Herrscher en/of Mensch?

Het was even schrikken: het openingskoor Herr, unser Herrscher uit Bachs Johannes Passion door het Nederlands Kamerkoor en Holland Baroque onder leiding van Reinbert de Leeuw vanavond in TivoliVredenburg in Utrecht. Door het enorm hoge tempo kreeg het iets hijgerigs in plaats van een majestueus karakter mee. De sfeer die hiermee werd opgeroepen, was een interessante: een eerder humanistische dan Lutherse Passion stond op het punt te beginnen. Interessant, maar naar mijn gevoel ook een beetje haaks staand op wat Bach in de voetsporen van het Johannesevangelie toch wellicht wilde oproepen.

Ook verderop kwam bij tijd en wijle deze insteek van De Leeuw naar voren. In de aria Von den Stricken meiner Sünden klonk op het woordje ‘mich’ een onverwachte triller die het woord extra benadrukte, en het ‘Mensch’ in de woorden van Pilatus, gezongen door één van de leden van het onvolprezen Nederlands Kamerkoor, ‘Sehet, welch ein Mensch!’, werden enorm nadrukkelijk, dramatisch en vertraagd gezongen om dit nog maar eens te benadrukken: het gaat om een mens (als wij?) en niet om een Herrscher.

Vanuit de tekst valt dit en andere aspecten op z’n tijd ook wel te benadrukken, zoals in mooie détails als ‘Erbarmen’ met een klein vibrato in het koor (koraal ‘Ach, grosser König’) of een lange pauze voor het ‘kein Antwort’ in het recitatief ‘Da Pilatus das Wort hörete.’ Maar het valt uit de tekst gewoon niet vol te houden dat Jezus louter een mens was. Hierdoor leek deze uitvoering naar mijn idee op twee gedachten te hinken: een door een niet-gelovige dirigent humanistisch ingekleurde Jezus van Nazareth en een door de diep gelovige componist meestentijds toch anders bedoelde Christus.

Die Christuspartij was in goede handen – en in het tweede deel een enkele keer kleine rafelranden vertonende stem – van Andreas Wolf. De evangelistenpartij werd gezongen door de IJslandse bas Benedikt Kristjánsson, de in het eerste deel overtuigender dan in het tweede deel gebrachte sopraanpartij door de Engelse Joanne Lunn, de countertenor was Tim Mead en de bas Tobias Berndt.
Koor en orkest verrichten soms door de hoge tempi het onmogelijke, hoewel veel koralen erg traag waren en het slotkoor ‘Ruht wohl’ een heel natuurlijk tempo meekreeg.

Op een of andere manier, al dan niet door een soms onrustig publiek, maakte deze Johannes althans op mij minder indruk dan De Leeuws interpretatie van Bachs Mätthaus verleden jaar. Jammer, maar zoiets kan gewoon gebeuren.

Top-10 concerten 2017

Hieronder de tien concerten uit het afgelopen jaar die mij het meest zijn bijgebleven.

150 Psalms
Tijdens het Festival Oude Muziek Utrecht, dat ik praktisch elk jaar voor een of meer concerten ‘aandoe’, werd een tweede, klein festival georganiseerd: de 150 Psalmen uitgevoerd door vier verschillende koren: het Nederlands Kamerkoor (foto: Foppe Schut), het Amerikaanse Choir of Trinity Wall Street, de Tallis Scholars en de publiekslieveling Der Norske Solistkor. Een geweldige ervaring om meegemaakt te hebben.

Fiumarathon
In het kader van November Music in ’s-Hertogenbosch, stond een hele dag de muziek van oud-collega Anthony Fiumara centraal. Ik blogde er op deze site al over. Een belevenis van jewelste!

Mariavespers
Tijdens het Holland Festival werd in de Gashouder van de Amsterdamse Westergasfabriek dit meesterwerk van Monteverdi uitgevoerd in een coproductie met De Nationale Opera. Niet alleen de uitvoering op zich was geweldig, door Pygmalion o.l.v. Raphaël Pichon, maar ook de sculptuur van Berlinde De Bruyckere waaromheen alles zich afspeelde.

Abdel Rahman El Bacha
Deze meesterpianist, die naar mijn idee veel te weinig bekend is, speelde op 1 april in de Serie Piano van het Muziekgebouw aan het IJ 72 preludes van Bach, Chopin en Rachmaninov. Een marathonconcert met twee pauzes, maar voor mij had het nog wel even door mogen gaan!

