Matthijs Maris’ Doopgang in Lausanne

Op z’n tijd gaan een of twee boeken die ik al dan niet naast of na elkaar lees, met elkaar in gesprek. Een enkele keer is dat ook een boek en een of meer schilderijen die ik op hetzelfde moment ‘tot mij neem.’ Dat is nu het geval met het boek De moeder aller vragen van Rebecca Solnit (Uitgeverij Podium) dat ik zeer recent las voor Literair Nederland en enkele schilderijen die ik zag op de tentoonstelling Matthijs Maris in het Amsterdamse Rijksmuseum. Dat zit zo.

De moeder aller vragen is de vraag: ‘Heb je eigenlijk ook kinderen?’ Solnit schrijft dat ze deze vraag zelf meermalen moest beantwoorden en in een andere vorm ook kreeg tijdens een lezing over Virginia Woolf: Waarom had Woolf geen kinderen? Een vraag die meestal aan vrouwen wordt gesteld en niet of nauwelijks aan mannen. Wat niet wegneemt dat het me al een paar keer op bordjes bij tentoonstellingen is opgevallen, dat er wordt meegedeeld dat de kunstenaar ongehuwd was.
Ik zou niet zover willen gaan als de docenten van de ISVW-cursus ‘Een andere kijk op Shakespeare’  afgelopen jaar, die stelden dat dit een element van het zondebokmechanisme volgens René Girard is, maar het geeft wel te denken.

Ook de bijschriften vielen op bij genoemde, prachtige expositie over Matthijs Maris (1839-1917), een van de kunstenaarsbroers Jacob, Willem en Matthijs die grotendeels in Parijs en Londen werkte. In de flyer staat bovendien dat hij er een ‘excentrieke levensstijl’ op nahield, dat zijn schilderijen ‘eigenzinnig’ zijn en dat hij er ‘uiteindelijk een kluizenaarsleven in zijn atelier’ op nahield. Ook het woord ‘bohemien’ valt. Maar zijn we daarmee op de hoogte van het innerlijke leven van Maris, dat wat hij juist bij uitstek op het doek zette?

Ik lees nog meer bijschriften. Eerst dat bij Doopgang in Lausanne (ca. 1862, Gemeentemuseum Den Haag, zie afb.), een schilderij van een jonge familie op de trappen van de kathedraal in Lausanne. Moeder draagt de dopeling, de vader loopt er met een klein jongetje naast, en ze worden voorafgegaan door een iets groter meisje dat een dik boek onder de arm heeft, wellicht een bijbel. Dat meisje heeft haar hoofd afgewend, staat er.
Dat laatste is ook het geval bij De spinster (zelfde tijd, zelfde museumcollectie). Hier drukt het weg gedraaide hoofd volgens het bijschrift op twijfel, zoals het op Keukenmeisje (1872, zie afb. rechts) duidt op het in gedachten wegdromen naar een andere wereld.

Alles bij elkaar leg ik er samenvattend iets meer in  – en dat, lees ik op een ander bijschrift, is volgens de kunstenaar toegestaan.  Het zou namelijk net zo goed een combinatie van de genoemde aandachtspunten op die bijschriften kunnen zijn: het meisje met, neem ik voor het gemak aan, de bijbel heeft haar hoofd afgewend omdat ze en/of twijfelt aan haar geloof (die leeftijd heeft ze wel) en/of weg droomt naar een andere wereld. Misschien doet ze het een en laat ze het ander niet na. Of Mesdag een gelovig iemand was, dat kom je op deze tentoonstelling niet te weten, maar het zou zomaar kunnen dat hij zijn eigen gevoelens ook hier, zoals in alle ‘concepties’ aan het doek toevertrouwde: twijfelend én zijn heil zoekend in een andere dimensie, allebei tezamen.
Het wil er bij mij meer in dan dat hij vooral ‘excentriek’ was, ‘eigenzinnig’, ‘kluizenaar’ en ‘bohemien.’ Maar misschien zegt het ook meer over mij dan over Maris. Dat zou ook zomaar kunnen.

Iris van der Graaf – Is nergens ergens?

