Mooi boek met schoonheidsfoutjes

Er is lang gewacht op het boek van Frédéric Lenoir over Spinoza. Het werd eerst aangekondigd door Ten Have, maar ik uiteindelijk bij Uitgeverij Balans verschenen onder de titel Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud.
Het moet meteen gezegd: het is een mooie inleiding tot het werk van de filosoof. Met name diens Ethica wordt helder en toegankelijk over het voetlicht gebracht. Toch zijn er ook kleine kanttekeningen bij te plaatsen.

Eerst de loftuiting. Het raakte mij meteen, dat Lenoir – filosoof, socioloog en godsdiensthistoricus – begint met een vergelijking tussen Spinoza en Johannes Vermeer; van beider werk ben ik een liefhebber, al deel ik net zo min als de Franse auteur ‘noodzakelijkerwijs al zijn [i.c. Spinoza’s] ideeën’. Lenoir wijst op een ‘verrassende verwantschap: het licht. De kwaliteit van het licht in de binnenkamers van Vermeer vindt zijn echo in de heldere bewijzen van Spinoza’. Van de Ethica gaat volgens Lenoir een ‘kalmerende, troostende kracht uit’ – en dat geldt wat mij betreft ook voor Vermeer.

Als gezegd vormen de gedeelten over Spinoza’s Ethica een sterk onderdeel van dit boek. Het altijd moeilijke onderscheid tussen Natura naturans en Natura naturata wordt bijvoorbeeld helder uiteen gezet, net als het verschil tussen inadequate en adequate ideeën en begrippen als ‘conatus’ en ‘eeuwigheid’.

Nederland in de tijd van Spinoza
Je zou verwachten, dat Lenoir door zijn eerder genoemde verwijzing naar Vermeer meer werk heeft gemaakt van het Nederland in de tijd van Spinoza. Dat is niet het geval. Hij wijst er wel op, dat Spinoza ‘vloeiend Vlaams, Portugees en Spaans sprak, Italiaans, Duits en Frans kon lezen en vier klassieke talen beheerste: het Hebreeuws van de Bijbel, het Aramees, het Grieks en het Latijn’. Nog afgezien van het feit dat Vlaams mij vreemd voorkomt, wordt niet genoemd dat Spinoza het Nederlands niet machtig was. Ook Lenoirs lof op het ‘tolerante land’ waar de familie zich vestigde, wordt de laatste tijd terecht wat genuanceerd.
Het contact met de mennonieten waar Lenoir in verband met Rijnsburg en de nabijheid van Leiden op wijst, bestond al in Amsterdam, waar het alleen in algemene zin wordt benoemd als ‘liberale christenen’. En tenslotte: de gedenksteen achter de Nieuwe Kerk in Den Haag staat niet ‘op de begraafplaats waar Spinoza ter aarde werd besteld’ (p. 87).

Dat geeft meteen al aan, dat Lenoir niet zoveel melding maakt van recentere ontdekkingen. Bijvoorbeeld die van Odille Vlessing aangaande het verband dat Spinoza de erfenis en zware schulden van zijn ouders niet aanvaardde (en dus geen eerbied voor zijn ouders had, conform de Tien Woorden) en de ban die over hem wordt uitgesproken. De mythe dat Spinoza een aanval met een dolk wist te ontwijken, wordt nog gewoon als vaststaand feit opgevoerd.

Ronduit in de fout gaat Lenoir, wanneer hij stelt dat het ‘optimistische denken van Montaigne wortelt in zijn lichamelijke kracht en levensvreugde’. Het laatste misschien, maar het eerste zeker niet; als iemand een zwakke gezondheid had, en daar ook over berichtte, dan was het wel Montaigne.

Tijdgebonden én voorloper
Vreemd is ook, dat Lenoir op pagina 13 schrijft dat Spinoza’s ‘boodschap niets heeft te vrezen van de tand des tijds of van tijdgebonden kenmerken’, en in de Conclusie dat wijst op wat in de wandeling de ‘zwarte pagina’s’ worden genoemd: Spinoza’s opvatting over vrouwen die je zowel tijdgebonden als, op z’n zachtst gezegd, zeer vrouwonvriendelijk kunt noemen. Overigens trapt Lenoir in zekere zin toch ook nog in deze val, wanneer hij boud vaststelt, ‘dat er in het denken van de grote filosofen oorverdovend wordt gezwegen over hun eigen lichamelijke sensibiliteit’. Correcter was wellicht geweest, als hij had geschreven: ‘in het denken van de grote mannelijke filosofen’.

