Ontwaakt, want er staat veel op het spel

In een week las ik twee diametraal op elkaar staande stukken: de recensie van Sofie Messeman (in Trouw, 29 november 2017) van Philipp Bloms recente boek Wat op het spel staat (zie afb.) en het artikel ‘Vertrouwen in vernuft en hart’ van Tamarah Benima (in Kerk & Israël Onderweg, december 2017). En of dit niet genoeg is, kreeg ik vandaag van twee heren van de Jehova’s Getuigen nummer 6 van Ontwaakt! (zie afb.) in handen gedrukt.

Eerst de recensie van Wat op het spel staat. De historicus Blom onderscheidt volgens Messeman twee levensgrote problemen waar wij voor staan: de klimaatverandering en digitalisering. Zij concludeert dat Blom zich ‘ontpopt als een onheilsprofeet die nuance mist als hij het over technologie heeft (…). Zo zal digitalisering vermoedelijk ook een aantal problemen oplossen (…). Blom is te veel een onheilsprofeet.’

Benima, liberaal joods rabbijn in Friesland, Groningen en Drenthe, onderscheidt drie problemen: grote oorlogen, ziekten en moreel verval en evenals Blom ook klimaatverandering. Ze vraagt zich af ‘of we op weg zijn naar de messiaanse tijd of “kan het ook fout (af)lopen?”’ En zij concludeert, totaal anders dan Blom, dat dit laatste niet zo is in haar visie. ‘Klimaatverandering is ernstig. Maar de klimaatalarmisten komen me voor als de boetepredikers van weleer met hun ideeën over de almacht van de mens. Het aandeel van de mens in het probleem is klein, maar de technologische oplossingen die diezelfde mens aandraagt zijn ongelooflijk. Die geven mij vertrouwen. Heus, ik ben niet blind voor wat er kan – en gaat – gebeuren, maar vooralsnog heb ik het vertrouwen in het vernuft en het hart, de fantasie en de saamhorigheid van de mens.’

En dan Ontwaakt! Het lijkt eerst alsof Blom en Benima achter elkaar aan het woord komen: ‘Loopt het in de wereld uit de hand? (…) Zelfs deskundigen kunnen het niet over dit onderwerp eens worden.’ En dan komt Barack Obama voorbij, die in 2014 stelde “dat veel mensen door alle negatieve nieuwsberichten concluderen dat de wereld helemaal aan het doordraaien is en dat niemand er iets aan kan doen.” Maar kort na die uitspraak sprak hij enthousiast over huidige strategieën om veel van de wereldproblemen op te lossen.’
En dan komt ook hier een rijtje: massavernietigingswapens (de grote oorlogen bij Benima), onze gezondheid (ziekten en moreel verval bij Benima), de natuur die wij aanvallen en die ons aanvalt (de klimaatverandering bij Blom en Benima). De vraag is dan: ‘Waar zijn die antwoorden te vinden?’

Volgens Ontwaakt! uiteraard in de Bijbel, waar Benima ze zoekt in ‘het vernuft en het hart, de fantasie en de saamhorigheid van de mens.’ Ik had een oud-leraar op het Hervormd Lyceum in Amsterdam, de bekende historicus J. de Rek die in 1976 op 66-jarige leeftijd overleed, die hetzelfde beweerde, en ik ben zijn uitspraak nooit vergeten. Maar ik zou anno 2017 wat willen afdoen aan de opvatting van Blom, wat willen toevoegen aan die van Benima en die van de auteurs van Ontwaakt! wat willen nuanceren: misschien is de mens ‘Gods partner’ om de titel van een boek van Willem Zuidema aan te halen, en kan zowel H/Zij als wij het gewoon niet alleen. Daarvoor staat er teveel op het spel.

De woestheid van de wereld

In het schitterend uitgevoerde boek De geest uit de fles van de filosoof Ger Groot, over ‘hoe de moderne mens werd wie hij is’, zit een hoofdstuk onder de titel ‘Geschiedenis en de woestheid van de wereld.’ Het zou zomaar als toelichting hebben kunnen dienen bij het Robeco SummerNights concert van vanavond in het Amsterdamse Concertgebouw, waar het Radio Filharmonisch Orkest optrad onder leiding van de door mij zeer gewaardeerde dirigent Markus Stenz. Een heel programma zonder solistische medewerking.

