Matt Haig – Het troostboek

Het troostboek / Matt Haig ; vertaald uit het Engels door Monique ter Berg. – Amsterdam : Lebowski, 2021. – 272 pagina’s ; 21 cm. – Vertaling van: The comfort book. – Canongate Books, Ltd., 2021. ISBN 978-90-488-6192-7

Deze verzameling gedachten, meditaties, herinneringen, citaten en lijstjes schreef Haig in de tijd dat hij door een diep dal ging. Om zichzelf, en nu anderen, hoop te bieden en te troosten. Over die periode van depressie schreef hij in zijn boek Redenen om te blijven leven (2015). De meeste korte tot zeer korte hoofdstukken, van aforismen tot
iets dieper gaande teksten over zijn voorbeelden, zoals de Stoïcijnen, kan de lezer tot zich nemen in een willekeurige volgorde. De structuur wordt gevormd door vier onderdelen, maar inhoudelijk loopt alles door elkaar. Rommelig zoals het leven soms kan zijn. Die lijstjes zijn leuk, maar – met uitzondering van ‘Troostfilms’ – zonder context nietszeggend. Als de lezer meer achtergrond bij soortgelijke keuzes uit de literatuur, kunst en muziek wil hebben, dan zal Troost : als licht in donkere tijden (2021) van Michael Ignatieff wellicht een betere keus zijn.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

‘Filosoferen in tijden van lijden’ (III)

Opgedragen aan ds. Kees Zwart, die op 8 mei a.s. als interim-predikant afscheid neemt in Amsterdam-Noord en mij met zijn hieronder genoemde preek tot dóórdenken aanzette.

In Filosofie Magazine van maart 2022 stond een artikel dat de moeite waard is, geschreven door Fleur Jurgens (1972), filosofe, schrijfster en journaliste. ‘Filosoferen in tijden van lijden’ luidt de kop. Het raakte me. Waarom heb ik in drie opeenvolgende blogs uitgelegd. In de eerste ging ik in op het artikel, in de tweede kwam ik zelf aan het woord als ervaringsdeskundige en in deze derde ga ik tenslotte in op de troost die filosofie, theologie en literatuur kunnen bieden.

Vier vormen van troost
We zagen in de eerste van deze drie blogs, dat Lammert Kamphuis in het interview met Fleur Jurgens vier vormen van troost noemt die de filosofie kan bieden:

  1. Het lezen van filosofische teksten
  2. Relativering
  3. Aanvaarden van het lot
  4. Verlichting vinden in het uitzicht op betere tijden

Het hoeven echter niet perse filosofische teksten te zijn. Met, wederom Virginia Woolf, denk ik ook aan gedichten. Daarop kun je blijven kauwen, ze sturen je gedachten, uit je pijnlijke lichaam weg, richting je hoofd.

Bijbelteksten in de lijdenstijd
Zo kun je ook groeien aan Bijbelteksten en de uitleg daarvan. Dat overkwam mij in de lijdenstijd, toen tijdens een kerkdienst werd gelezen uit Jacobus (Jac. 1: 19-27) en Johannes (Joh. 15: 1-8). In het eerste gedeelte staat de spiegel voor Tenach, in het tweede is dat de wijnstok, de ware wijnstok. De landsman (God) snoeit de ranken, opdat zij meer vrucht dragen (vs. 3). Opdat de Tenach tot zijn recht komt, recht wordt gedaan.

Dat is de gebruikelijke uitleg, maar in de preek van ds. Zwart die ik hoorde, klonk ook iets anders door waarin die twee teksten met elkaar werden verbonden. Een voorzichtige vraag die ik de dag erna ook las in het nieuwste boek van (inderdaad een filosoof) Jos Kessels: Het raadsel van de speelman (ISVW Uitgevers, 2021). In het hoofdstuk ‘Snoeien’. Concreet vraagt de ik-figuur zich af, of ‘je ook jezelf in vorm kunt snoeien’ (p. 106). De tuinman in dit hoofdstuk vindt het ingewikkeld, de predikant vond het ook, maar toch werd de vraag als gezegd voorzichtig gesteld.

De waarde van woede
Alle verdorde takken op een hoop gooien en verbranden en dan de ranken laten groeien aan de wijnstok. Het is even slikken, maar biedt het uiteindelijk ook niet iets van troost? Een opdracht om aan jezelf te werken. Zo hoorde en las ik het. Is het de loutering waar Wim Dubbink het over had? Op z’n minst verlichting in de hoop, het uitzicht op betere tijden.
Snoeien uit woede en die als een energie ten goede aanwenden, denk ik. Want woede is, met de woorden van Nico Koning uit wiens nieuwe boek De waarde van woede. Over opstandigheid en rechtvaardigheid (uitg. Damon, 2022) ik in de vorige blog al citeerde, ‘veranderwoede’ en staat in een ‘waardevolle traditie’ (p. 11).

