Mooi boek met schoonheidsfoutjes

Er is lang gewacht op het boek van Frédéric Lenoir over Spinoza. Het werd eerst aangekondigd door Ten Have, maar ik uiteindelijk bij Uitgeverij Balans verschenen onder de titel Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud.
Het moet meteen gezegd: het is een mooie inleiding tot het werk van de filosoof. Met name diens Ethica wordt helder en toegankelijk over het voetlicht gebracht. Toch zijn er ook kleine kanttekeningen bij te plaatsen.

Eerst de loftuiting. Het raakte mij meteen, dat Lenoir – filosoof, socioloog en godsdiensthistoricus – begint met een vergelijking tussen Spinoza en Johannes Vermeer; van beider werk ben ik een liefhebber, al deel ik net zo min als de Franse auteur ‘noodzakelijkerwijs al zijn [i.c. Spinoza’s] ideeën’. Lenoir wijst op een ‘verrassende verwantschap: het licht. De kwaliteit van het licht in de binnenkamers van Vermeer vindt zijn echo in de heldere bewijzen van Spinoza’. Van de Ethica gaat volgens Lenoir een ‘kalmerende, troostende kracht uit’ – en dat geldt wat mij betreft ook voor Vermeer.

Als gezegd vormen de gedeelten over Spinoza’s Ethica een sterk onderdeel van dit boek. Het altijd moeilijke onderscheid tussen Natura naturans en Natura naturata wordt bijvoorbeeld helder uiteen gezet, net als het verschil tussen inadequate en adequate ideeën en begrippen als ‘conatus’ en ‘eeuwigheid’.

Nederland in de tijd van Spinoza
Je zou verwachten, dat Lenoir door zijn eerder genoemde verwijzing naar Vermeer meer werk heeft gemaakt van het Nederland in de tijd van Spinoza. Dat is niet het geval. Hij wijst er wel op, dat Spinoza ‘vloeiend Vlaams, Portugees en Spaans sprak, Italiaans, Duits en Frans kon lezen en vier klassieke talen beheerste: het Hebreeuws van de Bijbel, het Aramees, het Grieks en het Latijn’. Nog afgezien van het feit dat Vlaams mij vreemd voorkomt, wordt niet genoemd dat Spinoza het Nederlands niet machtig was. Ook Lenoirs lof op het ‘tolerante land’ waar de familie zich vestigde, wordt de laatste tijd terecht wat genuanceerd.
Het contact met de mennonieten waar Lenoir in verband met Rijnsburg en de nabijheid van Leiden op wijst, bestond al in Amsterdam, waar het alleen in algemene zin wordt benoemd als ‘liberale christenen’. En tenslotte: de gedenksteen achter de Nieuwe Kerk in Den Haag staat niet ‘op de begraafplaats waar Spinoza ter aarde werd besteld’ (p. 87).

Dat geeft meteen al aan, dat Lenoir niet zoveel melding maakt van recentere ontdekkingen. Bijvoorbeeld die van Odille Vlessing aangaande het verband dat Spinoza de erfenis en zware schulden van zijn ouders niet aanvaardde (en dus geen eerbied voor zijn ouders had, conform de Tien Woorden) en de ban die over hem wordt uitgesproken. De mythe dat Spinoza een aanval met een dolk wist te ontwijken, wordt nog gewoon als vaststaand feit opgevoerd.

Ronduit in de fout gaat Lenoir, wanneer hij stelt dat het ‘optimistische denken van Montaigne wortelt in zijn lichamelijke kracht en levensvreugde’. Het laatste misschien, maar het eerste zeker niet; als iemand een zwakke gezondheid had, en daar ook over berichtte, dan was het wel Montaigne.

Tijdgebonden én voorloper
Vreemd is ook, dat Lenoir op pagina 13 schrijft dat Spinoza’s ‘boodschap niets heeft te vrezen van de tand des tijds of van tijdgebonden kenmerken’, en in de Conclusie dat wijst op wat in de wandeling de ‘zwarte pagina’s’ worden genoemd: Spinoza’s opvatting over vrouwen die je zowel tijdgebonden als, op z’n zachtst gezegd, zeer vrouwonvriendelijk kunt noemen. Overigens trapt Lenoir in zekere zin toch ook nog in deze val, wanneer hij boud vaststelt, ‘dat er in het denken van de grote filosofen oorverdovend wordt gezwegen over hun eigen lichamelijke sensibiliteit’. Correcter was wellicht geweest, als hij had geschreven: ‘in het denken van de grote mannelijke filosofen’.

Je kunt Spinoza niet ‘als de grondlegger van de Bijbelexegese’ in het algemeen beschouwen, wel van de historisch-kritische methode.
Er zou ook best meer aandacht geweest mogen zijn voor het feit dat bepaalde woorden, zoals ‘democratie’, in de tijd van Spinoza iets totaal anders betekenden dan in onze tijd, zonder dat hij daarin zo ver gaat als Victor Kal in een recent boek over Spinoza (De List van Spinoza) en het – volgens uitgever Prometheus – ‘in feite [heeft over] een staatsideologie, om het volk daarin met list en bedrog op te sluiten’.

Soms vraag je je af of Lenoir bepaalde foute woorden bezigde, of dat de vertalers (Marga Blankestijn en Alexander van Kesteren) bezig zijn geweest. Clara-Maria van den Enden speelde zeker geen piano, het Nieuwe Testament is niet in het Latijn geschreven maar vertaald (Vulgaat). Tenslotte schemert duidelijk door de tekst heen dat Lenoir een rooms-katholieke achtergrond heeft. Op een gegeven moment is er zelfs sprake van ‘katholieke, christelijke’ autoriteiten en van een pastoor in een protestantse kerk.

