Surfen én de diepte in

Jan Weissenbruch – private collection. Title: View of the Grote Markt, Haarlem, with numerous townsfolk strolling along the statue of Laurens Jansz. Coster in front of the St. Bavo. Date: c. 1856-1870. Materials: oil on canvas. Dimensions: 80.5 x 109 cm. Sold by Christie's, Amsterdam, on October 27, 1998. Source: http://artmight.com/Artists/Weissenbruch-Jan-Hendrik/Weissenbruch-Johannes-Jan-View-on-the-market-of-Haarlem-Sun-252436p.html/(mode)/search/(keyword)/jan+weissenbruchBAL211296 Organ, 1686 (mixed media) by Lairesse, Gerard de (1640-1711) mixed media Westerkerke, Amsterdam, The Netherlands French, out of copyright

In de VPRO Gids #41 (8 t/m 14 oktober 2016) staat een artikel van Rolf Hermsen onder de titel: ‘Surfen of de diepte in?’ Daarin schrijft de auteur onder meer dat ‘de romantische nadruk op het verticale (oorsprong en afkomst, verdieping en verhoging) plaats maakt voor een nadruk op het horizontale (verbindingen tussen dingen en gebeurtenissen die zich, tegelijkertijd, overal ter wereld kunnen voordoen). Oppervlakkigheid in de meest letterlijke zin dus, maar onlosmakelijk verbonden met het begrip oppervlakkigheid, dat staat voor “gebrek aan diepgang”. Alleen is het dan geen gebrek meer, get it?
Laten we in enkele recente, een komende tentoonstelling en een film duiken om te kijken of dit waar is.

Zeker, er valt een horizontaal verband te bespeuren tussen de tentoonstelling van Jan Weissenbruch (1822-1880, zie afb. links) in het Teylers Museum in Haarlem (t/m 8 januari 2017) en die van Gerard de Lairesse (1641-1711, zie afb. rechts) in het Rijksmuseum Twente in Enschede (t/m 22 januari 2017). Weissenbruch wordt wel ‘de Vermeer van de 19de eeuw’ genoemd, De Lairesse ‘de Nederlandse Poussin.’ Allemaal kunstenaars die streefden naar een ideaalbeeld van de werkelijkheid. De één zocht het in stadsgezichten en pleinen die geïdealiseerd werden weergegeven en worden bevolkt door figuurtjes uit het dagelijks leven in een tijd waarin de modernisering oprukte. De ander zocht het in Griekse mythologie met dito schonen en een enkele aan de realiteit ontleende vrouwfiguur uit het dagelijks leven.
De overeenkomst zit ook nog in het feit dat Weissenbruch pleinvrees had en De Lairesse door syfilis een misvormd gezicht. Psychologie van de koude grond kan verder het werk doen.

Een ‘romantische nadruk op het verticale’ vinden we op dit moment terug in de film Florence Foster Jenkins. Een film die verhaalt over het leven van de gelijknamige legendarische New Yorkse erfgename en socialite die een zangcarrière voor ogen had. Door – alweer – syfilis was ze niet in staat zelf te horen dat ze verschrikkelijk vals zong. Haar man, de Engelse aristocraat St. Clair Bayfield, koopt recensenten om dit níet te vermelden. Ze doen het op één na, die zich niet laat omkopen en de waarheid vermeldt. De fantasie kan het werk verder doen.

Hermsen besluit zijn artikel naar aanleiding van een aflevering van VPRO Tegenlicht (zondag 9 oktober, 21.05-22.00 uur) met een korte impressie over het werk van Renzo Martens. Hij is bezig met een grensverleggend kunstproject in Congo, in samenwerking met de architecten van OMA. Hij spreekt volgens de auteur ‘geen ondiepe woorden, een religieuze tekst bijna: weten wat goed en slecht is, ergens in geloven, gevolgd door zendingsdrang en missiewerk. Kunst als religie, daar zit wat in.’

marinus-boezem_oude-kerkMooie voorbeelden van dit laatste biedt sinds enkele jaren het tentoonstellingsprogramma van de Oude Kerk in Amsterdam. Ik waag de conclusie dat hier een verbinding wordt gelegd tussen het verticale (verdieping en verhoging), en het horizontale (tussen dingen en gebeurtenissen). Neem de komende tentoonstelling van Marinus Boezem (1934) (24 november 2016 t/m 26 maart 2017). Hij tovert de kerk om tot een verticaal labyrint en gaat ervan uit dat de architectuur – volgens een persbericht – ‘de mens voor even uit zijn aardse bestaan lijkt op te tillen.’
En laat hij daarbij nu gebruik maken van een gordijn (zie afb.), zo’n repoussoir als De Lairesse veelvuldig schildert om een toneelmatig kader om zijn schilderijen aan te brengen. Een element dat de classicistische schilder lijkt overgenomen te hebben uit de renaissance. Zal er bij Boezem een inhoudelijke connotatie aan worden verbonden? In ieder geval verdelen ze de ruimte zowel horizontaal als verticaal. Wat voor uitwerking dit straks op de bezoeker heeft, is nog even afwachten, maar dat de hedendaagse kunst het onderscheid tussen verticaal en horizontaal doorbreekt (surfen en de diepte in wat mij betreft dus) lijkt me haast buiten kijf.

 

Consequent en consistent

michael-ryan_the-observer-is-the-observedMisschien zal de schilder Michael Ryan raar opkijken als hij zou lezen dat ik zijn doek The observer is the observed een spiegeling vind van het romandebuut De consequenties van Niña Weijers. Zowel qua vorm als inhoudelijk. Laten we eerst het schilderij wat nader bekijken (zie afb., privécollectie).

Linksboven is een spiegel, of zijn de sponningen van een raam afgebeeld. Rechtsboven zweeft een broos, Redon-achtig gezicht, of is het een foetus? Onderaan staat een vaas met wat wel paarse anemonen lijkt, een stilleventje à la Jawlensy.

Dan de roman. Weijers vertelt het verhaal van Minnie Panis, een zoals zij wordt genoemd twee maanden te vroeg geboren, ‘ondermaats kind’ met een al even – stel ik mij zo voor – broos gezichtje als rechtsboven op het schilderij. Minnie is performancekunstenares. Door haar kun je jezelf als in een spiegel, of in het glas van een raam zien. Zoals het verhaal zich gaandeweg spiegelt, of in negatief als een foto toont. The observer is the observed.

Minnie laat voor haar project Nothing Personal al haar bezittingen verkopen, omdat ze haar liefdesverdriet weerspiegelen. Gemis is het sterkste gevoel dat ze kent. Daar draait Minnies leven om: missen, existeren, verdwijnen. En daar lijkt het in het schilderij van Ryan ook om te draaien. Er bestaat maar één oplossing: zichtbaar worden door niet zichtbaar te zijn.
Of zoals wetenschapper Robbert Dijkgraaf het in de laatste aflevering van de NTR-serie Kijken in de ziel van Coen Verbraak zei: ‘Ik ben er wel, maar ik ben er niet.’ Levend in een innerlijke wereld achter de werkelijkheid van alle dag. Slechts de schaduwen ervan kunnen door zijn omgeving worden waargenomen, wat een eenzaam gevoel geeft. Maar omdat uitzicht, om dat inzicht gaat het.

