Veerle Janssens – Vrouw aan de piano

Vrouw aan de piano : een jaar met Fanny Mendelssohn, Clara Schumann en andere vergeten componistes / Veerle Janssens. – Antwerpen : Uitgeverij Vrijdag, [2018]. – 366 pagina’s ; 23 cm
ISBN 978-94-600-
1643-1

De Vlaamse redactrice, docente journalistiek en amateurpianiste Veerle Janssens besluit op haar vijftigste verjaardag zich een jaar lang louter aan vrouwelijke componisten te wijden. Ze schrijft erover in algemene zin (over mannelijk en vrouwelijk) en in specifieke zin, over componistes die zij tijdens haar zoektocht tegenkwam: Fanny Mendelssohn, Clara Schumann, Cécile Chaminade, Annelies Van
Parys en vele anderen. Met kleine uitstapjes naar bijvoorbeeld de gevierde dirigente Marin Alsop. Janssens verweeft deze wederwaardigheden met het persoonlijke verhaal van een burn-out, al zouden beide meer op elkaar betrokken hebben kunnen worden. Gezien het feit dat dit boek door een pianiste is geschreven, ontbreekt oude(re) muziek voor andere toetsinstrumenten. Aan een Nederlandse componiste als Henriette Bosmans is zij gedurende haar jaar durende zoektocht helaas niet meer toegekomen. Begeleidende website, met luistervoorbeelden, literatuuroverzicht en achtergrondinformatie.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Met ziel en zaligheid

Vandaag verschijnt een nieuw boek van Kick Bras, over de spiritualiteit van de theoloog Dietrich Bonhoeffer over wie ik hier al eerder blogde.
Minder bekend is dat Bonhoeffer ook veel van muziek hield én er veel over wist. T.g.v. het verschijnen van Bras’ boek, blog ik nu over het laatste: Bonhoeffer en muziek.

Dietrich Bonhoeffer schreef tijdens de Tweede Wereldoorlog uit zijn cel in Berlijn-Tegel aan zijn vriend Eberhard Bethge en diens vrouw Renate over de muziek ‘zoals je ouders ze beleven en beoefenen.’ En die, schrijft hij, ‘bij droefheid de grondtoon van vreugde in je levend houden.’

Ik moet hierbij niet alleen denken aan een kenner van Bonhoeffer die het maar dwaas vindt dat ik me hierdoor laat leiden, tenslotte is Bonhoeffer geen musicoloog maar theoloog (het zal wat, denk ik dan), maar vooral aan een verhaal van Thomas Mann, van wiens werk ook Bonhoeffer hield: Der bajazzo. Over een ik-figuur die in het schemerlicht naar zijn moeder kijkt, die een Nocturne van Chopin inzet, langzaam, om de melancholie van elk akkoord ten volle te kunnen genieten. De piano was oud, en had geen volle klank meer, maar door het indrukken van het pedaal werden de hoge tonen versluierd, zodat ze een mat zilveren klank kregen. Zoals een barokviool kan klinken. En daar hield ook Bonhoeffer van, – van oude instrumenten en hun klank.

De ik-persoon bij Mann deed hetzelfde als ik toen ik klein was: graag van alles op de piano uitproberen. Samenklank zus, samenklank zo. Mooi, niet mooi. Alleen vond onze benedenbuurman, die tevens de huisbaas was, dat minder aangenaam. De piano werd ingeruild voor een mooi audiomeubel dat ik nog zo voor me zie en kan ruiken.hoop
Tot de grammofoonplaten die mijn ouders aanschaften, behoorde een opname van de Nocturnes van Chopin die me toen, als kind, niet zoveel zeiden. Tot ik tijdens de periode van Solidarność en Lech Wałęsa, voor 1989, op een zaterdagmorgen een stuk van Chopin op de radio hoorde, gespeeld door een Poolse pianiste. Het liet een onuitwisbare indruk na. Niet omdat het nationalistisch zou zijn, maar omdat zij de droefheid vermengde met vreugde en lardeerde met hoop op een betere toekomst. Chopins muziek was voor mij niet langer veredelde salonmuziek, maar een vorm van verzet geworden.

Voor de pianiste, wier naam ik jammer genoeg ben vergeten, was de Nocturne hetzelfde als voor mevrouw Aal, de pianodocente van dichter Karel Kramer, Chopins Fantasie in f:

het is niet moeilijk, zei ze, luister even
ik was gekomen in mijn puberteit
ik wilde alle disposities geven
mijn stuk, zei ze, mijn ziel en zaligheid.

(In: Invocatie. Sonnetten. Uitg. de Brouwerij Maassluis, 2009).

Christina Viola Oorebeek

In de maand mei a.s. geven Patricia Werner Leanse en ik een drie avonden omvattende cursus aan de Amsterdamse Volksuniversiteit: http://www.volksuniversiteitamsterdam.nl/cursussen.php?parent_id=4565&child_id=4570&course_id=9897
De derde avond gaat het voor de pauze over Christina Viola Oorebeek, en na de pauze over Willem Jeths, over wie ik op deze blog al eerder schreef. De avond start met een inleiding en een videoportret van Oorebeek door Patricia Werner Leanse:
https://vimeo.com/34600220 Daarna neem ik het over en vertel iets over Oorebeek en laat enkele muziekvoorbeelden horen.
In het kader hiervan neem ik hier iets aangepast een gedeelte over van een artikel dat ik in 2002 over haar schreef (in:
Mens en melodie, 1/8 2002, p. 19-22).