Aanvaarden van het lot (punt 3 van Kamphuis) is niet het je ergens passief bij neerleggen, maar juist hard werken zei een andere predikant eens. En ook hij verwees naar een gedicht. Van Jacqueline van der Waals in dit geval (zie foto rechts). Een ander dan onderstaand gedicht, maar toch. Van der Waals was een vrouw die leed, en uiteindelijk overleed, aan een maagzweer. Zij schreef dit gedicht over snoeien:

De herdersfluit

Eens ging ik langs het lage riet,
Dat ruischen kan en anders niet,
Toen, langs mijn pad, een herder kwam,
Die één van deze halmen nam,
En dien besnoeide en besneed,
En maakte tot zijn dienst gereed.
Door dit gekorven rietje, dat
Als dood hij in zijn handen had,
Dien stemmeloozen stengel zond
Hij straks den adem van zijn mond,
En, als hij blies, zoo zong het riet,
En, als hij zweeg, verstomde ‘t lied:
De zoete, pas ontwaakte stem
Bestond en leefde slechts door hem.
Zoo gaf ik gaarne wensch en wil
In ‘s Heeren hand en hield mij stil.

Zoo dan, als door een rieten fluit,
Bij zwijgend eigen stemgeluid,
Gods adem door mij henen blies,
Hoe groote winst bij kleen verlies!

(uit: Nieuwe verzen, 1910)

‘Filosoferen in tijden van lijden’ (I)

In Filosofie Magazine van maart 2022 stond een artikel dat de moeite waard is, geschreven door Fleur Jurgens (1972), filosofe, schrijfster en journaliste. ‘Filosoferen in tijden van lijden’ luidt de kop. Het raakte mij. Waarom zal ik in drie opeenvolgende blogs uitleggen. In deze eerste ga ik in op het artikel zelf, in de tweede kom ik aan het woord als ervaringsdeskundige en in de derde en laatste ga ik in op de troost van filosofie, theologie en literatuur.

Definitie van lijden
‘Het kenmerk van lijden [is] nu juist dat het niet valt op te lossen’, zegt Wim Dubbink, bedrijfsethicus en voorzitter van de vakgroep filosofie aan de Tilburg University in het artikel. En hij definieert om te beginnen wat hij onder ‘lijden’ verstaat: ‘Een ervaring van machteloosheid en onrechtvaardigheid (…). Het komt bovenop pijn en het verdriet, als een extra aandoening’.
De vragen die vervolgens worden gesteld, komen in het vaarwater van de theologie: ‘Wat is de betekenis van mijn lijden?’, ‘Wat is rechtvaardigheid?’ Al benoemt Dubbink het bij uitstek als filosofische vragen. De volgende filosoof die Jurgens interviewt, Lammert Kamphuis, ziet het zelfs als filosofie van de straat, of misschien eerder: van de agora, want hij heeft veel op met de Stoïcijnse insteek: ‘Richt je op die dingen waar je controle over hebt en je zult met gemoedsrust en vrij door het leven gaan’. De definitie van lijden is daarmee naar mijn idee toch weer een beetje uit het zicht verdwenen en wel erg gemakkelijk opgelost.

Waarbij de filosofie kan helpen
Kamphuis stelt vervolgens, dat ‘waarbij de filosofie (…) kan helpen, is dat we onszelf in het lijden ook nog eens onnodig kwellen door straffende oordelen óver ons lijden’. Ik ben het met deze overigens eerder theologische insteek met hem eens, al neemt hij het in een volgende stellingname weer wat terug. Dat is op het moment dat hij het heeft over de Oostenrijkse neuroloog en psychiater Viktor Frankl, die in zijn De zin van het bestaan schreef dat hij ‘door betekenis aan zijn lijden te geven (…) de mens zijn vrijheid kan demonstreren’.

Kamphuis biedt in zijn Filosofie voor een weergaloos leven vier vormen van troost die de filosofie kan bieden:

  1. Het lezen van filosofische teksten, bijvoorbeeld van Schopenhauer
  2. Relativering, zoals de Stoïcijn Epictetus deed (Vrij en onkwetsbaar)
  3. Aanvaarden van het lot, zoals Boëthius deed (De vertroosting van de filosofie)
  4. Verwachting vinden in het uitzicht op betere tijden

Lijden niet reduceren
Dubbink heeft met zulke posities moeite, blijkt uit het vervolg. Je moet het lijden serieus nemen en niet reduceren tot ‘pijn en verdriet’. Lijden is kwellend en onbegrijpelijk. Ook de Stoïcijnen kan hij niet volgen, want zij ontkennen elke vorm van emotie. Het best te begrijpen vindt hij nog de visie van Frankl. Alleen hij heeft eigenlijk recht van spreken, gezien zijn ervaringen in vier concentratiekampen. Met een kanttekening: lijden kun je niet instrumenteel maken, begrijpen. Waaruit Dubbink met Ricoeur de conclusie trekt, dat ‘het lijden dus misschien gewoon iets is wat gebeurt en stomweg niet te begrijpen is!’ Hoe weinig bevredigend dit ook is.

