Fundament van ons menszijn

In een interview door Vrouwkje Tuinman met Wende (Snijders) in het programmaboekje voor de uitvoering van Die sieben Todsünden van Kurt Weill door Wende, Frommermann en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder leiding van de Roemeense dirigent Cristian Măcelaru  (18 en 19 oktober 2018) zegt Wende op een gegeven moment: ‘Ik heb niet de pretentie dat kunst de wereld kan veranderen. Maar door de zwarte kant van de wereld te laten zien (…), geef je toeschouwers een kans te zien wie ze zelf zijn. Dat we als mens een keuze hebben, om met nuance en mededogen naar elkaar te kijken. Om ons hart te openen’.

Het was een rake omschrijving van de drie werken die werden uitgevoerd. Om te beginnen de Nederlandse première van de schitterende Lamentations on the Disasters of War (2006) van Karim Al-Zand en – voor het eerst op de lessenaars van het KCO – de Suite uit De neus van Sjostakovitsj. En dan na de pauze het al genoemde werk van Weill, ook in een eerste uitvoering door het KCO.

De omschrijving van Wende, die net als de andere uitvoerenden met een stormachtig applaus door een verre van gevulde zaal werd bedankt, bracht mij naar het al even schitterende boekje Thuis in muziek. Een oefening in menselijkheid van de van origine Poolse, nu in België wonende filosofe Alicja Gescinska. Zij buigt zich over de vraag of muziek de wereld kan verbeteren, wat nog iets anders is dan veranderen. Ze vraagt het aan de Poolse componist Penderecki, en die zegt stellig ‘Nee’. Ze gaat te rade bij de filosoof Scheler, die de vraag bevestigend heeft beantwoord.

Gescinska benadert de vraag net als Wende via empathie (begrip, betrokkenheid), zelfontdekking en –ontplooiing. Ze noemt verschillende voorbeelden om dit te staven, waarvan twee die ik volmondig kan beamen. Ten eerste de muziek van Chopin. ‘In zijn Inleiding tot de sociologie van de muziek zegt Adorno dat iemand al verstopte oren moet hebben om (…) niet te begrijpen dat Chopin ons in zijn Fantasie in f klein vertelt dat Polen nog niet verloren is en als een feniks uit zijn as zal herrijzen (…). De heimwee, de nostalgie, ja Polen zelf’ vervolgt Gescinska ‘in Chopins werk horen, is geen kwestie van Hineininterpretierung, maar van begrip en betekenis.’

Ik kan, als gezegd, dit beamen. Ik had eigenlijk weinig met Chopin, tot ik op een zaterdagochtend eens op de radio een pianostuk van hem hoorde dat insloeg als een bom. Wat het was en wie het speelde (een Poolse pianiste, dat wel) weet ik niet meer, maar wel dat het ten tijde van Solidarność die in de jaren zeventig van de vorige eeuw stakingen organiseerde op de werf  van onder meer Gdánsk, een lieu de mémoire waar ik later eens zou staan. Ik begreep de betekenis die het werk, voelde de heimwee en de nostalgie.

Het tweede voorbeeld dat ik kan beamen, is het klaaglied Muss der Tod denn auch entbinden van Dietrich (tegenwoordig zeggen we Dieterich) Buxtehude, de tekst van Mit Fried und Freud, BuxWV 76. Hij componeerde het na de dood van zijn vader. Wanneer je dit weet, schrijft Gescinska, ‘dan verkrijgen die verklankte tranen voor ons de diepgang van elk groot kunstwerk dat ons troost in tristesse doet vinden’. Ik weet niet of mijn vader en ik die achtergrond wisten, toen we het niet lang na het overlijden van mijn moeder hoorden tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht, gezongen door Emma Kirkby, maar ook zonder dat kwam het van de eerste tot de laatste noot bij ons binnen.

Gescinska eindigt haar boek met de constatering dat mensen muziek maken, maar dat muziek ook mensen maakt. ‘We zouden opnieuw moeten aanknopen bij het besef dat muziek geen ornament, maar een fundament van ons menszijn is, waardoor inzicht in de muziek ook inzicht in ons bestaan verschaft. Muziek is naast een bron van ontspanning en uitleving ook een vruchtbare vorm van inspanning en inleving. De vrucht daarvan is begrip; zowel van onszelf als van de wereld rondom.’