Chiaroscuro Kwartet
De kennismaking met dit kwartet was er een van de hoogste orde: op oude instrumenten speelden zij werken van Haydn, Fanny Mendelssohn en – met Ronald Brautigam aan de fortepiano – Schumann. Een verrassing, na het tegenvallende eerste concert in de serie Kleine Zaal Melange in het Amsterdamse Concertgebouw.

Budapest Festival Orkest
Wat een orkest, dat speelde in de serie Wereldberoemde Symfonieorkesten van het Concertgebouw in Amsterdam. Ook nog eens onder leiding van Iván Fischer, die ik zeer hoog heb. Zoevende contrabassen – waar hoor je dat nog meer? In werken van Bach, Mozart (met pianist Emanuel Ax) en Tsjaikovski.

Koninklijk Concertgebouworkest
Ik heb in deze column niet onder stoelen of banken gestoken, dat ik blij ben met de nieuwe chef-dirigent van het KCO: Daniele Gatti. Tijdens de Robeco Summer Nights speelde het orkest onder zijn leiding een programma met Wolfgang Rihm (IN-SCHRIFT), een groot hedendaags componist wiens carrière ik zo goed mogelijk probeer te volgen, en Anton Bruckner (Negende symfonie). Grandioos.

Akademie für Alte Musik Berlin
Tijdens de Robeco Summer Nights, in het kader waarvan ik altijd wel enkele concerten bezoek, speelde de door mij zeer geliefde violiste Isabelle Faust met de Akademie für Alte Musik Berlin een heel Bachconcert. Inclusief een Sinfonia van Carl Ph. Emanuel.

De troost van Stabat Mater
In de Serie Oude Muziek van het Muziekgebouw aan het IJ voerden PRJCT Amsterdam met Rosemary Joshua (sopraan) en Maarten Engeltjes (countertenor) onder meer het Stabat Mater van Pergolesi uit, afgewisseld met een voordracht van P.F. Thomése uit diens boek Schaduwkind. Het werk van Pergolesi blijft indrukwekkend.

Glen Dempsey
Tijdens de zomer mag ik altijd graag overal en nergens orgelconcerten bezoeken. Eén sprong er dit jaar voor mij uit: door Glen Dempsey uit Cambridge, op 12 juli in de Basiliek van de H. Nicolaas in Amsterdam. Hij speelde er met veel stijlgevoel werken van Joh. Seb. Bach, Mendelssohn-Bartholdy, Reger, Franck en Brahms.

Uit waar ik adem

Tijdens het 150Psalms-project dat het tachtigjarige Nederlands Kamerkoor (zie foto hierboven) en zijn directeur Tido Visser initieerden tijdens het vandaag afgesloten Festival Oude Muziek 2017 in Utrecht, gingen maar liefst zeven nieuwe stukken in première. Stuk voor stuk prachtige werken, maar één heeft in het bijzonder indruk op mij gemaakt.

Het was Psalm 78 van de Servische componiste Isidora Žebeljan (1967), uitgevoerd door het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Peter Dijkstra tijdens het afsluitende concert op zaterdag 2 september jl. in TivoliVredenburg. Ik citeer de tekst in de vertaling van Gerard Swüste, zoals die in het programmaboek was afgedrukt:

Hun hart was onstandvastig voor hem,
ze waren niet trouw aan zijn verbond.
Maar hij bleef met hen begaan,
hij vergoeilijkte hun fouten, verdelgde hen niet.
Hij liet telkens weer zijn woede varen,
hij ontstak niet geheel en al in drift.
Hij besefte dat ze vlees waren,
een ademtocht, eenmaal uitgeblazen voorgoed voorbij.

Het was de manier waarop de componiste de laatste zin, sterker nog: de woorden ‘ademtocht’ en ‘uitgeblazen’ had getoonzet die mij de adem even benam. Hier was een groot componist aan het woord, en wat erg dat ik nog nooit eerder iets van haar had gehoord. Er waren genoeg kansen voorbij gekomen: in 2003 ging haar opera Zora D. in Amsterdam in première, in 2008 schreef ze al een stuk voor het Nederlands Kamerkoor: Latum lalo en de Nederlandse dirigent David Porcelijn, als altijd met een fijne neus voor talent, nam samen met het Janaçek Philharmonisch Orkest een cd met orkestwerken van haar op. Er valt nog wat in te halen!