Doordenkend komt hij dan uiteindelijk uit bij de filosoof Helmuth Plessner, de eerste filosoof die het lichaam centraal stelde, volgens de auteur van dit artikel, hoewel ik toch ook meteen aan zijn tijdgenoot Merleau-Ponty moet denken. Dubbink zegt: ‘Plessner heeft een interessante visie ontwikkeld op lachen en huilen. Op het moment dat mensen in huilen uitbarsten, capituleert hun denken en is het lichaam aan zet. Dat sluit mooi aan bij wat lijden is. Het is een geestelijk gevoel, dat een ander kenvermogen aanspreekt op het niveau van het lichaam. Met die gedachtegang is te ontsnappen aan de vraag naar betekenis of zin, zonder het lijden meteen helemaal onbegrijpelijk te maken.’

Een filosofie van de troost
Tenslotte komt Dubbink uit bij zijn collega Donald Loose, die ‘in dit verband spreekt van  “een filosofie van de troost”. Doordat het lichaam antwoordt in al zijn beperktheid, huilt en om troost vraagt, zal het denken moeten accepteren dat het is uitgespeeld. Die loutering door en van het lichaam biedt ruimte voor een nieuw begin.’ Hij komt dan weer terug op de Plessner van ná de oorlog, die zich ten doel stelde een boek te voltooien.

Daarmee raakt het abstracte denken over lijden aan het concrete leven van mensen die lijden ondergingen of ondergaan. Tot die laatste groep behoor ik, die – om het in proportie te zien – pijn lijdt, om het zo te omschrijven. Soms erg, soms niet of nauwelijks, maar altijd op de loer liggend. Tot op zekere hoogte een praktijkgeval van een ervaringsdeskundige dus.
Kan ik me in die verschillende stellingnamen vinden? That’s the question. Voor deel 2.

Geloof en schoonheid

Op 19 januari 2022 toonde NPO2 in Close up een documentaire van Barak Heymanns over de Israëlische kunstenaar Dani Karavan (1930-2021). Het begon ermee, dat hij, staande bij het Negev Monument in Be’er Sheva (zie foto links) luisterde naar de wind die door de pijp speede. Zoals de wind door het monument voor de Vrouwen van Ravensbrück op het Amsterdamse Museumplein speelt. Beide monumenten doen mij denken aan de schoorsteen van de verbrandingsovens van de concentratiekampen en benemen je de adem.

We gaan verder de documentaire in. Naar Axe Majeur in het Franse Pointoise: twaalf zuilen staan op een verhoging, waar je als was het een Griekse tempel naar toe klimt. De twaalf stammen van Israël? Verder, naar de Weg van de vrede in Nitzana in de Negev woestijn. Van 1 naar 12 en uiteindelijk naar honderd zuilen van zandsteen. In elk van de zuilen is in een andere taal het woord ‘vrede’ aangebracht.

De werken die Karavan voor de openbare ruimte ontwierp – straks volgt nog een voorbeeld, zonder zuilen maar omringd door bomen –, hebben vaak een verband met de Tweede Wereldoorlog. Dat is ook zonder meer de eerste, indringende associatie die ik bij het Negev Monument had. En ik zal niet de enige zijn, die het zo ervaart. Bij het tweede en derde monument gingen de associaties eerder uit naar zuilengalerijen van Griekse tempels.

Toch zou je er ook nog een derde betekenislaag in kunnen ontdekken. Op dat spoor kwam ik toen ik een mooie maar niet volledige alinea las in het boek Troost. Als licht in donkere tijden van Michael Ignatieff (Uitgeverij Cossee, 2022):

‘Psalmen lezen is als wandelen tussen ruïnes, langs een afgebroken zuil, over een hardsteen met uithollingen van voetstappen erop. (…) Dan voelen we dat we met de metselaars, met de psalmisten, behoren tot een keten (…) die altijd geloof, samen met schoonheid heeft behouden’ (p. 32).

Niet volledig – want Karavan toont ons wel zuilen, maar ze zijn niet afgebroken. Het joodse geloof leeft. Met de psalmen, zeker. Die zuilen dan ook staan voor erfgoed dat levend is en wordt gehouden. Met het oog op een betere wereld, op de weg van de vrede. Nog steeds, gezien Poetin die vrede en democratie in een soevereine staat met voeten treedt.

Opeens snap ik ook de obsessieve manier waarop Karavan, tot de dood hem inhaalde, streed voor het behoud van zijn werk; het mogen geen ruïnes worden. Hij is vol onbegrip voor mensen die het niet snappen. Gelukkig zijn er actiegroepen die protesteren tegen de teloorgang van zijn monumenten. Juist bij het monument in Berlijn voor de in de Tweede Wereldoorlog vermoordde Sinti en Roma (zie foto rechtsboven). Deutsche Bahn wil onder dat monument een spoorlijn aanleggen en daarvoor de bomen om het monument kappen. Een gotspe. Dat is het.