Dit zijn voornamelijk (schoonheids)foutjes die verder geen al te grote afbreuk doen aan dit boek waar lang op is gewacht en dat zeker dienst zal kunnen doen voor mensen die meer van Spinoza’s denkwereld, met name diens hoofdwerk, de Ethica, te weten willen komen.

 

Frédéric Lenoir: Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud
Uitgeverij Balans, 2020
ISBN 978 94 638 2108 7
Prijs: € 19,99

Een opvlucht

Door de coronacrisis lees je ook dingen anders dan je daarvoor zou hebben gedaan. Neem het hoofdstuk ‘Hoor daar het brullend verlangen’ over ‘droom, euforie en utopie van de luchtvaart’ in de essaybundel Grondwater van Piet Gerbrandy (Uitg. Atlas Contact, 2018). Met alle kritiek op de ongebreidelde vliegbewegingen, kan het niet anders of je leest dit, twee jaar later slechts, met andere ogen.

Het zou volgens Gerbrandy gaan om ‘de verheffing boven het aardse’ en ‘een weids panorama’ waardoor je uitstijgt ‘boven de menselijke maat’. Oude Griekse goden die volgens de verhalen konden vliegen, zoals Hermes, ‘representeren het contact met het bovenaardse’ aldus classicus Gerbrandy. Volgens hem is ook de filosofie een ‘opvlucht’.

Het opstijgen heeft iets magisch, dat valt niet te ontkennen, maar het door de wolken heen vliegen heeft bij mij nooit geleid tot een extatisch gevoel, en ik heb altijd het dalen op z’n minst prachtig gevonden. De tempels van Griekenland (om in sfeer te blijven) die steeds dichterbij komen, de meren en bossen van Finland waarover je heen scheert, de brug bij Kopenhagen, – ze staan me allemaal nog haarscherp voor de geest.
Misschien omdat ik filosofie ook niet alleen als een ‘opvlucht’ beschouw, maar de eerste filosofie, de ethiek, als een neerdalen, een laag bij de grond blijven. Mocht voor Viruly volgens Gerbrandy de luchtvaart ‘door haar snelheid en haar hang naar de hoogte verbonden [blijven] met een bovenaards domein’, juist door het dalen verbindt zij zich aan het aardse.

Gerbrandy eindigt zijn essay met een beschrijving van Soesterberg, allang niet meer in gebruik als luchtmachtbasis. ‘Een vliegveld zonder vliegtuigen’, vraagt hij zich dan af, ‘is dat niet het ultieme symbool van onvervulbaar verlangen?’ Zoals nu een vliegveld vol stilstaande vliegtuigen het omgekeerde uitdrukt. ‘Het verlangen van een jongensdroom’ die ‘bij mannen steevast gepaard gaat met een ferme erectie’.
Ik denk aan een vlucht naar Italië, op het moment dat we het Italiaanse luchtruim niet in mochten omdat – zoals iedereen onuitgesproken wist – op hetzelfde tijdstip bommenwerpers opstegen vanaf Villafranca. Ik denk aan een oorverdovende knal toen ik ’s morgens in mijn keuken in Leeuwarden het ontbijt stond klaar te maken en – zoals ik later hoorde –  een F-16 bij het opstijgen crashte.

En dan heb ik het nog niet eens over de huidige discussie over vliegen, over veiligheid voor de gezondheid, stikstofuitstoot en geluidsoverlast.
Dan heb ik het in dit verband, de coronacrisis, over een gedicht van Hans Faverey, dat Gerbrandy elders in zijn boek citeert, en waarbij ik me behalve het uitzicht uit een trein me dat uit een dalend vliegtuig voorstel: opeens zie je een man, in de buurt van Schiphol, die staat naast zijn huis, met een gieter in de hand, de ogen gericht op de aarde:

De grond om hem heen is vochtig;
zijn verlangen is leeg en heen. Wat hij
niet wil weten, onder geen voorwaarde,
is: waar en wanneer hij zal worden
terugverlangd en opgeëist door
de grond om hem heen.

Volgens Gerbrandy is het door de trein ‘mogelijk de man op afstand te houden’. Dat lukt met een vliegtuig minder, hij komt steeds dichterbij, de man met de gieter. Door de huidige crisis wordt je bij de dood bepaald. Maar je weet ook, dat de natuur, de seizoenen doorgaan, want de grond is vochtig en groeizaam. Dat troost.

 

Piet Gerbrandy: Grondwater. Beschouwingen over literatuur en existentie
Uitgeverij Atlas Contact
ISBN 978 90 254 5307 7
Prijs: € 24,99

Verhalenbundel als troost

Verleden week was het De Week van het Korte Verhaal. Reden om weer eens een bundel van een van mijn geliefde verhalenschrijvers van de plank te pakken. Naast Mensje van Keulen is dat onder anderen Thomas Verbogt. Mijn keus viel op Echt iets voor jou van Verbogt (Nieuw Amsterdam Uitgevers), over wiens werk ik zo eens in de drie jaar een blog schrijft, lijkt het wel. Ik plak er tevens een vraag aan vast die tijdens De Week speelde: moet de bundel van een schrijver een eenheid vormen?