Maar als u me nu vraagt wat er zo bijzonder aan de toonzetting van die twee woorden, ‘ademtocht’ en ‘uitgeblazen’ was, dan kan ik alleen maar iets stamelen over toonschildering en dergelijke. Of antwoorden met een andere psalm, Psalm 121 in een bewerking van Lloyd Haft. Een psalm die Swüste in zijn categorisering van de psalmen onderbracht bij het thema ‘Levensweg.’ De bewerking van Haft gaat zo:

Niet aan bergen,
niet aan torenende rotsen
ken ik mijn hulp maar hier:
achter mijn ogen als ik aan u denk.
Waar ik aan u denk
raakt ook mijn voet de grond,
mijn schaduw raakt de aarde.
Niet in de brandende zon,
niet in de tranende maan:
hier: in waar ik adem,
uit waar ik adem,
want ik adem u.

En uiteraard draait het in dit geval dan om het slot, in contrapunt gelezen.

De tijd stond even stil

Iedereen brengt de veertigdagentijd op zijn/haar eigen manier door. Ik heb onder meer een boek ter hand genomen dat ik verleden jaar tijdens een cursus bij Fredeshiem in Steenwijk kocht:  De kruisweg volgens de joodse mystiek van Sjef Laenen. De auteur volgt het boekje Friederich Weinreb erzählt den Kreuzweg nach sieben Bildern von Roland Peter Litzenburger (1982). Laenen vermeldt dat Litzenburger zichzelf heeft geschetst in zijn tekeningen van het lijdensverhaal. En dat Weinreb het verhaal vertelt ‘van ieder van ons zoals we in deze wereld leven. In die zin is het lijdensverhaal van Christus voor Weinreb niet een specifiek christelijk verhaal, maar een universeel aspect van ons menszijn, het tijdloze verhaal van de mens die de weg van de verlossing of de eenwording gaat. Anders gezegd: het verhaal dat hier verteld wordt geldt voor ieder van ons, waar ook ter wereld.’

Met die woorden in mijn achterhoofd bezocht ik afgelopen zondag de filmregistratie die Cherry Duyns maakte van de uitvoering van Bachs Matthäus Passion in de Nieuwe Kerk in Amsterdam onder leiding van Reinbert de Leeuw. Gevoegd bij deze woorden waren de beelden van De Matthäus Missie van Reinbert de Leeuw die ik verleden jaar zag en waarover ik hier eerder schreef (http://elsvanswol.nl/?p=2684). Ik schreef onder meer: ‘Weer zo’n geweldige film van Cherry Duyns, die iedere muziekliefhebber zou moeten zien. Omdat de boodschap van de Matthäus (volgens De Leeuw een oproep tot humaniteit) samenvalt met de broosheid van de dirigent en een beroep doet op de empathie van uitvoerenden én luisteraars.’

En toch was het niet het laatste dat bij de filmregistratie van Bachs Matthäus onder De Leeuw beklijfde. Dat waren eerst en vooral de twee strofes van het koraal O Haupt voll Blut und Wunden uit het tweede deel. Deze leverden de ‘meditatieve beleving’ op waar recensent Frederike Berntsen de volgende dag in Trouw over sprak naar aanleiding van een uitvoering van werken van Liszt en Goebaidoelina door hetzelfde Nederlands Kamerkoor onder leiding van dezelfde dirigent, Reinbert de Leeuw.
In de film De Matthäus Missie had De Leeuw het vol overtuiging over hét tempo dat gekozen moest worden. En misschien was dat hier wel de clou, al was dat soms wat voor het gevoel aan de wat erg trage kant. Hier benadrukte De Leeuw er datgene mee wat Laenen in zijn boek had omschreven als het universele aspect van ons menszijn, het tijdloze verhaal van de mens. De tijd stond stil.

Zoals hij dat wonderbaarlijk genoeg dezelfde dag deed voor Bouwe Reine Dijkstra, de oprichter van het Roder Jongenskoor dat de jongensstemmen zong in de uitvoering in de Nieuwe Kerk, begeleid door een uitkomend tongregister op het orgel. Hij overleed op 19 maart op 71-jarige leeftijd.

