Het zit in een hoekje

Hoe zet je de making of van een muziekstuk, in dit geval de bekende Boléro van Maurice Ravel (1875-1937) om in een film? Een beetje zoals Anne Fontaine dat doet dus. Zij is bekend door onder meer haar film Coco avant Chanel. Het script voor Boléro schrijft ze in samenwerking met Claire Barré en Jacques Fieschi. Ze baseren het op de biografie over Ravel van de bekende Franse musicoloog en Ravelkenner Marcel Marnat.

Wanneer het verhaal insteekt, is Ravel (Raphaël Personnaz) al een beroemd componist. De Russische choreografe Ida Rubinstein (Jeanne Balibar) weet wel wie ze vraagt om nieuwe, gewaagde en sensuele balletmuziek voor haar te schrijven. Die vraag legt een grote druk op de componist en hij komt tot niets. Hij, die de bijnaam ‘horlogemaker’ heeft en een sensueel ballet?

De geboorte van de Boléro

Er zijn vier momenten in de film die de stappen van de geboorte van de Boléro (1928) verbeelden.
Het eerste moment speelt zich af in een fabriekshal. Ida en Maurice horen het ritmisch stampen van de machines. Hij hoort er muziek in, zij niet.
We maken een sprongetje in de tijd. Ravel is op tournee door de Verenigde Staten. Hij hoort er een jazzsaxofonist en je ziet hem denken: dát zijn ze, die – wat hij noemt – ‘dronken syncopes’. Maar daar blijft het op dat moment weer bij.
Het derde moment is wanneer Misia Sert (Doria Tillier), de kunstbeschermster met wie hij een lange, platonische relatie heeft, met een waaier zit te spelen. Ravel kan maar geen genoeg krijgen van de repetitieve bewegingen. Het scheppingsproces gaat op dat moment een stapje verder en hij zegt: ‘Het zit in een hoekje en ik moet het pakken’. En toch zit hij wéér met leeg muziekpapier en een horloge voor zich. Er komt niets op dat papier, maar de tijd gaat dringen.
Het vierde en laatste moment is het liedje Valencia dat zijn dienstbode Madame Revelot (Sophie Guillemin) zingt. In de begeleiding die Ravel erbij speelt, hoor je niet alleen het kenmerkende ritme van de Boléro ontkiemen, maar ook de melodie ervan. De rest is hard werken aan de piano. Met een sigaret in de mond, zoals hij op veel foto’s staat.

Ravel en zijn tijd ‘gepakt’

Regisseur Anne Fontaine pakt Ravels wezen en de tijdgeest op een rake manier. Op een subtiele wijze legt ze nog een wordingsgeschiedenis vast, naast die van de Boléro. Namelijk Ravels bewustwording van zijn (waarschijnlijke) homoseksualiteit. Ze duidt het subtiel aan, maar spreekt niets in die richting echt uit.

Ravel mag dan wel de bijnaam ‘horlogemaker’ hebben, wanneer hij bij Misia is, worden de camerabeelden van Christophe Beaucarne soms opeens schokkerig (schouder-/handcamera?), als drukken ze emotie uit. Wanneer Ida en Maurice tegen het eind van de film weer terugkeren naar de fabriek, overhandigt hij haar het manuscript van het orkest-stuk als symbool voor de moderniteit, een diepere laag die in de film wordt aangeraakt.

In dit verband hadden de flashbacks van Ravels dienst tijdens de Eerste Wereldoorlog meer binnen dat kader mogen worden betrokken. Nu is het gissen in hoeverre dit invloed heeft op het ontstaan van de Boléro.

Biopic en documentaire

Dit is de eerste biopic over Ravel en diens Boléro, het meest uitgevoerde twintigste-eeuwse stuk uit de klassieke muziek. Als origineel en in tal van arrangementen. Aan het begin van de film komen ze kort langs. Net als in een documentaire over de Boléro uit 2016 van Fabien Caux-Lahalle, waarin ook beelden van Ravel zelf zijn te zien. En waarin eveneens het verband met de fabriek wordt gelegd. In de film vernemen we ook dat het manuscript van de Boléro weer in 1992 opduikt en nu, als staatseigendom, wordt beheerd in de Bibliothèque Nationale de France in Parijs.

Eigenlijk zou je beide films, de biopic en de documentaire over met name rechtenkwesties aangaande het stuk, in relatie tot elkaar moeten bekijken.
De film van Fontaine ging in première tijdens het afgelopen International Film Festival Rotterdam en draait nu in de filmtheaters: https://www.filmladder.nl/film/bolero-2024


Verscheen eerder op de website 8WEEKLY (eindredactie: Lynn Remory). Wordt hier met toestemming overgenomen.

Een gesprek tussen licht en donker

De ondertitel die de Duitse filmregisseur Wim Wenders aan zijn documentaire over het werk van zijn vriend en beeldend kunstenaar Anselm Kiefer meegeeft, is raak: Das Rauschen der Zeit, het ruisen van de tijd.

Ruisen en tijd. Het eerste komt in de film op verschillende momenten en manieren terug. In het ritselen van de bomen met hun jonge, groene blaadjes aan het begin van de film en in de ijle mobile met glaspegels die zachtjes tinkelen op de circulatie van de lucht. Het is iets dat je niet snel met Kiefer in verband brengt. Ten onrechte, zal blijken. Het tweede, de tijd, vooral die van de Tweede Wereldoorlog, speelt een hoofdrol in het werk van de kunstenaar. Hij staat vooral bekend door zijn monumentale werk waarop de lagen verf met een spatel dik zijn opgebracht.

Licht, zwaar en zwart
Mensen die zijn tere waterverftekeningen in het boek Zomer van de Noorse schrijver Karl Ove Knausgård kennen (uitg. De Geus, 2017) hebben weet van deze zachte kant van de kunstenaar. Maar pas op: er zijn ook tekeningen in het boek opgenomen van houtskool en gips op karton. Een draagt de titel böse Blumen. Licht, zwaar en zwart.