Echt iets voor jou
Eerst de bundel Echt iets voor jou. Deze bestaat uit verhalen over het gewone, alledaagse leven. Over kleine, herkenbare dingen die je soms groter maakt dan ze eigenlijk zijn. Over een boek waar je je zinnen op hebt gezet, en dat net ‘oppelepop’ is. Over rijles in een automaat, wat alleen voor ‘speciale gevallen’ is weggelegd. Verplicht levertraan (en melk) moeten innemen c.q. drinken. Worden aangehouden door de politie. Het saamhorigheids-gevoel dat bij de huisarts ontstaat, wanneer iedereen op een bepaald moment een griepprik komt halen. Over het raden van het uiterlijk van iemand op grond van zijn stem, en er dan vreselijk naast zitten. Over een politieagent die vraagt of je slachtofferhulp wil, een verbouwing in huis. Een tandarts die denkt dat hij lollig is. Een fles wijn na een lezing krijgen, waarvan ‘de boodschap lijkt: “Drink maar snel op, dan ben je gelijk vergeten waar je was”.’ Of – tenslotte – een opmerking krijgen over de donkere kleren die ‘je altijd draagt’.

Allemaal herkenbaar en in recensies vaak omschreven met trefwoorden als ‘melancholiek’, ‘lichte toon’, ‘humoristisch’, ‘loom’, ‘lichtvoetig’, ‘komisch’ en ‘absurd’. Eén woord ben ik echter nog nooit tegengekomen, terwijl Verbogt – van wie onlangs een nieuwe bundel verhalen is verschenen, die vreemd niet genoeg in aanmerking kwam voor de J.M.A. Biesheuvelprijs –, en dat is ‘troost’, terwijl de schrijver zelf eens heeft gezegd dat hij dat ‘het allerliefste doet, troosten, troosten en nog eens troosten’.
De titel van de bundel, die ook de titel is van een van de circa veertig verhalen is, zou je ook kunnen lezen als: Ík weer, en niet zozeer als een aanbeveling van iemand over een boek: ‘Dat boek is echt iets voor jou’ (dat overkwam mij met De Da Vinci Code van Dan Brown en ik vond het niet mooi, wat dat dan ook mag inhouden) of een afkeuring berustend op een vooroordeel: ‘Je houdt vast niet van popmuziek’ (en laat ik dat soms best wél doen).

Moet een verhalenbundel een eenheid vormen?
Dat titelverhaal leidt mij tenslotte naar bovengenoemde vraag: moet de bundel van een schrijver een eenheid vormen? Natuurlijk maakt de stijl van een auteur en zijn manier van kijken (‘melancholiek’ enzovoort) dat dit vanzelf al zo is. Dat die vraag opeens opdoemt, zou wel eens alles te maken kunnen hebben met – denk ik als cultuurwetenschapper dan maar – het feit dat er, zoals Marian Donner in een bespreking van het recente essay Mens/onmens van Bas Heijne (uitg. Prometheus) schreef: ‘Er heerst een gedeeld gevoel van verlies van samenhang. Er is geen gemeenschap meer’. En ze citeert (in De Groene Amsterdammer, 20 februari 2020) Heijne: ‘Vandaar de nieuwe hang naar de groep, de bubble, het houvast van de identiteit, het verlangen naar ondeelbare uniekheid op basis van afkomst, nationaliteit, kleur, geloof, politieke overtuiging. Het verlangen samen te vallen met iets wat groter is dan jezelf, zodat de illusie van een soort van solidariteit en gemeenschap wordt hersteld’.

Misschien is dat het antwoord: de hoop op het feit dat een verhalenbundel een samenhangend geheel vormt, de illusie van een soort solidariteit met de personages die ten tonele worden gevoerd. Het verlangen naar troost wellicht. Niet alleen jij, maar ook ik.
Spannender is het dan ook wellicht om uit te zoeken wat bijvoorbeeld het korte verhaal ‘Razernij’ doet in de bundel De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) die Maxim Februari samenstelde met columns die hij de afgelopen jaren schreef en of de thematiek onderling overeenstemt tussen die columns en dat verhaal.

Links naar twee websites die een kenmerkend verhaal uit de nieuwe bundel, Olifant van zeep van Thomas Verbogt bieden (resp.’Wekker’ en ‘Als je de stilte ziet’): https://karakters.nu/podium-lees-het-kortverhaal-wekker-van-thomas-verbogt/
en: https://www.athenaeum.nl/leesfragmenten/2020/als-je-de-stilte-ziet/

 

Ommekeer

Afgelopen zondag had ik me voorgenomen ’s middags een leerdienst te bezoeken in Amsterdam-West, waar na afloop afscheid werd genomen van de beheerder van het kerkgebouwtje. Een vriendin vond zeker dat ik ’s ochtends niet van geestelijk voedsel verstoken kon blijven, en wees mij op de Eucharistieviering die op NPO2 vanuit ‘haar’ kerk werd uitgezonden. Niet dat ik nu rooms-katholiek ben of van geestelijk voedsel verstoken zou zijn; het interview in Buitenhof van Hugo Logtenberg met Arnon Grunberg over de jeugdzorg in De Koppeling (Amsterdam, foto hierboven) schaar ik daar ook onder: aandacht voor de zwakken in onze samenleving.
Die Eucharistieviering, waarvan ik het gedeelte tot en met de preek door diaken Rob Polet zag, de leerdienst inclusief afscheid en – op een indirecte manier – ook het interview met Grunberg gingen een geladen gesprek met elkaar aan.

Van graaier naar gever
Polet (foto rechts) vergeleek het verhaal over Zacheüs (Lucas 9:1-10) met Scrooge van Charles Dickens: een ommekeer en sprak over de manier waarop God in de levens van mensen die Hij zoekt inwerkt. Het gaat erom wat er níet gebeurt: Jezus zegt helemaal niets, is alleen aanwezig. Zacheüs gaat op zoek naar verandering, naar hoe hij echt is bedoeld. Hij verlangt naar een dieper, rechtvaardiger leven. Hebben wij ruimte om om te zien naar het verlangen van een ander? Om om te keren?