Voor een ander project huurt Minnie een fotograaf in om haar gedurende drie weken onzichtbaar te volgen, niet in te grijpen (in die tijd zakt ze bewust door het ijs, wat hij van een afstandje gadeslaat) maar alles wél vast te leggen. Dit is de uiterste consequentie van Minnies kunstopvatting: te verdwijnen. Verdwijnen in het zwarte gat van het wak, als het ware verdwijnen in de zwarte verf van het schilderij zoals de broze figuur rechtsboven bij Ryan.

Minnie spiegelt haar werk niet alleen aan dat van Marina Abramovic en, blijkens een essayistische inlas (All is falling) in een ander lettertype, maar ook aan Bas Jan Ader, die van de aardbodem is verdwenen, en van wie alleen de zeilboot restte, zoals op het schilderij alleen een bosje bloemen. Aders moeder is ‘niet onbekend met de meer ongrijpbare kanten van het leven; de grillige patronen die zich uittekenen als rivieren in een landschap, de spiegels en verdubbelingen, de talloze onzegbare dingen die onder de oppervlakte van het concrete schuilen. Toen ze droomde en daarna dichtte over de dood van haar zoon op zee had ze deze droom dan ook herkend voor wat hij was: een aankondiging van slecht nieuws.’

Is het vreemd dat de eigenares van het doek van Ryan ook een bewonderaarster is van het werk van Ader? En: zou ze het romandebuut van Wijers kennen? Het past allemaal in elkaar. En dat is niet alleen consequent, maar voor alles consistent.

Kunst, religie en samenleving

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfreeWaar gaat het heen binnen de vier levenssferen die René Gude in zijn Het agoramodel – de wereld is eenvoudiger dan je denkt (uitgeverij ISVW) beschrijft? Privé, privaat, publiek en politiek, met kunst, religie en samenleving, met het vreemde en het eigene in een wereld waar Nederland onmiskenbaar deel vanuit maakt? Ik schreef er eerder over in een column voor een NVMB-Nieuwsbrief die ik hier t.g.v. het verschijnen van het boek van de filosoof Gude (zie foto) en een lezing over hem op 15 september a.s. (zie onderaan) in iets geupdate versie herplaats.

 

Kunst en wereldreligies
Laten we klein beginnen. Want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat kunst en wereldreligies, hoe je het ook wendt of keert, een marginale rol in de Nederlandse samenleving spelen. Het ontregelende dat beide cultuuruitingen zouden moeten aankleven, willen zij een daadwerkelijke functie in de openbare ruimte hebben, is vaak teruggebracht tot esthetische vraagstellingen over het schone – het eerste element in de platonische trits het schone, ware en goede.

Damien Hirst_For the love of GodDat was zo toen het platina afgietsel van een mensenschedel, ingelegd met diamanten, onder de titel For the Love of God van Damien Hirst (zie afb. rechts) in het Amsterdamse Rijksmuseum viel te zien. Het bood niet een blik op de vergankelijkheid en kwetsbaarheid van het leven, als op een Vanitasschilderij, maar bleef ook aan de buitenkant met perfecte, niet door de tijd aangetaste diamanten en gebleekte tanden. In die zin past het kunstwerk perfect in een tijdsgewricht waarin een menselijk lichaam door cosmetische ingrepen, liposuctie en facelift, geen sporen van veroudering meer lijkt te mogen tonen. En we in de toekomst volgens de gerontologe Andrea Maier zelfs 130 jaar zouden kunnen worden. We leven in een tijd waarin kopieën voor kunst worden versleten, wat op zich veel interessants oplevert, al waarschuwde Magritte nog zo door expliciet onder zijn afbeelding van een pijp te zetten: Ceci n’est pas une pipe.

Dat was ook zo bij de installatie van Joris Staal tijdens de tentoonstelling Recht voor zijn raap van het Centraal Museum in Utrecht. Vanaf het dak van het museum, naast de Nicolaikerk, klonk vijf keer per dag een oproep tot het islamitische gebed. Staal hoopte primair op een debat op straat, maar oogstte uiteindelijk meer waardering voor het esthetische aspect van zijn werk.

Ook het idee om te komen tot zogenaamde lokjoden, een voorstel van Ahmed Marcouch, berust op het concept van een kopie. In beide gevallen, van Staal en Marcouch, loste het debat op in goede aanzetten tot een gesprek zonder dat er wat veranderde. Zo’n opzet heeft pas zin als iedereen een hoofddoek of een keppeltje gaat dragen, zoals in de Tweede Wereldoorlog er Denen waren die een jodenster op hun jas speldden. Het vreemde is dan eigen geworden.

Kunst en religie maken zichzelf pas waar, als ze gaan waarover ze horen te gaan: over vragen van leven en dood (de schedel van Hirst!), over een kier waardoor de werkelijkheid achter de rauwe realiteit van alledag, voorbij de economische kloof tussen de eerste, tweede en derde wereld zichtbaar wordt. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop. Een richeltje inzicht’, noemde de protestantse predikant Henk Vreekamp dat eens. Waarop een vakgenoot aanvulde: ‘Maar dit moet wél geschieden.’

De kunst en het leven
Als je beide uitspraken bij elkaar voegt, ontstaat het ware, het tweede element in de platonische trits. Hierin doen – zoals de film Copie conforme laat zien – de kunst en het leven er zelf toe. De hoofdpersoon James Miller (William Shimell) laat zich uit over het eigen leven dat je moet leiden, Elle (Juliette Binoche) zoekt bevestiging van haar eigenheid na een ontmoeting op een pleintje in een Toscaans dorpje, de bakermat van de renaissance. Nog afgezien van het deze wat clichématige uitwerking is de boodschap van de film het overdenken meer dan waard: de impact van wat de w/Werkelijkheid is of – al dan niet in kopievorm – voorstelt.

Barnett Newman_CathedraMaar deze kunnen wij niet altijd aan of durven wij niet altijd onder ogen te komen. Zijn het niet juist díe kunstwerken die het ware, deze w/Werkelijkheid tonen die worden vernield, zoals Cathedra van Barnett Newman? (zie afb. links). Omdat het een w/Werkelijkheid is die niet op zichzelf staat, maar uitnodigt tot een gesprek, zoals in aanzet de azan (gebedsoproep) en de klokken van de belendende kerk in Utrecht op de momenten dat ze tegelijk klonken, of op een pleintje in San Gimignano?

Deze vormen van kunst, religie en (samen)leven zetten de ramen naar de buitenwereld op een kier, incorporeren voorbeelden uit het verleden en andere culturen in het heden met oog op een hoopvolle toekomst waarin stem en tegenstem niet dissoneren. Waarin niet alleen financiële markten zijn geïntegreerd, maar waarin een Iraanse filmregisseur op een Italiaanse markt die als Griekse agora, als een plaats van ontmoeting fungeert, Europese renaissance(denk)beelden tot leven wekt. Aan de ene kant benadrukt hij door het gebruik van de Italiaanse taal ook nog eens de eigen identiteit van de regio, maar aan de andere kant laat hij zijn personages ook Engels spreken, de taal van de globalisering bij uitstek. Dat er ook nog Frans wordt gesproken, drukt des te meer uit dat de wereld klein is.