Dat is misschien wat Wenders ons in het werk van Kiefer wil laten zien, en wat de componist Leonard Küssner ons in zijn filmmuziek wil laten horen. Licht, zwaar en zwart gaan een gesprek met elkaar aan, zoals de twee sopranen met orkest in het aan Mahler herinnerende openingsnummer van de film: An die Sonne.
Je zou zelfs kunnen zeggen dat die dialoog de as is waarom de hele documentaire van Wenders draait. Geschoten met behulp van geavanceerde 3D-camera’s en in 6K. Zo trekt hij de toeschouwer het beeld in. Je kunt geen buitenstaander blijven in het werk waarin de herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog zo nadrukkelijk aanwezig is. Daar is 3D bij uitstek de aangewezen techniek voor die Wenders op z’n best inzet en die soms adembenemend uitwerkt.

In gesprek met het verleden
Maar de dialoog in de film gaat verder dan alleen tussen schoonheid en vernietiging, licht en donker, zon en duisternis. Of – in de visie van Kiefer – tussen vernietiging en schoonheid, donker en licht. In die volgorde, want het begint allemaal in Donaueschingen, waar hij in maart 1945 wordt geboren en als jongetje speelt op de recente puinhopen van de stad na een bombardement. Een rol die wordt gespeeld door Anton Wenders, een neefje van de regisseur. Als jongen bezoekt Kiefer in Frankrijk de streek waar Van Gogh woonde en werkte.

Vanaf dat moment komen zonnebloemen in zijn werk voor. Uitgebloeide, geknakte zonnebloemen. Die jongen wordt weer gespeeld door Daniel Kiefer, zoon van Anselm. De oudere Kiefer is de kunstenaar zelf, die op sloffen en al fluitend door zijn enorme atelier, een loods, bij Parijs fietst. Afgezien van Daniel, laat Wenders niets van het privéleven van Anselm Kiefer zien. Dat kan ook haast niet, want de kunstenaar schermt dat zorgvuldig af.

Verschillende vormen van kunst
Kiefer bewondert niet alleen Van Gogh. Het zijn ook dichters als Ingeborg Bachmann en Paul Celan. We zien ze wanneer zij eigen gedichten voorlezen. Wat lichter van toon dan je uit de teksten op zou kunnen maken. Zo is er op die manier ook een dialoog gaande tussen verschillende vormen van kunst: beeld en taal.
Niet alleen op de mobile met glaspegels zien we tekst, ook op ander werk van Kiefer is dat nadrukkelijk aanwezig. We zien Kiefer op een hoogwerker de titel van een gedicht van Celan wijzigen. Is het een verbetering, of wil hij de (opzettelijk?) foute titel nog onder de doorstreping laten staan?

We zien de kunstenaar veel aan het werk in zijn atelier en daarbuiten in de ruimte eromheen, die overigens beide toegankelijk zijn voor publiek. Hij is in de weer met een brander op de verf, stro en gips van een nieuw kunstwerk, zodat het zwartgeblakerd wordt. Er zijn twee assistenten met een blusser paraat. Wij staan haast naast ze, met onze 3D-brilletjes op. De film valt tussen twee haakjes ook in 2D te zien.

Allemaal samen is het een aanmoediging om de tentoonstelling Bilderstreit in Museum Voorlinden te gaan bekijken (t/m 25 februari 2024), waar in een zaal Kiefer ook in gesprek gaat met schrijvers en denkers uit de romantiek. Overigens is het niet ver gezocht om de documentaire van Wenders ook als een kunstwerk op zich te zien. Zoals Wenders al in zijn film Paris, Texas het filmische oprekte, door de techniek van binnenuit te lijf te gaan, zo doet hij dat nu weer en gaat daarbij nog een stap verder, al valt de hoge resolutie 6K in onze bioscopen nog niet te ervaren.

Verscheen eerder op de website 8WEEKLY (eindredactie: Frank Kremer).

Toegift
Twee van de foto’s van Kiefers werk die ik in Museum Voorlinden maakte:
links Winterreise en rechts enkele vitrines met zijn boeken (unica), waarop ik later eens in zal gaan i.v.m. Anna Enquists gedichten over één ervan.

Kunst en klimaat (II)

Zo tegen het eind van het jaar is het weer tijd voor oudejaarslijstjes. Bij mij zijn dat jaarthema’s, een thema waar ik me een jaar lang extra in heb verdiept. Vandaag het laatste deel van een tweedelige serie over kunst en klimaat.

6.
In Allard Pierson was t/m 30 oktober de tentoonstelling Zeur niet! te zien over de musicals van Annie M.G. Schmidt en Harry Bannink. Eén musical past duidelijk binnen dit jaarthema: Wat een planeet (1973). Koningin Juliana, misschien niet een kenner pur sang, vond dit Schmidts beste musical, lezen we. In ieder geval is het haar meest geëngageerde. Het gaat over ons thema en is nog steeds opvallend actueel, geïnspireerd door het Rapport van de Club van Rome. In een van de videostatements over deze musical wordt de vraag gesteld, of het de bedoeling is dat de bezoekers na thuiskomst de kachel een graadje lager zetten. Nee, is het antwoord, het is een heilig moeten van de schrijfster, maar inmiddels wel een algemeen geldende aanbeveling.

7.
Tijdens een weekend in Brugge, waar ik uitvoeringen bijwoonde in het Concertgebouw, bezocht ik vóór het eerste concert de expositie Le Monde Végétal van de Zwitserse fotograaf Mario Del Curto. Een reeks schitterende foto’s over tuinen in allerlei soorten en maten. Foto’s die de vraag stellen, wat hun toekomst is. Een ervan is van de zandbank in het Vavilov-instituut in Sint-Petersburg. De vraag komt op hoe dat er nu mee staat, met dat planteninstituut. En met de toekomst van die tuinen? Die is groot. Kijk maar naar de Zuidas in Amsterdam, waar de meeste daken en soms ook gevels met beplanting zijn bedekt.