Loek Zonneveld en William Shakespeare

De afgelopen week overleden theaterrecensent, auteur, docent en dramaturg Loek Zonneveld schreef veel over Shakespeare. Als het een toneelopvoering betrof, die ik zelf ook heb gezien, omdat ik al een kaartje had of er naar aanleiding van zijn recensie alsnog kocht, heb ik de voorbeschouwingen en/of recensies bewaard.

Het eerste is een achtergrondartikel over Driekoningenavond (de Groene Amsterdammer, 5 augustus 2005). Een mooie, klassiek opgebouwde bespreking. Eerst gaat het over de ‘scheur in het werk van William Shakespeare’ en de rol die de nar daarbinnen speelt: grappig en, na 1600, droevig. Dan over Twelfth Night zelf, ‘een donkere komedie over de liefde’, en tenslotte over de opvoeringsgeschiedenis van de laatste tijd in Nederland.
Leve de Groene die Zonneveld naast dit twee pagina’s omvattende stuk ook apart nog ruimte bood voor zijn recensie van één van de opvoeringen: die in Diever. (Ik zag die van de Theatercompagnie, april 2006 en had toen waarschijnlijk nog geen abonnement op de Groene, want het is een kopie van het artikel dat ik heb bewaard).

We springen zomaar vier jaar verder; ik heb waarschijnlijk inmiddels een abonnement. Naar Romeo en Julia. In zijn recensie in de Groene van 13 februari 2009 vergelijkt Zonneveld twee producties: door Rik Engelkes en van Het Nationaal Toneel, die ik zag. In deze recensie toont hij zich tegendraads, afwijkend van doorsnee opvattingen: ‘Geen dichtgemetselde visie op het stuk (zoals hier en daar wel is gesuggereerd) maar het resultaat van een intelligente en frisse herlezing van de tekst door Zandwijk en haar spelers’ van het RO Theater. Om te concluderen dat zij Shakespeares ‘toneelpoëzie dichter bij een breed publiek brengt’. En ook daar is volgens Zonneveld niets mis mee.

De opvoering van Rosencrantz and Guildenstern are dead in mei 2010 kreeg zelfs in de Groene een recensie in twee delen: 29 april en 6 mei. In het eerste deel schetst Zonneveld, net als bij Diekoningenavond, eerst de achtergrond, in het tweede gaat hij dieper in op het stuk van Tom Stoppard over de twee nevenfiguren uit Hamlet en de opvoering door zijn (en mijn) geliefde ’t Barre Land.

Heerlijk is weer zo’n overzichtsartikel over verschillende opvoeringen van Hamlet in het seizoen 2010-2011 (de Groene, 14 oktober 2010). Hierin constateert Zonneveld dat ‘Hamlet als twijfelaar – een klassieke, goethiaans-romantische visie op de tekst – al geruime tijd geleden bij het grof vuil is gezet’, al haalde een oud-collega van mij hem nog in 1995 van stal in haar scriptie over de receptie van Sjostakovitsj, wat aanleiding gat tot een duelletje tussen ons.
Zonneveld kent zijn klassieken en citeert Jan Kott, terwijl hij er tevens – en wel vaker – op wijst dat Shakespeare Montaigne las. Hij weet deze kennis echter zó in zijn artikelen te verweven, dat het past als een handschoen en niet overkomt als een omgevallen boekenkast.
‘Dé ultieme Hamlet’, schrijft Zonneveld in zijn recensie van de opvoering door Toneelgroep Oostpool (2 december 2010) bestaat niet. Daarom kun je hem telkens en telkens weer zien.