Noach de akkerman
De preek in de protestantse leerdienst ’s middags, over Noach, was van een totaal andere snit: niet troostrijk en appellerend, maar stelling nemend en min of meer verankerd in drie boeken, waarvan er geen bij name werd genoemd.
Het begon met het idee van Henk Vreekamp over het overnemen van bijvoorbeeld het joodse Loofhuttenfeest. (Welk boek zou de emeritus-predikant toch hebben gelezen …?). Het zou de herfsttijd op de kerkelijke kalender kunnen opvullen, meende hij, alsof het Vreekamp daar primair om te doen was. Dat moeten we volgens de predikant niet willen; het moet leeg en ongemakkelijk blijven. Het in elkaar schuiven van joodse- en christelijke feesten staat nog uit. (Zie p. 66 en 75 e.v. in mijn boekje Mysterie, mythe, mystiek, foto links).

Hij ging verder met het idee van de Übermensch van de niet nader genoemde Friedrich Nietzsche (foto rechts), maar dan volgens de aloude, foutieve invulling daarvan als was de Übermensch een pré-nazistische Ariër, terwijl het in wezen zo’n mooi idee is: de mens die, om op Polet terug te grijpen, verlangt én werkt aan een dieper, rechtvaardiger leven, boven (über) zijn eigen tekorten uit. Zoiets als de conatus bij Spinoza, de filosoof die Nietzsche immers bewonderde.

Het derde en laatste item linkte Noach de akkerman aan de huidige protesten van de boeren. Het was een oproep voor circulaire landbouw, verwijzend naar Sicco Mansholt. De ommekeer van Polet ingevuld, terwijl ik het híer misschien liever leeg had gelaten.
Jammer genoeg volgde geen nagesprek, zoals te doen gebruikelijk bij de maandelijkse leerdiensten.

Aandacht
Immers: na de dienst volgende het officiële afscheid van de beheerder van het gebouw, met onder meer enkele toespraken, die niet op elkaar waren afgestemd. Eén toespraak verviel, omdat een pianiste, die regelmatig op de vleugel in de kerk oefent, óók nog graag wat had willen zeggen. Zij werd vergeten.
Toen popte bij mij niet alleen Grunberg (foto links) even op, die de naam van God niet had genoemd maar wél en sterker voor de joodse- en christelijke waarde van aandacht voor de zwakkeren in de samenleving was opgekomen. Ik heb mij in de tram terug zitten verbijten: waarom heb ik niet even geroepen: ‘Er is nóg iemand die wat wil zeggen?’. Ik heb haar tijdens de receptie helaas niet meer gezien, maar kon me op dat moment zó goed voorstellen waarom mensen soms de kerk de rug toekeren. Ze was er voor de eerste keer, en wellicht ook voor de laatste.

Relevantie van de kerk
Dezelfde commissie die dit soort leerdiensten organiseert, had onlangs prof. dr. John Grin uitgenodigd voor een lezing over de vraag ‘De weg naar de kerk weer vinden’, die hij terecht had omgebogen tot ‘Hoe kan de kerk weer relevant worden?’
Veranderingen, zei hij, gebeuren in niches, zoals de studentenecclesia. Kernwaarden daarbij zijn: beleving – autonomie – verbondenheid. Zijn conclusie was, dat de klassieke (wijk)gemeente niet meer in deze tijd past. Je moet het oude niet koste wat het kost in stand willen houden. De commissie probeert dat wel, maar misschien juist ómdat zij een niche is, zou een ommekeer haar passen.

Misschien op de manier die Welmoed Vlieger in een column in Trouw (5 november 2019) beschreef: ‘Ooit vroeg ik mijn vader wat dat nu eigenlijk is, een preek. Hij zei dat je in een preek probeert het hart te zoeken van de hoorder, nadat je eerst je eigen hart hebt gezocht.’ Ik ervoer dat bij de preek van Rob Polet. Zij vervolgt: ‘De kerkdienst is geen leerdienst’ – dat mag overigens van mij wel, als de eenheid die Grin benoemde (leren – veren – dienen – pastoraat) erin terug te vinden is. Een nabespreking is ook niet weg, in een tijd van (nog steeds) eenrichtingsverkeer vanaf de kansel. Vlieger vervolgt: ‘Het [de kerkdienst, EvS] is een plek waar mensen worden getroost, bemoedigd, geconfronteerd en uitgedaagd. Wie op zondag de kerkdienst bezoekt, gaat op een “dijk” staan om uitzicht te krijgen. Dan doet het er niet zoveel toe hoeveel mensen er zitten’- bij de leerdiensten in Amsterdam-West is men al blij als de minjan (10 mensen) wordt gehaald. ‘Dat die dijk er is, daar gaat het om.’ Zou het misschien mogelijk zijn om de leerdiensten c.s. om te zetten naar een Pioniersplek? Waar wordt geoefend in een andere manier van kerk zijn.