Groot begint zijn hoofdstuk met het beschrijven van wetenschappelijke ontdekkingen uit wat wij later de moderne tijd zijn gaan noemen. Hij noemt onder meer de naam van de bioloog Georges-Louis Leclerc de Buffon (1707-1788), waarmee we in het Frankrijk waarmee het concert opende zijn aangekomen.
Het concert begon namelijk met de ouverture Le cahos uit het ballet Les Eléments (1737) van de Franse componist Jean-Féry Rebel uit dezelfde tijd en omgeving. Net als Leclerc schetst Rebel in dit geval met noten de wording van de aarde, van de elementen wel te verstaan. Niet uit de chaos zoals die in het Bijbelse Genesisverhaal wordt verteld, maar de chaos van de Griekse filosofen. Stenz moet zich als pleitbezorger van de hedendaagse muziek thuis hebben gevoeld in deze haast atonale klanken van Rebel. In ieder geval was het een spannend begin van een opmerkelijk concert, het tweede in de Robeco SummerNights.

Wie nu mocht denken dat het concertprogramma de lijn van Groot volgt, en uitkomt bij de preromantiek met bijvoorbeeld de Zesde symfonie van Beethoven (foto rechts), die de natuur van na de chaos wordt toonzette, kwam bedrogen uit. Of liever gezegd: wachtte een verrassing, met Beethovens Vijfde, de noodlotssymfonie. Of de symfonie van het verzet tegen het noodlot, zoals de paukenist toonde die in een kamporkest het klopmotief van het begin als protest zachtjes door de verplichte muziek heen speelde.
Het Radio Filharmonisch Orkest liet onder Stenz een prachtige, ritmisch sterk geprofileerde tocht van donker naar licht horen. Net als bij Rebel paarde Stenz een zekere lichtheid van klank aan nadrukkelijk donkere accenten.

Na de pauze werd de opzet van het programma min of meer herhaald. Begonnen werd met Die Vorstellung des Chaos uit Haydns oratorium Die Schöpfung , dat nog eens duidelijk liet horen wat een geweldig orkest het Radio Filharmonisch Orkest toch is.
Het slot van het concert ging naadloos over van Haydn (foto links) naar, net als in het hoofdstuk van Groot, de Sacre du printemps van Igor Stravinsky, een ballet dat in de omschrijving van Groot ‘een onverholen hulde brengt aan de rauwe, heidense rite waarin een jonge maagd geofferd wordt aan de aarde.’ En hij vervolgt: ‘De chaos is alomtegenwoordig geworden, de oerkrachten hebben vrij spel in hun gewelddadige anarchie, het sublieme van een ongetemde natuur is klank geworden.’
Stenz wist zowel de anarchie als het sublieme in Stravinsky’s Sacre op een voor hem kenmerkende manier over het voetlicht te brengen: simultaan, waardoor je op ’t puntje van je stoel zit: wat gebeurt hier? Een gedenkwaardige avond kortom, dat was het!

Monteverdi’s Mariavespers in Holland Festival

Alleen in het Evangelie van Johannes vallen Pasen en Pinksteren op één dag, en toch had ik het gevoel dat ze dit op Eerste Pinksterdag ook deden bij de half-geënsceneerde opvoering van Monteverdi’s Mariavespers (1610) – tenslotte een ‘religieuze meditatie’ volgens Pierre Audi in het programmaboekje – in het kader van het Holland Festival in de vijftien meter hoge Gashouder in Amsterdam, waar al eerder Nono’s Prometeo en Neuwirths Encantadas te zien waren.

Dat komt zo. Midden in de Gashouder, met daaromheen halfrond opgebouwde tribunes tegenover koor en orkest, lag een monumentale sculptuur van Berlinde De Bruyckere: Cripplewood (Kreupelhout), die eerder te zien was tijdens de Biënnale van Venetië (2013). We kennen haar werk rond grote thema’s als lijden, hoop, kwetsbaarheid. Deze dubbelheid, deerniswekkend aan de ene kant en krachtig aan de andere kant, proefde ik ook in deze sculptuur, bestaande uit een op de grond liggende, 20 meter lange boomstronk (een iep, wist iemand te vertellen) waarin je, mede door de steeds wisselende belichting, ook knekels kon zien. Of zoals J.M. Coetzee naar aanleiding van de Biënnale schreef: ‘Een exploratie van leven en dood – dood en leven, leven in dood, leven voor de dood, dood voor de dood.’
Het riep een Bijbeltekst te binnen die met Pasen wel wordt gelezen: over dorre doodsbeenderen (Ezechiël 37) die langzaam weer tot leven komen.