Dat geldt overigens voor de meeste Shakespearestukken. De volgende in het rijtje was de onvergetelijke opvoering van De storm door de Toneelmakerij. Een voorstelling die je ‘vooral en absoluut’ niet mag missen, zoals hij aanstekelijk schrijft. Klopte helemaal!
Het was, memoreerde Zonneveld in de Groene van 23 juni 2011, ‘het seizoen van vóór de Grote Afbraak, dat begon met de reprise van Shakespeares De storm, in de versie van Liesbeth Colthof en Rieks Swarte’. Om dan uit te roepen: ‘Allemaal verdwenen, allemaal weg!’ Achter deze noodkreet stak ik een brief van de directeur van de Koninklijke Schouwburg, dat de internationale productie van Hamlet door Schauspiel Graz in de regie van Theu Boermans, waarvoor ik een kaartje had gekocht, is geannuleerd ‘wegens financiële redenen’…

Een enkele keer besprak Zonneveld ook een boek. Op 22 september 2011 was dat Het Boek 1996-2008. De Paardenkathedraal, en 23 september stond ik in de boekwinkel om het te kopen, mede omdat er een registratie bij was gevoegd van Dirk Tanghe’s onvergetelijke opvoering van de Midsummernightsdream die ik in Utrecht zag en nooit zal vergeten.

Dan komen er enkele seizoenen (2012-2016) waarin ik veel Shakespeare-voorstellingen zag, die Zonneveld niet recenseerde. En dan is er opeens een kritische bespreking van Het verzameld werk van William Shakespeare (ingekort) door Het Nationaal Theater (de Groene, 12 oktober 2017): je krijgt er niets in mee van de veranderende, verrijkte, spitsere, intelligentere, vindingrijker en geestiger omvang met het werk van de Bard, noch met hoe rappers, collectieven (’t Barre Land!) en mensen als Tom Lanoye ‘onze verhouding tot Shakespeare in de voorbije dertig jaar beslissend hebben verbouwd en verspijkerd’.

Dat geldt ook voor de manier waarop tal van niet-westerse en oost-Europese  gezelschappen tegen Shakespeare aankijken; ik zag er heel wat van, Zonneveld (recenseerde) er wat minder van – maar had opeens wel een uitgebreid artikel (de Groene 24 augustus 2017) over de regie van Daria Bukvic van Othello.

Hierna houdt mijn verzameling knipsels over Shakespeare door Zonneveld in de Groene Amsterdammer op, maar gaat verder in William, het magazine voor Shakespeareliefhebbers van het Shakespeare Theater Diever dat ik telkens los koop (een abonnement is onmogelijk): een artikel van zes pagina’s over De getemde feeks (zomer 2017/nr. 10, p. 4-9) onder de kop ‘Ruig’ en een bijna even lang stuk met ‘gedachten bij twee scènes uit King Lear’ (voorjaar 2018/nr. 11, p. 4-7).  Met als afsluiting: ‘Wordt vervolgd’.

Dat laatste zal niet meer gebeuren. Het eerste stuk van Shakespeare dat ik komend seizoen zal zien, is uitgerekend King Lear door Toneelgroep Maastricht (buiten Amsterdam overigens, vreemd genoeg). Het zal ook het eerste zijn waarbij ik niet meer hoef uit te kijken naar een voorbeschouwing of recensie van Loek Zonneveld. Verdrietig maar waar. Daarom zal ik tegen die tijd zijn stuk in William herlezen en proberen met zijn ogen naar deze opvoering te kijken. Wordt vervolgd.

De hoboklank van het Koninklijk Concertgebouworkest

Na de uitvoering van de cantates vier-zes uit Bachs Weihnachtsoratorium, door solisten, het Nederlands Kamerkoor en het Koninklijk Concertgebouworkest in kleine bezetting, op Eerste Kerstdag in het Amsterdamse Concertgebouw, werd veel lof toegezwaaid aan de nieuwe eerste hoboïst van het KCO: de Rus Ivan Podyomov. Inmiddels hoor je al niemand meer klagen over het feit dat die karakteristieke hoboklank uit de Nederlandse Stotijn-school verleden tijd is. Er is iets anders voor in de plaats gekomen: zowel Podoyomov als die andere eerste hoboïst, diens landgenoot Alexei Ogrintchouk studeerden onder meer bij Maurice Bourgue (zie foto rechts). En laat nu mijn oud-hoboleraar Leo van der Lek (foto links), destijds althoboïst van het (nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest, een groot bewonderaar van Bourgue zijn geweest … Zo is de cirkel rond.