Rebekka de Wit – Afhankelijkheidsverklaring

Afhankelijkheidsverklaring / Rebekka de Wit. – Amsterdam : Uitgeverij Atlas Contact, [2019]. – 135
pagina’s : portret ; 20 cm ISBN 978-90-254-5407-4

De bron van deze essaybundel is te vinden in De Wits debuutroman We komen nog één wonder tekort (2015). Hierin zegt de ik-figuur op een gegeven moment: ‘Ik zou een Declaration of Dependence willen schrijven, omdat dat veel minder bezijden de waarheid klinkt en troostender dan de gebalde vuist en de independence‘. Rebekka De Wit (1985) is behalve romanschrijfster en essayiste ook werkzaam als theatermaakster. Het boek bestaat uit drie delen: anekdotes, essays en de bespiegeling ‘En de zee’. Sommige essays verschenen eerder op de Correspondent of in De Gids. Een steeds terugkerend credo is de zin ‘hoe het allemaal in elkaar steekt’. Een zin die vaak door betweters wordt gebruikt om uit te leggen dat iemand naïef is (en daarmee monddood wordt gemaakt) of dat veel te verklaren valt uit het individualisme (een mythe), terwijl het volgens De Wit vooral om samenwerken gaat. De auteur zet aan tot net even anders denken en kijken naar de wereld. Dit boek is een klinkend voorbeeld van essayistiek van dit moment: persoonlijk en vrij. Een boek van een talentvolle en grensoverschrijdend denkende Vlaamse schrijfster dat past binnen de essayistiek van de eenentwintigste eeuw.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Drieluik uit Utrecht

Witte Donderdag

Aan het begin van de veertigdagentijd dit jaar hoorde ik in een dienst in mijn wijkkerk een gastpredikant die een lofzang afstak op de ontluikende lente: op de krokussen en de sneeuwklokjes. Zij wees op verschillende soorten tijd: de wereldlijke en de kerkelijke kalender. In de kerk keren we in de veertigdagentijd juist naar binnen. Om daarna, met Pasen, volop op te bloeien.

1.
Welk boek, leek mij, kon ik op de drie dagen van Pasen (Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag) beter lezen dan Lente (uitg. De Geus) van Karl Ove Knausgård? De Noorse auteur verhaalt erin over de lente in het Zweden waar hij woont, over zijn ontluikende kleine kinderen en hoe hij naar binnen keert door de zorgen over zijn vrouw Linda, die wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.
Gaandeweg Witte Donderdag bedacht ik me, dat ik net zo goed Knausgårds Liefde had kunnen herlezen met zijn ‘Hun hel is jouw hel, hun hemel is jouw hemel’.

2.
Dat inzicht kwam om te beginnen op tijdens de Paaslezing ‘De inspiratie van het lijden’ van Helikon in Utrecht. Deze dubbellezing werd gegeven door kunsthistoricus Paul Bröker en filosoof Laurens ten Kate.
Een van de schilderijen waarvan een afbeelding werd getoond, was een Laatste Avondmaal van Holbein de jonge. De meeste discipelen zijn erop zijn egoïstisch met zichzelf bezig, zonder al teveel relatie met de serene Christus. Bij Leonardo da Vinci’s Laatste Avondmaal (St. Maria delle Grazie, Milaan) zijn ze echter met Jezus bezig en delen hun gevoelens; Zijn hel is onze hel, Zijn hemel is onze hemel. Op het Isenheimer altaar van Grünewald tenslotte lijkt het of God met de discipelen mee lijdt. Er is geen wanhoop of ontzetting, maar troost. Er is, aldus Ten Kate, sprake van wat in de rooms-katholieke leer ‘dubbele identificatie’ wordt genoemd: zonde (moordenaar) en reiniging (slachtoffer).
Aan het eind van zijn lezing maakte de spreker een zwenking naar het thema ‘liefde’. Hij deed dat aan de hand van een kort stukje van componist Giovanni Legrenzi (1626-1690) op de cd Via crucis van ensemble l’Arpeggiata van Christina Pluhar:

Dit hart dat ooit blij was,
voelt zich nu gebroken door verdriet.

Het gaat dan volgens Ten Kate over het lijden in het algemeen en liefde in de ruime betekenis van het woord.
Het deed denken aan het boek van Knausgård, die in de tijd dat zijn vrouw in het ziekenhuis lag, ‘steeds dezelfde muziek draaide, Queens of the Stone Age, zo hard dat het pijn deed, want binnen in mij deed het pijn en op de een of andere manier hielp de harde agressieve muziek, als een soort tegendruk’ (p. 73).

3.
Het boek van Knausgård en de lezingen ’s middags werkten ’s avonds bij mij door in de dienst in de Domkerk. Voorganger was ds. Sytze de Vries, organist Jan Hage met medewerking van de Domcantorij onder leiding van Remco de Graas.
Het begon al met het Ubi caritas uit de Musica pro Deo van Maurice Duruflé (1902-1986):

Waar liefde en eensgezindheid is, daar is God.
De liefde van Christus heeft ons verenigd.
Laat ons juichen en ons in Hem verblijden.
Laten wij de levende God vrezen en beminnen.
En elkaar met een oprecht hart liefhebben.

Het ging verder in de preek, waarin ik een mooie definitie van zonde hoorde: ‘geweigerde solidariteit’. Ik zag het beeld van Holbein de jonge weer voor me, met hun ‘statische lichamen; zet je je lichaam in beweging, dan beginnen ook je gedachten zich te roeren’ (Knausgård, id.).
Het is een verschuiving van een andere definitie die ik Sytze de Vries eens hoorde geven tijdens een leerhuis, jaren geleden in Amsterdam, die me altijd is bijgebleven en mee resoneerde met zijn tegendeel bij Duruflé: zonde is datgene waar God niet aanwezig is of wil zijn.

Misschien vormen deze ervaringen, al lezend in Knausgård, luisterend naar Laurens ten Kate en Sytze de Vries, kijkend naar verschillende schilderijen van het Laatste Avondmaal en luisterend naar Legrenzi en Duruflé, tezamen een antwoord op een deel van een vraag die in de tentoonstelling Moed in het Utrechtse Centraal Museum (t/m 30 juni a.s.) wordt gesteld: ‘Is compassie exclusief verbonden aan theologische beelden, verhalen en ervaringen?’ Nee dus.