Het waren de geweldige solisten en het al even geweldige, ongeveer veertig mensen tellende, in 2006 opgerichte koor Pygmalion onder leiding van Raphaël Pichon die er dan weer omheen liepen, dan weer voor bleven staan, dan weer bij gingen liggen waardoor deze dubbelheid van dood en leven werd benadrukt; ze zongen een doodsklacht, ze leken het al zingend adem in te blazen als in het Pinksterverhaal. Grotendeels in blauwgrijze kleding; we hebben het tenslotte over Mariavespers. Ondersteund door het gelijknamige, op authentieke instrumenten spelende orkest, met een rijke continuo-bezetting waarin twee harpen opvielen die met hun sensuelere klank dan bijvoorbeeld die van een luit teksten uit het Hooglied ondersteunden. Wat een vondst! Koor en orkest waren bij De Nationale Opera al eerder te horen geweest in de productie Trauernacht.

De bedoeling van Audi, De Bruyckere en Pichon was overigens ook om een ‘mise-en-écouté’ in de ruimte (‘mise-en-espace’) neer te zetten: een verbeelde luisterervaring als in de San Marco in Venetië, waarvoor Monteverdi zijn werk schreef. Je kon je inderdaad in de San Marco wanen, met de musici die van plaats veranderden en de klank die je vanaf steigers alom omringde. Prachtig hoe zacht de instrumentalisten soms durfden te gaan en toch door de hele, in het donker gezette ruimte goed hoorbaar bleven, dankzij de onvolprezen geluidstechnicus Jan Panis. Een nadeel bij deze opzet was wel, dat er geen boventiteling was of op z’n minst een aanduiding van wat werd gezongen: welke Psalm, wel deel uit het Hooglied, welke Evangelietekst of wat dan ook. Te beginnen met een schitterend gregoriaans Pater Noster (Onze Vader).
Te snappen was het natuurlijk wél, want zo’n tekstbalk zou het fraaie lichtontwerp van Felice Ross en de video’s van Mirjam Devriendt doorbreken.

Het leek wel een gewijde viering. Voor Maria, voor de natuur, voor leven en dood, levenden en doden. Even dacht ik: wat zou Henk Vreekamp hiervan hebben gevonden, de ‘door joodse vragen uitgedaagde heiden-christelijke theoloog’? We zullen het niet weten maar iedereen werd uitgedaagd zijn/haar eigen invulling aan deze ervaring te geven.

Hartmut Rosa – Leven in tijden van versnelling

Leven in tijden van versnelling : een pleidooi voor resonantie / Hartmut Rosa ; vertaling [uit het Duits]: Huub Stegeman ; bezorging: Marli Huijer. – Amsterdam : Boom, [2016]. – 156 pagina’s ; 22 cm. – Vertaling van: Alienationa and accelleration. – Suhrkamp Verlag, © 2013. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-895346-5-1

De belangrijkste vraag die in dit boek wordt gesteld, is die naar het goede leven in een tijd van maatschappelijke versnelling en vervreemding. Een vraag die de sociale filosofie, sociologie en politicologie zouden moeten stellen om het maatschappelijk debat hierover te bevorderen, omdat deze verschijnselen ons verhinderen een goed leven te leiden. Om daar verbetering in aan te brengen pleit de auteur voor resonantie, dat wil zeggen het tegenovergestelde van vervreemding: ervaringen die worden gevonden in de natuur, kunst en religie en de grondslag vormen voor een geslaagde relatie met de wereld. Ten onrechte wordt de Duitse socioloog Hartmut Rosa, hoogleraar aan de Universiteit van Jena, wel ‘onthaastingsgoeroe’ genoemd. Onthaasten is weliswaar ook gericht op het goede leven, maar zonder dat het een maatschappijkritische manier is van in-de-wereld staan. Daarom heeft dit boek de lezer iets anders, en meer, te zeggen dan bijvoorbeeld ‘Stil de tijd’ (2009) van Joke Hermsen. Deze Nederlandstalige editie is bezorgd door Marli Huijer, die zich ook met het onderwerp ‘tijd’ heeft beziggehouden.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Zo krom als de maan

christensen_de-halfbroerroose_montaigne

In de vuistdikke roman De halfbroer van de Noorse schrijver Lars Saabye Christensen (zie afb. links) komen nogal wat personages met een als krom omschreven rug voor, zoals Boletta ‘met een rug zo krom als de maan boven de Majorstuen-kerk in oktober.’

Opvallend is dat ook de natuur in soortgelijke bewoordingen wordt beschreven: een ‘steile, groene berg die met kromme rug opstijgt uit de branding.’ Het doet denken aan de natuur in de beeldende kunst van Egon Schiele: een zonnebloem, geïnspireerd door Van Gogh, met dezelfde lijdende trekken als zijn mensenfiguren. Alsof de natuur een (zelf)portret, een antropomorfe (af)spiegeling is.

Bij Christensen klinken heel oude dichotomieën door: de mens vol schande en schaamte, in kromheid gebogen, kleingemaakt door een zwaar leven in een stad – tegenover de goede, heelmakende natuur, in dit geval een eiland. Maar de auteur legt nog een laag aan: van de authentieke, echte mens (die krom loopt) aan de ene kant en de artificiële, onechte mens (die kaarsrecht loopt) aan de andere kant.