8.
Niet lang na dat concertweekend in Brugge ging ik samen met een vriendin naar de documenta in Kassel. Een editie die het Westen terecht vragen stelt: wat hebben jullie ervan gemaakt?. Niet zozeer aan de hand van esthetische kunst als wel in de vorm van een ethisch appèl. De bedoeling van de samenstellers (ruangrupa) was niet zozeer om de kunst van Oost en Zuid in gesprek te laten gaan met die van het dominante Westen, maar er wat tegenover te stellen. Het gesprek zat niet in de kunst, maar in ontmoetingen en discussies tussen mensen, kunstenaars en bezoekers (zie foto, EvS). En die discussie stokte soms, op momenten dat ruangrupa antisemitisme werd verweten.

9.
Ook de tentoonstelling Tenminste Houdbaar Tot in het Museum Arnhem drukte je met de neus op de feiten, maar dat niet alleen. Het zijn bomen die, al dan niet in bloei staand, ook een sprankje hoop geven. Zo maakte Alexandra Kchayoglou in 2021 een wandtapijt onder de titel The tree trunk (zie foto, EvS). Ze focuste op distels, termieten en andere insecten die sporen van leven laten zien op een boomstam in Argentinië. Die kunnen volgens haar ‘helpen om ecologisch bewustzijn te vergroten’.
Rob Voerman maakte een panorama onder de titel Pressure (2012), een landschap ‘na de ramp’. Gebouwen smeulen, maar tussen de puinhopen en de rookpluimen staat een boom in bloei, al zag iemand in de zaal er een ontploffing in, een bal van vuur.
Ambigue. Zo is de natuur, liet de expositie in Arnhem zien. Al heeft de architect van de nieuwbouw (Benthem Crouwel Architecten) de prachtige grote glazen wand van weleer in een van de nieuwe zalen vervangen door een paar kleine ramen met zicht op de Rijn en de brug naar Oosterbeek. Moet de natuur dan wijken door beknotting door de mens? Ik wil er niet aan.

10.
Nummer 10 – het laatste item van dit jaarthema in twee afdelingen: Florida van Lauren Groff. Elf verhalen (uitg. De Bezige Bij, 2019) waarin niet alleen Florida, maar ook de klimaatverandering een grote rol speelt. ‘Als mijn zoons overdag op school zijn, kan ik niet ophouden te lezen over de rampzalige toestand van de wereld, de gletsjers die sterven als levende wezens, de plastic soep in de Stille Oceaan, de honderden soorten die uitsterven zonder dat het ergens wordt vastgelegd, duizenden jaren die worden uitgedoofd alsof ze niet kostbaar waren’ (p. 15).

 

P.S. Klimaatklevers
Toen ik dit jaarthema koos, kon ik niet vermoeden dat aan het eind van het jaar tussen kunst en klimaat wel een heel ander verband werd gelegd: activisten die zich aan een talkshowtafel of schilderijlijst vastlijmen, de verstoring van een uitvoering het Requiem van Verdi in het Amsterdamse Concertgebouw. Die activisten hebben uitgerekend een bondgenoot uitgekozen om zich op te storten. Dat is mij na dit jaar wel duidelijk.
Ik denk aan de laatste documentaire die De Groene in de filmclub van dit jaar toonde: Rebellion (2021) van Maia Kenworthy en Elena Sanchez Bellot. Geweldloze activisten van Extension Rebellion, waaronder toen de bekende juriste Farhana Yarmin lijmen zich in 2019 vast aan de grond voor en de ramen van het gebouw van Shell in Londen. Op een plaats dus waar het logisch is.

Drieluik – verzoening van een oneindige afstand

Het wordt weer eens tijd voor een drieluik: these – antithese – synthese. Een soort van, dit keer.

These
Ik lees de roman Van steen en been van de Franse schrijfster Bérengère Cournut (vert. Martine Woudt, uitg. Prometheus, 2010). Het gaat over Ugsuralik, een jonge Inuit-vrouw en de gevolgen van smeltend ijs op Groenland en op haar leven. Het verhaal zelf wordt afgewisseld door liedteksten waarin datgene wordt bezongen (en ‘in het echt’ door een trommel wordt begeleid) dat niet kan worden uitgesproken.

Antithese
Afwisselend hiermee lees ik ter voorbereiding van een avond van een geweldige cursus door Rico Sneller voor de Vrije Academie (over het boek Socrates, Boeddha, Confusius, Jezus van Karl Jaspers) De grote leerrede over het uiteindelijke nirvana van Digha-Nikaya in een vertaling uit het Pali door Jan de Breet en Rob Janssen (uitg. Asoka, 2001).

Wat opviel, was dat dit boek mij op een of andere manier nader staat dan het leven dat Cournut beschrijft, met veel bijgeloof, boze geesten, vervloekingen en wraak tot kannibalisme aan toe. Natuurlijk: de leerrede bevat ook enkele elementen die ‘raar’ zijn, zoals Boeddha’s negatieve houding tot vrouwen, om er maar een te noemen.

Sommige passages uit Cournuts roman, zoals de zelfmoord van De Oude, kennen we ook uit de documentaire ‘De ijsmoord’ (Frontlinie) van Bram Vermeulen (NPO2, 27 oktober 2022). ‘De frontlinie van de klimaatverandering’, aldus Vermeulen. Hoe gaan de Groenlanders daarmee om? Een oud-premier van Groenland memoreert ook dat de Groenlanders anders denken, al willen de Denen (Groenland behoort nog steeds tot Denemarken) dat veranderen. ‘Dat leidt steeds meer tot kortsluiting’, aldus Vermeulen. Volgens een burgemeester die aan het woord komt, is er sprake van een identiteitscrisis. De hoop is gevestigd op onafhankelijkheid.