De dominantie van een m/Meester

Het gebeurde gisteravond aan het slot van de eerste van twee Spinoza lezingen door prof. Catherine Malabou (foto rechts) over het thema ‘Philisophy and Anarchy’. En dan doel ik niet op een student die zich afvroeg of dominantie niet ook een positieve betekenis kan hebben, waarbij hij wees op het boek Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault, onlangs in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek uitgekomen bij Boom. Nog afgezien van het feit of die student Foucault wel goed had begrepen (zie het artikel van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 21 februari jl., met name par. 1), ontlokte hij aan Malabou een diepe zucht en de opmerking dat zij ‘dit pad niet volgt’.

Nee, ik doel op de laatste vragensteller (‘opponent’, verbeterde de partner van een kennis mij). Zijn vraag volgde op een opmerking van Malabou dat ‘filosofie de dominantie van een meester’ is. Hij verwees naar het dialogische discours vanaf Plato. Malabou reageerde met twee opmerkingen:

  1. Plato is gedurende zijn leven van mening veranderd
  2. Je moet de dominantie (h)erkennen en je ervan bevrijden

De eerste pleit denk ik niet voor Plato, de tweede bleef bij mij hangen.
Natuurlijk kun je er, om te beginnen, ook kanttekeningen bij plaatsen: de meester, de alwetende leraar is iets dat uit de tijd is. Dat geldt denk ik ook voor de dominee, de dokter enz. Op hetzelfde moment dat ik op weg was naar de Aula aan het Amsterdamse Spui, spraken in De Wereld draait door een arts en een ethicus die aangaven ook van hun patiënt te kunnen leren. Tot zover is het duidelijk.

Maar dan lees ik in het boek Leven in de waagschaal van Wessel ten Boom enkele opmerkingen die de uitlating van Malabou (het was doodstil toen zij ze uitsprak) in misschien het juiste kader zetten. Ze staan in de hoofdstukken ‘De infantilisering van de kerk’ en ‘Van vader naar broeder’ (veel verder ben ik nog niet). Eigenlijk zeggen die titels al genoeg: een kerk die geen m/Meester of l/Leraar meer erkent, vervalt tot liturgisch bloemschikken, maar die leraar (Karl Barth in dit geval) kan ook je broeder worden, dichterbij, naast je komen, wanneer je je deels van zijn invloed bevrijdt maar je toch nog door hem/haar laat gezeggen.

In het eerste hoofdstuk gaat het, vrij vertaald, over de dominantie van de Leraar: ‘Waar het Woord opengaat en zijn genadig licht over ons doet schijnen, daar treden wij terug in onze aspiraties, die zucht naar sterrendom, en worden dankbaar stil, vervuld van een innige liefde.’ Ten Boom heeft het, schrijft hij in het tweede hiervoor genoemde hoofdstuk één keer meegemaakt (p. 54). Hij vraagt zich even verderop af: ‘Heeft een ander ons nog iets te zeggen dat ons als waarheid overtuigt?’ Ten Boom heeft niet de illusie ‘hierin ook maar enigszins vrij te zijn’. Dat idee houdt voor hem in dat je geen ander meer naast je duldt ‘die jou de waarheid zegt, omdat je zélf je leven wilt bepalen’.

Ten Boom erkent dat ‘wijsbegeerte een troost is’. Godsdienst soms ook. Daarom sta ik met het ene been in het eerste en bezoek lezingen als deze en met het andere in het tweede en lees een boek als dit, dat als een stomp in je maag binnenkomt. ‘Ik denk dus ik ben’ (Descartes) en: ‘Ik bid dus ik ben’ (Hoedemaker).

 

Link naar de opname van de lezing van prof. Malabou: https://webcolleges.uva.nl/Mediasite/Play/a277e0e2dc03499e931532e08f9c15781d

De zuiverheid van de verbeelding

In een van de boeken van Marli Huijer, oud-Denker des Vaderlands, staat een paragraaf over ‘Materiële cultuur.’ Het is een term die slaat op de relatie tussen mensen en voorwerpen. Aan het eind ervan stelt zij dat wanneer materieel erfgoed wordt verwoest en alle afbeeldingen ervan worden gewist, de kans bestaat dat ook de verhalen en herinneringen daaraan niet overleven.

Ik waag het een beetje te betwijfelen en moet daarbij denken aan wat me jaren geleden in Bologna overkwam. Op een zondagochtend was ik nog iets te vroeg voor het Morandi-museum openging, en liep de San Petronio binnen op het moment dat de mis begon. Als toeristen mochten we achter in de kerk naar het orgel luisteren. Ik werd bevangen door een klank die zó apart, zo uniek was, dat deze zich in mijn gehoor nestelde. Dacht ik.
Toen ik jaren later een cd van de orgels in Bologna kocht, instrumenten die dateren uit 1471-1475, bleek nadat ik hem in de cd-speler had gelegd, dat de herinnering in de loop der jaren was vervormd, dat zeg maar mijn zogeheten echoïsche geheugen (auditieve geheugen) me in de steek had gelaten.

Heeft Huijer daarmee dan niet het gelijk aan haar kant? Zoals vaker heeft niet de filosofie maar de literatuur (deels) de wijsheid in pacht. Ruth Cole, een personage uit John Irvings Weduwe voor een jaar, troost me met de gedachte dat ‘de zuiverheid van de verbeelding boven de herinnering gaat.’ Ik heb nog altijd spijt die cd te hebben gekocht, maar deze troost rest.
Pas als de orgels in Bologna in vlammen zouden opgaan, de cd ervan niet meer af te spelen is en geen achterblijvers meer leven die erover kunnen verhalen, is de klank van de instrumenten pas echt uitgedoofd. Alsof alle registers langzaam zijn ingeduwd en de lucht uit de pijpen definitief is verdwenen. ‘Een afwezig object’ schijnt zoiets te worden genoemd.