Is nergens ergens? : verhalen over filosofen en hun ideeën / Iris van der Graaf. – Amsterdam : Uitgeverij
Nieuwezijds, [2017]. – 135 pagina’s : gekleurde illustraties ; 18 cm ISBN 978-90-5712-466-2

Waar komt alles vandaan? Wat is echte vriendschap? Dit soort vragen komt aan bod, hoewel niet helemaal chronologisch, via het oude Griekenland, met de natuurfilosofen, en voorts via Descartes, Kant, Nietzsche, Kierkegaard, Wittgenstein, Arendt, Sartre en De Beauvoir tot Martha Nussbaum. Elk van de eenendertig hoofdstukken wordt afgesloten met een vraag om over door te denken, iets over op te schrijven of thuis of op school over te praten. Onderwerpen die aan bod komen zijn bijvoorbeeld: de zintuiglijke wereld, oneindigheid, schoonheid, verlangen, kunst, liefde, de dood, gender, geloven en niet geloven, taal en emoties. Iris van der Graaf is filosoof, beeldend kunstenaar en illustrator. Haar doel is kinderen te leren nadenken. Via dit handzame boek kunnen volwassenen/leraren met kinderen in gesprek gaan. Helder en toegankelijk geschreven, zonder dat de auteur op de knieën gaat zitten. Vrij aantrekkelijke lay-out met leuke, eenvoudige kleurenillustraties van de schrijver zelf,
en een uitklapkaart met een overzicht van de genoemde filosofen. Breder van insteek,
en zonder dat de auteur een mening ventileert, dan Mag je zeggen wat je vindt? van
Aby en Sander Hartog, dat meer op normen en waarden is gericht. Voor kinderen vanaf
ca. 9 t/m 12 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Zing van het Licht!

Tegen het donker heet een verzamelbundel met liederen van Sytze de Vries, Zing van het Licht! heet een bundeling met liedjes en mini-musical bij de Bijbel van mijn nicht Lida van den Broek-Mater. De insteek – donker en licht – en de doelgroep – volwassenen en kinderen – is anders, maar allebei bieden ze een aanvulling op wat het Liedboek biedt. En gelukkig worden de kinderen bij Van den Broek niet als mini-volwassenen beschouwt, maar zitten er ook lekker dwarse teksten in. Lida schreef ze zelf, net als de muziek erbij.

Neem De gelijkenis van de verontschuldigingen naar Lucas 14:1 of 12:24. Als toelichting schrijft ze erbij: ‘De leidende tekst is “gaat heen in de heggen en steggen en dwingt ze om in te gaan”. Dat is een wat beladen tekst, veel misbruikt. In de NBG staat dan ook: “nodig iedereen met klem uit”. Maar in de grondtekst wordt het woord dwingen gebruikt”. In de liedjes komt het dwingende karakter naar voren. Een beetje wild misschien. Met een beetje fantasie kunnen de kinderen van de kindernevendienst zich uitleven op de gemeenteleden!’

Ik zie het helemaal voor me, met de tekst die ook nog eens voor volwassenen een diepere laag heeft met een kritische ondertoon over mensen die niet hoeven te betalen en daarom geen nee zullen zeggen én een Bijbelse over dat ze geen dure vent willen in een sjieke tent, maar lammen en de blinden. Kinderen voelen zoiets ongetwijfeld feilloos aan. En is het niet direct, omdat het nog boven hun petje gaat, dan valt het kwartje later wel. Op de flaptekst staat dat het ideaal van de maakster is dat ‘groten en kleinen in de kerk hier samen mee aan de gang gaan!’

Lida Mater (1933) kreeg de opvoeding die bij haar past: de Montessorischool en de Volksmuziekschool. Later, na als onderwijzeres en maatschappelijk werkster te hebben gewerkt, volgde ze Conservatorium A en gaf muziekles op de basisschool, de muziekschool en bij het Speciaal Onderwijs. Ze leidde een kinderkoor, een jongerenkoor en, kerkelijk betrokken als ze is, diverse cantorijen. Op oudere leeftijd volgde ze HBO-theologie A.
In het kader van de laatste opleiding schreef ze Leven aan het Licht (Kok Kampen, 1994).

Het onlangs uitgegeven boekje wens ik in handen van veel kindercantorijen, in de kindernevendienst en op basisscholen.

Lida van den Broek-Mater – Zing van het Licht! Lecturium Uitgeverij, 2017.

Idealen – Jozef en zijn broers (IV)

Ter voorbereiding op – en inmiddels: tijdens – de cursus Thomas Mann: Jozef en zijn broers ben ik begonnen deze vierdelige romancyclus te lezen. Gelukkig bestaat er van dit magnum opus van 1328 pagina’s, geschreven tussen 1933-1943, inmiddels een Nederlandse vertaling van Thijs Pollmann. ‘Het is een project’ om dit te lezen, zoals degene zei die mij in 2006 op het spoor van de Duitse grootmeester zette; het jaar waarin ik maar meteen Manns woning in Lübeck bezocht. Telkens wanneer ik een deel uit de cyclus uit heb, zal ik in een blog één element eruit weergeven dat mij in het bijzonder heeft geraakt. Hierbij de vierde en laatste, naar aanleiding van Jozef de voorziener.