Je kunt Spinoza niet ‘als de grondlegger van de Bijbelexegese’ in het algemeen beschouwen, wel van de historisch-kritische methode.
Er zou ook best meer aandacht geweest mogen zijn voor het feit dat bepaalde woorden, zoals ‘democratie’, in de tijd van Spinoza iets totaal anders betekenden dan in onze tijd, zonder dat hij daarin zo ver gaat als Victor Kal in een recent boek over Spinoza (De List van Spinoza) en het – volgens uitgever Prometheus – ‘in feite [heeft over] een staatsideologie, om het volk daarin met list en bedrog op te sluiten’.

Soms vraag je je af of Lenoir bepaalde foute woorden bezigde, of dat de vertalers (Marga Blankestijn en Alexander van Kesteren) bezig zijn geweest. Clara-Maria van den Enden speelde zeker geen piano, het Nieuwe Testament is niet in het Latijn geschreven maar vertaald (Vulgaat). Tenslotte schemert duidelijk door de tekst heen dat Lenoir een rooms-katholieke achtergrond heeft. Op een gegeven moment is er zelfs sprake van ‘katholieke, christelijke’ autoriteiten en van een pastoor in een protestantse kerk.

Dit zijn voornamelijk (schoonheids)foutjes die verder geen al te grote afbreuk doen aan dit boek waar lang op is gewacht en dat zeker dienst zal kunnen doen voor mensen die meer van Spinoza’s denkwereld, met name diens hoofdwerk, de Ethica, te weten willen komen.

 

Frédéric Lenoir: Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud
Uitgeverij Balans, 2020
ISBN 978 94 638 2108 7
Prijs: € 19,99

Voor waar houden

Ook het tweede hoorcollege van de module Jodendom van de Universiteit van Amsterdam, die ik via ZOOM (en de Illustere School) volg, geeft aanleiding tot overdenking en een blog. Ik kreeg zomaar ‘een beurt’, en toen dorst ik even later ook wel een vraag te stellen … Over de rol van de Bijbel in de Talmoed, want daar had ik in dit college, over onder meer die Talmoed, nog niets over gehoord. De docent, dr. Bart Wallet, antwoordde dat Talmoedisten niet de Bijbel bestuderen, maar de Talmoed. ‘De Bijbel’, zei hij, ‘is gewoon deel van de discussie’. Dat mag zo zijn, toch was ik niet helemaal overtuigd. Het antwoord kwam deels uit onverwachte, indirecte hoek: in een artikel van Udo Doedens over Pieter Bruegel de Oude (in: In de Waagschaal, 19 september 2020).

Eerst nog even terug naar het college en wat Wallet, in aanvulling op het studieboek Introducing Judaism van Eliezer Segal zei: de twee stromingen binnen het Talmoedische denken, de Palestijnse en de Babylonische, ontwikkelden zich als in een soort dialectiek: Talmoed Jerushalmi en Talmoed Bavli. In de dialectische manier van denken valt later de invloed te bespeuren van de islam, aldus Wallet. Rabbijn a zegt dit, rabbijn b meent iets anders. So far so good.

Doedens schrijft over het schilderij De strijd tussen Vasten en Vastenavond (1559) van Bruegel (zie afb.), dat de tegenstellingen die hierop worden getoond, de veelvraten aan de ene kant en de mageren aan de andere kant, ‘samen de inwendige en uitwendige strijd van de mensheid verbeelden’, maar: ‘Er moet nog een derde element bijkomen om orde op zaken te stellen’ (p. 19). Dat derde element is volgens hem de wijsheid ‘die in Christus op aarde was gekomen’ (p. 20).