De integrale uitvoering van Bachs Matthäus Passion met Dijkstra’s koor, het Nederlands Kamerkoor, Holland Baroque (concertmeester Judith Steenbrink) en solisten is nog deze en volgende maand in  heel Nederland te zien.

http://www.cinemadelicatessen.nl/film/de-matthaus-passion-van-reinbert-de-leeuw/

 

De hoboklank van het Koninklijk Concertgebouworkest

Na de uitvoering van de cantates vier-zes uit Bachs Weihnachtsoratorium, door solisten, het Nederlands Kamerkoor en het Koninklijk Concertgebouworkest in kleine bezetting, op Eerste Kerstdag in het Amsterdamse Concertgebouw, werd veel lof toegezwaaid aan de nieuwe eerste hoboïst van het KCO: de Rus Ivan Podyomov. Inmiddels hoor je al niemand meer klagen over het feit dat die karakteristieke hoboklank uit de Nederlandse Stotijn-school verleden tijd is. Er is iets anders voor in de plaats gekomen: zowel Podoyomov als die andere eerste hoboïst, diens landgenoot Alexei Ogrintchouk studeerden onder meer bij Maurice Bourgue (zie foto rechts). En laat nu mijn oud-hoboleraar Leo van der Lek (foto links), destijds althoboïst van het (nog niet Koninklijk) Concertgebouworkest, een groot bewonderaar van Bourgue zijn geweest … Zo is de cirkel rond.

Tijdens een les vertelde ik hem, nog niet wetend dat hij bewondering voor de Franse meesterhoboïst had, dat ik in de kleine zaal van het Amsterdamse Concertgebouw een recital van hem had gehoord. Van der Lek was één en al oor en vertelde dat hij hem één van de grootste hoboïsten van dat moment vond, groter dan de meer bekende Heinz Holliger.

Ik heb zulke informatie allemaal ingezogen en gedeeld. Zo kan ik me herinneren dat ik mijn ouders aanspoorden om op een zondagmiddag samen naar een symfonie van Sjostakovitsj te luisteren, die rechtstreeks op de radio werd uitgezonden. De dirigent was niemand minder dan Kirill Kondrashin. Van der Lek had er een grote solopartij in. Op het moment suprême klonk allemaal gekraak en gepiep door de ether; geen storing, maar een verstrooide althoboïst die zijn veer (waarmee condens uit het instrument wordt geveegd) in de buis ervan had laten zitten, met alle gevolgen van dien … Tekenend was, dat Van der Lek de week later gewoon vroeg of ik het concert had beluisterd. En toen ik schoorvoetend knikte, vertelde hoe meelevend de musici om hem heen waren geweest die natuurlijk de schrik om het hart was geslagen.

Toen Van der Lek door had dat ik een grote voorliefde voor de muziek van Joh. Seb. Bach had, zette hij me op het spoor van een afwijkende interpretatie van een deel uit diens Matthäus Passion door dirigent/organist/componist Anthon van der Horst. En ja – ik heb een keer een Kerstuitvoering meegemaakt in het Concertgebouw, waarbij de hobosectie van het Concertgebouworkest de soli speelde in de Weihnachtspastorale uit één van de cantates. De dirigent was als ik mij goed herinner Bernard Haitink.

Hoe trots was Van der Lek toen hij, al wat op leeftijd en volgens de artsen beter niet mee kon gaan op tournee door de Verenigde Staten, een kaartje ter bemoediging kreeg waarop ook de handtekening van Haitink prijkte! Over een eerder tournee door de States had hij eens verteld, dat de hoboïsten het opbindgaren van hun rieten hadden gekozen in respectievelijk rood, wit, blauw. Achtereenvolgens Haakon Stotijn (die communist was), Cees van der Kraan en Van der Lek zelf. Dat zijn leuke anekdotes voor een mens!

Overigens had mijn oud-hoboleraar niet zoveel op met noch de authentieke uitvoeringspraktijk van barokmuziek noch met moderne muziek. Wat niet wegneemt dat hij het prima vond als je een baroksonate van smaakvolle versieringen voorzag, al waren het er naar zijn idee gauw teveel en kon je volgens hem dan door de bomen het bos niet meer zien. Hedendaagse muziek was ook prima. Maar toen ik eens meende toch inmiddels wel toe te zijn aan de prachtige hobosonate van Françis Poulenc, vond hij dat ik eerst die van Paul Hindemith in moest studeren. De componist die eens zijn sonate voor althobo en orgel, die Van der Lek samen met Edward Power Biggs op de plaat had vastgelegd, aan mijn docent had opgedragen. Hij vermeldde dit wel, maar zonder zich ook maar een moment daarop voor te laten staan.