En opeens snap ik dat dat bijgeloof, die boze geesten en vervloekingen een vorm zijn van antikoloniaal verzet, zoals magie dat in De stille kracht van Couperus ook was.

Synthese
Ter onderbreking van het lezen van de roman en de leerrede, luister ik naar de cd met het werk Environments van de componist Peter Adriaansz door Ensemble Klang (Ensemble Klang Records #11). Een cd die ik won en kreeg van het Muziekgebouw in Amsterdam.
Het is muziek van kleine veranderingen, als de golfjes van een rustige zee, én grote gebaren, als van smeltend ijs. Niet meditatief, maar wel als een meditatie van bijvoorbeeld een Boeddha.

De compositie bestaat uit drie delen. In het eerste deel (Mono) klinken fragmenten uit de roman Zen and the Art of Motorcycle Maintenance (1974) van Robert M. Pirsig. In het tweede deel (Watts) is dat een tekst van de door het boeddhisme beïnvloede schrijver Alan Watts. Het derde en laatste deel (Stereo) is donkerder van sfeer en compositorisch complexer. Hierin staan polariteit en anti-polariteit centraal. Dit deel is gebaseerd op The Principle of Polarity uit de Kybalion.

Ik ervaar uiteindelijk, na lezing van de twee boeken en het beluisteren van het stuk van Adriaansz, met een kleine tekstuele wijziging aan het begin van de tekst, als een soort synthese wat J.W. Schulte Nordholt zei bij de aanbieding van het Liedboek voor de Kerken:

[Muziek] verzoent de oneindige afstand
het maakt het onmogelijke waar
het onbewuste bewust
het bewijst het ongerijmde
het stelt niet vast
maar maakt los
het bindt niet
maar bevrijdt

Geloof en schoonheid

Op 19 januari 2022 toonde NPO2 in Close up een documentaire van Barak Heymanns over de Israëlische kunstenaar Dani Karavan (1930-2021). Het begon ermee, dat hij, staande bij het Negev Monument in Be’er Sheva (zie foto links) luisterde naar de wind die door de pijp speede. Zoals de wind door het monument voor de Vrouwen van Ravensbrück op het Amsterdamse Museumplein speelt. Beide monumenten doen mij denken aan de schoorsteen van de verbrandingsovens van de concentratiekampen en benemen je de adem.

We gaan verder de documentaire in. Naar Axe Majeur in het Franse Pointoise: twaalf zuilen staan op een verhoging, waar je als was het een Griekse tempel naar toe klimt. De twaalf stammen van Israël? Verder, naar de Weg van de vrede in Nitzana in de Negev woestijn. Van 1 naar 12 en uiteindelijk naar honderd zuilen van zandsteen. In elk van de zuilen is in een andere taal het woord ‘vrede’ aangebracht.

De werken die Karavan voor de openbare ruimte ontwierp – straks volgt nog een voorbeeld, zonder zuilen maar omringd door bomen –, hebben vaak een verband met de Tweede Wereldoorlog. Dat is ook zonder meer de eerste, indringende associatie die ik bij het Negev Monument had. En ik zal niet de enige zijn, die het zo ervaart. Bij het tweede en derde monument gingen de associaties eerder uit naar zuilengalerijen van Griekse tempels.

Toch zou je er ook nog een derde betekenislaag in kunnen ontdekken. Op dat spoor kwam ik toen ik een mooie maar niet volledige alinea las in het boek Troost. Als licht in donkere tijden van Michael Ignatieff (Uitgeverij Cossee, 2022):

‘Psalmen lezen is als wandelen tussen ruïnes, langs een afgebroken zuil, over een hardsteen met uithollingen van voetstappen erop. (…) Dan voelen we dat we met de metselaars, met de psalmisten, behoren tot een keten (…) die altijd geloof, samen met schoonheid heeft behouden’ (p. 32).

Niet volledig – want Karavan toont ons wel zuilen, maar ze zijn niet afgebroken. Het joodse geloof leeft. Met de psalmen, zeker. Die zuilen dan ook staan voor erfgoed dat levend is en wordt gehouden. Met het oog op een betere wereld, op de weg van de vrede. Nog steeds, gezien Poetin die vrede en democratie in een soevereine staat met voeten treedt.

Opeens snap ik ook de obsessieve manier waarop Karavan, tot de dood hem inhaalde, streed voor het behoud van zijn werk; het mogen geen ruïnes worden. Hij is vol onbegrip voor mensen die het niet snappen. Gelukkig zijn er actiegroepen die protesteren tegen de teloorgang van zijn monumenten. Juist bij het monument in Berlijn voor de in de Tweede Wereldoorlog vermoordde Sinti en Roma (zie foto rechtsboven). Deutsche Bahn wil onder dat monument een spoorlijn aanleggen en daarvoor de bomen om het monument kappen. Een gotspe. Dat is het.

Kijken, lezen en luisteren (I)

Zo tegen het eind van het jaar is het weer tijd voor oudejaarslijstjes. Bij mij zijn dat jaarthema’s, een thema waar ik me een jaar lang extra in heb verdiept. In 2018 waren dat de oude Grieken, in 2019 de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur, vorig jaar de middeleeuwen en dit jaar is het Indonesië. Samengevoegd tot een ‘Top-10’ in twee delen. Vandaag deel 1.

Mijn grootvader van vaderskant was een groot fantast. Zo zou hij tijdens de Watersnoodramp (1916) in Waterland burgemeester van Nieuwendam zijn geweest; maar al bij een klein archiefonderzoek bleek mij, dat dit H.J. Calkoen was. Ook zou Christoffel van Swol (1663-1718), gouverneur generaal van de VOC in Nederlands Indië, een voorvader van ons zijn geweest. Het zou kunnen, maar wat belangrijker is: ik vond bij dat onderzoekje wél een foto van mijn grootvader, – hellebaardier bij het Entrepotdok in Amsterdam -, die in een bootje mensen in veiligheid bracht. Heel wat meer om trots op te zijn!