Kunst, religie en samenleving
Het is de kunst- en literatuurkritiek van de collegae van James Miller die bij uitstek, na primair goed gekeken, geluisterd en gelezen te hebben, zou kunnen bemiddelen tussen kunst, religie en samenleving. Daarbij uitgaande van wat als ‘vreemd’ kan worden ervaren in die kunst, door de wereldreligies onderling en in de samenleving. Met als doel dat er empathie ontstaat en iedereen, all over the world zich het vreemde eigen kan maken.

Kunst moet zowel in de religie als in de samenleving ‘infiltreren’ opdat ze zich door haar vreemdheid laten gezeggen, het vreemde stem krijgt, wordt gehoord en gezien. Opdat ze er alle drie door worden verrijkt, zichzelf niet tekort doen en de politiek er niet meer omheen kan als zouden het ‘linkse hobby’s’ zijn.

Hafid BouazzaJe kunt je afvragen of de stem van de kunst niet is verzwakt omdat ze zich niet of nauwelijks engageerde en de samenleving op een veilige afstand hield. Je kunt je evenzeer afvragen of de wereldreligies niet alleen zijn verzwakt omdat ze zich vaak boven hun voorganger verheven voelde (christendom als vervangingstheologie van het jodendom, islam boven jodendom en christendom), maar ook omdat zij op grond van een foute uitleg van het beeldverbod uit het Oude Testament, – waar het niet om (af)beeld(ingen) in algemene zin maar om het verbod op het afbeelden en vooral aanbidden van afgoden gaat -, kunst buiten de deur heeft gewerkt en veelal gehouden. Dat geldt evenzeer voor de islam; Hafid Bouazza (zie afb. hierboven) betoogt in zijn pamflet onder de titel Beelden tot leven wekken (uitg. Querido), zoals de Iraanse regisseur Abbas Kiarostami in zijn film een beeld tot leven wilde wekken, dat het ontbreken van gevoel voor kunst de islam geen ademruimte laat. En tenslotte kun je je afvragen of de Nederlandse samenleving niet is geworden wat zij nu is, vol onvrede en angst voor het ‘vreemde’ en zich louter vastklampend aan het ‘eigene’, omdat ze kunst en religie niet als tegenstem aanvaardt en soms verre van zich werpt met een felheid die je bang te moede maakt. Het kan geen toeval zijn dat juist in deze context verschillende zachte krachten wijzen op het belang van een gesprek tussen kunst, wereldreligies en samenleving, tussen het schone, ware en goede, de eerste, tweede en derde wereld.

Kunstkritiek

Anna TilroeWat de kunstkritiek betreft, is dat bijvoorbeeld de stem van Anna Tilroe (zie foto). Zij stelde in 2008 de tiende Sonsbeek-tentoonstelling samen. Haar doel was, en is, kunst in verband te brengen met de samenleving en er een gesprek in de publieke ruimte over aan te gaan. Met de genoemde tentoonstelling was zij niet langer, om de ondertitel van haar boek uit 2002 aan te halen, op zoek naar een nieuw visioen, maar bood ze niet alleen esthetische gewaarwordingen maar ook ethische implicaties daarvan ter discussie aan. Het begon met een processie waarbij kunstwerken door Arnhem werden gedragen. Een gebruik dat religieus is in de ruime betekenis van het woord. Tilroe was op het spoor ervan gezet door een Japanse processie, maar het idee dat beelden van ouds als het goed is met de cultus van een gemeenschap waren verbonden, was niet ver weg. Met de Franse filosoof Alain Badiou noemde zij dit ‘een gebeurtenis die iets doorbreekt.’ Datzelfde probeerde zij met de kunstwerken zelf die tentoon werden gesteld te bereiken. Kunst die, zoals Tilroe in een interview in Metropolis M (nr. 6/2007) zei, ‘paf, keihard binnenkomt.’ Het was kunst uit alle werelddelen, want eenkennigheid was zij bij het samenstellen van de tentoonstelling niet.

Van haar hand verscheen ook een pamflet, onder de titel De Ja-Sprong, naar een nieuwe vitaliteit in de kunst (uitg. Querido). In dit pamflet stelt Tilroe zich enerzijds te weer tegen de internationale kunstmarkt en vestigt anderzijds haar hoop op de kunst zelf. Niet als autonome kunst, maar als soevereine uiting in een geglobaliseerde wereld. In de kunstwereld is het kapitalisme volgens haar bijna crimineel geworden, of wordt de markt niet door intrinsieke kunstwaarden maar door economische beginselen bepaald.

Leescultuur
Datzelfde geldt voor de leescultuur. De reclame focust wereldwijd op e-books. Om die te kunnen lezen is echter een e-reader noodzakelijk. Maar wanneer iemand bijvoorbeeld een e-book bij Amazon bestelt, is hij automatisch gebonden aan de Kindle van Amazon. Het e-book kan daardoor niet als een handzame kopie van een gedrukt boek (Ceci n’est pas un livre) worden beschouwd. De astrofysicus, beeldend kunstenaar en publicist Vincent Icke beroept zich in een artikel in NRC Handelsblad (6 augustus 2010) dan ook niet alleen op de boeken van Spinoza in zijn boekenkast omdat die niet in sommige gevallen ‘anoniem vanaf grote afstand kunnen worden gewist zonder dat wettelijke garanties dat verbieden’, maar ook omdat vorm en inhoud bij hem één zijn in die zin dat Spinoza, maar ook een andere grote gigant uit de renaissance, Shakespeare ‘en de rest (…) schitterende dingen hebben geschreven over vrijheid. Op papier.’

Monika Van PaemelDe hiervoor genoemde denkers uit heden en verleden zijn gelukkig niet de enigen die hun stem, een tegenstem laten horen. De Vlaamse schrijfster Monika Van Paemel (zie foto), die al eerder een pamflet schreef onder de titel Te zot of te bot (uitg. Querido) kwam met een boek onder de titel Een intieme geschiedenis (uitg. Atheneum-Polak & Van Gennep). Net als Tilroe en Icke stelt zij zich te weer tegen vercommercialisering en vluchtigheid. In dit geval van de hedendaagse roman, ongetwijfeld in gedrukte vorm. Van Paemel spreekt zich uit over een gedeeld verhaal, een inclusieve geschiedenis, over het leven in alle facetten, zowel in esthetische als ethische zin. ‘Een intieme geschiedenis’ die niet de tijdsgeest weerspiegelt zoals de kunstwerken van Hirst en Staal, maar vergezichten biedt, door de kier van een muur, een raam met uitzicht zoals de film van Kiarostami die biedt. Dit maakt dat de literaire roman niet beperkt blijft tot een vermelding in een nationale canon, maar deel uitmaakt van wereldwijd gedragen, gemeenschappelijk bezit, tot gezamenlijk cultureel erfgoed. De roman is per definitie vreemd én eigen en biedt lezers de gelegenheid zich het vreemde eigen te maken. Je herkent je eigen verhaal en laat je verrijken door dat van een ander. Op die manier biedt de roman via de kunstkritiek, via het openbare debat ruimte voor een vruchtbare dialoog. Zodat iedereen erdoor wordt aangesproken en niemand, ook in de politiek niet, erom heen kan.