Ze hebben hier in Cremona wat op bedacht, lees ik in Trouw van vandaag. Vanaf nu tot 9 februari worden daar bijzondere geluidsopnamen gemaakt van violen uit ‘de vioolhoofdstrad van de wereld’. Van violen van Stradivari, Amati en Guarneri Del Gesù. Men wil de unieke klank hiervan bewaren in een digitale databank. De klank van twee violen, een altviool en een cello. Met 32 microfoons wil men dat doen in de grootst mogelijke stilte. De straten rondom de opnamestudio zijn afgesloten voor verkeer en buurtbewoners wordt gevraagd zich zo stil mogelijk te houden. Dat wil bijvoorbeeld zeggen: niet op naaldhakken te lopen. In het gebouw waar de opnamen worden gemaakt, zijn de liften stilgezet en de airco uitgezet.

De klanken van de violen worden zo onsterfelijk gemaakt en voor ons nageslacht bewaard. De instrumenten worden namelijk een dagje ouder. Het is de bedoeling op den duur aan de hand van die afzonderlijke klanken in de toekomst zelfs muziek samen te kunnen stellen. Op het moment dat de instrumenten zijn uitgespeeld.

Ik hou het toch maar op de verbeelding in mijn hoofd. Misschien is die mooier gemaakt dan de werkelijkheid is (of door veroudering wordt), maar deze verbeelding gaat boven de werkelijkheid. Maar niet iedereen denkt er zo over. Dat mag.

Deels gebaseerd op een column die ik in 2017 schreef voor Literair Nederland.

Tussenpositie

Met veel genoegen leid ik een muziekclubje in een verzorgingshuis. Dit bracht me op het idee om elders, in een huis naast een kerkje (zie foto), iets soortgelijks te willen doen met gedichten. Maar dat bleef bij een idee dat primair werd afgewezen, nog los van praktische consequenties. Het waarom daarvan vormt de aanleiding tot deze blog.

Ik denk dat het niet zo’n goed plan werd gevonden, omdat bij ‘gedichten’ ten onrechte alleen aan moeilijke teksten werd gedacht die bij de beoogde deelnemers niet zouden landen. Hoewel er in dat mooie Zaanse huisje voor een vergadering wel een gedicht wordt gelezen, en na een gezamenlijke maaltijd ook. Daar begint mijn secundair opborrelende verbazing.

In een column van dichteres Ellen Deckwitz (in: NRC Handelsblad, 10 januari jl., dat ik doorgestuurd kreeg van enkele vakantie vierders) lees ik als conclusie: ‘Het is een troost dat Nederland misschien minder bang is voor gedichten dan ik dacht’. Daarbij kun je ook aan de hoge verkoopcijfers en hoge plaats in de Top10 denken van Lévi Weemoedts bundel Pessimisme kun je leren! Maar ook – en dat wil ik hier doen – aan een tussenpositie die gedichten in kunnen nemen tussen het moeilijke dat ze blijkbaar aankleeft en het light verse van een Weemoedt.

De term ‘tussenpositie’ is mij ingegeven door een inleiding over ‘Kunst en het onzegbare’ door dichter/historicus Jan de Bas tijdens een lezing voor Helikon in Utrecht, de middag nadat de column van Ellen Deckwitz verscheen. Al bedoelde hij er wat anders mee, namelijk een positie tussen metafysica en het fysieke in, toch ben ik zo vrij het woord hier te kapen.

Die middag kocht ik voor een prikje een mooie bundeling columns en enkele artikelen van De Bas (overgenomen uit: Chroom, Trouw, Hollands Maandblad en Filosofie Magazine): Artikelen des Gedichts (1997) – een variant op de 12 Artikelen des Geloofs. Wat De Bas doet, is hetzelfde als wat ik had willen doen: mensen enthousiast maken voor gedichten. Ik had bijna geschreven: ‘dichtkunst’, maar dat riekt misschien al weer teveel naar een (te) gedegen bespreking ervan. En dat wilde ik niet, en dat doet De Bas ook niet.

Nee, het gaat me misschien net als ik in een recensie van genoemde bundel die ik las in het literaire tijdschrift Chroom (maart 2002), ‘om poëzie als levenshouding, als middel om leven en geloof op een acceptabele manier aaneen te smeden’. Maar dat niet alleen: ook om leven in deze wereld op een acceptabele manier aaneen te smeden; ook in die zin wil ik een tussenpositie innemen. En tenslotte gaat het ook, net als bij het muziekclubje, om een goed gesprek.

Ik vervolg die weg zelf, want dat is het, dat leerde ik in Utrecht ook van Jan de Bas. En hoop dat er af en toe iemand meeloopt, of dat ik op z’n tijd met anderen mee op kan lopen. Bijvoorbeeld tijdens een leerhuisochtend of –middag van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Dat zou fijn zijn.

Wat niet gezegd kan worden

Marga Minco krijgt de P.C. Hooft-prijs 2019 voor verhalend proza. Hieronder in verkorte vorm de inleiding op haar boek Nagelaten dagen zoals ik in 1997 voor een leesclub hield. Een van haar minder bekende boeken.