Maar waar putte Christus die wijsheid uit? Op het midden van het schilderij staat immers een put. Juist, uit Tenach, de joodse Bijbel.
Ik blader wat terug in de aantekeningen die ik maakte tijdens het laatste jaar (2017-2018) dat ik met een groepje onder leiding van een joodse leermeester gedeelten uit de Talmoed bestudeerde. Ik stuit op deze aantekening: ‘Een enkele keer lukt het niet om een tegenstelling op te heffen (teku = moet blijven staan)’. En ik vul aan: tot de Messias komt. Tot zo lang is het derde element de Bijbel om uit te putten. Niet vanuit de idee these – antithese – synthese, niet als ‘gewoon’ een onderdeel van de discussie, maar als de grond eronder die als een palimpsest schemert door de discussies tussen rabbijn a en rabbijn b. Daar waar God aanwezig is, lees ik in mijn aantekeningen. Zó wil ik het voor waar houden.

‘Larmoyante kitsch’

Ik zag het niet aankomen, maar achteraf had ik zó kunnen uittekenen wat er gebeurde. Zeker na het essay van Maaike Meijer afgelopen zaterdag in Tijdgeest, de nieuwe weekendbijlage van dagblad Trouw.

Het gebeurde op dezelfde dag dat Louise Glück de Nobelprijs voor de literatuur won. Ik volgde ’s middags een college via ZOOM, toen iemand – het was kort daarvoor bekend gemaakt – meedeelde dat de Nobelprijswinnaar bekend was. ‘Nobelprijs’ snoefde de docent, dat was allemaal maar onzin en de beste schrijvers wonnen nooit. Hij noemde enkele namen van schrijvers die de prijs volgens hem ten onrechte hadden gewonnen; namen die ik in de gauwigheid niet heb opgeslagen. ‘Heeft iemand wel eens van haar gehoord?’ was zijn vraag. ‘Nee’, antwoordde ik, ‘maar het is wél mooie poëzie’, want wat ik tussen de bekendmaking en het begin van het college van haar in gauwigheid even had gelezen vond ik mooi. Al weet ik ook wel dat als je zoiets zegt, dat je dit eigenlijk moet onderbouwen. Zoiets als: ‘Sombere emoties beschrijft ze op een koele, heldere, soms bijna luchtige toon, waarbij ze afstand neemt van wat anders misschien ondraaglijk zou zijn’, zoals Julie Phillips in Trouw van vrijdag 9 oktober jl. schreef. In NRC Handelsblad stonden soortgelijke woorden, over een dichter die eerder wil analyseren dan emotioneren. Wat ik in de gauwigheid had gelezen, waren enkele vertalingen die Erik Menkveld van een paar gedichten had gemaakt. Ze werden deels ook in dat artikel van Phillips geciteerd.

Maar er was iemand mij te vlug af en die begon in het Engels een strofe voor te lezen. De docent vond niet dat ze uitnodigden om méér van haar te gaan lezen. Ook in het befaamde televisieprogramma Das Literarische Quartett schijnt haar poëzie, als ik een tweet mag geloven, afgedaan te zijn als ‘kitsch’. Daar zit je dan met je goede gedrag. Bah.

Dit voorval past helemaal in wat Maaike Meijer in haar bovengenoemde essay onder de titel ‘De eeuwige prijzenkloof’ schreef. Nee, het gaat niet over de Nobelprijs en toch ook weer wel. Ze komt met andere voorbeelden. Onder meer Sander Kollaard, die met zijn Uit het leven van een hond afgelopen juni de Libris Literatuurprijs won, boven wat te verwachten was Manon Uphoff met haar Vallen is als vliegen.
Even verderop schrijft Meijer, over de ‘dubbele kritische moraal in de reacties op autobiografische teksten die de rouw om een gestorven kind of geliefde thematiseren. Die werden prachtig gevonden als P.F. Thomése of A.F.Th. van der Heijden ze geschreven hadden, maar gelabeld als larmoyante kitsch [vet, EvS] als er Anna Enquist of Connie Palmen op stond. Het cliché ligt kortom nog altijd klaar in ons culturele DNA’.