In perspectief
DeLillo_Vallende manEen roman die dit bij uitstek doet, en waarin alle hiervoor gesignaleerde aandachtspunten worden samengebald, is Vallende man (uitg. Anthos/Manteau, zie afb.) van Don DeLillo. De kleine, intieme geschiedenis van de hoofdpersoon, Keith Neudecker – we eindigen ook weer klein –, weerspiegelt de gebeurtenissen op 9/11. De performances van de schoonspringer, die van gebouwen springt, zijn een kopie van de val van de man op de beroemde, iconische foto van Richard Drew. De ex-vrouw van Neudecker, Lianne weet niet met deze performances om te gaan. Net zo goed als zij de Arabische muziek van haar onderbuurvrouw na 9/11 niet meer kan verdragen en daarmee de buurvrouw afwijst. Deze muziek staat symbool voor het vreemde, dat zij zich niet eigen kan en wil maken. De vraag is of zij in de Nature morte, de stillevens van Morandi ook een kopie van de werkelijkheid na 9/11 ziet, of dat deze gelijk bij Newman symbool staan voor het goede – het derde een laatste element in de platonische trits – waarop Lianne lijkt te hopen en daadwerkelijk, met vallen en opstaan aan wil werken. De hoop schuilt in de opvoeding die Lianne hun zoontje Justin (de rechtvaardige) geeft. Onder andere wanneer ze hem meeneemt naar een demonstratie. Zo voegt zij de daad bij het woord en gloort een kiertje licht, een weinigje hoop.

Hetzelfde geldt voor de laatste zin van het boek. Hierin beschrijft DeLillo dat Keith Neudecker niet langer zoals tot dan toe als in een film een overhemd uit de lucht naar beneden ziet vallen, maar ook dat hij niet van steen is en opeens tot zijn bewustzijn door laat dringen dat er uit de mouwen van dat overhemd armen steken, ‘armen die zwaaiden als iets wat in dit leven ondenkbaar is.’

Het is zoals pianist/dirigent Daniel Barenboim tijdens zijn Nexus-lezing 2010, De ethiek van de esthetiek het verwoordde: de kloof tussen verstand en levensvraagstukken is gedicht. Maar tussen kopie en ultieme Werkelijkheid moet altijd een kiertje blijven bestaan. ‘Een kiertje licht, een weinigje hoop, een richteltje inzicht.’ Opdat niets wordt dichtgemetseld, er ruimte blijft om te ademen en het vreemde tot zijn recht kan komen. In die ruimte, op dat pleintje ontmoeten mensen uit de hele wereld, uit alle culturen elkaar. Om samen het vreemde en eigene in perspectief te zien.

Op 15 september opent het Huis van de Levenskunst in Tuindorp Oostzaan (Amsterdam) weer zijn deuren. Het gaat deze keer opnieuw over de filosoof René Gude uit Amsterdam-Noord die vorig jaar is overleden. Hij was vanaf 2013 Denker des Vaderlands. Trinus Hibma, predikant van de Bethelkerk, zal enkele belangrijke punten uit zijn werk presenteren en met de aanwezigen daarover praten.

Plaats: Huis van de Wijk de Evenaar, Kometensingel 189, Amsterdam.
Tijd: donderdag 15 september van 14.00 tot 16.00 uur.
Toegang gratis. € 2 voor consumpties.

 

Voorsmaak van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

Eli Content_The creation of manMomenteel ben ik het boek Reflecties. 25 kunstwerken en 24 filosofen van Onno Zijlstra en Wensy Janssen aan het lezen. Het is een originele inleiding in de esthetica, het  onderdeel van de filosofie dat zich bezighoudt met kunst en schoonheid. Telkens gaat één concreet kunstwerk in gesprek met het denken van een bepaalde filosoof. De auteurs hopen dat hun reflecties een aanzet geven tot het zelf bedenken van eigen combinaties tussen een kunstwerk en een filosofie.

Vandaag ben ik aangekomen bij het hoofdstuk ‘Utopie: Content en Marcuse.’ Hierin gaat het kunstwerk The creation of man (zie afb.) in gesprek met ‘de filosoof van de kritische studenten van ‘68’: Herbert Marcuse. Maar de auteurs ontkomen er hier, maar ook elders in het boek niet aan, om ook uit de Bijbel te citeren. In dit geval aan een tekst uit Jesaja:

Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een kleine jongen zal ze hoeden.

Juist op de dag dat ik dit hoofdstuk lees, gaan mijn gedachten terug naar de Bijbelpassage die vanmorgen in de Oude Kerk in Amsterdam werd gelezen (Lucas 14:7-14), en die ongetwijfeld door de aanhangers van de theologie van het socialisme in de jaren ’60 van de vorige eeuw met Marcuse in de hand is uitgelegd:

Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft,
vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren,
in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen.
Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit.
Dan zult u gelukkig zijn.

Twee rijtjes van vier: respectievelijk het establishment en de onderkant van de samenleving, waarbij Jezus de partijganger van de tweede groep is. Een sabbatsmaal, een feestmaal als voorsmaak van hoe het zal, en moet zijn. Geworteld in verhalen uit Tenach, zoals die van Jesaja. Het avondmaal is een oefenen daarin, zoals ds. Hans Uytenbogaardt opmerkte.

‘Marcuse’, schrijven Zijlstra en/of Janssen, ‘vindt het nier irreëel op een gelukkige samenleving te hopen. Niet omdat te verwachten is dat een uitgebuite, verarmde arbeidersklasse in opstand zal komen, maar omdat veel mensen walgen van de tegenstelling tussen de geweldige rijkdom [het eerste rijtje van vier, EvS], ook aan kennis en technische middelen, aan de ene kant en aan de andere kant de uitbuiting, honger en armoede in de wereld’ [het tweede rijtje van vier, EvS].

Zijlstra en Janssen schrijven dat we ‘met verbeelding onze wereld kunnen humaniseren. Er is al fantasie voor nodig om in te zien dat al die zaken die ons noodzakelijk lijken dat helemaal niet zijn; we kunnen anders met onze rijkdom omgaan. Om te bedenken hoe is ook weer fantasie nodig.’ Marcuse schijnt in dit verband Schiller bij te zijn gevallen: ‘Wat wij nu als schoonheid zien, zal eens werkelijkheid zijn.’

Soms kan echter niet alleen filosofie en literatuur maar ook de Bijbel helpen ons een beeld van die komende werkelijkheid te vormen. Als voorsmaak van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Philippe Claudel en Torgny Lindgren

Philippe ClaudelIn mijn MA-scriptie over het kwaad in de filosofische studie Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel (zie foto), had ik twee paragrafen opgenomen waarin ik de verwantschap aantoonde met respectievelijk de roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren en met de techniek van het drama-in-het-drama van Shakespeare. In het kader van information overload heb ik deze twee paragrafen er in de herziene versie uitgehaald. Ik presenteer beide hier achtereenvolgens als blog. Dit is de eerste: over Claudel en Lindgren. Mede t.g.v. de publicatie van een nieuwe roman van Claudel: De boom in het land Toraja.

In de roman van Lindgren speelt het verhaal ook in een dorpje in – ditmaal is het duidelijk aangegeven – Zweden. Al zou Noord-Norrland overal kunnen liggen en zal het om het even zijn of het zo heet. Ook hier zijn er twee hoofdpersonen: een vreemdeling die zich voordoet als een vluchteling uit Duitsland, en journalist Bertil. Tegen de laatste groeit steeds meer weerstand. Uiteindelijk wordt hij, gelijk de Anderer bij Claudel, met messteken om het leven gebracht. De vluchteling blijkt oorlogsmisdadiger Martin Bormann (1900-1945) te zijn, die Zweden niet zoals de Anderer met paard en ezel binnentrok, maar wel met een “eigenaardig vervoermiddel”.[1] Het landschap van Zweden beantwoordt aan diens gemoedstoestand en staat er model voor.