Ook dat is een oud sjabloon. Daarvoor hoef je maar naar 17e en 18e eeuwse stads- of dorpsgezichten van Hollandse meesters te kijken: een edelman zit wijdbeens of staat rechtop en kijkt fier de wereld in, een visser of boer(in) is gezet en staat op z’n minst wat gebogen. Gerard de Lairesse deed het voor in zijn Groot Schilderboek en de Amsterdamse historicus Herman Roodenburg trok in zijn studie The eloquence of the body (uitgave Waanders) de lijn door naar het ‘echte leven.’ Rechtop lopen was een eerste vereiste in de 17e en 18e eeuw. Corsetten en operaties (Constantijn Huygens!) deden de rest. Een (rechte of kromme) houding gaf aan tot welke stand iemand behoorde.

Dit beeld werkt nog steeds door; in necrologieën over dirigent Carlo Maria Giulini werd bijvoorbeeld meermalen gewezen op diens aristocratische voorkomen in relatie tot zijn kaarsrechte houding.

Maar er zit nog een andere kant aan het verhaal dat 17e en 18e eeuwse Hollandse meesters ons tonen. Het is de Frans-Bulgaarse filosoof Tzvetan Todorov die heeft gewezen op het revolutionaire van het feit dat er voor het eerst gewone mensen al dan niet met gebreken werden getoond. Sindsdien is in de schilderkunst de scheiding tussen mooi en lelijk onder druk komen te staan.

Todorov spiegelt zich aan de filosofie van de humanist Michel de Montaigne (1533-1592). De Montaigne ging in het begin van zijn carrière, zoals het een humanist uit zijn tijd betaamde, uit van het Griekse denken. Plato, de man van het ideale lichaam in goede verhoudingen, was zijn ‘denkmeester.’ Maar gaandeweg sloeg Montaigne een richting in waarbij ook het niet-ideale werd betrokken. Dit zal zeker mede zijn ingegeven door zijn eigen zwakke gezondheid waarover hij in zijn geschriften openlijk berichtte. Maar zoals elke goede schrijver ontsteeg hij zijn persoonlijke malaise en raakte aan het algemeen-menselijke. In die zin is De Montaigne’s filosofie, waarin een verband bestaat tussen lichaam en geest zoals er bij Christensen een verband bestaat tussen mens en natuur, nog steeds actueel.

Met toestemming herplaats ik hier een eerder in Wervel-ingen verschenen culturele column n.a.v. de tentoonstelling van De Lairesse in Enschede, en het verschijnen van de biografie De vrolijke wijsheid, zoeken, denken en leven met Michel de Montaigne (zie afb. rechtsboven, uitg. Polis) door Alexander Roose.

De tijd op zijn best – Robert Heppener

robert-heppenered-spanjaard

 

 

 

 

 

 

Het gaat er niet om de beste van de tijd te zijn, maar de tijd op zijn best. Aldus de Duitse filosoof Hegel. Franz Rosenzweig zei het hem ruim een eeuw later veelvuldig na: het is de bedoeling de tijd waarin je leeft optimaal tot uitdrukking te brengen. En te boven te komen, de tijd vooruit te zijn.
Rosenzweig heeft geweten wat dit betekende: door die houding aan te nemen vielen alle deuren voor een loopbaan in de universitaire wereld voor zijn neus dicht. Pas gaandeweg werd het belang van zijn denken, uiting gevend aan de tijd op zijn best en visionair tegelijk, ingezien.

Iets soortgelijks overkwam Robert Heppener (1925-2009, foto links), wiens muziek heel lang niet de (h)erkenning heeft gekregen die haar toekomt. Op 7 oktober a.s. klinkt in de serie AVROTROS Vrijdagconcert in het Utrechtse TivoliVredenburg Heppeners Del iubilo del core che esce in voce in een uitvoering door het Groot Omroepkoor o.l.v. Ed Spanjaard (foto rechts). Ter gelegenheid hiervan herplaats ik hier gedeelten van een artikel dat ik over de Heppener schreef in Mens en melodie (nr. 6/6 2003).

Zelf heeft de componist wel eens het idee gehad niet thuis te horen in de tijd waarin hij leefde, zoals hij in een interview met Paul Janssen in het Parool van 6 juni 1988 zei. Maar dat gevoel is voorbij gegaan: ‘de zijlijn is vanzelf middenveld geworden.’ In die zin voelde Robert Heppener zich verwant aan de tijdloosheid die de muziek van Olivier Messiaen ademt. En ook de vogelgeluiden, en zelfs een heuse ‘vogelcadens’ in Voir Clair voor orkest doen aan Messiaen denken.