 

Om het thema Indonesië heb ik altijd een beetje heen gedraaid. Dat kan na het verschijnen van Revolusi van nota bene een Vlaamse auteur niet meer. Daarom besloot ik als jaarthema voor 2021 Indonesië te kiezen, waarbij ik meteen aanteken dat ik – net als iedereen – niet helemáál een onbeschreven blad ben wat dit betreft. Ik had op de middelbare school een geschiedenisdocent, J. de Rek (1911-1976) die de geschiedenis van Indonesië uitgebreid behandelde aan de hand van de bekende boekjes van H. van Galen Last.
En begin jaren tachtig van de vorige eeuw maakte ik een reis naar Engeland, waarbij ’s avonds een mevrouw uit het gezelschap haar herinneringen aan een Jappenkamp met ons deelde, avond aan avond, wat – hoewel niet iedereen het daar mee eens was – op mij een overweldigende indruk maakte. Tot op de dag van vandaag.

1.
Ik kreeg het boek Revolusi van David Van Reybrouck van vrienden voor kerst 2020 – het startsein voor mijn jaarthema. Twee weken voor kerst organiseerden Framer Framed, Read My World en Beyond Walls een online programma rond dit boek, dat de moderator een ‘verrijking van kennis’ noemde. Er werd op een uitgave als dit gewacht. Soms is de tijd er rijp voor, waarbij niet mag worden vergeten dat het hier om wereldgeschiedenis (dekolonisatie) ging.
Er waren verschillende sprekers, naast Van Reybrouck zelf. Zoals Goenawan Mohamad, een van de grote wetenschappers uit Indonesië, tevens dichter en letterkundige, Sadiah Boonstra, een historicus uit Leiden die nu in Jakarta woont, en Amanda Pinatih, curator van onder meer het Amsterdamse Stedelijk Museum, waar ik in de volgende blog over dit jaarthema op terug kom.

2.
Dan, na dit online programma, het boek zelf.  De auteur luisterde, net als ik in het Engelse hotel, naar de mensen zelf, wiens/wier verhalen hem mateloos interesseerden. ‘Ze vertelden een universeel verhaal van hoop, angst en hunkering’, schrijft hij.

In het eerste deel van de documentaireserie naar dit boek, Revolutie in Indonesië (januari-februari 2021) legt één van de ondervraagden, Purbo S. Suwando uit, dat Europeanen Japanners als een minder-waardig volk zag, met korte en kromme benen. Het was niet nodig om bang voor ze te zijn. Of, zoals Felix Jans in het boek zegt: ‘Wij weten alles beter, wij doen alles beter. (…) Onze fout is onze suprematie. En onze vergeetachtigheid; wat de Indonesische verzetsstrijders deden, is ‘uit het nationale geheugen geschrapt’.
Het boek werd in recensies ruimschoots geprezen, maar er zijn uitzonderingen. Zo heeft Alfred Birney het in een longread over ‘Kuifje op Java’ (www.de-lage-landen.com, 16 februari 2021).

3.
Birney dus op drie. Het zijn soms tot nadenken stemmende opmerkingen die schrijnen. Neem de brandweerman in het verhaal ‘Drie benen’ van Birney (in de bundel De fenomenale meerval), die de jongen ‘zijn littekens liet zien. Uit de oorlog in Nederlands-Indië’, zegt hij. ‘Het maakt niet uit of hij een Indische Nederlander of een Nederlander is; in beide gevallen is het een uiting van trots. Ongepaste trots. Neem alleen al het woordje “oorlog” – geen “politionele acties” of andere verbloemende taal, nee: oorlog. Zoals Pa in Judith Koelemeijers Het zwijgen van Maria Zachea het ‘een beetje helpen van de politie’ noemt …

Misschien zou Birney zich met Simon Ririhena, die rector was van het Moluks Seminarie, een ‘grensbewaker’ noemen: ‘Als de grens fluïde is, heb je geen grens. En ook geen houvast, dan weet je niet waar het begin en het einde is’. Dit is een uitspraak van hem die werd geciteerd op de website Nieuw Wij (11 januari 2021).
Ik heb me altijd meer verwant gevoeld met juist die fluïditeit, en eerder met grensgangers dan met grensbewakers. Misschien heel goed verwoord door Stephen Enter in zijn roman Pastorale, dat speelt in twee naast elkaar gelegen wijken in Breverdal (Barneveld): een gereformeerde en een Molukse. De spanning zit in dit boek wellicht niet zozeer in zo’n zinnetje als bij Birney, maar in ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen. Allebei schudden ze je wakker. Barneveld komt even verderop in deze blog overigens ook nog terug.

4.
De zondag begint bij mij meestal met het kijken naar het interviewprogramma De verwondering van Annemiek Schrijver op NPO2. Op 31 januari 2021 was dichteres Ellen Deckwitz te gast. In 2019 had ik al haar bundel Hogere natuurkunde gekocht, gebaseerd op het levensverhaal van haar Indische grootmoeder.
Ze vertelt dat ze heel verdrietig was toen deze overleed, maar dat het niets was vergeleken met de depressies waar ze zelf doorheen ging, want toen waren alle vonkjes weg. Totale lethargie. ‘Is depressie ook trouw  aan je grootmoeder? Mag je gelukkig zijn?’ vraagt Schrijver. Het is een wrede vraag, omdat er een verband is, zegt Deckwitz. Het zet je in een bankschroef.