Ook Lindgren speelt, net als Claudel, met de noties ‘werkelijkheid’ en ‘waarheid’. Eén van de personages bij Lindgren plaatst Gösta Berling (een figuur uit Lars Högström van Selma Lagerlöf) bijvoorbeeld zelfs in de werkelijkheid. Lindgren vraagt zich af of er in de werkelijkheid wel gebeurtenissen voorkomen. En of deze van voor naar achter moeten worden verteld. Er is een waarheid die moet worden gezegd. Maar die moet eerst worden begrepen, voor je er iets belangrijks over kwijt kunt.

Veel kan op papier worden gezet, maar sommige dingen, zoals het recept voor balkenbrij, niet. Dat valt buiten de geordende, gecultiveerde maatschappij. Just Maser, de vluchteling, wil in het boek van Lindgren de kunst van het maken ervan machtig worden, maar het lukt hem niet. Veel zou ook schadelijk kunnen zijn als het wordt opgeschreven. Wat de journalist bij Lindgren niet opschrijft, is waar Brodeck bij Claudel juist voor is aangesteld: om alles over wat groeit en bloeit te noteren.[2] Veel kan worden gezegd, maar sommige smart is, gelijk bij Claudel, woordloos. Maar als het lukt wél iets aan het papier toe te vertrouwen, is de auteur volkomen vrij. De journalist schrijft met zijn geheugen. En op de bodem daarvan bevindt zich wat je genade kunt noemen. Men vraagt zich in het dorp af of de journalist ergens verslag van moet uitbrengen. Van de vluchteling misschien, die nauwlettend door Bertil in de gaten wordt gehouden? De hoofdzaak is dat er wordt geschreven, niet wat er op papier komt.[3]

Het uiteindelijke punt bij Lindgren is niet zozeer het verschil tussen werkelijkheid en waarheid, maar echtheid. En dat is zeldzaam, als het al bestaat. We zijn als mensen aangewezen op enkel de weerschijn van het directe gebeuren. We moeten genoegen nemen met de gebaren van degene die zag, met het verhaal zoals bij Claudel. Lindgren neemt zijn toevlucht tot het idee van de grot bij Plato. Het ergste daarbij is “de goddeloze splitsing tussen actieve en deelnemende waarnemers en verstoten en versmade getuigen en toeschouwers (…), de zonde tegen de vanzelfsprekendheid”.[4]

Bertil neemt het zichzelf kwalijk dat hij niet werkelijk heeft gezien en, gelijk Brodeck, alles uit de tweede hand gewaar werd. Dat hij met andere woorden moest interpreteren in plaats van zien. Hoop wordt geput uit de cyclus van de seizoenen; aan het eind van het boek verschijnen kraanvogels als hoopvol teken. De vrouw van Bertil vindt eindelijk de berg, de Avaberg, waar ze het hele boek naar op zoek was. Op de kaart én in werkelijkheid. En ze is in staat Bertil de vrijheid in het leven en de vreugde van het scheppen terug te geven. Bertil die van de burgemeester de opdracht kreeg om zijn verslaglegging te staken, omdat hij steeds meer waarheid en verzinsel door elkaar begon te halen.

Wat er met de moordenaar van Maser gebeurt, valt te voorspellen en wordt niet opgeschreven. (Hij valt ten prooi aan longtering; ziekte als straf).


[1] Bormann was na de Tweede Wereldoorlog lange tijd onvindbaar, tot men in 1972 zijn gebeente vond in de Berlijnse Tiergarten. Vreemde vervoermiddelen staan centraal in dertien biografieën die Lex Veldhoen schreef onder de titel Markante reizigers (Rotterdam 2016). Het betrof onder meer spionnen.
[2] Met enige fantasie kun je de rol van de journalist bij Lindgren vergelijken met het Boek der Natuur, dat leidt tot natuurwetenschappelijke en filosofische kennis, en die van Brodeck – getuige ook zijn belangstelling voor boeken uit de collectie van de Anderer – tot het Boek der Schriftuur, dat leidt tot openbaringskennis. Vrij naar Pieter J.D. Drenth, Religie en wetenschap; beide onder vuur (26 april 2016, Thomaskerk, Amsterdam).
[3] Vergelijk met de joodse opvatting van Lernen: de hoofdzaak is dat er Talmoed wordt gelernd, niet in functionele zin, maar om het Lernen zelf.
[4] Tony Lindgren, Het ultieme recept (Amsterdam 2005) 205. De nazi’s duldden geen getuigen, zodat het onze plicht is om te getuigen. Dat is de boodschap van de film Son of Saul (regisseur Lásló Nemes, 2015). Feigenbaum, één van de personages, is zich bewust van de noodzaak zijn ervaringen op te tekenen en zo voor de wereld te bewaren. De in 2016 overleden overlevende van Sobibor Jules Schelvis, vond het als mede-aanklager in het proces tegen kampbewaarder John Demjanjuk zelfs belangrijker dat de wereld weet wat er is gebeurd dan dat hij straf kreeg opgelegd. Wel moest hij veroordeeld worden. Marcel Wiegman, ‘Een leven in het teken van Sobibor’, Leeuwarder Courant (5 april 2016). Deze humanistische opvatting is verwant aan wat Adriana Leter in een interview met Colet van der Ven zegt: “Een mens straf zichzelf door het verkeerde te doen”. Colet van der Ven, Van oude mensen … De twintigste eeuw weerspiegeld in twintig levensverhalen (Baarn 1997) 49.

Wijsheid

Gast-huis AmsterdamHet was alweer de laatste keer Talmoed-lezen van dit seizoen, in het Amsterdamse Gast-huis (zie foto). Het zou een bijzondere middag worden.
We lazen uit Pirké Avot (Spreuken der Vaderen). En of het nu uit de tekst zelf voortkwam, of dat het een associatie was, weet ik eigenlijk achteraf niet meer.

In ieder geval ging het op een gegeven moment over de vraag of er nu wel of niet iets vóór de schepping van hemel en aarde bestond. De meningsverschilen waren groot en heftig. De één liet zich duidelijk kennen als Verlichtingsdenker en ontkende dit ten zeerste. Het denken van een ander was gedrenkt in de mystiek en stond hier lijnrecht tegenover. These en antithese, als bij Hillel en Sjammai. Maar tot een synthese kwam het niet.

‘Het lege midden’ (Theo Witvliet, naar Karl Barth) werd volgebouwd, zodat er geen plek meer open bleef. Of toch niet? Op een gegeven moment werd met zachte hand een opening aangebracht; een derde verhief zijn stem. En is het niet altijd de derde die het hem doet, zoals bij Levinas? Hij had het over twee verschillende talen, twee vormen van verbeelding. Over twee werkelijkheden van verschillende aard, twee verhalen. We moeten de voorbeeldige discussietechniek van de Talmoed bezigen. Het laatste woord is nog niet gezegd. Wat dat wordt, moet je open houden.