Tijdens een les vertelde ik hem, nog niet wetend dat hij bewondering voor de Franse meesterhoboïst had, dat ik in de kleine zaal van het Amsterdamse Concertgebouw een recital van hem had gehoord. Van der Lek was één en al oor en vertelde dat hij hem één van de grootste hoboïsten van dat moment vond, groter dan de meer bekende Heinz Holliger.

Ik heb zulke informatie allemaal ingezogen en gedeeld. Zo kan ik me herinneren dat ik mijn ouders aanspoorden om op een zondagmiddag samen naar een symfonie van Sjostakovitsj te luisteren, die rechtstreeks op de radio werd uitgezonden. De dirigent was niemand minder dan Kirill Kondrashin. Van der Lek had er een grote solopartij in. Op het moment suprême klonk allemaal gekraak en gepiep door de ether; geen storing, maar een verstrooide althoboïst die zijn veer (waarmee condens uit het instrument wordt geveegd) in de buis ervan had laten zitten, met alle gevolgen van dien … Tekenend was, dat Van der Lek de week later gewoon vroeg of ik het concert had beluisterd. En toen ik schoorvoetend knikte, vertelde hoe meelevend de musici om hem heen waren geweest die natuurlijk de schrik om het hart was geslagen.

Toen Van der Lek door had dat ik een grote voorliefde voor de muziek van Joh. Seb. Bach had, zette hij me op het spoor van een afwijkende interpretatie van een deel uit diens Matthäus Passion door dirigent/organist/componist Anthon van der Horst. En ja – ik heb een keer een Kerstuitvoering meegemaakt in het Concertgebouw, waarbij de hobosectie van het Concertgebouworkest de soli speelde in de Weihnachtspastorale uit één van de cantates. De dirigent was als ik mij goed herinner Bernard Haitink.

Hoe trots was Van der Lek toen hij, al wat op leeftijd en volgens de artsen beter niet mee kon gaan op tournee door de Verenigde Staten, een kaartje ter bemoediging kreeg waarop ook de handtekening van Haitink prijkte! Over een eerder tournee door de States had hij eens verteld, dat de hoboïsten het opbindgaren van hun rieten hadden gekozen in respectievelijk rood, wit, blauw. Achtereenvolgens Haakon Stotijn (die communist was), Cees van der Kraan en Van der Lek zelf. Dat zijn leuke anekdotes voor een mens!

Overigens had mijn oud-hoboleraar niet zoveel op met noch de authentieke uitvoeringspraktijk van barokmuziek noch met moderne muziek. Wat niet wegneemt dat hij het prima vond als je een baroksonate van smaakvolle versieringen voorzag, al waren het er naar zijn idee gauw teveel en kon je volgens hem dan door de bomen het bos niet meer zien. Hedendaagse muziek was ook prima. Maar toen ik eens meende toch inmiddels wel toe te zijn aan de prachtige hobosonate van Françis Poulenc, vond hij dat ik eerst die van Paul Hindemith in moest studeren. De componist die eens zijn sonate voor althobo en orgel, die Van der Lek samen met Edward Power Biggs op de plaat had vastgelegd, aan mijn docent had opgedragen. Hij vermeldde dit wel, maar zonder zich ook maar een moment daarop voor te laten staan.

Ook zijn oordelen over moderne muziek waren voorzichtig en sec; je mocht zelf denken wat je ervan vond. Hij ging een keer achter de piano zitten en speelde slechts een enkel akkoord. ‘Dat is alles’ zei hij over Atmosphères van Ligeti, in het midden latend of dit positief of negatief viel te duiden.
Meer uitgesproken was hij toen een medeleerling van hem bezwaren opperde tegen met name de teksten van de cantates van Bach, die Van der Lek ons samen wilde laten spelen; hij moest daarvoor een kwartiertje eerder komen, en ik een kwartiertje langer blijven. Of omgekeerd, dat weet ik niet meer. Van der Lek praatte op hem in, net zolang totdat zijn andere leerling toegaf. Inmiddels is hij een gerespecteerd huisarts en speelt nog steeds hobo in een amateursymfonieorkest waarin ook een oud-collega van mij fagot speelt.

