrokken, terwijl Sennett ervoor waarschuwt dat ‘de flexibele mens’ verleden en toekomst verloochent. Ook in dat opzicht kunnen we van de Maya’s leren, die in Copán bijvoorbeeld tempels over oudere tempels heen bouwden, zonder de eerste eerst af te breken.

Terecht trekken Schele en Freidel fel van leer tegen mensen die de Maya’s ongenuanceerd als totaal ongeciviliseerd willen kenschetsen. Zij gebruikten daar onder andere het argument voor dat de Maya’s ons probleem van bijvoorbeeld kindsoldaten zeker als barbaars zouden hebben gekenschetst. Al valt daar ook wel wat tegenin te brengen, onder andere met betrekking tot bloedoffers en lichaamsverminkingen, toch blijft het een cultuur die ons een spiegel voor kan houden.

Wat mooi is, waar en goed

Column untitled_KruipAfgelopen zondag zong de Oude Kerkgemeente in Amsterdam bij het afscheid van ds. Eddy Reefhuis een nieuw gezang:

Wat mooi is, waar en goed
dat zoeken wij, daarvan spreken wij
in veel verschillende talen.
Zo zet Gij ons gezegend op weg,
uw toekomst tegemoet.

Een lied op tekst van Mirella Klomp en muziek van Christiaan Winter. Het ware, schone en goede – het was alsof we de leer van Plato bezongen.

Iets eerder had Marcel Barnard tijdens een korte lezing in het kader van datzelfde afscheid de lof bezongen van Column untitled van Germaine Kruip, die al in het kader van een tentoonstelling die afgelopen week werd geopend, in de kerk was opgetrokken (zie afb.). Als het donker invalt, wordt de zuil gedurende de loop van de expositie (t/m 27 maart 2016) aangelicht, wat een prachtig effect geeft. ‘Hij is’, zei Barnard, ‘een slanke editie van de Toren van Babel’, om aan te sluiten bij die verschillende talen uit het lied.

Vandaag rolde De Groene Amsterdammer in mijn bus. En op één of andere manier geven twee stukken daarin uiting aan het onbehagen dat mij was overvallen bij zowel het zingen van bovenstaand lied, als bij het als ‘Toren van Babel’ benoemen van het overweldigend mooie kunstwerk van de door mij al jaren zeer bewonderde Germaine Kruip.

Het eerste las ik in de column Boodschap van Niña Weijers. Zij citeert daarin op een gegeven moment de Amerikaanse schrijver en criticus William H. Gass: ‘Als we een roman willen begrijpen moeten we hem volgens Gass proberen te begrijpen zoals we een ander mens zouden proberen te begrijpen: om hem, niet om iets anders’. Dat geldt wat mij betreft ook voor de zuil van Germaine Kruip: proberen te begrijpen wat zij met dit autonome, abstracte, minimalistische enz. enz. kunstwerk wil zeggen. In een andere taal, dat wel. Maar daar houdt de associatie op, want het is méér dan dat.

Het tweede stuk dat ik in De Groene Amsterdammer van 26 november las, was een ingezonden stuk van de theoloog Dick Boer, een zielsverwant, ‘wat’ – zoals hij mij eens mailde – ‘natuurlijk niet per se betekent dat wij het in alles eens zijn’. Maar nu zeker wel. Hij schrijft naar aanleiding van de briefwisseling tussen Yvonne Zonderop en Stephan Sanders in De Groene: ‘Zonderop heeft het over studenten die hun geloof kenmerken als een “tegenverhaal”. Dat ‘tegen’ moet dik worden onderstreept’.

Geldt dat eigenlijk ook niet voor ons zingen – vanuit het feit dat we de toekomst alleen tegemoet kunnen gaan als we ook weet hebben van alles wat tegen het ware, schone en goede ingaat, en van mensen die lijden aan het leven en twijfelen of God ze wel gezegend op weg zet? Natuurlijk, in één vers kun je dat allemaal niet benoemen, maar misschien wél iets van mee laten klinken. En geldt dat ook niet voor kunst: een tegenstem in de kerk? Te benaderen en beoordelen op zijn eigen merites, in dit geval als een slanke zuil untitled, zonder het meteen te annexeren? Ik vraag maar.

http://oudekerk.nl/nl/programma/nu
http://marcelbarnard.nl/weblog.php