En hoe het nu met datgene van vóór de schepping zit? Een mogelijk antwoord hoorde ik vanmorgen. Uit Spreuken 8:22-31, waarin de wijsheid zelf het woord neemt:

De HEER heeft mij vóór al het andere verworven, toen Hij Zijn scheppingswerk begon, schiep hij eerst mij. Ik ben in het begin gemaakt, nog voor alles er was, nog voor de aarde vorm kreeg. Toen er nog geen oceanen waren, werd ik voortgebracht, nog voor de bronnen met hun waterstromen. Toen de bergen nog niet waren neergezet, werd ik voortgebracht, nog voor er heuvels waren.
De aarde en de velden had de HEER nog niet geschapen, geen korrel zand was nog gemaakt. Ik was erbij toen Hij de hemel zijn plaats gaf en een cirkel om het water trok, de wolken aan de hemelkoepel plaatste, de oceanen bruisend op zich liet wellen, toen hij aan de zeeën grenzen stelde, het water met Zijn woord zijn plaats gaf, de fundamenten van de aarde legde.
Ik was Zijn lieveling, een bron van vreugde, elke dag opnieuw. Ik was altijd verheugd in Zijn aanwezigheid, vond vreugde in Zijn hele aarde en was blij met alle mensen.

Deze blog verscheen ook in: GM (Gast-huismagazine) nr. 102 (sept. 2016) p. 6.

Traces de mémoire

Dirck Volkertsz. CoornhertSemprun

De Openbare Bibliotheek Amsterdam heeft in de Top-10 van aanwinsten een verhandeling van de zestiende-eeuwer Dirck Volkertsz. Coornhert (zie afb. links) staan: Zedekunst, dat is wellevenskunste (1586). Een verhandeling over ethiek en het leiden van een deugdzaam leven. Ik heb, sinds Coornhert mij werd aanbevolen door de docente Nederlands aan het Hervormd Lyceum in Amsterdam, altijd wat met hem gehad. In Wervelingen schreef ik eerder o.a. over hem (zomer 2008). Die column herplaats ik hier met toestemming.

Ik heb eigenlijk ook altijd al wat gehad met ‘lieux de mémoire’, het nationale geheugen dat herinneringen aan een locatie en het nationale erfgoed verbindt. In de Gevangenpoort zoeken naar het vertrek waar Coornhert gezeten heeft. In Rijnsburg staan in de kamer waar Spinoza z’n lenzen sleep en zijn Ethica schreef.
Daarom heb ik de discussie over De Boom van Anne Frank destijds met veel belangstelling gevolgd: een boom die ‘figureert in een wereldberoemde getuigenis’, zoals Bas Heijne het in een column in NRC-Handelsblad omschreef.

Heel concreet en beperkt(er) dan de Duitse invulling van het door Pierre Nora gemunte begrip ‘lieux de mémoire.’ In het Duits wordt het woord ‘Ort’ ook als metafoor gezien, waardoor het een hernieuwde kijk op de geschiedenis geeft. Zoiets als het Hebreeuwse woord ‘Makom’ – plaatsen en ruimten, reëel, abstract en imaginair binnen het joodse denken. Gelijk HaMakom, De Plaats, die tot Mokum werd, de eerste onder de plaatsen waar het veilig was.

Zou er niet zoiets als een combinatie mogelijk zijn? Peter van Zilfhout bracht me op het idee toen hij in het tijdschrift Locus berichtte over zijn bezoek aan de Nietzsche-Villa in Weimar. Hij had er zelfs het balkon betreden van waaruit Nietzsche, in een rolstoel zittend, de heuvels rondom had gezien. Zien wat Coornhert zag, zien wat Spinoza zag, zien wat Anne Frank zag, zien wat Nietzsche zag. Alle vier om verschillende redenen in hun bewegingsvrijheid beperkt.

Ik moest er allemaal aan denken toen ik in Friesland op het laantje stond dat Jan Mankes zo vaak heeft afgebeeld – een kunstenaar die door zijn lichamelijke beperking, letterlijk en figuurlijk, dicht bij huis moest blijven en er met andere ogen naar de werkelijkheid om hem heen (en in zichzelf) leerde kijken. Hij moest wel.
Daar staan riep het schilderij van Mankes in mijn herinnering op, daar staand kwam het schilderij tot leven. De kamer van Spinoza, het vertrek van Coornhert, De Boom van Anne, het balkon van Nietzsche en het laantje van Mankes hebben van zichzelf geen betekenis – die geef je er zelf aan. Zoals je aan een Makom een betekenis van vrijheid hecht zonder de zekerheid te hebben dat het waarheid is.

Die betekenis staat volgens Van Zilfhout óók voor het te boven komen van een verlies. Het verlies van (bewegings)vrijheid, het verlies van gezondheid. Van Zilfhout spreekt dan ook liever van ‘traces de mémoire’, sporen van herinnering. Over een bepaalde gevoeligheid, inlevingsvermogen voor de menselijke eindigheid en over poëtische herinnering.
Zoals ik in een herstellingsoord, liggend op mijn bed, als stadsmens heb leren genieten van de zon die op een beukenbast speelde en me opeens herinnerde wat Jorge Semprun (zie foto rechtsboven), overlevende van Buchenwald, in 1944 uitriep bij het zien van een eenzame beuk – naar men zegt de beuk van Goethe – op het terrein van dit concentratiekamp: ‘Wat een mooie zondag!’

Dan dooft het licht …

RamsZe zijn niet hetzelfde, maar ze hebben soortgelijke problemen, zouden dus van elkaar kunnen leren en wat aan elkaar kunnen hebben. Dagblad Trouw bericht vrijdag 13 november een paar pagina’s van elkaar verwijderd over bibliotheek- en kerksluitingen. Voor een ouder bibliotheeklid verdwijnt zo een ontmoetingsplek dicht bij huis, terwijl de Protestantse Kerk Nederland (PKN) het zoekt in bisschoppen op regionaal niveau. Terug naar de basis, is een veelgehoorde kreet. Maar, zegt de verslaggever van Trouw droog (en daarom prefereer ik de krant boven de zure Volkskrant): wat is dat eigenlijk, terug naar de basis, en hoe moet dit worden ingevuld? Dat staat er niet bij.

Een uurtje later zit ik in de bioscoop en zie de IJslandse film Rams (zie afb.). De schaapkudden van twee broers, Gummi en Kiddi, die pal bij elkaar wonen maar al veertig jaar (!) niet meer met elkaar praten, vallen ten prooi aan scrapie en moeten worden geruimd. Het script is losjes gebaseerd op een echt gebeurd verhaal van twee zussen,  verteld aan de schrijver van het script/regisseur van de film door zijn moeder.

Halverwege (of is het op het punt van de gulden snede?) valt de winter in en wordt Kerstmis gevierd. Het christelijke feest met zijn ‘Vrede op aarde’ brengt beide broers niet tot elkaar. En toch komen de broers, al even losjes gebaseerd op Kaïn en Abel, nader tot elkaar. Op een hoogvlakte. ‘Het is symbolisch’ zegt regisseur Grímur Hákonarson in een vraaggesprek met de zaal na afloop van de vertoning van de film in het kader van de Rialto Filmclub. Zoals veel in de film symbolisch is; ik wees al op het getal veertig (veertig jaar in de woestijn enz.).