Robert Heppener heeft de combinatie van Socratische vervreemding, het zich niet helemaal thuis voelen in de tijd waarin je leeft en het zich distantiëren van wat lang bon ton was (het serialisme), en Platoonse, visionaire hoop die tot het wezen der dingen doordringt, van niemand vreemd. Het kan namelijk ook kenmerkend worden genoemd voor het latere werk van Bertus van Lier, die van 1951 tot 1955 Heppeners mentor was. Een Socratisch leraar die tegen zijn leerling zei: ‘Als je begint aan een compositie, is onderbewust dat stuk al klaar. Dat moet je naar voren halen.’

In de geest van Van Lier is een vroege compositie van Heppener geschreven: Cantico delle creature di S. Francesco d’Assisi voor hoge stem, harp en strijkorkest (1952-1955). De sopraanpartij is in één, vrijwel ononderbroken beweging gedacht, als een vogel die zweeft in de lucht en slechts een enkele keer de vleugels beweegt. Het werk is duidelijk vanuit de tekst geschreven, waarbij de instrumenten de woorden onderstrepen.
Ook in het overwegend lyrische Voir Clair wordt de schepping bezongen door middel van gedichten van de surrealistische dichter Paul Eluard.

Opvallend is dat Eglogues voor orkest (1963) tegenover Cantico en Voir Clair staat, of liever: complementair daaraan is, omdat het de gewelddadige kanten van de schepping onderstreept. Het motto van deze in 1980 gereviseerde compositie is ontleend aan de Franse dichter Saint-John Perse (pseudoniem van Alexis Léger) en roept, aldus de componist, ‘een beeld op van de tijd waarin we leven door middel van metaforen, ontleend aan de natuur, en wel aan die van het hooggebergte, met alle grootsheid, onzekerheid en fataliteit.’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Robert Heppener de wereld van de novelle Eine Seele aus Holz van de Oostenrijkse schrijver Jacov Lind in zijn libretto voor de opera Een ziel van hout (1996) heeft omgebogen: de menselijke wereld van het grote moorden en de relatief paradijselijke wereld van de dieren in het bos staan tegenover elkaar, hoewel Lind zelf beide als één wereld beschreef.

Ook in het koorwerk dat in Utrecht wordt uitgevoerd is ook een complementair stuk: ingetogenheid gaat in deze uit 1974 daterende compositie op tekst van Jacopone da Todi over in extatische jubel. Hierin is Heppener naar de geest verwant met de muziek van Françis Poulenc, die in zijn werk soms na een grote climax tot eenzelfde, plotselinge verstilling kan komen als Heppener in het slot van dit stuk.

Del iubilo del core che esce in voce gaat vanwege de notatie en voorgeschreven zangtechnieken door als één van de meest ‘moderne’ stukken van de componist. Zelf sprak hij van een ‘nogal exuberante muzikale taal.’ Dat is, voor wie bijvoorbeeld Spinsel voor piano (1986) kent, schijn. Het enige verschil is wellicht dat Heppeners ‘moderne’ kant in eerste instantie duidelijk uit de gebruikte tekst voortkomt en, na een ziekteperiode gedurende de jaren 1979-1984, organisch vanuit zijn manier van schrijven voor instrumenten voortvloeit. Ten diepste is er geen verschil.
Het stuk straalt een helder licht uit als van een kaars op een donker schilderij uit de Gouden Eeuw. Er zijn altijd kunstenaars die een donkere tijd te boven komen. Robert Heppener was er één van.

Bruno Latour – Wij zijn nooit modern geweest

latour_wij-zijn-nooit-modern-geweestWij zijn nooit modern geweest : pleidooi voor een symmetrische antropologie / Bruno Latour ; vert. Joep van Dijk en Gerard de Vries. – Amsterdam : Boom, 2016. – 248 pagina’s ; 20,5 cm
ISBN 978 90 8953 772 0

Lezers die zich niet laten weerhouden door bijvoorbeeld de eerste hoofdstuktitel (‘De proliferatie van hybriden’) worden beloond met deze herziene editie van de Nederlandse vertaling van één van de hoofdwerken van de Franse wetenschapsfilosoof Bruno Latour (1947). In deze uit 1991 daterende studie, die nog niets aan actualiteit heeft ingeboet, onderzoekt de auteur het begrip ‘modern’ (premodern, modern, postmodern) in relatie tot natuur en cultuur. Volgens hem is er nooit sprake geweest van (onder)scheiding, contradictie, spanning of (hyper)incommensurabiliteit tussen beide polen. Latour doet een oproep aan de mens om zich zó om te vormen, dat er plaats wordt ingeruimd voor hybriden, zoals robots. Hij doet dit op een eigenzinnige en helaas niet altijd even toegankelijke manier. De tekst wordt aangevuld met kwadranten en andere figuren.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Rust en bezinning – The red turtle

The red turtleEen man spoelt aan op een onbewoond eiland en probeert er weer vanaf te komen. Wanneer en waar wordt niet duidelijk. De verwikkelingen die dit oplevert, vormen de rode draad in de film The red turtle. Een sprookjesachtige Frans-Japanse animatiefilm van de Nederlandse regisseur
Michael Dudok de Wit.