5.
Het moet toch niet gekker worden: ik heb het monument van drie mannen, dat staat voor de kerk in Barneveld, altijd versleten als een beeld van drie verzetshelden. Heb ik dan nooit de tekst erop gelezen? Natuurlijk, Lotta Blokker – Kunstenaar van het jaar 2022 – sloot met haar ‘Oh Molukkers’ aan bij de stijl van de beelden die we zo goed kennen, maar toch … Het is een manier van kijken, die senior conservator Eveline Sint Nicolaas van het Rijksmuseum benoemt, terwijl ze voor de ‘Schutters van Wijk VIII’ van Van der Helst staat (in de documentaire Nieuw licht van Ida Does, 18 mei 2021 op 2Doc van de NTR): ‘Een heel raar iets, dat je iets niet kunt zien, en je nu eigenlijk niet meer kan stellen dat dat zo is’: de Zwarte jongen die op genoemd schilderij wegvalt in plaats van opvalt voor met name witte kijkers. Zoiets moet het zijn, terwijl ik langs dat beeld liep.

Zeventig jaar nadat de eerste Molukkers onder valse voorwendselen in 1951 voet aan Nederlandse wal zetten, is het tijd om hier ook wat meer van aan de weet te komen dan de anekdotes die ik op kan dissen. Over een achterneef en -nicht die de pers over de vloer hadden, omdat ze een goed uitzicht hadden op de school die de Molukkers in 1977 in Amsterdam hadden gegijzeld. Over de straaljager die ik vanaf vliegbasis Leeuwarden, waar ik pal bij woonde, hoorde vertrekken richting De Punt. Over de gekaapte trein waarin een oud-docent aan de Frederik Muller Academie zat, en een collega niet, omdat ze de trein had gemist.

In die week waarop het zeventig jaar geleden was dat de Molukkers aankwamen, waren er op televisie enkele documentaires te zien. Op zondag 21 maart 2021 een van de NOS, waarin de film De Oost werd aangekondigd, waarin verschillende perspectieven zullen worden getoond zodat wellicht een completer beeld ontstaat.
Er was ook een monument te zien. In Westerbork: een installatie met fragmenten van een barak in Schattenberg. Een keukenraam, een kist waaruit lang werd geleefd met het idee: ‘We gaan toch snel weer terug naar een vrij Molukken’. Heb ik me gerealiseerd, toen ik in Westerbork was, dat dit na de oorlog wéér een kamp werd, een opvangkamp dit keer (Schattenberg) voor Molukkers (1951-1971)? Zoals er ook een kamp was in Friesland: Wyldemerk, voor een moslimminderheid onder de Molukkers. Anne van Slageren maakte er voor Fryslân dok een documentaire over, die op 4 december 2021 werd uitgezonden op NPO2. Maar eerst gaan we in de tweede blog rond dit jaarthema nog terug in 2021.

Een instrument

Tijdens een cursus over Spinoza, gaf Spinozakenner Miriam van Reijen eens een mooi voorbeeld van diens denken. Het ging erover, dat je lang om iets heen kunt draaien, en maar niet tot iets kunt komen, maar dan – opeens, is het moment daar om tot actie over te gaan.
Het doet me denken aan de manier waarop ik onlangs iemand die ik interviewde en die ik een beetje via social media volg, een tekst uit Galaten 4:4 (‘Maar toen de tijd gekomen was’) hoorde uitleggen: het is de volheid van de tijd om iets te veranderen.

Eenzelfde soort ervaring kwam boven op het eind van een avond over de roman Vaders en zonen van Toergenjev. Een leesclub via Zoom onder leiding van Thijs Kleinpaste, auteur van onder meer Tegenover Dostojevski. De vraag toen was, of in het boek van Toergenjev de weg der geleidelijkheid wordt bewandeld, of de revolutie wordt gepredikt. De meningen verschilden: de brave hervormers in het boek spelen niets klaar, – je mag best het bloed onder iemands nagels vandaan halen. Uiteindelijk luidde de conclusie, dat hervormingen in het boek gradueel verlopen. ‘Nieuwe wilden’ (nihilisten), zoals Jevgeni Bazarov, hebben we volgens Kleinpaste niet nodig.

Ik heb de weg der geleidelijkheid op deze blog wel eens eerder beschreven. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het denken van Jacob Burckhardt (‘Breuk of doorgaande lijn?’). Toch gaat het nu, na die leesclub, opeens knagen. Hoe móet het dan, nu het vijf voor twaalf is? Met het klimaat, de ecologie, en alle andere crises? Is de tijd niet vol, om écht iets te gaan veranderen in ons gedrag?

Ik hoor aan de ene kant mijn-oud geschiedenisdocent op het Hervormd Lyceum, J. de Rek zeggen, dat het goed komt. Hij had vertrouwen in de wetenschap, zoals Pjotr in Vaders en zonen. En ik zie aan de andere kant Greta Thunberg, die in schoolstaking gaat. In de documentaire over haar, I am Greta, zien we haar (nog alleen) voor het parlementsgebouw in Stockholm zitten, terwijl een mevrouw langsloopt en haar erop aanspreekt dat ze niet op school zit. Want, zegt ze, je moet leren en later studeren om wat voor elkaar te kunnen krijgen. Greta kiest voor een andere weg: politici wakker schudden. We zijn nog niet te laat, zegt  Greta.
We zien hoe velen – vooral mannen – haar bejegenen: lacherig en overtuigd van het feit dat ze toch al zoveel doen, zoals Jean-Claude Juncker, die het heeft over het binnen de Europese Unie harmoniseren van het doorspoelen van toiletten, wat dat dan ook mag zijn.
Het lijkt op het steeds botter wordende gedrag van Bazarov in Vaders en zonen, die ook politieke punten wil maken. Ook hem wordt overigens weer de les gelezen, door Arkadi, die als personage groeit en de eigenlijke hoofdfiguur van het boek is.

Thunberg kan dingen benoemen, maar er zijn anderen die moeten luisteren (politici), het werk doen: de wetenschappers van De Rek, het bedrijfsleven, agrariërs en niet in de laatste plaats wij. Het begint misschien met respectvol luisteren en als dat niet werkt, eisen aan subsidies stellen, zoals aan vervuilers als de KLM en regering die zich niet aan afspraken houdt terugfluiten, zoals Urgenda deed. In geleidelijkheid, maar niet met de traagheid die ons land – ook wat het vaccineren tegen Covid-19 betreft – zo kenmerkt. Dat kunnen we ons niet (meer) veroorloven.