Dat bleek ook maar weer tijdens de ZOOM-cursus afgelopen week. En toch ben ik nog steeds nieuwsgierig naar het werk van Louise Glück. Volgens haarzelf zou je het beste kunnen beginnen met Averno. Ik denk alleen niet dat er een ZOOM-cursus over komt …

Link naar het genoemde artikel van Maaike Meijer: https://www.trouw.nl/cultuur-media/schrijven-vrouwen-nu-echt-slechter-dan-mannen~b022ed7d/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.bing.com%2F

Zie ook: https://www.groene.nl/artikel/alles-wat-ze-aanraakt-verandert-in-muziek-en-legende

Prent van de maand – Anne Huitema

Ingezonden als idee voor de tentoonstelling Alsjemenou!
in het Noordbrabants Museum
(10 oktober 2020 t/m 24 januari 2021)

Jaar 1973
Collectie particulier
Kunstenaar Anne Huitema
Bijzonderheid Prent van de maand NRC Handelsblad

Op initiatief van kunstcriticus Hans Redeker (1918-1992), die vanaf 1970 tot aan zijn vervroegde pensionering werkte bij het gefuseerde NRC Handelsblad, kwam de krant met een ‘Prent van de maand’. Het was de bedoeling om beeldende kunst betaalbaar aan te bieden en breder bekend te maken onder een groot publiek, zoals het pocketboek het gedrukte boek populair wilde maken. Ook dat is immers een betekenis van ‘populaire cultuur’.

Het moest niet al te moeilijk en abstract zijn, en daarom koos Redeker weliswaar voor kwalitatief hoogstaande kunst van bekende namen of van jonge kunstenaars waarvan hij verwachtte dat ze door zouden breken, maar die moesten dan liefst wel in een voor niet-kunstkenners herkenbare stijl of idioom werkten. Het medium waarin zij zich uitdrukten, moest makkelijk reproduceerbaar zijn; het waren dan ook vaak etsen die als ‘Prent van de maand’ werden gekozen.

De oplage varieerde naar gelang het aantal intekeningen. Het maximum was honderdvijftig. Een mooi werk van Sam Middleton (1927-2015) haalde in 1972 slechts zestig druksels, maar een kunstwerk van Anne Huitema (1941) kon een jaar daarna niet worden aangesleept (zie afb.), zodat hij met een handjevol verschillende prenten kwam. Dit is voer voor kunstsociologen: waarom sloeg Middleton niet aan (was het toch te abstract?) en Huitema (geabstraheerd realisme) wel?

Het zijn sprookjesachtige landschappen en dorpsgezichten die hij maakte, in de bruine aardetinten die in die tijd ‘in’ waren. Het zijn kunstwerken die in tal van huishoudens aan de wand kwamen te hangen en alleen daarom al een plaatsje in de top-100 verdienen, al is het geen voorwerp zoals de Hema-fluitketel of het Tomado-boekenrek. Ze zetten de discussie over ‘de geschiedenis van de naoorlogse Nederlandse populaire cultuur’ op scherp. Wat is ‘de’ geschiedenis, wat is ‘populaire cultuur’? Een serie kunstwerken van Anne Huitema passen daar helemaal in.

Daarom zond ik dit voorstel in, al wist ik op het moment dat ik het deed al wel dat dit idee het niet zou halen; te elitair wellicht in vergelijking tot toegepaste kunst? Tóch deed ik het, in volle overtuiging en om redenen als hierboven aangegeven. En nog een paar meer; mijn vader werkte mee aan de realisatie van de ‘Prent van de maand’ en de Huitema’s, die aan de muur van mijn ouderlijk huis hingen, hangen nu bij mij. Net als hun Tomado-boekenrekje overigens.

https://www.hetnoordbrabantsmuseum.nl/bezoek/tentoonstellingen-activiteiten/tentoonstellingen/asjemenou/

Uit het leven gegrepen

Er wordt gezegd dat het helpt om ritme in je leven aan te brengen of te houden, in het algemeen, maar vooral nu, in coronatijd. Dat kan kloppen. Tijdens de eerste golf verheugde ik me bijvoorbeeld elke dag op het moment dat er ’s avonds op de website van het Internationaal Toneel Amsterdam (ITA) door jonge, aankomende en gerenommeerde toneelspelers een verhaal werd voorgelezen uit de Decamerone van Boccaccio.
Nu, tijdens de tweede golf, werd ik op twitter geattendeerd op de tragikomische verhalen onder de titel ‘Toen we de tijd hadden’, die elke donderdag om 16.00 uur verschijnen op de website van en onder de titel De vandalen. Ook hier gaat het om verhalen, bekende en minder bekende toneelspelers. Het is vreemd dat ik nog niet eerder dit spoor had gevolgd, omdat de site goede recensies had in zowel een dag- als een weekblad dat ik lees. Maar goed, nu werd mij gevraagd om te zeggen wat ik ervan vind.