Een film die allerlei grenzen verkent. Tussen natuur en cultuur, waarbij het rood van de zeeschildpad staat voor bloed én voor liefde. Tussen water en land, want zowel de schildpad als talloze krabbetjes die voorbij komen bivakkeren op de grens ervan en volgen de aangespoelde man de zee in of het land op. Tussen mens en dier, zoals je dat uit sprookjesverhalen kent. Tussen hoop en wanhoop ook, wanneer de man fata morgana’s ziet waarin een strijkkwartet in 18de eeuwse kleding een flard Janáček speelt, en wanneer een tsunami het eiland overspoelt en een spoor van vernietigingen achterlaat.

Allemaal prachtig vorm gegeven, zoals de broekspijpen van de man die zachtjes heen en weer gaan door de wind, zoals de lange schaduwen die op het strand worden geworpen. Alleen de muziek is misschien soms wat al te bombastisch.

Bovendien spelen er allerlei Bijbelse, symbolische motieven mee in deze film. Zo slepen de krabbetjes telkens weer takjes voort over het zand, zoals de duif na de zondvloed een olijftakje in zijn bek had als teken van een hoop, van een nieuw begin. En zo tekent de man in ’t zand, zoals eens Jezus deed. De man tekent alsof ware het een rotstekening uit een lang vervlogen verleden. Jezus schreef woorden, maar we weten niet welke. Zoals de kreten die de man slaakt ook niet duidelijk te herleiden zijn, maar de bedoeling ervan wel duidelijk is.

Achter me loopt een grootmoeder met haar kleinzoon de bioscoop uit. Hij heeft het een mooie film gevonden. Maar op de vraag van zijn grootmoeder of hij er ook een moraal in heeft gezien, antwoordt hij ontkennend. Toch zit die moraal er denk ik wel degelijk in; de film is niet louter een woordloze vertelling van de levenscyclus van een mens, geboren uit het water, steeds ouder en grijzer wordend. De boodschap zou kunnen zijn dat vluchten niet meer kan (Frans Halsema en Jenny Arean). Of dat er geen ontkomen aan is. En er zit ook een oproep in: blijf dicht bij jezelf, zoals de rode zeeschildpad ons denk ik leert.

Ik moet eraan denken wanneer ik thuis de toespraak lees en zie die de Duitse bondskanselier Angela Merkel gisteren in Berlijn hield. En in De Groene Amsterdammer een mooi stuk lees van Rutger van der Hoeven. Over een gecondenseerd jaar dat de wereld ook in een goede richting kan trekken. ‘Zoals 1989, met opwarmers aan het einde van het bewind van Pieter Botha, Hirohito en Ronald Reagan, en aan het eind van het jaar het neertuimelen van de communistische regimes in Oost-Duitsland, Tjsecho-Slowakije, Polen en de rest.’ Maar 2016 voelt als een slecht jaar. Toch is er volgens de auteur hoop: ‘Een les van die samengebalde jaren is dat crises ook weer overgaan. Net als de cyclus van terrorisme.’

Daarom heeft Merkel denk ik gelijk: laten we onze kalmte bewaren en ons eerst bezinnen voor we ons uitspreken over mogelijke daders, IS of niet. Dat is wat we volgens Van der Hoeven kunnen bijdragen: rust en bezinning. Zoals Merkel en Van der Hoeven ons voordoen. Zoals The red turtle ons voorhoudt.

http://www.groene.nl/artikel/crisis

Philippe Claudel en William Shakespeare

ShakespeareIn mijn MA-scriptie over het kwaad in de filosofische studie Het kwaad denken van Susan Neiman en de roman Het verslag van Brodeck van Philippe Claudel, had ik twee paragrafen opgenomen waarin ik de verwantschap aantoonde met respectievelijk de roman Het ultieme recept van Torgny Lindgren en met de techniek van het drama-in-het-drama van Shakespeare. In het kader van information overload heb ik deze twee paragrafen er in de herziene versie uitgehaald. Ik presenteer beide hier achtereenvolgens als blog. Dit is de tweede: over Claudel en Shakespeare.