Greet Van Thienen – De stuntelende mens

De stuntelende mens : een klein onderzoek naar wat we zijn / Greet Van Thienen. – Kalmthout : Pelckmans,
[2021]. – 178 pagina’s ; 20 cm. – Omslag vermeldt: Naar de podcast Kant, en klaar!. ISBN 978-94-631-0516-3

‘Wat is de mens?’ is volgens Immanuel Kant – en veel andere wijsgeren – dé centrale vraag van de filosofie. De Vlaamse radio- en podcastmaakster Greet Van Thienen trekt de vraag door naar deze tijd, met ons besef van onzekerheid door Covid-19, de verant-woordelijkheid die we hebben, inlevingsvermogen in een ander, verbeeldingskracht enzovoort. De auteur gaat te rade bij haar omgeving, in de literatuur (onder meer bij Flaubert), de psychiatrie en mensen die ze interviewde voor haat podcast Kant, en klaar! Het leverde achttien los van elkaar staande stukken op voor een breed publiek naar het verschijnsel ‘mens’. De titel van het boek ligt in het verlengde van wat de forensisch antropoloog Sue Black eens over de mens schreef en wat volgens Van Thienen troostend is: wij zijn deels gedetermineerd, maar hebben ook de vrijheid om keuzes te maken. De mens is met andere woorden méér dan de stuntelaar die de titel doet vermoeden.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Drieluik – wonderen

1.
Dinsdag 12 oktober was ik sinds lange tijd weer in (de kleine zaal van) het Amsterdamse Concertgebouw. Bij een concert door bariton George Nigl en Olga Pashchenko (piano/fortepiano). ‘Een oubollig programma’, zei iemand. Wat heet: Schubert – Beethoven – Rihm (!) – Schubert. Als zij een kenner is, jarenlang vaste bezoeker van de Vocale Serie, dan ben ik een liefhebber, minder thuis in het vocale repertoire voor zangstem en piano(forte). Eentje die haar adem inhield toen Nigl en Pashchenko zelf even inhielden op een komma in het lied ‘Auf dem Hügel sitz ich spährd’ van Beethoven:

Und die Seufzer, sie verwehen
In dem Raume, der uns teilt.

Een kiertje licht kwam er doorheen, gedragen door een fluisterzachte begeleiding op fortepiano met demper. ‘Een nieuwe standaard’ zei een recensent naar aanleiding van de CD met dit programma en door deze uitvoerenden, Vanitas (Alpha).

2.
Zondag 17 oktober. Ik lees in de Bijbelse Dagkalender 2021, die ik cadeau kreeg. Bij deze dag staat een citaat van Etty Hillesum: ‘Dat er dus iets van “God” in je komt, zoals er in de Negende van Beethoven iets van “God” is.’ En, voeg ik toe, ook in dit eerste lied uit de cyclus An die ferne Geliebte. In deze uitvoering.

Ik lees meer die dag. In De Groene Amsterdammer (14 oktober 2021) een artikel van Bas van Putten naar aanleiding van het Sweelinckjaar ter ere van diens vierhonderdste sterfdag. Opeens snap ik waarom ik met veel van diens werk weinig of niets heb. 1) ‘Wat je nu ook nog in Sweelinck hoort – geen wonderen. Zijn meesterschap houdt op hoog peil altijd maat. Nergens een ontwrichtende chromatische ontsporing, en nimmer breekt een lijdend, woedend ego door het fraaie stuc- en metselwerk.’ Zoals bij Rihm tijdens voornoemd recital. ‘Kwarten en septiemen’ zei dezelfde bezoeker die ik aanhaalde. Het zij zo. Van mij mag het schuren. Zeker als het gaat over ziekte en dood, over vanitas.

Bij Sweelinck ‘zweeft de heilige geest er een beetje boven, nog niet in. Hij kan de sweelinckse techniek niet tot mysterie transcenderen’ aldus Van Putten. Al is dat voor iedereen natuurlijk anders; dirigent Patrick van der Linden bijvoorbeeld zegt in het programma ‘Allegro’ ’s middags op NPO2 dat Sweelincks Psalm 38 hem altijd diep raakt door de ruimte die hij erin ervaart.

3.
’s Ochtends had ik, zoals te doen gebruikelijk op zondag, gekeken naar het interview van Annemiek Schrijver met op die dag de ‘poëtisch socioloog’ Shervih Nekuee. Hij kwam ook dicht bij het mysterie in zijn verwoording van wat ik in het recital hoorde en bij Sweelinck (tot nu toe?) niet heb ervaren: ‘In het wonderbaarlijke huist ons hart’. Bij Beethoven zat het met andere woorden, bij Sweelinck niet. Nekuee zei het in het programma ‘De verwondering’.
En hij zei meer. Over poëzie die ruimte maakt, over een reis naar de Himalaya met z’n stilte en ruimte, over de ‘dansende dichter’ Rūmi, die volgens Schrijver gaandeweg zijn leven ‘naar zijn hart zakte’, over het wonderbaarlijke dat zich uit in de taal van dat hart. Waardoor ‘binnen en buiten licht ontstaat (…), uitzonderlijk licht dat met gemis te maken heeft en troost brengt’. Ik hoor er Rūmi in:

Luister naar de fluisteringen van het riet,
luister hoe het weeklaagt over de scheiding.

Maar ook

Und die Seufzer, sie verwehen
In dem Raume, der uns teilt.