Ook zijn oordelen over moderne muziek waren voorzichtig en sec; je mocht zelf denken wat je ervan vond. Hij ging een keer achter de piano zitten en speelde slechts een enkel akkoord. ‘Dat is alles’ zei hij over Atmosphères van Ligeti, in het midden latend of dit positief of negatief viel te duiden.
Meer uitgesproken was hij toen een medeleerling van hem bezwaren opperde tegen met name de teksten van de cantates van Bach, die Van der Lek ons samen wilde laten spelen; hij moest daarvoor een kwartiertje eerder komen, en ik een kwartiertje langer blijven. Of omgekeerd, dat weet ik niet meer. Van der Lek praatte op hem in, net zolang totdat zijn andere leerling toegaf. Inmiddels is hij een gerespecteerd huisarts en speelt nog steeds hobo in een amateursymfonieorkest waarin ook een oud-collega van mij fagot speelt.

Af en toe kan ik nog wel eens met iemand van gedachten wisselen over Leo van der Lek. Bijvoorbeeld met een dochter van een Nederlandse componist, die zijn overburen waren geweest. De componist – Herman Mulder – had, net als Hindemith, ook een sonate aan Van der Lek opgedragen. Zoals ik dit stukje aan hem opdraag. Het zal hem ongetwijfeld goed hebben gedaan te weten, dat Ogrintchouk en Podoyomov oud-leerlingen van zijn bewonderde Maurice Bourgue zijn, en dat die klank nu de plaats van de Stotijn-school heeft ingenomen.

En laten we ook zijn verre opvolgster als althoboïste, Miriam Pastor Burgos, niet vergeten. Als zij haar instrument aan de mond zet zit ik nog steeds op ’t puntje van mijn stoel, al heb ik mijn eigen hobo inmiddels aan de wilgen gehangen. Kriebelen blijft het.

De Matthäus Missie van Reinbert de Leeuw

ripolin-mannetjes

En weer kom ik aanzetten met de Ripolin mannetjes. Het eerste mannetje verbeeldt in deze blog de Matthäus Passion van Joh. Seb. Bach, de tweede dirigent Reinbert de Leeuw en de derde de bezoekers van zowel de uitvoering van Bachs Matthäus onder diens leiding in de Amsterdamse Nieuwe Kerk als de bezoekers van de film die naar aanleiding hiervan werd gemaakt door Cherry Duyns: De Matthäus Missie (link onderaan).

De Matthäus is groots. Zó groot dat Frans Brüggen hem volgens zijn vriend Reinbert de Leeuw tijdens zijn leven slechts één keer heeft gedirigeerd. Ook De Leeuw zelf is nog nooit op het idee gekomen zich eraan te wagen, nog los van het feit dat hij – zoals Duyns opmerkt – meest muziek van levende componisten over het voetlicht brengt. Maar een telefoontje van de leiding van het barokorkest Holland Baroque trok hem over de streep. ‘Of ze eens mochten komen praten.’ Maar dan wél in de Nieuwe Kerk, en niet in het Concertgebouw.

De film begint met een shot waarin De Leeuw achter de piano gezeten een stukje uit Bachs meesterwerk speelt. Traag, soms zoekend. De camera zit hem op z’n handen – je ziet een versleten overhemd, zoals je later een versleten jasje ziet. Daar gaat het de musicus duidelijk niet om. De partituur, – die is heilig. Hij bijt zich er helemaal in vast. Met behulp van de visie van Kees van Houten, die Erbarme dich ziet als het middelpunt van de passie, het punt waarop de kruisbalken elkaar kruisen. Je kunt er een vraagteken bij zetten, maar ook dáár gaat het niet om.

Wie de repetities op het scherm volgt, ziet dat De Leeuw onvoorwaardelijk in zijn visie gelooft. Op dat moment is er geen ruimte voor een andere. De musici uit het orkest moeten opeens niet meer aan de slof strijken, zoals ze een week ervoor nog onder een andere dirigent werden geacht te doen, maar zoals een zanger zingt. Geen lettergrepen, maar onder één boog en zonder vertragingen aan het eind van een zin. Wanneer de concertmeester in Erbarme dich ‘buikt’ zoals ze dat uit de authentieke uitvoeringspraktijk gewend is, zegt De Leeuw dat hij het prachtig vindt. ‘Dus dat mag?’ vraagt ze zich een beetje verbaasd af.