Ik bespreek hier kort de compositorische overeenkomst tussen Claudel en de techniek van het drama-in-het-drama in drie late toneelstukken van William Shakespeare.[1] Met het oogmerk om het kwaad op het spoor te komen. De techniek wordt in verband met Claudel door Caryn James “a shadow version” van het eigenlijke verslag, van het eigenlijke drama genoemd.[2] En door Robert Egan een poging om de werkelijkheid te veranderen door middel van een dramatische illusie, tussen het stuk en de belevingswereld van de toeschouwers. De bedoeling is de thematiek te actualiseren.

Een fraai voorbeeld van illusie, een stijlmiddel waar Claudel ook mee speelt, is het zesde toneel in de vierde akte van King Lear. Het speelt in de buurt van Dover, en Edgar maakt zijn geblinddoekte vader wijs dat hij een heuvel op klimt en de zee hoort. Als hij niet oppast, zal hij zo de zee in storten. Tegen het publiek zegt hij: “Why I do trifle thus with his despair / Is done to cure it” (“Ik speel met de vertwijfeling van zijn hart / Om het te helen”).[3] King Lear zelf staat op dat moment niet op het toneel; zoals Brodeck op het beslissende moment ook niet aanwezig was.
Edgar omschrijft de natuur die Gloucester, zijn vader, niet kan zien, zoals Brodeck en Bertil de natuur beschrijven en Maser (Bormann) zich na de Tweede Wereldoorlog voordeed als landbouwexpert. De natuur wordt op die manier het product van de verbeelding.

Egan beschrijft Gloucester “as an Everyman or Mankind figure”, zoals tot op zekere hoogte ook de Anderer in Claudels roman kan worden gekarakteriseerd.[4] Ook Egan gaat verder op het spoor waarop ik me begeef, wanneer hij stelt dat het Edgar erom gaat “moral and methaphysical means” op het publiek over te brengen.[5]
Bij Shakespeare is dat het idee van een kosmische orde en Egan verwijst daarbij naar Hobbes.[6] Bij Claudel speelt deze orde ook een grote, metafysische rol, gelijk bij Shakespeare: “When the rain came to wet me once and the wind make me chatter, when the thunder would not peace in my bidding” (“Toen de regen mij doornat maakte en de wind mij deed klappertanden, toen de donder niet wilde zwijgen op mijn bevel”).[7] Het impliceert geen structuur of rede, want King Lear, die deze woorden sprak, wordt (of is in sommige opvoeringen al vanaf het begin) gek. “Nature is above art” (“In dat opzicht gaat de natuur boven kunst”), waarbij natuur eerder slaat op nature tegenover nurture dan op de natuur bij Claudel en Lindgren.

Met deze conclusie komen we automatisch bij het laatste stuk van Shakespeare dat Egan bespreekt, The tempest, en met name bij het personage Caliban.[8] Een figuur die sterke overeenkomst vertoont met Orschwir uit Het verslag van Brodeck; beide verbranden aan het eind respectievelijk boeken en het verslag. Caliban verbrandt de boeken van Prospero, de held en protagonist van het stuk die – volgens Caliban – zonder zijn boeken een idioot is (III.ii.91). Caliban “is the amoral, appetitive, suffering self in all of us, ever in search of freedom to satisfy all its hungers – visual, sexual, and emotional – and ever ready to follow any ‘god’ who promises such freedom”.[9]

Prospero is verwant aan de Anderer. Door zijn boeken, en zijn kracht omdat hij – gelijk de oude man in Macbeth – zou kunnen zeggen dat “God’s benison go with you, and with those that would make good of bad and friends of foes!” Prospero is in staat tot een moreel oordeel, geworteld in zijn boeken en – minder – in de werkelijkheid. Hij zou ook Bertil als een mens bejegenen, zoals hij Caliban doet. Zijn behandeling van Caliban doet naar voren komen dat er volgens Egan “a Caliban is in the best of men”. Hij wil “restore a harmony and order to this world in which, presumably (…), Caliban will have [his] place”.[10] Die wereld kan ten goede keren door categorieën als kunst, moraal, reflectie, vergeving, acceptatie, actie en liefde in plaats van ten kwade door wraak. Alleen een wonder kan voor elkaar krijgen dat dit lukt.[11]


[1] Gegevens in deze paragraaf zijn ontleend aan: Robert Egan, Drama within drama. Shakespeare’s sense of his art in King Lear, The winter’s tale and The tempest (New York 1972).
[2] Caryn James, ‘Ethic cleansers’, Sunday Book Review (8 september 2009).
[3] William Shakespeare, King Lear (Antwerpen en Amsterdam 2007) 259-260.
[4] Egan, Drama within drama 23.
[5] Ibid. en 25.
[6] Id., 27.
[7] Shakespeare, King Lear 261.
[8] Egan beschouwt de drie toneelstukken die hij behandelt als een vorm van dialectiek (p. 92): “disorder”, “order” en harmonie (p. 100). Omdat ik hier niet Shakespeare als zodanig behandel, laat ik het tweede stuk (The winter’s tale) buiten beschouwing.
[9] Egan, Drama within drama 95.
[10] Id., 99.
[11] Id., 113-115.