Ik lees: ‘Wat zit je nu in zak en as – als ik me mag bedienen van jullie aan het armzalige Syrisch ontleende manier van spreken, die wij zonder nadenken van je hebben overgenomen – bij Chonsu, we zullen voortaan niets meer van je overnemen, geen hond zal van jou nog een stuk brood aanpakken, zoals je daar ligt! En waarom? Allemaal lichtzinnigheid en ontucht. De grote meneer spelen, hè, in zo’n huis! (…) Nou, nu heb je behoorlijk over je eigen voeten gemorst, zodat ze stijf staan en plakkerig zullen worden – lieve help! Ik wist toch dat je op den duur het dienblad niet meer kon houden. En waarom kon je dat niet? Omdat je een barbaar bent! Omdat je niet meer dan een zandhaas bent met je bandeloosheid van het ellendige Zahi, zonder enig gevoel voor verhoudingen, zonder de levenswijsheid van het land van de mensen.’ (p. 952).

Dit vierde deel van de romancyclus werd in 1943 gedrukt, midden in de Tweede Wereldoorlog. Het is duidelijk dat de auteur ernaar verwijst: de verwijzing naar Marcus 7, waarin sprake is van honden die onder de tafel de kruimels opeten die de kinderen hebben laten vallen. Ik heb het wel eens horen uitleggen als: de honden zijn de heidenen, de kinderen staan voor Israël en de kruimels brood zijn inclusief voor Israël en de wereld. De Syro-Fenicische had begrepen, wat de discipelen in dit verhaal niet door hadden.
En dat wordt dan middel in de Tweede Wereldoorlog, met zijn vreemdelingen- en jodenhaat geschreven. Als een aanklacht.

Ook nu heeft het gedeelte van deze vierde blog ons nog steeds veel te zeggen. Niet alleen vanuit de huidige politiek, waarin het populisme (weer) haast Salonfähig lijkt te zijn geworden met Thierry Baudet die zich het had over ‘homeopatische verdunning’ toen hij het over vermenging met andere volken had. Maar ook uitlatingen over ‘drank en vrouwen’ door Jeroen Dijsselbloem doen denken aan de ‘lichtzinnigheid en ontucht’ waar Thomas Mann het over heeft.

Maar er zijn ook mensen die hier in daad en woord dwars tegenin durven te gaan. Ik denk aan Johan Simons (zie foto rechts), die aanstaande zondag aan het woord komt in de laatste uitzending van de serie Made in Europe (NPO 2 en Canvas, 20.15-21.05 uur). Door – zoals in een interview met hem door Ilse van der Velden in de VPRO Gids van komende week – ‘acteurs zoals Pierre Bokma mee te nemen naar het buitenland’, waardoor hij ‘voor een kruisbestuiving tussen het Nederlandse, Vlaamse en Duitse toneelwezen’ zorgt.

Volgens Simons kom je ‘samen tot een hoger niveau. Maar het is pas echt helemaal goed als Hamlet wordt gespeeld door een Chinees, zijn moeder door een Duitse en zijn vader door een Canadees.’ Op het slot van het interview komt ook – hoe kan het haast anders – Thomas Mann ter sprake. Gerard Mortier wilde destijds De Toverberg ‘als een soort basismateriaal gebruiken, omdat het ten grondslag ligt aan de Europese gedachte. Die wordt daarin op een heel heldere manier geformuleerd. Dat Thomas Mann in zo’n vroeg stadium al het Europese denken heeft weten te verwoorden, ongelooflijk.’
Ik weet wel waarom ik op die prachtige HOVO-cursus intekende! Als tegenwicht tegen alle Jeroen Dijsselbloemen en Thierry Baudets. In de geest van alle Johan Simonsen en Pierre Bokma’s. Made in Europe. Jawel. En zelfs meer dan dat.

Licht en leven

Dank zij de Poëzieweek 2017, en alle publiciteit daaromheen, kwam ik op het spoor van de indrukwekkende debuutbundel Leger van Mieke van Zonneveld. Eerder had zij al de Turingprijs in de wacht gesleept met haar gedicht ‘Nee’, dat ook in de bundel is opgenomen.
Het is een bundel die heen-en-weer beweegt tussen leven en dood, ziekte en gezondheid, hemel en aarde, met mooie Bijbelse beelden en tal van verwijzingen naar literatuur en muziek.