Af en toe kan ik nog wel eens met iemand van gedachten wisselen over Leo van der Lek. Bijvoorbeeld met een dochter van een Nederlandse componist, die zijn overburen waren geweest. De componist – Herman Mulder – had, net als Hindemith, ook een sonate aan Van der Lek opgedragen. Zoals ik dit stukje aan hem opdraag. Het zal hem ongetwijfeld goed hebben gedaan te weten, dat Ogrintchouk en Podoyomov oud-leerlingen van zijn bewonderde Maurice Bourgue zijn, en dat die klank nu de plaats van de Stotijn-school heeft ingenomen.

En laten we ook zijn verre opvolgster als althoboïste, Miriam Pastor Burgos, niet vergeten. Als zij haar instrument aan de mond zet zit ik nog steeds op ’t puntje van mijn stoel, al heb ik mijn eigen hobo inmiddels aan de wilgen gehangen. Kriebelen blijft het.

Nationaal Holocaust Museum i.o.

Majdanek (2009)

Majdanek (2009)

Hervormde Kweekschool

Het is niet de eerste keer dat het me overkomt. Het gebeurde al eerder, toen ik bij het voormalige concentratiekamp Madjanek uit de bus stapte. Een onbetwistbare brandgeur van een barbecue drong mijn neusgaten binnen. Maar het was iets anders: een synesthetische ervaring.

Ik zou wat ik bij een bezoek aan het Nationaal Holocaust Museum i.o. (foto rechts) niet zo willen noemen, maar wat ik hoorde en zag was er niet minder opvallend door. In één van de ruimtes hangt Adressen (2013) van Bart Domburg. Een met een fineliner opgeschreven straatnamen en huisnummers van plaatsen waar joden werden weggevoerd. Een indrukwekkend werk, dat op het moment dat ik ervoor stond door een medewerkster van het museum voorzichtig met een fijne borstel stofvrij werd gemaakt. De zorgvuldigheid waarmee ze het deed raakte me. Evenals een mevrouw die even daarvoor zich al naar de adressen toegebogen stond, en tegen iemand zei: ‘Het danst helemaal.’

Op dat moment schoven twee beelden bij mij over elkaar: dat van de dans waarop de joden in de kampen van de beulen moesten dansen, en die Sjostakovitsj in verschillende composities wrang verklankte. En dat van een hora die ik eens op een avond zag dansen door een moeder en een klein kind in een kibboets in Israël. Statig en naar elkaar toegewend. Uit de ene dans spreekt een ongehoorde droefheid, uit de andere een onuitblusbare hoop. Beide gevoelens bekruipen je als je het nieuwe museum in Amsterdam bezoekt. En dat is ook de bedoeling van de oprichters ervan.

In een andere ruimte hangen negen schilderijen die Jeroen Krabbé schilderde naar aanleiding van het levensverhaal van zijn vermoordde grootvader, Abraham Reiss. Op het laatste ervan is een groepje ganzen afgebeeld, wiens gegak – zoals Jules Schelvis berichtte – de noodkreten van de mensen in de gaskamer moest overstemmen. Ik stond pal voor een geblindeerd raam, waar opeens vogelgeluiden doorheen naar binnen drongen. Vogels uit Artis, dat immers om de hoek aan de overkant van de straat ligt. Het kwam opeens wel heel erg dichtbij en ontdaan ben ik stilletjes weggelopen.

http://www.jck.nl

http://bartdomburg.com/portfolio/adressen-detail/

Symphonie Orkestvereniging Schubert en Karel Mengelberg

Karel MengelbergWoensdag 3 juni wordt de derde Boekman Dissertatieprijs voor Kunst- en Cultuurbeleid uitgereikt (zie: http://www.spui25.nl). Eén van de genomineerde proefschriften is Nederlandse muziek bij Nederlandse symfonieorkesten 1945-2000 van Emanuel Overbeeke (2012).

Uit een deelstudie op dit terrein dat ik een jaar later onder leiding van prof. dr. Jan Hein Furnée uitvoerde, over Symphonie Orkestvereniging Schubert en dirigent Karel Mengelberg (zie foto) neem ik hier enkele gedeelten over.