De conclusie wordt getrokken dat we jaren door de authentieke uitvoeringspraktijk zijn gepokt en gemazeld, als musici en als luisteraars. Het was een standaard geworden, en we zijn er zonder meer enorm door verrijkt. Maar het werd voor sommigen soms ook een beetje een keurslijf. De Leeuw is erdoor beïnvloed, dat is duidelijk, maar staat er ook boven. Zijn opvatting is, zoals één van de musici zegt, een retorische. Soms een beetje te langzaam, wanneer de solo-alt naar lucht staat te happen en zegt dat het zo écht niet kan; ze gaat dood op die manier. De dirigent geeft toe. Een zeldzaamheid, dat moet hij zelf ook erkennen.

De musici ervaren zijn manier van werken als een ‘aardbeving’, de repetitor van het Roder Jongenskoor vraagt extra attent te zijn op de niet altijd duidelijke slag van de dirigent. En een lid van het Nederlands Kamerkoor zegt tijdens de koralen tot tranen toe geroerd te zijn. Dat is hem in geen jaren overkomen.
Het overkwam mij ook bij het zien van de film. Weer zo’n geweldige film van Cherry Duyns, die iedere muziekliefhebber zou moeten zien. Omdat de boodschap van de Matthäus (volgens De Leeuw een oproep tot humaniteit) samenvalt met de broosheid van de dirigent en een beroep doet op de empathie van uitvoerenden én luisteraars. De Ripolin mannetjes in optima forma.

http://www.nederlandskamerkoor.nl/concertenreeks/matthaus-passion-met-holland-baroque/

De Matthäus missie van Reinbert de Leeuw

Händels eerste oratorium op NPO Radio4

Emmaneulle HaïmHändel

Gelukkig zijn er enkele radiozenders (Omroep MAX, NTR, AVROTROS) die muziekliefhebbers als tegenwicht tegen de vele sportuitzendingen op de televisie, en ter afwisseling van heerlijke detectiveavondjes, rechtstreeks of een paar dagen later laten (mee)genieten van wat buitenlandse muziekfestivals deze zomer bieden. Vanavond was op NPO Radio4 een afgelopen woensdag gemaakte opname in het Théâtre de l’Archeveché (Aix-en-Provence) van Händels eerste oratorium Il Trionfo del tempo e del disinganno te beluisteren. In een uitvoering door solisten en Le Concert d’Astrée onder leiding van Emmanuele Häim (zie foto rechts), de ideale dirigent voor dit repertoire.

Het stuk ontstond in 1707 en beleefde zijn première onder leiding van concertmeester Arcangelo Corelli in Rome. Hij wist – gaat het verhaal – geen weg met de oorspronkelijk Franse ouverture, maar zal zijn hart zeker hebben opgehaald aan het slot van het eerste deel, een chaconne gelijk die ook in zijn eigen vioolsonates voorkomt. Al werd die in de onderhavige uitvoering in het kader van het Festival d’Aix-en-Provence gevolgd door een filmfragment uit Ghost dance. Een ingreep die we onlangs ook in het Muziekgebouw aan het IJ meemaakten bij een concert door het Nederlands Kamerkoor.

Vier protagonisten spelen de hoofdrol: La Bellezza (de schoonheid), Il Piacere (het plezier), Tempo (tijd) en Disinganno (ontluistering). Bellezza werd vertolkt door de stersopraan Sabine Devieilhe die dan wel haar schoonheid heet te verliezen, maar dit compenseerde door ijzingwekkend en trefzeker gezongen hoge noten. Piacera werd gezongen door de in dit festival debuterende Franco Fagioli, een countertenor met een enorm vibrato dat soms vreemd contrasteerde met het pittig en dan weer ingetogen maar in ieder geval strak spelende orkest. De rol van Tempo was in handen van de een enkele keer als heldentenor opererende Michael Spyres en Disinganno tenslotte stond op naam van de Italiaanse contralto Sara Mingardo, die indruk maakte door haar mooie, donkere stemgeluid.

Hoewel sommige aria’s bekend zijn uit latere oratoria, en in het eerste deel zelfs vooruit wordt gelopen op de latere orgelconcerten die als onderbreking van het verhaal werden gespeeld, had ik dit vroege oratorium van Händel nog niet (volledig) gehoord. Het is fijn daartoe door de omroep in staat te zijn gesteld!