Eerst: wie zijn die vandalen eigenlijk? Volgens de website is het ‘een productiegezelschap gevestigd in Rotterdam’. Zij willen een divers publiek verbinden door middel van verhalen die uitdagen en de blik verruimen. ‘Toen wij de tijd hadden’ – lees ik verder ‘is een webserie over leven in crisis. Volledig in videoberichten, Skype- en FaceTimegesprekken en Instastories. Hoe gaan al die verschillende mensen om met een crisis? En hoe verandert het leven als de crisis niet zo snel voorbij gaat als gehoopt? Wie past zich aan die nieuwe situatie aan en wie gaat eraan onderdoor?’
Ik heb de eerste drie aflevering van het tweede seizoen bekeken, dat uiteindelijk veertien items zal omvatten. Elke aflevering duurt bijna een kwartiertje.

In de eerste aflevering (scenario Elène Zuidmeer) gaat het bijvoorbeeld over huisarts Milas Demir (gespeeld door Sadettin Kırmızıyüz) en zijn assistente (een rol van Anna Schoen). Zij hebben een ‘Digital first’ huisartsenpraktijk opgezet, compleet met een driekwart zichtbare banner op de achtergrond en een cactus voor de huiselijkheid op het bureau van de dokter. De patiënten bellen in en leggen hun probleem voor. Tenminste: als de techniek – en de assistente die het consult probeert over te nemen – mee willen werken …

De tweede aflevering (scenario Elène Zuidmeer, Fenna van der Goot en Joep Vermolen) laat ons onder meer een Zoom-vergadering meebeleven tussen de rector van een basisschool, conciërge John, een meester en een juf. Niet alleen voor wie zoomt herkenbaar, maar ook voor bedrijfssituaties in het algemeen. Conciërge John (een rol van Mads Wittermans), een oud-militair die nadrukkelijk aanwezig is, hamert op protocollen, dan komt alles goed. Meester Bram (Joep Vermolen) is van het inlevende soort en probeert zich te verplaatsen in de leefwereld van de kinderen, die maar één keer zes of zeven worden. Rector Romana (gespeeld door Tirza de Boer) weet het op het laatst allemaal niet meer, en besluit – heel herkenbaar – met de vraag of meester Bram niet ‘iets op de mail kan zetten’.

In de derde aflevering (zelfde scenarioschrijvers als aflevering twee) gaat het onder meer verder over meester Bram en rector Romana. Bram heeft niet zozeer iets op papier gezet, maar een demo gemaakt van een digitale schoolkrant. Romana weet er niet goed raad mee, en verschuilt zich achter algemeenheden als ‘bijzonder’ en het zeer herkenbare ‘Heb je nog even tijd?’ Zij behoort dus tot de mensen die zich niet kunnen aanpassen en er onderdoor lijken te gaan. Maar dat had was in pre-coronatijd wellicht ook gebeurd.
Nu hebben we tijd, maar er werd vroeger al net zo gezemeld als soms in deze serie verhalen? Er is wat dat betreft niets veranderd. Zelfs het voorbeeld, een digitale krant, herken ik. Alleen werd dit niet ‘bijzonder’ gevonden, maar werd ik rechtstreeks in mijn gezicht uitgelachen. Het kan altijd nog erger. ‘Moven’ zou een vriendin van mij zeggen.