Programmeren is een vak. De voorzitter van ‘Schubert’ heeft te kennen gegeven door ziekte op te willen stappen. Na wat getrek van de andere bestuursleden blijkt echter dat er een onderliggende reden is: hij zegt weinig verstand te hebben van programmeren. Uit de notulen blijkt namelijk dat het bestuur de programmavoorstellen van de dirigent keurt. Het voorzichtig geopperde idee of leden ook voorstellen voor stukken kunnen indienen, wordt ‘resoluut afgewezen’. Een tussenoplossing, het opzetten van een muziekcommissie, komt ter tafel. Dit lijkt geen goed idee, maar ook hier blijkt de commissie op een gegeven moment gewoon te bestaan. Hieruit blijkt dat het bestuur heeft ‘gewonnen’. Wel een beetje angstig, want ‘Mevrouw Penders [de vice-voorzitter; EvS] wijst er op [dat] we niet té ver buiten ons boekje moeten gaan’.

Het programma van het door de muziekcommissie samengestelde concert bestaat uit werken van naamgever Schubert, namelijk de derde symfonie en diens Ständchen in een niet nader genoemd orkestarrangement, 4 Copla’s van Jan Mul (1911-1970) en de Sinfonia van Lex van Delden (1919-1988). Voorwaar dat de muziekcommissie – en de dirigent – hier hebben gekozen voor een spannend programma, met maar liefst twee werken van eigen bodem! Een prikkelend, zelfstandig genomen besluit als antwoord op de oekaze van het Departement voor Volksvoorlichting en Kunsten, dat in 1940 concertorganisatoren een minimumpercentage aan Nederlandse werken oplegde, en/of een uiting van gezond nationaal sentiment na de Tweede Wereldoorlog?

Toch barst de bom, wanneer wij in de notulen van 12 november 1958 lezen dat ‘de Heer B[ijsterbosch; EvS] in alle vriendschap de Heer M[engelberg; EvS] verantwoordelijk had gesteld [voor iets verder niet nader genoemds; EvS], waarop deze razend was geworden en ons verweten had ook niets te kunnen’. De voor notulen wel erg openhartige conclusie  luidt: ‘Wat moeten we met zo’n dirigent?’. Gesuggereerd wordt hem misschien maar even op een zijspoor te zetten. Dit is niet gebeurd, maar er is wel sprake van ‘misverstanden’. Venijn in de toon blijft, wanneer wordt gezegd dat men het met de keuze van een door Mengelberg voorgedragen soliste, de zangeres [Ann; EvS] Sterrenburg, ‘het natuurlijk niet eens’ is.

Het blijkt een moeizaam iets: het contact tussen dirigent en bestuur, bestuur en dirigent. Af en toe probeert men elkaar ter wille te zijn: een kleine salarisverhoging voor de dirigent, gegevens over Mengelberg in het programmaboekje opnemen (‘vindt grote bijval’) , gratis kaarten van de dirigent richting bestuur voor het gala van de Nederlandse Componisten Bond (Mengelberg was van 1938-1962 eerste secretaris van het Genootschap van Nederlandse Componisten, het GeNeCo).
Is er uiteindelijk sprake van een heetgebakerde dirigent tegenover een krampachtig op de strepen staand bestuur? Dan weer ‘wint’ de één (het bestuur met koorbegeleidingen, het opzetten van een muziekcommissie), dan weer de ander. Met als ‘sabotage’ het op z’n minst keer op keer uitstellen van concerten, omdat men er nog niet klaar voor is of omdat de dirigent het hele programma heeft omgegooid, en in het ergste geval dreigen met liquidatie. Overigens meende een recensent in dit kader heel wrang: ‘De dirigent (…) had moeten weigeren op te treden (…). Of desnoods reorganiseren’. Echter mag niet worden vergeten, dat dezelfde recensent, Y.H. ook de bron van het voortbestaan van het orkest benoemde: ‘doorzettingskracht’, een kenmerk van de houding na de Tweede Wereldoorlog. Dat kenmerk kan zeker de dirigent niet worden ontzegd.