Opnieuw uit-gevonden muziek

Vanessa Lann_CDIn de Gemäldegalerie in Berlijn hangt een onbekend schilderij van Rembrandt dat veel mensen echter toch zullen kennen. Op de voorgrond zit een oude man met in zijn ene hand een munt en in zijn andere een kaars. Het licht valt niet alleen op zijn gezicht, maar ook op een stapel boeken en papier op de achtergrond. We herkennen de man met knijpbrilletje uit schilderijen van Caravaggio, Honthorst en Ter Brugghen. Terwijl we de stapels boeken op schilderijen die Rembrandt in dezelfde tijd als De woekeraar (1627) maakte opnieuw tegenkomen – zo citeerde Rembrandt anderen én zichzelf.

Wat we hier zien, is wat we beluisteren in de muziek van componiste/pianiste Vanessa Lann, van wie recent een cd is uitgekomen (zie afb.). Het is muziek met een duidelijke voorgrond, met citaten uit eigen en andermans werk. En met op het eerste gehoor een minder prominente achtergrond, vol statische akkoorden of eenvoudige motieven. Waarbij niet in de laatste plaats een grote ruimte voor theatrale aspecten is weggelegd.

Voorgrond
Op de voorgrond hoor je in haar orkestwerken solotrekjes die als in de gloed van een kaars oplichten. Het duet tussen fluit en althobo in het middendeel van Resurrecting Persephone (1999) voor fluit en orkest, dat op de onlangs uitgebrachte cd staat, doet bijvoorbeeld denken aan het langzame deel uit Ravels Pianoconcert in G.
Ook de soli in The Flames of Quietude (2006), een concert voor orkest zullen de luisteraars die al eerder werk van Vanessa Lann hebben gehoord, bekend voor komen: het zijn haar eigen solostukken voor viool, cello en piano die ze heeft ‘hergebruikt’, opnieuw heeft uit-gevonden en in een andere context geplaatst. Net als fragmenten uit bekende werken van onder anderen Bach en Beethoven.

Achtergrond
Op de achtergrond van The Flames of Quietude klinken zachte pianissimo akkoorden, zoals in Illuminating Aleph (2005) voor chazan (voorzanger), koor en instrumentaal ensemble een herhaald, eenvoudig patroon in de pianopartij klinkt. Telkens weer, als een mantra, tot je denkt het wel gehoord te hebben. Maar dan valt opeens licht erop; het motiefje is hetzelfde gebleven, maar de luisteraar is Ver-licht. De achtergrond is als de zang van de kosmos en de voorgrond een ‘aards’ gegeven, herkenbaar maar toch telkens anders.
Zo blijkt op het eind van een stuk wat op de achtergrond speelde belangrijker te zijn dan wat zich op de voorgrond drong. Maar om dát te ervaren, moet je eerst door het hele stuk heen zijn gegaan, als een gang door de tijd, als een tot het eind toe beleefde droom.
In die zin doet haar werkwijze denken aan het schilderij De schreeuw van Edvard Munch: het is immers niet de man op de voorgrond die schreeuwt (hij is verstomd) maar de natuur op de achtergrond die het uitschreeuwt. Net als Munch speelt Vanessa Lann een in haar geval haast ritueel en vaak humoristisch spel met het verwachtingspatroon van de luisteraar.

Theatrale aspecten
Omdat haar werk erg is gericht op beleving in de concertzaal, spelen ook visuele en theatrale aspecten daarbij een groter rol. Het licht dat in Towards the Center of Indigo (1996) voor saxofoonkwartet wordt gebruikt, ís indigo. In In the Moment (1998) voor vier renaissance blokfluiten lopen de musici van de voor- naar de achtergrond van het podium. En in The Flames of Quietude tenslotte staat een orkestgroep als in een big band opeens op.
Maar ook dát blijkt aan het eind niet het belangrijkste te zijn. Het belangrijkste zijn de vragen die de componiste oproept, als de schrijvers van de boeken op de achtergrond van Rembrandts schilderij. Het antwoord laat ze aan de luisteraar over. Ieder voor zich.

http://www.attaccaproductions.com