 

1) Een uitzondering vormt onder meer Mein junges leben hat ein End. Hier uitgevoerd door Matthias Havinga op het orgel van de Amsterdamse Westerkerk:
ttps://www.youtube.com/watch?v=mSxoD_aDQpE

Wat God doet, dat is welgedaan

‘”Nee,” zei hij hardop. De mensen naast hem in de kerkbanken wierpen hem steels een verbaasde blik toe. De dominee had zijn preek net afgesloten met het gebruikelijke ‘amen’, er werd een ogenblik gewacht tot het orgel machtig zou inzetten. En daar, in dat moment van intense stilte, was er ineens dat “nee”. Luid en duidelijk. Hij kleurde tot in zijn haarwortels en richtte zijn blik snel naar beneden, naar zijn gezangenboek.’

Dit is een citaat uit het boek In de voetsporen van mijn grootvader van Margot Dijkgraaf, zoals Athenaeum Boekhandel in Amsterdam het op hun site voorpubliceerde. Op het moment dat ik de cd Young Bach Fellows (zie foto bovenaan) aan het draaien was en dit stukje erover voorbereidde. Ik moest denken aan mijn vader die eens iets soortgelijks deed, toen een gastpredikant in mijn kerk er naar zijn gevoel teveel omheen draaide: ‘Dominee, begin nu maar met uw preek’. Hoewel iets minder luid en duidelijk, en niet hij maar ik kleurde ervan. Of aan mijn moeder die het lied Wat God doet dat is welgedaan niet over haar lippen kreeg en haar mond hield als het werd gezongen.

Wat God doet, dat is welgedaan
Met die gelijknamige cantate van Joh. Seb. Bach, BWV 99 begint genoemde cd:

Wat God doet, dat is welgedaan,
zijn wil is wijs en heilig.
’k Zal aan zijn hand vertrouwend gaan,
die hand geleidt mij veilig.
In nood is mij
zijn trouw nabij.
Ja Hij, de Heer der Heren,
blijft eeuwig wijs regeren.

Het lied zit in mijn hoofd als een gedragen, wat langzaam gezongen, zware melodie. Hoe groot was dan ook mijn verrassing toen ik de cd opzette en een vlot en licht gezongen versie hoorde. Ter vergelijking: solisten, koor en Concentus Musicus Wien onder leiding van Nikolaus Harnoncourt deden er in 1980 nog 6’23” over, de Young Bach Fellows 4’24”.
Ik pakte de tekst er nog eens bij en mijn oog bleef haken op de woorden ‘vertrouwd gaan’ en ‘trouw nabij’ (in de tekstbewerking van Jan Wit). Woorden die over de eerste zinsneden, of liever: de interpretatie daarvan heen schoven, met als bronwoord het Griekse pistis, trouw én vertrouwen. Zij verdringen het idee dat alles wat je overkomt, zoals ziekte of radicaal kwaad, van God komt, zoals ten tijde van mijn ouders (nog) werd gedaan en mijn moeder zelf wellicht ook dacht, getuige haar weerstand tegen dit lied. Wat een verademing is dan die uitvoering door de Young Bach Fellows; zij zetten alles in een nieuw licht!

Young Bach Fellows
De Young Bach Fellows bestaat uit twaalf jonge, net afgestudeerde musici die zich onder leiding van Shunske Sato, artistiek leider van de Nederlandse Bachvereniging, bekwamen in het uitvoeren van barokmuziek volgens de historisch verantwoorde uitvoeringspraktijk. Voor AVROTROS Klassiek presenteert! namen ze hun debuut-cd op met werken van Joh. Seb. Bach: twee cantates, twee koralen en een klavecimbelconcert. De cantate die deze cd afsluit is BWV 159, Sehet, wir gehn hinauf gen Jerusalem.

Niet dat bij luisteren naar deze cantate iets soortgelijks gebeurde als bij het luisteren naar eerstgenoemde cantate, maar deze nieuwe top-cd is mij nu al door die ervaring én door de geweldige uitvoeringen van zowel deze cantate(s) als de andere werken, zéér lief.

‘Op vleugels’
Wat er gebeurde heb ik omschreven, maar kan ik tot slot kort nog iets verder uitwerken aan de hand van wat Lydia Vroegindeweij zei in haar lezing gedurende het symposium ‘Op vleugels’ ter gelegenheid van de 75ste verjaardag van Sytze de Vries, op 12 september 2021 in de Domkerk te Utrecht.
Zij sprak over Joh. Marin Schamelius (1668-1742), hymnoloog avant la lettre, die de oorspronkelijke Lutherse liederen(bundels) voor zijn tijd wilde behouden. Begreep je de teksten niet meer, of verzette je ertegen zoals mijn moeder, dan moet je ze niet wegdoen, maar uitleggen vond hij.

De koraalcantates dienden in die tijd volgens Vroegindeweij niet alleen ter verduidelijking van de oude teksten van Luther, maar ook als troost, een thema dat zij in het kader van haar promotie (2020) onderzocht. Troost in tijden van lijden en verdriet tijdens en aan het leven. Jammer dat mijn moeder het zo niet heeft mogen ervaren. Bij mij ligt de cd van de Young Bach Fellows nog steeds in de cd-speler.