Hákonarson vertelt meer. Over de cultuur in IJsland, waar het in de winter donker blijft. Over verhalen, saamhorigheid en het op elkaar terugvallen om in donkere tijden, letterlijk en figuurlijk (hij verwijst naar crisissituaties) te kunnen overleven.
Zou dat niet een basis, een grond onder de voeten kunnen zijn: verhalen, christelijk of niet, het Kerstverhaal, dat van Kaïn en Abel die werkelijkheid worden, waaruit wordt geleefd en die gebeuren?
Donkerte heerst dan niet zozeer waar bibliotheken en kerken sluiten, maar waar het verhaal en ontmoetingen uitdoven.

De waarheid hiervan bleek de dag hierna, de zaterdag na de aanslagen in Parijs, toen in een leerhuis van dr. Anton Wessels over Apocalyptiek in de koran (LATE) aan het eind een Marokkaanse moslima het woord nam. Nadat we al een hele ochtend hadden zitten lernen gebeurde het: de trialoog waar de wereld naar smacht.

http://www.trouw.nl/tr/nl/4716/Christendom/article/detail/4185676/2015/11/13/De-protestantse-bisschop-zal-geen-mijter-dragen.dhtml

Als het waar is (II): acht jaar later

Eddy Reefhuis_2Eerder publiceerde ik hier een interview dat ik bij het intrede van Eddy Reefhuis (zie foto) als predikant van de Oude Kerk in Amsterdam met hem had. Hier volgt deel II, het verslag van een gesprek dat ik voerde t.g.v. zijn afscheid op 22 november a.s. (zie onder aan deze blog voor meer gegevens).

Ik maak me steeds meer zorgen voor de joodse wortels in de christelijke eredienst, ook in die van de Oude Kerk. Niet zozeer wat jou betreft, maar bijvoorbeeld soms luisterend naar de voorbeden. Herken je dat?
Na acht jaar heb ook ik de meeste vragen bij de aandacht voor de joodse wortels, niet alleen van onze liturgische, maar van onze hele christelijke traditie.
Wat ik destijds daarvan had geleerd, ben ik niet kwijt geraakt, integendeel. Die respectvolle vrijmoedigheid, en dat het ‘gans andere’ nu juist in onze concrete werkelijkheid zo ‘gans anderspolitiek‘ blijkt, dat is het geheim van het onderlinge geloofsgesprek dat in de laatste jaren in de Oudekerkgemeente op gang is gekomen. Maar dat dat alles joodse wortels heeft – daarvoor is de aandacht meer en meer verdwenen. Interne discussie over wat dan ‘echt joods’ zou wezen, en toenemende wrijving over de politiek van de staat Israël, hebben ernstig afbreuk gedaan aan de belangstelling daarvoor. En voor volgende generaties is de vervolging en systematische moord op joodse landgenoten steeds meer een ver in plaats van een huiveringwekkend nabij verleden.

Is de dialoog, of misschien inmiddels trialoog (inclusief de islam) daarvoor niet wezenlijk?
Of die aandacht voor de joodse wortels ooit terugkeert via de dialoog tussen kerk en synagoge, weet ik niet. Op dit moment zie ik meer mogelijkheden in de hele actuele interculturele dialoog, waarin een groep als Salam – Sjaloom een belangrijke en vrolijke rol speelt. Nu nog vooral, omdat zij de steeds fellere tegenstelling tussen joden en moslims rondom de Israëlische politiek overbruggen. Maar daarin brengen ze beide hun eigen traditie mee en die is ook nu soms verfrissend anders dan de onze.

In de tijd dat je predikant in de Oude Kerk was, is ook de Nieuwe Bijbelvertaling ingevoerd, wat niet zonder slag en stoot ging; er wordt ook in de Oude Kerk, en vooral van aanhangers van de Amsterdamse School, veel kritiek op geleverd. Op het leerhuis heb je naast kritiek op de NBV ook regelmatig waardering voor deze vertaling geuit. En zelfs de Bijbel in Gewone Taal kwam op tafel. Ben je opgeschoven qua ideeën?
Nou, voor de NBV heb ik altijd naast kritiek ook waardering gehad. Direct al bij de verschijning merkte ik, hoe mensen, lezend in de NBV, soms voor het eerst in zeventig (!) jaar ontdekten, dat de bijbel ook voor hen was. Dat is geen kleinigheid, lijkt me.
Maar terugkijkend op acht jaar Oude Kerk, en ook op ook op meer dan dertig jaar predikantschap, verbaas ik me er vooral over, hoeveel moeite het ook mezelf nog steeds kost om de Bijbeltekst als tekst, als literatuur te lezen. En daarin ben ik misschien eerder meer dan minder Amsterdamse School geworden. ‘De tekst mag het zeggen’ is daar het adagium. En hoever dat reikt, is me in de afgelopen jaren nog veel duidelijker geworden. Mede dankzij de diensten rond kunst in de kerk werd me duidelijk, hoezeer de bijbel zelf ook kunst is, literatuur, die als alle kunst op heel eigen wijze bepaalt hoe ze wil worden verstaan.
Maar als ik over een tekst moest preken, en die zich niet zo gemakkelijk prijsgaf, was het toch moeilijk om geduldig die tekst te blijven volgen, en begon vroeg of laat toch de vraag naar wie God is – over die tekst te heersen.
Daar wil ik nog verder van worden verlost. Bijbellezen, samen met anderen – ja graag.
Maar preken – eerst maar eens een jaartje niet.

Tenslotte wil ik nog een kritische noot met je kraken. Ik vind het jammer dat de afgelopen jaren de Paascyclus aan ingetogenheid verloor, en de liturgie op zondag maar uitdijt met bijvoorbeeld een Hallelujah voor de Evangelielezing waar je vragen bij kunt zetten. Wat is de diepere bedoeling achter dit alles?
Je doelt waarschijnlijk op de veranderde opzet van de Witte-Donderdag-viering, waar we de afgelopen drie jaar hard aan hebben gewerkt. Niet langer de Pesachviering van Jezus met zijn leerlingen als opmaat naar het eigenlijke Pasen, Jezus’ lijden en sterven en zijn opstanding uit de dood; maar de joodse Pesachviering als het kader waarbinnen Jezus met zijn leerlingen, dus ook met ons, zijn eigen lijden en dood durft te vieren als verhaal van bevrijding, van opstanding dus ook. Daardoor is de Witte-donderdag-viering veel uitbundiger geworden. Over de juiste vorm zijn we ook niet uitgedacht. Maar die omkering – Pesach als kader in plaats van als opmaat – daar ben ik erg enthousiast over. Die moeten we niet meer kwijt.
En dan die extra responsies op zondag, met als laatste ‘aanwinst’ het Hallejujah voor het het evangelie – die responsies bevorderen volgens mij, dat de dienst geen eenrichtingverkeer is, maar we die samen doen. Bij dat Hallelujah kun je inderdaad je vragen hebben. Suggereer je daarmee niet toch, dat het Evangelie uiteindelijk de hoogste waarheid is, belangrijker dan Tenach? Voor mij is het Evangelie vooral de verbazing dat deze hoogst bijzondere teksten ook voor buitenstaanders, dus ook voor mij, opengaan. Dat begroeten met het van oorsprong Hebreeuwse maar inmiddels in heel de christenheid en daarbuiten bekend geworden Hallelujah vind ik wel geestig. Maar ik herinner me veel diensten waarin we ook zonder bleken te kunnen. Dus die vragen erbij – vooral stellen.