Marcello’s Estro poetico-armonico

MarcelloTijdens het a.s. Festival Oude Muziek in Utrecht, zal het Nederlands Kamerkoor o.l.v. Richard Egarr enkele Hebreeuwse Psalmen van Benedetto Marcello (zie afb.) uitvoeren: http://oudemuziek.nl/musici/richard-egarr-nederlands-kamerkoor/

Ter gelegenheid daarvan plaats ik hier een gedeelte uit mijn boekje Dialoog in muziek (1997) dat over deze componist en deze bundel gaat.

 

In het begin van de 18de eeuw verzamelde Benedetto Marcello in de Duitse synagoge van Venetië, de Scola grande tedesca, muziek waarvan de invloed duidelijk aanwijsbaar is in zijn hoofdwerk Estro poetico-armonico (1724-1727), dat meerstemmige zettingen bevat van vijftig psalmen, in de Italiaanse berijming van Girolamo Ascanio Giustiniani.

Als voorbeeld mag de aanwezigheid in Marcello’s bundel dienen van Ma’oz zur, die door de Ashkenazische gemeenschap werd gezongen na het ontsteken van de Chanoeka-lamp, waarmee het wonder werd herdacht dat één oliekruikje voor acht dagen licht in de tempel leverde. Deze melodie is uit Duitsland afkomstig en dateert waarschijnlijk uit de 13de eeuw. Ze wordt nog steeds gezongen in Italië, Israël en de Verenigde Staten. In totaal zijn twaalf van de vijftig psalmen gebaseerd op synagogale melodieën, waaronder één van de fraaiste, Psalm 22, waarin ‘Yitgadal v’yitgadash sh’me raba!’ weerklinkt.

Hoe moet de invloed van het joods-muzikale erfgoed op Marcello worden geduid? Men is er niet van af door vast te stellen dat na de roof- en kruistochten in Venetië westerse en oosterse luister tot een unieke eenheid werd versmolten. Het is veeleer de vraag in hoeverre de joodse invloed een geïntegreerd bestanddeel vormde van het kunstenaarschap van Marcello, maar ook van Alessandro Scarlatti. Deze voegde in zijn Lamentazioni per la Settimana Santa (ca. 1708) op de joodse muziek geïnspireerde melismen (= reeks tonen op één lettergreep) toe aan met name het acrostichon (= naamvers) van de Klaagliederen.

Het valt te betwijfelen of wij er ooit precies achter zullen komen. Net zo min of wij zullen weten wat Orazio Vechhi (1550-1605) tegen het einde van de 16de eeuw bezielde toen hij, gefascineerd door synagogale gezangen, deze verwerkte in zijn polyfone madrigaal-komedie Amphiparnasso.

Maar misschien worden we straks tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht op 1 september, door verschillende uitvoeringen en lezingen, wél weer een stukje wijzer!

Evangelische muziek in concertzaal?

Rafael_Estasi di Santa CeciliaTerwijl de kerk een steeds meer marginale plaats in de samenleving krijgt, speelt religieuze en zelfs liturgische muziek een steeds grotere rol in concertseries in de concertzaal. Soms gecondenseerd in één weekend, zoals afgelopen zaterdag en zondag. En met, toeval of niet, eenzelfde geestelijke achtergrond die de kerk een al dan niet gewenst nieuw leven in moet blazen: een evangelische. Met – zoals Van Kooten & De Bie het een keer omschreven – ‘een hoog Hallelujah-gehalte’.

Het begon zaterdag tijdens het ZaterdagMatinee. Van de Milanese componist Pasquale Corrado ging in een uitvoering door het top Ensemble Intercontemporain o.l.v. Matthias Pintscher een nieuwe compositie in première: D’Estasi, gebaseerd op het schilderij Estasi di santa Cecilia (Pinacoteca nazionale in Bologna) van Rafaël (zie afb.).
En het ging zondagmiddag verder tijdens een concert in de Z-serie van het Koninklijk Concertgebouworkest onder leiding van Daniel Harding, waaraan werd meegewerkt door het Nederlands Kamerkoor. Op het programma stond onder meer het motet Jesu meine Freude BWV 227 van Joh. Seb. Bach.