Alles wat we te zien krijgen is – om ook een algemeenheid te bezigen – ‘uit het leven gegrepen’: geestig, soms ontroerend maar in alles door en door herkenbaar. De spelers in deze allemaal thuis opgenomen gesprekjes lijken er plezier in te hebben. Allemaal redenen om uit te zien naar de vierde en volgende afleveringen die net als deze drie wellicht ook iets van troost zullen bieden in deze tijd; humor maakt immers (over)leven makkelijker. Dat is een ding dat zeker is. #tip: ga dus kijken!

http://www.devandalen.nl 

De balans vinden

Het is altijd leuk als je colleges volgt en je de geleerde stof meteen kunt toepassen.
Op dit moment schuif ik (via ZOOM) aan bij een module over jodendom van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Dat wil zeggen bij de hoorcolleges daarvan door dr. Bart Wallet; de interactieve werkcolleges door prof. dr. Jan Willem van Henten en prof. dr. Irene Zwiep laat ik – los van het feit of dit de bedoeling is of niet – aan mij voorbijgaan. De schriftelijke proeven van bekwaamheid en wat dies meer zij hoef en mag ik in ieder geval niet maken. Wat niet wegneemt, dat ik de verplichte leesstof, in casu het goede, maar ook wat  te gedetailleerde boek van Eliezer Segal (Introducing Judaism, uitg. Routledge, 2009) intensief bestudeer. By the way gekocht bij Athenaeum op het Amsterdamse Spui, dat nu helaas in zulk zwaar weer verkeert.

Terug naar de module van de UvA, met name het eerste college op 8 augustus jl.. Wallet had het over de geschiedenis van het jodendom, dat in een dialectische verhouding staat tot de joodse identiteit. Over het vinden van een balans tussen de heftige geschiedenis door de eeuwen heen, het denken vanuit de Sjoah, het finalistische denken dat begint en eindigt met de Tweede Wereldoorlog en het teleologische denken vanuit de staat Israël. In beide gevallen sluit je, aldus Wallet, de rijkdom van de joodse geschiedenis op een of andere manier uit.

Een soortgelijk concept meende ik tegen te komen in twee bundelingen van columns die Roel Abraham schreef voor onder andere de Joodse Omroep, het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Volzin: Wederwaardigheden en Wederwaardigheden 2. Ik kreeg ze ter recensie toegestuurd en wist er op het eerste gezicht niet zo goed raad mee. Deel 1 (2006-2015) was vooral humoristisch van toon, een enkele keer zelfs wat over de top. Het tweede deel, tot en met onze coronatijd, bevat serieuze(re) stukken, over zaken als de aanslagen in Parijs en Antwerpen bijvoorbeeld. Je zou ze dus eigenlijk – de redenatie van Wallet volgend – in combinatie met elkaar moeten lezen. Dan pas ervaar je zowel de humor als de rijkdom in Abrahams columns.

Terug naar Wallet. Hij had het op een gegeven moment over verschillende definities die mogelijk zijn voor het begrip ‘jood’. Bij zijn definitie beriep hij zich op een model van de filosoof Wittgenstein: Familienähnlichkeit; joodse gemeenschappen (meervoud), die overeenkomsten en verschillen hebben. Er bestaat een taalveld, een discursieve gemeenschap. Dat komt de onderlinge dialoog ten goede.
Abraham schrijft daar mooi over: ‘We staan ondanks al onze verschillende opvattingen, verschillende manieren van religieuze beleving, verschillende kijk op de halacha, schouder aan schouder. Dat moeten we nooit vergeten. Hou vertrouwen en blijf de verbinding zoeken’ (deel 2, p. 55).

Bij Abraham vind ik ook een mooi voorbeeld van de spanning tussen autoriteit (de rabbijnse traditie) en zelfidentificatie, zoals Wallet het noemt. Het gaat over Pesach (deel 2, p. 71 e.v.). ‘Elk jaar is het (…) opnieuw pesach, we doorlopen met elkaar al duizenden jaren dezelfde cyclus van Joodse feestdagen en dat doen we al bijna net zolang op dezelfde manier (…). Mooier is het – mijns inziens – als je elke keer opnieuw naar jezelf in combinatie met de Joodse feestdag van dat moment kijkt (…). Wat zegt pesach jou, op dit moment in je leven, dit jaar? (…) We hebben allemaal ons eigen verhaal.’
Op die manier, zegt Wallet, contextualiseer je telkens het begrip ‘jodendom’. En dat is in wezen flexibel. En toen viel de internetverbinding weg, want Wallets kinderen waren beneden bezig met een spelletje, maar de boodschap was al wel duidelijk geworden.
Met die recensies, of liever: aanschafinformaties voor NBD Biblion,  is het ook goed gekomen. Die valt over enige tijd op deze blog te lezen.