Greta Thunberg spreekt in de documentaire de hoop uit, dat in iedereen iets van haar Asperger zit. Een vaker gehoorde (en ook wat bedenkelijke) opmerking die sinds Neurodiversity. The Birth of an Idea (1998) van Judy Singer wel wordt geuit. ‘Selectief mutisme’ noemt haar vader het. Ondanks dat, of dank zij dat, is zijn dochter, om enkele regels uit een gedicht (‘Katalysator (voor vrouwen’)) van Sonja Prins aan te halen

… een katalysator
die met het stichten van onrust
dienst doet

Een katalysator. ‘Maak mij een instrument’, zei Franciscus van Assisi al. Nu, meteen. Dat wel.

Minste en meester

Ten gevolge van de maatregelen van de regering met betrekking tot het coronavirus, zijn musea en kerken gesloten. Dat geldt ook voor de Amsterdamse Thomaskerk. Daar zou tot en met 8 april a.s. op dinsdag- en woensdagmiddagen, en rondom de diensten, de expositie Minste en meester te zien zijn geweest (zie foto). Dat wil zeggen de veertien kruiswegstaties zoals Henk van Loenen ze weergaf. Veertien close ups van het gezicht van Jezus, uitgaande van de vraag wie Hij was en wat Hij de mens van vandaag te zeggen heeft.

Gelukkig valt de tweede serie kruiswegstatie in zijn geheel op de website van Van Loenen te vinden: http://www.henkvanloenen.nl/page/beeldKruisweg.html Anders had deze blog niet geschreven kunnen worden, want ik had de eerste serie in de Thomaskerk nog niet gezien. Omdat ook de drie lezingen van Ruud Bartlema over hedendaagse kruiswegstaties (HOVO Amsterdam) ten gevolge van de coronacrisis waarschijnlijk deels of geheel vervallen (maar hopelijk op een andere manier worden aangeboden), heb ik die van Henk van Loenen maar goed op me in laten werken.

De beelden die deze kruiswegstatie II bij mij oproepen, vallen soms samen met die in een IDFA-film, Hidden wounds (link onderaan deze blog). Een korte documentaire van Tomas Kaan en Arnold van Bruggen over Belgische veteranen, met muziek van dEUS. Zoals in de film de figuren soms een schaduw krijgen die dan weer uit beeld verdwijnt. Zo was ook Jezus een man met een schaduw, gelijk van sommige personages in de Leedvermaak trilogie van Judith Herzberg wordt gezegd.

Wat Hij vandaag te zeggen heeft? Misschien dat Hij met ze is, met de mannen (en niet getoonde vrouwen) die gezien hebben (03’10”, 05’24”, 6’22”) zoals Jezus de dood om zich heen zag. Met dezelfde soort naar binnen gekeerde ogen als op de eerste statie (‘Ketter of broeder’).
Wat heeft Jezus vandaag te zeggen? Dat het verdriet van Zijn moeder, Maria (vierde statie), universeel en hetzelfde is van de vrouwen in de documentaire. Zelfs hun oogopslag is universeel (03’16”, 04’11”).

Er zijn natuurlijk ook verschillen tussen de kruiswegstatie van Van Loenen en de film van Kaan en Van Bruggen. Naast de naar binnen gekeerde blik, worden de wonden van Jezus in de film expliciet getoond. Die van de veteranen worden niet in beeld gebracht. In plaats daarvan worden tattoos ervan getoond. Symbolen van machisme. Van Loenen zou er een titel aan hebben gegeven. We mogen zelf bedenken welke, maar dat niet alleen. Ook of dat zou kloppen.

De foto bij deze blog is ontleend aan het Maandbericht Maart 2020 van de Thomaskerk.

https://www.idfa.nl/nl/film/35986703-5e3f-4280-abbe-6ce02d9675b0/hidden-wounds

tekst: https://www.google.com/search?client=firefox-b-d&q=tekst+hidden+wounds+deus

 

Camino van Martin de Vries

Over de documentaire Camino van Martin de Vries kun je twee recensies schrijven: een negatieve en een positieve, afhankelijk van je invalshoek en gemoedsstemming. Eerst maar de negatieve, dan hebben we dat gehad.

Het was eigenlijk, vertelde editor De Vries in een Q&A na afloop van de vertoning in Rialto Filmclub, helemaal niet zijn bedoeling om de beelden die hij met zijn i-phone en een mini-camera op de pelgrimsroute had geschoten, als publieksfilm uit te brengen; ze waren voor hemzelf en zijn familie bedoeld. Want het is, zo zei hij, nogal wat om een paar maanden je vrouw zomaar achter te laten. Zomaar, want eigenlijk wist hij niet wat de vraag was waarmee hij aan de tocht begon. En dan denk je als kijker stiekem: had het dan daarbij gelaten én je beter voorbereid als je besluit ze toch met een groter publiek te gaan delen. Wat moeten wij met enerzijds het gezever over een ingegroeide teennagel, een pijnlijke knie, poepen en anderzijds het jezelf op de borst slaan dat het allemaal maar is gelukt, zonder nauwelijks fysieke voorbereiding, op het inlopen van de schoenen na. Om nog maar te zwijgen van het dansende beeld waar je, zeker in het begin, af en toe zeeziek van wordt. En met een afwezige vraagstelling en gevloek, dat op een pelgrimstocht ongepast is. Ook de muziek lijkt me niet helemaal bij het beeld te passen en kan zelfs misschien worden gemist.