De opname van genoemde Bachcantate (in de Waalse Kerk in Amsterdam) valt geheel te zien en beluisteren op: https://www.youtube.com/watch?v=keOIgHhw-dk
Op de Young Bach Fellows en de Nederlandse Bachvereniging kom ik naar aanleiding van het jubileummagazine (
100 jaar) terug.

Leren, vieren en dienen

De Protestantse Kerk Nederland (PKN) doet momenteel onderzoek naar wat de meest geliefde liederen zijn. Quadraatschrift, het toenmalige tijdschrift van het Centrum voor leren en vieren (CLV) in Amsterdam, had destijds een Liedrubriek waarin hetzelfde werd gevraagd. Als redactievoorzitter/eindredacteur heb ik die rubriek ook een keer mogen schrijven. Ik koos toen voor Lied 272 uit het (toen) nieuwe Liedboek: ‘Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here’. Ik herneem die bijdrage hier niet, maar doe het nog eens dunnetjes over en vraag me zo’n kleine twintig jaar later af, of wat ik toen zo mooi vond aan dat lied, dit nog steeds zo ervaar.

Het lied werd in 1901 geschreven door de Franse predikant en latere hoogleraar in Parijs Wilfred Monod (zie foto links, 1867-1943). Hij stichtte tevens een Franciscaner orde voor protestantse leken, Tiers Ordre Protestante des Veilleur. Hij wordt gekenschetst als een mystiek theoloog, wat hem denk ik tekort doet, want hij was een niet alleen in het hart maar in zijn totale mens-zijn bewogen. Bewogen door wat er politiek en maatschappelijk om hem heen en in de wereld gebeurde. Met ontferming bewogen, zou ik willen zeggen. De kerk zou daarbij volgens hem een grote rol moeten spelen. De theologische faculteit van Parijs was dit niet met hem eens, en ontsloeg hem in 1929. Hij was toen twintig jaar hoogleraar praktische theologie geweest.

‘Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here’ is een lied van Monod dat als Gezang 324 werd opgenomen in het ‘oude’ Liedboek en (gelukkig) doorschoof naar het ‘nieuwe’ Liedboek (Lied 272). Dit lied is te danken aan Jan Wit (1914-1980), die als predikant van de Waalse gemeente in Nijmegen bekend was met het Franse kerklied.
De hiervoor benoemde tweeslag die Monods theologie kenmerkt (mystieke inkeer en politieke en maatschappelijke betrokkenheid) komt er duidelijk in terug en reikt elkaar de hand.

Gods aangezicht
Het eerste couplet geeft uiting aan die mystieke inkeer, hier betrokken op Jezus van Nazareths stille innigheid, op Jezus ‘die op een berg klom’, alleen was met God ‘die geest en waarheid zijt’. Overigens staat in het origineel niet ‘berg’ (montagne) maar woestijn (désert).
Ik zal nooit vergeten dat, toen ik problemen kreeg binnen de kerkenraad van de kerkgemeente waarbij ik me had aangesloten, de toenmalige predikant tegen mij zei, dat het in een dienst niet om al dan niet goed- of kwaadwillende gemeenteleden gaat, maar om het zoeken van Gods aangezicht, om Góds aanwezigheid.
Die aanwezigheid heb ik ervaren toen ik, op vakantie in Israël, enkele momenten in de woestijn vertoefde. Ik voelde me te moe om nog een stap te verzetten, maar mijn kamergenote – die daar al eerder was geweest – zette me ertoe aan éven aan de woestijn (letterlijk de achtertuin van ons hotel) te ruiken. Ik ben er haar nog steeds dankbaar voor.
Het raakte me diep en troostte me net zoals dit eerste couplet dat in diezelfde kerk werd gezongen op de eerste zondag dat ik de kerk bezocht, de eerste van de vele jaren die zouden volgen tot de narigheid begon en ik vertrok. ‘Als welkom’, zoals de toenmalige (een andere) predikant na afloop tegen mij zei. Hij had mijn bijdrage aan Quadraatschrift gelezen en gaf er een prachtig gevolg aan.

Uitgeputte schapen
Het tweede couplet volgt de lijn van het zich terugtrekken naar een eenzame plaats (Marcus 6:30), maar verbindt deze met Mattheüs 9:36: ‘Toen hij [Jezus] de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder’.
Ik heb al eerder aangegeven dat ook voor mij de tweeslag van Monod, en van andere theologen – zoals Dorothee Sölle – leidinggevend is. Ik ben dat des te sterker gaan voelen, toen ik van de toenmalige hoofdredacteur van het blad Kerk in Mokum met grote regelmaat werd gevraagd om juist aan de rubriek Diaconie bijdragen te leveren. De ontmoetingen die ik toen had met mensen die je gerust uitgeput en hulpeloos, maar ook heel krachtig kunt noemen, maakte diepe indruk op mij. Tot op de dag van vandaag.