De opbouw van de programma’s kunnen zich meestal spiegelen aan die van andere orkesten, zowel amateur- als beroepsorkesten: een ouverture uit de klassieke periode of een kort stuk uit de barok tot de vroege twintigste eeuw aan het begin, vervolgens een solowerk en na de pauze een symfonie, ofwel van Joseph Haydn ofwel van de naamgever, Franz Schubert. Dat was het hoogst haalbare in die tijd. Pas later, als de techniek van amateurmusici toeneemt, wagen studentenorkesten zich aan het grotere werk van een Mahler en Sjostakovitsj. Een ontwikkeling qua programmering valt er bij ‘Schubert’ overigens verder niet in te bespeuren. Wat wél opvalt, is het ontbreken van Duitse, (laat)romantische muziek en in plaats daarvan een sterke nadruk op de Weense klassieken (Haydn, Beethoven en Schubert) en Frans repertoire: Boieldieu, Thomas, Massenet, Saint-Saëns, Fauré, Widor en Debussy, muziek die Mengelberg al in zijn studietijd bewonderde.
Die voorliefde valt uiteraard geheel te verklaren uit de anti-Duitse stemming die nog heel lang na de Tweede Wereldoorlog heerste. Nederlandse muziek nam een substantieel deel van de programma’s in. Met name van leeftijdgenoten van Karel Mengelberg: traditionalisten als Johan Weegenhuise (1910-2007), de eerder genoemde Jan Mul en Lex van Delden en ook de modernist Kees van Baaren (1906-1970). Ook hierin wijkt de programmering van ‘Schubert’ niet af van andere (beroeps)orkesten die Overbeeke onderzocht.

De dood is een componist

Holbein_AmbassadeursHet is een vreemde gewaarwording. Terwijl Vrije geluiden met violist Linus Roth en pianist José Gallardo me op het spoor zet van de Poolse componist Mieczyslaw Weinberg (1919-1969) en ik me verder in hem verdiep dank zij Brava nl, die een uitvoering van een Pianokwintet door het Valeriusensemble liet horen, en Radio 4, die het openingsconcert van het Internationaal Kamermuziek-festival uitzond met een Pianotrio van Weinberg, lees ik ter recensie het boek De dood van een filosoof van de Duitse filosoof en wiskundige Tobias Hürter. Beide, de muziek en het boek, interfereren op een intrigerende manier met elkaar.

Weinbergs muziek roept bij mij dezelfde gevoelens op als bij Hürter de dood op het schilderij De ambassadeurs van Hans Holbein Jr. (National Gallery, Londen, zie afb.). Op de onderste helft van het doek is een langwerpige structuur afgebeeld. ‘Als je’, schrijft Hürter, ‘er dichtbij staat en het vanuit een scherpe hoek van vijfenzeventig graden bekijkt, herken je er een doodshoofd in (…). De dood maakt deel uit van het schilderij (…), maar op het eerste gezicht hoort hij er niet bij’.

Het is als in de muziek van Weinberg: de dood maakt er onmiskenbaar deel van uit. En ‘op haar beurt raakt de rest van het leven vanuit dit perspectief onherkenbaar verwrongen (…). Om de dood te zien moet je naar de kant. Om het leven te zien, moet je naar het midden’. Mitten wir im Leben sind mit dem Tod umfangen …

Luister naar de prachtige vioolmelodie die opbloeit uit een heftige, door woede, pijn en agressie getekende pianopartij in het Pianotrio. Of naar het Pianokwintet, dat als het even kan nóg heftiger is, meer verwrongen, minder Sjostakovitsj. Of naar de grote eenvoud van het langzame deel uit de Sonatine opus  46 voor viool en piano. Allemaal kleuren op één palet.

Het is zoals Hürter schrijft: de dood ‘enerzijds als een oude bekende (…), anderzijds als een monster (…), machtig en alledaags’ beide. Een ‘geheimzinnige metgezel’ van een man die tijdens de sjoah veel van zijn familie heeft verloren. En ze in zijn bewustzijn zo oproept, gedragen door de onsterfelijke melodieën die hij in al hun eenvoud citeert: volksliedjes, kinderliedjes, joodse wijsjes. De leegte is gevuld met herinneringen.