 

 

Het langste gedicht heet ‘Exodus’. Op internet valt het al te vinden: https://books.google.nl/books?id=mRrgDQAAQBAJ&pg=PT27&lpg=PT27&dq=de+bomen+hangen+over+ons+met+ogen+van+Zonneveld&source=bl&ots=5EIMfizc7X&sig=5oHpeUQWEvxddR7RzN7ZsdeA3nI&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjYvePrqo_SAhXDLcAKHXgwBgAQ6AEIHDAA#v=onepage&q=de%20bomen%20hangen%20over%20ons%20met%20ogen%20van%20Zonneveld&f=false

Ik volg het gedicht op de voet en probeer eruit te halen wat er misschien in zit.
De titel moge duidelijk zijn: de uittocht, uit Egypte naar het beloofde land, uit het rijk van de dood naar het levende water. Het eerste beeld gaat over mee treurende bomen, ‘met ogen / in hun takken.’ De bomen waaraan de Israëlieten tijdens de ballingschap in Babylonië hun lieren hingen (Psalm 139:2). De ik-figuur in het gedicht ‘ging onder hun blik / gebogen, slofte in de sporen van jouw / zingen zonder woorden.’ Een nigun, een lied zonder woorden, als geneuried en gefloten door de Rattenvanger van Hamelen, die eerst ratten en toen kinderen de dood in lokte.

In het tweede couplet droomt de dode ik-figuur dat zij hangt ‘aan de klanken / die de bosgeest ons verbood.’ Die bosgeest zou kunnen verwijzen naar de Silene Marsyas, een fluit spelende collega van de Rattenvanger.

In het derde couplet is sprake van een doodstraf, en wederom van ogen, die nu overlopen van het beeld ‘van de velden in de verte / engelen in het lentelicht!’ Je ziet een beeld van Elyzeese velden voor je en je hoort in de verte weer een andere fluit: die uit Glucks opera ‘Orfeo ed Euridice.’ Maar de toegang is gesloten, het beloofde land kan wel worden gezien, maar niet betreden.

Het volgende couplet herneemt het beeld uit de Psalmen van de lier die aan de wilgen wordt gehangen, en loopt over in dat van de lier van Orpheus die ‘zucht / om lang geleden liefde / die werd uitgeblust.’ Er zijn kosmische klanken die ‘boven mensenzang verheven / licht en leven is ons woordeloos / gegeven’, zoals eerder de nigun als associatie opkwam, het Lied ohne Worte.

Het laatste couplet gaat over ‘willen liefhebben in alle talen en dat / duizendmaal herhalen.’ In woorden, in muziek. De stem van de hij-persoon in het gedicht wordt herkend als een god, ‘maar menselijk wordt nu zijn stem.’ Het is Hymeneus, de god van het huwelijk. En van de hymnen. ‘O Hymneus hoor / zijn lied.’

Op een razend knappe manier neemt het kosmische besef uit dit lange gedicht een wereldlijke wending. Wat een ontdekking: Mieke van Zonneveld! Een naam om in de gaten te houden, wis en waarachtig.

En toen kwam Annika – Kasper van Royen

Van Royen_En toen kwam AnnikaEn toen kwam Annika : filosoof wordt vader / Kasper van Royen. – Amsterdam : Nijgh & Van Ditmar, [2016]. – 239 pagina’s ; 21 cm ISBN 978-90-388-0178-0

Wie uitgaande van de ondertitel een al dan niet wat zware verhandeling over vaderschap verwacht, komt bij het lezen van dit boek bedrogen uit c.q. zal verrast zijn door de luchtige toon ervan. Kasper van Royen is weliswaar oud-filosofiedocent aan een middelbare school en geeft nu als zzp-er onder meer cursussen in de avonduren en schrijft over filosofie, maar de meest filosofisch getinte uitspraken komen niet van hem, maar van dochter Annika. De sfeer van de hoofdstukken doet denken aan de columns die diverse docenten, zoals Gerwin van der Werf en Bert Ongering schreven of schrijven in het dagblad Trouw. Het zijn luchtige bespiegelingen van een onhandige opvoeder die zichzelf niet al te serieus neemt, stuk voor stuk kleinoden. Ook mensen die geen kinderen hebben, zullen de stukjes, die vaak op de lachspieren werken, zeker kunnen waarderen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.