Kaïn en Abel
Het derde vers verwijst naar het verhaal over Kaïn en Abel (Genesis 4:1-16), dat ook centraal staat in de opera Die ersten Menschen van de Duitse componist Rudi Stephan (1887-1915) die in het kader van het Holland Festival 2021 werd opgevoerd en ook via stream valt terug te zien: Kajin en Chabel. Feitelijk zet Stephan Chabel net zo vergeestelijkt neer als Monod wanneer deze spreekt van mystieke inkeer. Kajin is bij Stephan een man die ziek is van verlangen naar seksuele bevrediging. Bij Monod roept Abels bloed ‘nog steeds tot ons geweten,/ Wie ’t zingend overstemt is Kaïns deelgenoot’.

Het leed dat van de aarde schreit
In het laatste couplet lijkt Monod een samenvatting te geven van de eerste drie: de ‘Heiland op de berg, alleen met God zijn Vader’ en ‘’t leed dat van de aarde schreit’. Daaraan koppelt hij dan een oproep die tegelijk een bede is: ‘Maak uw kerk tot hoorder en tot dader’. In één Bijbels woord samengevat: dabar. Het is een verwijzing naar Jakobus 1:22-24, het Bijbelboek dat ik in diezelfde grote stadsgemeente in het leerhuis en als doorgaande lezing op zondag heb leren kennen en op waarde schatten. Leren, vieren én dienen. Deze drie.

De melodie
De melodie waarop dit lied is gezet, is van de Franse theoloog en componist Emmanuel Haien (zie foto rechts, 1896-1968). Hij schreef onder meer een studie over de gregoriaanse oorsprong van de Geneefse psalmwijzen. Een lijn die je nog verder terug door kunt trekken, naar joodse melodieën.
Haiens melodie gaat hand in hand met het ingetogen karakter van de tekst. Oorspronkelijk stond de melodie (zie het ‘oude’ Liedboek) in e kl.t., wat dit nog benadrukt en (o toeval) tevens mijn lievelingstoonsoort is, maar nu is hij een toon lager gezet (d kl.t.), wat het accent wellicht meer legt op de maatschappelijke betrokkenheid van de tekst, wat ook nog eens wordt benadrukt door de 4/4 in plaats van 2/4-maat.
Kenmerkend zijn voorts de gepuncteerde noten (melodieregels 2 en 4), waar tekst en melodie als het ware even pauzeren, even inhouden. Het doet denken aan de onvergetelijke manier waarop Frans Brüggen wel eens inhield in Bachcantates waar tekst en muziek van een ingetogenheid uiten (bijvoorbeeld BWV 8). Op deze manier is de eenheid van Monod ook in de muziek terug te vinden.
Het is een lied dat gaandeweg je leven steeds meer gaat zeggen. Een lied om nog steeds lief te hebben, zoveel jaren na mijn eerste stukje hierover in Quadraatschrift.

 

Link naar tekst, melodie en gezang: https://www.youtube.com/watch?v=wO7THYgEMdg

‘Een exodus, een revolutie’

De theoloog en Islamkenner Anton Wessels vervolgde zijn inmiddels afgesloten  cursusochtenden Koran lezen met Tenach en Evangelie voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) – dit seizoen via Zoom – als vanouds met veel verwijzingen naar allerlei boeken.
Zo wees hij een keer op de Grunbergbijbel van Arnon Grunberg, die ik ook in de kast heb staan. Het boek kon niet geheel zijn toets der kritiek doorstaan. Heeft Grunberg het wel helemaal begrepen, vroeg Wessels zich af. Neem alleen al dat hij spreekt over twee revoluties: die van het Oude- en die van het Nieuwe Testament. Er is toch alleen maar sprake van één revolutie, die van zowel het Oude- en het Nieuwe Testament als die van de koran? 1)
Alle drie de boeken zijn voor een goede uitleg van elkaar afhankelijk. En dat is dan geen dogmatische uitleg, want daartegen stelde Mohammed zich juist teweer. Dat is er een vanuit Tora en de Profeten, die bij Grunberg missen.

Iemand zei ter afsluiting van deze cursusochtend, dat hij de Grunbergbijbel ter hand ging nemen. Ik ging verder met ‘een verklaring van het boek Job’, zoals de ondertitel van het nieuwe boek van Dick Boer luidt. Ik stuitte in dit boek, Job redt de NAAM, op een schitterend hoofdstuk onder de titel ‘Twistgesprek: de evolutietheorie van de kameraden tegenover Jobs vasthouden aan de revolutie’ (p. 60-64). Wéér dat begrip ‘revolutie’. Elders in het boek noemt Boer dit: ‘een exodus, een revolutie’ (p. 141). En wéér die eenheid van Oude- en Nieuwe Testament. De koran blijft hier overigens buiten beeld.