Corrado, zo lazen we in het programmaboekje, had de muzikale structuur van zijn in opdracht van het NTR ZaterdagMatinee geschreven werk in zes zones verdeeld, ‘één zone voor elk door Rafaël gepresenteerd figuur plus één zone die de figuur van Christus representeert’. Niet dat die op het doek voorkomt – maar toch. Volgens Corrado is Hij ‘impliciet aanwezig’ in de ziel van Cecilia.
De inleider tijdens de rechtstreekse radio-uitzending wist te melden, dat Rafaël het doek schilderde op de grens van een door christendom beheerste kunstperiode en het humanisme, waarin de mens centraal staat. Corrado wist dit vakkundig onderuit te halen en een evangelische duiding aan het schilderij te geven die helemaal past in de opkomst van het evangelische christendom.

Die tijdgeest drong ook door in de interpretatie van genoemd Bachmotet: Jesu meine Freude. Waarbij het duidelijk was, dat het Harding meer ging om ‘Jesu’ dan om ‘Freude’. Zowat elke zin waarin Jezus werd bezongen, werd er expressief uitgelicht. In de zin ‘mir steht Jesus bei!’ en ‘Jesus will mich decken’ ging dat gepaard door in beide gevallen een enorme vertraging. In de zin ‘Jesu meine Lust!’ (in het programmaboekje met uitroepteken) met een sterk diminuendo.

Wat moet je hier nu van denken? In ieder geval dat het fijn is dat de scheiding tussen kerk en concertzaal wat betreft religieuze en liturgische muziek steeds meer wordt geslecht. Het kan je overal toevallen. Of het ook bevalt, is een tweede en zal voor iedere luisteraar verschillend zijn. En ook dat is een goede zaak. Een vleugje humanisme wellicht.

Zie ook mijn bespreking van het boek Tussen aarde en hemel van Kasper Jansen op: http://leerhuisamsterdam.nl/ (onder: Leerhuis – Boekbesprekingen), die eerder verscheen in De Verbreding (nr. 4, augustus 2005).

Eilt, eilt

Richard EgarrHet openingskoor van Bachs Johannes-Passion, gisteren tijdens de traditionele Palmzondag-uitvoering in het Amsterdamse Concertgebouw, beloofde wat. Ik zat op het puntje van mijn stoel: eerst het Herr, Herr, Herr in crescendo en bij de herhaling hetzelfde Herr, Herr, Herr in diminuendo – respectievelijk de nadruk leggend op de aanroep ervan en op het gebed dat er óók uit spreekt.

Maar laat ik het meteen maar eerlijk zeggen: de rest viel behoorlijk tegen. Natuurlijk, er waren prachtige momenten bij de solisten en in het orkest te bespeuren.En dan denk ik stuk voor stuk aan de solisten. Van tevoren was aangekondigd dat tenor Benjamin Hulett niet helemaal bij stem was, maar daar viel weinig of niets van te merken. Eerder leek de bas Christopher Purves naar het eind toe wat moeite met zijn partij te krijgen. Maar dan nog.

De belofte van het openingskoor werd wat mij betreft dus uiteindelijk verre van waargemaakt. De Evangelist (Michael Schade) en Christus Andrew Foster-Williams lieten hun vibrato ruim wapperen en zette in het eerste geval soms zelfs ongelijk met het continuo in. Dat zijn we in Amsterdam niet gewend.

De koralen werden weliswaar (pluspunt) verschillend qua zeggingskracht gezongen en gespeeld, maar soms slopen er ook maniertjes in, zoals het afremmen of een Luftpause voor een fermate. En dan heb ik het nog niet eens over de enorme snelheid waarmee overigens alle koorgedeelten werden ‘genomen.’ Hulde voor zowel het Nederlands Kamerkoor (instudering Frank Hameleers) als het Koninklijk Concertgebouworkest, die dit allemaal maar bij moesten zien te benen en daar geweldig in slaagden. Dat moet gezegd.

Maar wat deed dat klavecimbel (bespeeld door dirigent Richard Egarr, zie foto) in de begeleiding van gedeelten van de recitatieven, naast het orgel (Menno van Delft)? Dit bracht ons terug naar de tijd waarin een klavecimbel gewoon was. Net als de operadictie van de Evangelist en Christus. In vreemd contrast met de speed waarmee alles voor het voetlicht werd gebracht; het eerste deel was na 35 minuten al voorbij. Eilt, eilt. Maar Warum? Allebei hadden we toch inmiddels achter ons gelaten?