De schrijfster
Over de schrijfster zelf heb ik niet veel gezegd, want dat is genoegzaam bekend. In relatie tot Nagelaten dagen merkte ik op, dat zij in een interview met Hanneke Groenteman (november 1997) vertelde, dat ze haar boeken altijd het eerst aan haar dochter Jessica Voeten laat lezen. Nagelaten dagen is mede aan haar opgedragen.

Haar werk
Hiervoor gold hetzelfde. Ten aanzien van Nagelaten dagen vertelde ik, dat we daarin elementen tegenkomen uit Minco’s voorgaande werk, onder meer in een kernachtige zin als ‘Ik verliet mijn zuster en bleekte mijn haar’, waarin alles opgesloten ligt.

Nagelaten dagen
Marga Minco heeft zich in het eerder genoemde interview met Hanneke Groenteman uitgelaten over de totstandkoming van dit boek. Een interview dat wordt aangehaald in Joodse tradities in de literatuur van Daphne Meijer.
Het scharnierpunt van Nagelaten dagen is een autobiografisch gegeven: de ik-figuur ontvangt een brief van ene Miriam Weissenbach uit Jeruzalem. Zij bestudeert stambomen, waarna een bezoek aan Amsterdam volgt. Om dit gegeven heen weeft Minco twee andere thema’s, die allebei met haar zus Bettie hebben te maken:

  1. De ik-figuur gaat voor het zusje van haar zwager Hans, Eva Ruppin, naar een adres aan het Wedemerplein waar haar nooit teruggekeerde moeder de huisraad had ondergebracht bij zogenaamde bewariërs, de familie Stelerius, de buren van de moeder van Eva. Het Wedemerplein is uiteraard het Merwedeplein in Amsterdam, hoewel andere straatnamen in het boek, zoals het Kasteelplein te Breda, volgens de kaart wel degelijk echt zijn.
  2. Het andere thema betreft twee bezoeken die de ik-figuur brengt aan Eva in Santa Barbara (Californië). De eerste keer krijgt ze een fotoalbum mee, bestaande uit 23 bijeengehouden, losse bladen dat ze in 1942 voor haar zusje had gemaakt voor haar trouwdag. De tweede keer ligt Eva in het ziekenhuis met een gebroken heup en is ze dementerend. Ze krijgt de Japanse kom, het enige dat de bewariërs uit Eva’s nalatenschap hadden teruggegeven. Eva laat de kom in scherven op de grond vallen, een gegeven waarop ik nog terugkom.

Hiermee heeft Marga Minco symbolisch het eigenlijke thema van het boek aangesneden. Het is, volgens Daphne Meijer, bovendien een thema dat in al Minco’s werk terugkomt: ‘een sjaal, een theeservies, onbeduidende dingen hebben een bijzondere betekenis wanneer zij het enige zijn dat er nog herinnert aan vroeger’. Maar ze gaat verder: ‘Gaandeweg vermindert de wens om nog iets terug te kunnen krijgen: het heeft geen zin om het verlangen naar de personen die er niet meer zijn te projecteren op spullen of foto’s.

De opbouw van het boek wordt gekenmerkt door sterke parallellie, die telkens verbanden suggereren, hoewel er geen enkel contact bestaat.
De stijl is nog soberder dan in voorgaande boeken en de oorsprong van dit boek, een verhaal in Avenue. Het feit dat het bijvoorbeeld om een Japanse kom gaat, wordt niet uitgewerkt, terwijl er in het oorspronkelijke verhaal nog sprake is van een bruidsboeket dat uit Japanse bloesems bestaat, wat als een voorteken wordt gezien.

Recensies
Wat de recensies betreft, is het opvallend dat veel recensenten erop wijzen, dat (en ik citeer Onno Blom uit Trouw, 24 oktober 1997) ‘de vertrouwde elementen uit Minco’s werk in Nagelaten dagen nogal eens een halve of een hele slag zijn gedraaid. Zo heeft het Amsterdamse plein waar Bettie is opgepakt door de Duitsers (…) nu het Wedemerplein in plaats van Merwedeplein. Het lijkt een futiliteit, maar het is in wezen een van de subtiele tekens, die erop wijzen dat Minco een stapje van de werkelijkheid van Het bittere kruid af is gaan staan. Om de metafoor nogmaals te gebruiken: Marga Minco biedt geen afgeronde blik op de glanzend glazen kom van de tijd, maar op de vertekende en gebarsten scherven’.

Elsbeth Etty (NRC Handelsblad, 17 oktober 1997) citeert bladzijde 83 uit het boek: ‘Het was of de motor van mijn geheugen een slag werd teruggedraaid’, net als later het deksel van de vallende Japanse kom. Zij gaat ook in op de titel van het boek: ‘”De nagelaten dagen” van de titel zijn de dagen die door middel van het vergeten fotoalbum aan de schrijfster worden teruggegeven. Maar misschien zijn die dagen ook de dagen, bijvoorbeeld de vier in Californië, waarin de overlevenden nalaten gezamenlijk betekenis aan hun herinneringen te verlenen. Omdat zij het niet kunnen’.

De conclusie die Etty trekt (‘Nagelaten dagen brengt uitkomst noch troost. Wie het boek dichtslaat weet dat het nooit goed komt’) staat in schril contrast tot wat Doeschka Meijsing als duiding aan het geheel gaf (in Elsevier), waarin ze een stap verder gaat: ‘De deksel ligt intact op het ziekenhuiskastje. Tegen het licht gehouden vliegt een vogel, door het porselein zichtbaar, naar de vrijheid. Dit prachtige beeld, het hele boek voorbereid, behoeft geen duiding. Het vat alles samen wat niet gezegd kan worden’.

Dank u wel, Marga Minco, voor uw schitterende oeuvre – de P.C. Hooftprijs is méér dan verdiend.