Genade
Dick Boer wijst op het protestantse adagium sola gratia (genade alleen). Mijn vader nam het vaak in de mond en het raakte mij elke keer diep wanneer hij dat zei. Boer stelt echter, dat het uit elkaar rukken van Tora doen en het ‘door het genade alleen’, ten diepste anti-joods is. Ik schrok ervan, maar als je het tot je door laat dringen, is het ontegenzeggelijk waar, net zoals er maar één revolutie is. Deels waar, maar daar kom ik nog op.2)

God ‘geeft Tora’, schrijft Boer, ‘opdat deze gedaan wordt, niet uit eigenbelang maar in het belang van de verworpenen der aarde die uit de Tora naar de vrijheid geleid zullen worden’. Aan het begin staat het geschenk van de Tora, aan het eind het doel van de Tora. ‘Daar tussenin, in de tussentijd, komt het op het doen aan’. De auteur benadrukt op het eind van zijn boek, dat het sola gratia ‘geen eenzijdige daad van God [is], geheel los van het doen van de mens’ (p. 194). Je moet Tora doen, maar je kunt – denk ik – ook teveel van jezelf eisen.

Genade is inderdaad een werkwoord, maar het is en blijft wel een troostend woord voor als je tekort schiet in dat arbeiden op de akker van de Heer. Je ervaart – volgens ds. Johan Visser, predikant van de Noorderkerk in Amsterdam in een interview met Matthijs Hoogenboom (op de website van de Protestantse Kerk Amsterdam, 6 mei jl.) – ‘dat iets van goedheid je wordt toegeworpen. (…) Er zit ook iets van het [joodse] gein in, (…) dat al ons streven en drukdoenerij doorbreekt en relativeert. Een onverdiende vreugde die over je komt. Volgens mij is dat ergens de kern van geloven’.
Of – misschien – één van de kernen, zoals een ei soms twee dooiers kan hebben: exodus/revolutie én genade.

1) ‘Een stille revolutie’ noemde ds. J.H. Uytenbogaardt het tijdens zijn preek op Eerste Pinksterdag in de Bethelkerk in Amsterdam: de voetwassing op Witte Donderdag. En hij refereerde aan het Taizélied Ubi caritas uit Taizé: ‘Ubi caritas et amor / ubi caritas, Deus ibi est’ (‘Waar vriendschap en liefde is, daar is God’, Lied 568 uit het Liedboek).
2) In dit verband wijs ik ook op de uitleg die Max Brod gaf aan de roman Het slot van Franz Kafka: als beeld van Gods genade, die de mens niet door eigen inspanning kan verwerven.

De l/Ladder

De beelden, en enkele gebeurtenissen, vloeien ineen. Voor een Zoomcursus over de Hebreeënbrief schaf ik het boek Een betoog van Nicodemus? van Bart Gijsbertsen aan (Uitgeverij Van Warven, 2021). Bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden boek ik twee praktisch op elkaar aaneensluitende Summerschools, en voor het weekend ertussen overnachtingen bij een hotel tegenover Kamp Amersfoort. Ondertussen denk ik na over een lezing die ik voor Helikon in Utrecht ga geven. Over engelen in beeldende kunst en muziek.

Bart Gijsbertsen heeft het in zijn boek ook over engelen. Oorspronkelijk zijn het boden, mal’ak. ‘Elke bode-engel krijgt eigen opdrachten van God; en keert na de uitvoering daarvan terug naar de hemelse werkelijkheid om nieuwe opdrachten te ontvangen. Over het algemeen zijn de engelen onzichtbaar om ons heen. Een enkele keer maken ze zich zichtbaar voor onze ogen; denk bijvoorbeeld aan de verschijningen aan Manoah en Maria. En nog meer bijzonder is het als je ze daadwerkelijk allemaal kunt zien. Het laatste horen we bijvoorbeeld over Jakob. Hij ziet de engelen met hun opdrachten heen en weer gaan naar en vanuit de hemelpoort’ (p. 84).[1]

Ik moest toen ik dit las onwillekeurig denken aan het beeld van Armando bij Kamp Amersfoort (foto EvS). In mijn geheugen heet het de Jakobsladder, maar niets is minder waar. Het heet gewoon De Ladder. Als er al engelen omhoog klimmen en neerdalen, dan zijn ze niet te zien zoals in Genesis 28. Het is een veertien meter hoge ladder die symbool staat voor vluchten, troost en vrije gedachten. Die ladder ontstond volgens Armando tijdens de Tweede Wereldoorlog, maar is pas nu zichtbaar voor onze ogen, om Gijsbertsen te parafraseren.

Leden van het voormalig verzet hadden kritiek op De Ladder; het zou het beeld zijn ‘van de passieve toeschouwer’. Als dit terecht zou zijn, dan is er – doorgeredeneerd – sprake van beeld en tegenbeeld: Ladder en Jakobsladder. Zoals Egbert Rooze het heeft over Evangelie en tegenevangelie, i.c. Augustus (of hier: Hitler). En dan is en blijft het een l/Ladder die ons nog steeds veel te zeggen heeft. Als een opdracht (mitswa) om nogmaals Bart Gijsbertsen te citeren.

Ik hoop De Ladder later dit seizoen weer te zien. In de overweging dat de samenhang tussen deze Ladder en de Jakobsladder niet toevallig is. Armando moet er iets van hebben geweten. Als een groot kunstenaar, die dingen verbeeldt waaraan hij zelf misschien niet direct heeft gedacht, maar waarmee hij ons aan het denken zet. En als het even kan tot daden aanzet. Een beetje engelachtig.

[1] Genesis 28: 12 vv.