En aan het eind van het gesprek stelde Eddy Reefhuis mij een vraag terug – dialoog met de teksten en met elkaar hebben we immers meer en meer als de kern van ons leerhuis ontdekt – : hoe kijk jij terug op de afgelopen acht jaar, in het bijzonder op het leerhuis waar je praktisch vanaf het begin aan hebt meegedaan?
Voor mij vallen leerhuis door de week en kerk op zondag niet los van elkaar te zien. Wat beide samenbindt, is dat ik hoop dat er een evenwicht in wordt bereikt tussen gevoel en ratio; dat mijn hart soms even opspringt en dat mijn hersenen op z’n tijd knarsen. Zodat je de week weer door kunt en op iets kunt blijven door kauwen, en in beweging wordt gezet. Tot het zich, naar je hoopt, een volgende keer weer herhaalt. Haast als een ritueel, door de gang van de seizoenen heen.
In het leerhuis kom ik ook om anderen te ontmoeten – werkelijk te ontmoeten. Dat gebeurt niet altijd, en soms wordt je er ook in teleurgesteld, maar áls het gebeurt, levert dat bijzondere momenten op om te koesteren. In de kerk kom ik vooral om (zoals je zelf een keer treffend zei) God te ontmoeten, – God in de eerste plaats (en voor mij meer dan Jezus) en als een ander je tegemoet komt – dat ervaar ik vooral in het gezamenlijk zingen, zelfs fysiek door soms naar elkaar toe te buigen – dan geeft dat een extra dimensie. En als een ander je links laat liggen – ook dat gebeurt -, dan is er de ratio die je tot de orde roept: alla, láát. Het blijft mensenwerk, dat heb ik nooit sterker ervaren dan in de teleurstellende tijd dat ik scriba en kerkenraadslid was. God heeft soms raar grondpersoneel. Ik niet in ’t minst.


De nieuwe hemel komt in de bijbel op aarde. Het is een stad!
In de eerste stad in de bijbel, Babel (of Babylon), doen ze het omgekeerde. Daar willen ze met een toren naar de hemel. Een grote spraakverwarring verhindert dat. En die spraakverwarring is van God gegeven. Want al die verschillende talen geven ruimte aan allemaal verschillende verhalen. In plaats van zich te uniformeren voor een hoger doel waaieren de mensen uit over de aarde om hun eigen weg te zoeken en hun eigen verhaal te vinden.

In Nieuw Babylon is die spraakverwarring niet verdwenen. Nog steeds mogen er verschillende verhalen naast elkaar bestaan en brengen die ook hun eigen taal mee. Maar in Nieuw Babylon nodigt de Oudekerkgemeente ieder die op 22 november a.s. de Oude Kerk komt binnenlopen, uit, niet alleen het eigen verhaal te vertellen maar ook te luisteren naar een ander. Wie weet hoor je een verhaal dat je niet kende, waarvan je de taal niet eens verstaat, en dat je toch raakt en een nieuwe wereld voor je opent, pal voor je neus.

Jeruzalem is de andere stad in de bijbel. Daar wordt erkend dat die verschillen ook tot botsingen leiden en pijnlijk zijn. Maar in Jeruzalem roepen de slachtoffers daarvan niet om wraak maar om verzoening. Gemakkelijk is dat niet. Door de eeuwen heen gaan verzoening en verraad hand in hand. Maar soms ….
Het nieuwe Jeruzalem is, dat die verzoening niet de welhaast onmogelijke taak is die wij mensen moeten volbrengen, maar een onvermoede werkelijkheid die, o wonder, over ons neerdaalt. Voor dat wonder nodigt de Oudekerkgemeente u, samen met haar afscheid nemende predikant, uit om op zondag 22 november a.s. ’s middags de Oude Kerk binnen te lopen en dat te beleven.

Zie voor meer informatie: http://www.oudekerk.nu

De klop op de deur

Alan ArkinEen leeg toneel. Twee mannen wachten op materialen om een niet nader omschreven klus op te knappen. De één, De Recha, vraagt de ander, Lefty, zich te identificeren. Dat kan hij niet. Hij heeft geen papieren. Het wachten gaat verder. De baas stelt voor de tijd goed te besteden door vast droog te oefenen met uitpakken. Lefty is daar niet zo voor, want hij moet structuur hebben in zijn werk. Maar ze beginnen toch: Lefty pakt uit, De Recha streept op een paklijst aan en wordt ongedurig als iets niet klopt. Hij is immers een man van de regels. Er komt van alles uit de kratten: fleece dekens, revolvers … En dingen die Lefty niet eens kan benoemen. Uiteindelijk belanden beide mannen in hun fantasie op een ijskap en worden doodsvijanden. Tot er op de deur wordt geklopt …

Dit is in het kort de inhoud van het toneelstuk Virtual Reality van Alan Arkin (zie foto), dat InPlayers afgelopen week in Amsterdam voor volle, kleine zalen speelden en later in mei nog in Hamburg zullen opvoeren.1)  Twee acteurs die aan elkaar zijn gewaagd, een oudere en een jongere: Brian Andre (De Recha) en Eli Thorne (Lefty). Die razendsnel van sfeer en mimiek kunnen veranderen. Het gaf het Pinter-achtige, absurdistische stuk een grote snelheid en zorgde dat je als toeschouwer ademloos ‘bij de les’ bleef.

Een toneelstuk van nog geen uur waarom ook veel te lachen valt, maar dat in één adem door actuele, diepere lagen aanboort. Het is uiteindelijk de verbeelding die een grote rol speelt. Hardhandig onderbroken door een klop op de deur. De werkelijkheid klopt aan.

CitizenfourDat doet hij ook in de film Citizenfour die 28 mei a.s. in première gaat, maar die ik dank zij Rialto Filmclub al heb kunnen zien. Een film die verder gaat op punten die Virtual Reality aanstipt. Een verre van geestige, maar op z’n minst even absurdistische documentaire over wereldwijde afluisterpraktijken die Edward Snowden (zie afb.) wereldkundig maakte. Prachtig, detaillistisch gefilmde zenuwtrekken van een onderzoeksjournalist die de beklemmende sfeer voelbaar maken. Al even ritmisch in beeld gebracht als Arkin zijn stuk opbouwde. In de film door haast een mantra die Snowden alsmaar herhaalt: zijn angst dat de deur elk moment kan worden ingetrapt.

De volle omvang van de Virtual Reality en van de onthullingen van Snowden zijn nog niet duidelijk. Of zoals Snowden zelf zegt: ‘Ik wil niet in een wereld leven waarin alles wat ik zeg, alles wat ik doe (…) wordt opgetekend.’ Even leek het erop of De Recha zijn potlood zou breken. Maar hij deed het niet …

Virtual Reality – gezien op 15 mei in het Badhuistheater, Amsterdam
Citizenfour – gezien op 8 mei in Rialto, Amsterdam


1) Hier sleepte deze productie tijdens het FEATS Festival (Festival of European Anglophone Theatrical Societies) van twaalf voorstellingen eerste prijzen in de wacht voor de beste mannelijke acteur; licht en geluid; en ook nog eens als geheel.