Der einsame im Herbst

Leo van der LekHet begon op hoboles, bij Leo van der Lek, de bekende althoboïst van het (toen nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest (zie afb.). Hij speelde de hobosolo uit de Zevende symfonie van Beethoven voor, en vroeg mij wat dit was. Toen ik het goed had, mocht ik hem zelf – uit het hoofd, en zonder bladmuziek voor mijn neus, naspelen. En het eindigt met de dirigent Iván Fischer die tijdens een interview met Hans Haffmans ter gelegenheid van zijn uitvoering van de Zevende met het (inmiddels) Koninklijk Concertgebouworkest, januari 2014, iets vertelde over diezelfde hobosolo.

In het laatste nummer van Preludium, het programmablad voor Concertgebouw en Koninklijk Concertgebouworkest (maart 2014), moest ik twee keer aan die hobosolo uit de Zevende symfonie van Beethoven denken.
Dirigent David Robertson eindigt een interview met Floris Don met een vraag en antwoord over de muziek van Mahler. ‘Waarom houden we van Mahler?’, vraagt Robertson zich af. Hij antwoordt: ‘Omdat zijn werk enorme orkestbezettingen vraagt, waaruit opeens één enkele hobo zich losmaakt. Die hoboïst maakt een hartverscheurend eenzame indruk, al wordt hij door honderd collega’s omringt’ (p. 15). Ongetwijfeld dachten Robertson en Don hierbij aan Mahlers Der einsame im Herbst uit ‘Das Lied von der Erde’.

Heel wat pagina’s verder schrijft dezelfde Floris Don over de bewerking die Rudolf Barshaj voor strijkorkest maakte van het Achtste strijkkwartet van Sjostakovitsj. Don schrijft dan: ‘Het contrast tussen gewelddadige klankmassa en eenzame stem wordt hier zo mogelijk nog pregnanter gemaakt dan in het origineel’ (p. 52).

Ik kan me er in beide gevallen iets bij voorstellen, vanuit de context van de tijd. Net als bij Beethoven, in de periode van opkomend individualisme. Volgens Iván Fischer is die hobo aan het begin van Beethovens Zevende symfonie de stem van een individu die volmondig wordt beaamd door een grote groep mensen, het orkest. Het is maar net hoe je het bekijkt. En hoort.

Een vrolijke middag?

massagraf_bijeenkampDaar durfden onze bewakers
te vragen om een lied,
daar vroegen onze beulen:
“Zing voor ons
een vrolijk lied uit Sion”.
Sytze de Vries refereerde aan deze opdracht van de kampbeulen in Psalm 137, in een lezing tijdens ‘een vrolijke middag in de Psalmentuin’ (7 september 2013, Thomaskerk, Amsterdam). Dat was aan het begin van de middag.

Na de pauze refereerde Niek Schuman aan Psalm 88 in een bewerking van Huub Oosterhuis op het wiegende refrein van een middeleeuws kerstliedje. De psalm waarin sprake is van het uitschreeuwen van ellende, als van een gesneuvelde in een massagraf. Onder in de kuil, voor dood gehouden, terwijl lijken op hem worden gegooid, ingesloten door de dood als door water.

Daar tussen die twee psalmen in, en in het wit tussen de regels, resoneerde het mee: het tweede deel uit het Strijkkwartet nr. 8 in c op. 110 van Sjostakovitsj. Die wrange melodie waarop de kampbeulen joden in de kampen van de Tweede Wereldoorlog verplichtten te dansen.
Of zoals Lizzy Sara May in haar boek Wacht u voor de hond schreef: “De Kresjatikstraat bijvoorbeeld: de razzia’s op joden daar; datgene wat mij het meest heeft aangegrepen: een vrouw die met haar twee kleine kinderen probeert te vluchten. Ze wordt tegengehouden door dronken Duitse soldaten. Een van de kinderen wordt door hen onthoofd. De vrouw staat daar als versteend. Dan onthoofden de soldaten ook het tweede kind. De vrouw wordt waanzinnig en begint, terwijl ze de lijkjes tegen zich aandrukt, te dansen”.
Een kampbeul was er niet voor nodig, de dood in de ogen kijken was genoeg. Ook dat zijn de Psalmen. Vrolijk? Nee.

De lezingen van zowel Sytze de Vries als Niek Schuman zijn te downloaden: http://www.boekhandelkirchner.nl/nieuwsbrieven/Nieuwsbrief13sept13.htm