Dit gezegd hebbend, kun je ook met andere ogen naar kijken. Blijkbaar, want de documentaire stond op de vijfde plaats in de ranglijst van de acht films die in dit achtste filmclubseizoen werden getoond. Nog voor het door mij op deze blog lovend besproken Lazzaro felice (zesde plaats).
Je kunt er dan begrip voor opbrengen, dat een creatief iemand als De Vries, die fysiek en mentaal nauwelijks voorbereid aan de tocht begon, thuisgekomen besluit toch iets méér met zijn beelden te gaan doen dan ze alleen aan de familie te laten zien. Kleine beelden van kleine dingen op een grote en misschien zelfs beladen tocht, al heeft hij hem ‘maar’ vanuit Frankrijk gelopen en via de ‘makkelijker’ Noordelijke route. Experimentele beelden misschien zelfs wel, geschoten met zijn i-phone en mini-camera. Misschien doen grote vragen er niet altijd helemaal zo toe en gaat het vaak om kleine problemen (en dingen!) in het leven. In deze film van buiten (kleine problemen als een ingegroeide teennagel, een pijnlijke knie en stoelgang) naar binnen (kleine vragen over het waarom van deze tocht) benaderd.

Ga zelf vanaf 6 juni a.s. naar de bioscoop en oordeel of de Periscoop-kaart in het kaartenrekje gelijk heeft: ‘Een heerlijke zomerse, stiekem ontroerende en wonderbaarlijk meeslepende film over de beroemde wandeltocht naar Santiago de Compostella’. Of ligt de waarheid toch ergens in het midden van mijn negatieve en positieve recensie en heeft de documentaire van Martin de Vries van allebei wat? Net als het leven zelf eigenlijk.

‘Een echte Thomas Verbogt’

Thomas Verbogt kan sneller schrijven dan ik kan lezen. Of liever: in de week dat zijn nieuwste roman verschijnt, Hoe alles moest beginnen, kom ik er eindelijk toe zijn vorige roman, Als de winter voorbij is te lezen. Als liefhebber van zijn werk, had ik enkele recensies van beide boeken bewaard. En van de inhoud schrok ik nogal. Maar niet getreurd: op de een of andere manier lijkt het alsof Verbogt zelf in zijn vorige boek zijn critici al voor was! Lees maar.

Op 17 september 2015 verscheen in De Groene Amsterdammer een recensie van Verbogts Als de winter voorbij is door Kees ’t Hart. ‘Bij Verbogt weet je wat je krijgt’, schrijft hij. Verderop heet het: ‘precieze en ingehouden stijl’ die ‘iets gekunstelds heeft.’ Verbogt weet, lijkt het, zelf ook dat dit zo is: ‘Ze is tot het einde toe helder gebleven. Ze heeft zelf de dood laten komen’ wordt bij wijze van spreken van commentaar voorzien: ‘Zo heb ik het nog nooit gehoord: de dood laten komen (…). Het zijn alleen maar woorden.’

Iets soortgelijks gebeurt met ’t Harts opvatting dat Verbogt toegaf ‘aan bespiegelingen die het niveau van vage praatjes en kitsch-achtige sententies niet weten te overstijgen.’ Zelf heeft de auteur het op een gegeven moment over ‘dronken pathetiek.’
Blijft – concludeert ’t Hart gelukkig – ‘een echte Thomas Verbogt, vol van de dromerigheid en ingekeerdheid die kenmerkend is voor zijn werk.’

Daarom was de recensie van zijn nieuweling, door Sebastiaan Kort (in NRC Handelsblad, 8 september 2017) dan weer even schrikken. Maar gelukkig kan hetzelfde procédé worden toegepast: Verbogt geeft als het ware commentaar of antwoorden op ook deze recensent (‘recensist’ hoorde ik afgelopen week een vrijwilliger in een museum zeggen).

Verbogt schrijft aldus Kort ‘lege, weekmakende levenslessen’ waarin ‘zijig wordt gerefereerd aan zaken als “het leven”, “geluk” of “momenten van”.’ Verbogt lijkt ermee te spelen, wanneer hij schrift: ‘”Zullen we iets drinken”, stelde ik voor. “Hier in je oude buurt of de nieuwe?” Die keuze! “In de nieuwe”, zeg ik. En ik wil eraan toevoegen: “in de nieuwe tijd”, maar Aimee vindt dat soort uitspraken meestal “van die uitspraken”.’

‘Je krijgt met deze Verbogt’ schrijft Kort à la ’t Hart ‘de vertrouwde Verbogt-elementen: het gaat over tijd, over glibberigheid van geluk, en natuurlijk over de liefde (…). Als schrijven te maken heeft met het scheppen van een atmosfeer (…), dan zit je bij Verbogt geramd.’ Of zoals hij zelf schrijft: ‘Zij wil het licht houden. Ik ook.’

Gelukkig is er ook nog een andere recensie van Hoe alles moest beginnen, van Rob Schouten (in Trouw, 9 september 2017). Enkele citaten hieruit: ‘Thomas Verbogt is de meester van herinneringen en weemoed (…). Het zijn warme, liefdevolle teksten (…). Niets in Verbogts verhaal (…) is spectaculair, bedoeld om aandacht te trekken (…). Met zijn eenvoudige, oprechte stijl zonder versieringen en relativeringen, richt hij zich direct tot het hart van de lezer (…). Geen sublimering, geen hoge woorden, maar mensentaal voor mensengevoelens (…). Het is een gevoelige wereld die hij schetst, die van de pure aanvechtingen: je kunt er makkelijk cynisch over doen, het wegzetten als sentimentalistische kitsch maar de waarheid is dat Verbogt je met zijn zoektocht naar de kern van gevoelens werkelijk weet te ontroeren (…). Met zo nu en dan een golf van pure extase.’

Ik ben weer thuis. En zie een documentaire over Verbogt in Het uur van de wolf (21 september 2017). Of eigenlijk: een poëtisch filmportret, waarin de schrijver de voice over is en slechts een enkele keer zelf in beeld komt. ‘Het is niet om aan te zien, het is potsierlijk’ meent hij op een gegeven moment. ‘Al dat gedroom, zo is het leven niet. Zo is het leven wél, ik leef toch.’