In de keuze van haar docenten voor het vak compositie, een bezigheid die haar eigenlijk lijkt toe te vallen en door de componiste wordt ervaren als een draad die ze verder wil uitspinnen, lijken de eens door de Deense filosoof Kierkegaard omschreven stadia esthetiek – ethiek – religie/levensvisie te bespeuren. Ze begon, na improvisaties op piano en gitaar in jazz, blues en popmuziek, en frustraties in het dansonderwijs en lesgeven, rond 1990 met privélessen bij Jeff Hamburg en Ron Ford, allebei ook van Amerikaanse komaf. Ze studeerde instrumentatie bij Theo Verbey, een estheet pur sang, en van 1994-1999 aan het Conservatorium Rotterdam compositie bij Klaas de Vries en Peter-Jan Wagemans.

Volgens Bernard Delfgauw is het niet zo ‘dat men geleidelijk van het ene stadium in het andere komt’, maar dat dit sprongsgewijs gaat. Maar hij was terecht al zo bescheiden om te zeggen ‘nog steeds de indruk’ te hebben ‘hem [Kierkegaard, EvS] niet helemaal’ te begrijpen.[1] Wie namelijk Kierkegaard goed leest, komt er mijns inziens – wat minder bescheiden – achter dat de voorafgaande sfeer niet wordt verlaten, maar langzaam in de volgende over gaat. Kierkegaard heeft het dan ook over ‘opneming’ in plaats van ‘opheffing.’ Voorbeelden in dit verband zijn Oorebeeks Tremors and Quakes, waarin de natuur een andere rol speelt als in het in haar studententijd geschreven Ripple Volts voor saxofoonkwartet en het twee jaar later ontstane Fulgura Frang, voor trompettist André Heuvelman en het Doelenensemble.

In laatstgenoemde compositie is de aandacht voor (esthetische) klankkleuren nooit ver weg. Deze aandacht voor klankkleur kan misschien worden verklaard uit de achtergrond van de componiste in de popmuziek, waar het aspect klank altijd nadrukkelijk aanwezig is. Het is overigens kenmerkend dat de componiste meent dat zij haar muzikale ontwikkeling op dit punt nog verder wil voortzetten. ‘Ik heb steeds het gevoel dat mijn “innerlijke klankvoorstelling” verder reikt dan ik op kan schrijven’, zegt zij.

Een mooi bewijs voor de inmiddels ontstane eenheid is het statement dat Christina Viola Oorebeek opnam in haar biografische notitie in de componistendocumentatie van Donemus: ‘De componiste streeft er in haar werk naar de muzikale invloeden uit haar verleden te integreren met haar klankidealen van nú.’ Tijdens de avond van de Volksuniversiteit gaan we kijken en luisteren hoe zich dat heeft ontwikkeld.

 

[1] B. Delfgauw, Kierkegaard, waarheid en menselijkheid. Kampen, 1995, 14 e.v..

Drieluik op zondag (II)

1.
In een andere blog, op een andere website wees ik al eerder op een mooi boek dat ik op het moment van schrijven wilde gaan lezen en nu ook daadwerkelijk mondjesmaat lees: Camus. De filosoof en de romancier van de Vlaamse filosoof Maurice Weyembergh (https://www.literairnederland.nl/het-eindejaarslijstje-2017-van-els-van-swollijstje-van-els-van-swol/). Vanmorgen was in alle vroegte het tweede hoofdstuk aan de beurt: ‘De mens die zichzelf schept en tot mythe maakt in De mythe van Sisyphus.’

Daarin citeert Weyembergh Camus (zie foto): ‘Hoe moeilijk het ook is, ik zou nooit ontrouw willen zijn, noch aan de schoonheid, noch aan de vernederden.’  Het zijn volgens hem twee polen die ‘elkaars tegengestelden zijn én elkaar aanvullen.’ De mens moet volgens Camus in de woorden van Weyembergh ‘zijn eigen lotsbestemming ter hand nemen door zijn eigen verhalen te vertellen, door zijn eigen mythen te bedenken.’ Camus stond een wereld voor ‘die verdriet en wreedheid zoveel mogelijk uitbant, sociale gerechtigheid realiseert, en tegelijkertijd het individu maximale vrijheid laat zichzelf te scheppen.’ Het is volgens hem zinloos om de spanningen tussen het een het ander, tussen licht en donker, tussen schoonheid en de vernederden ‘te willen verminderen door ze in een synthese te dwingen.’ Het gaat om een ‘dialectiek zonder synthese’, om ‘aanvaarden en verwerpen.’ En zo ontstaat er volgens hem ‘op den duur dan iets waarvoor het op deze aarde de moeite loont te leven, iets zoals bijvoorbeeld deugd, kunst, muziek, dans, rede, geest, iets dat tot een metamorfose leidt, iets verfijnds, iets krankzinnigs, iets goddelijks.’ Op die manier herhaalt en imiteert de mens op zijn best de schepping van God.  ‘In zo’n mate dat niemand verschil ziet tussen de danser en de dans.’

2.
Een uurtje of wat later bevond ik mij in het gehoor van de Vrije Gemeente in Splendor, bij een lezing van Katja Rodenburg (zie foto) over het thema ‘Duende – licht en donker, zon en maan.’ Over haar schreef ik al eerder hier een blog.
Ook zij had het over ‘kunst, muziek, dans, rede, geest’ en over een flamencozanger die dertig van de veertig keer niet dát gaf wat je zou willen. En de tien keer dat hij het wél deed, was het alsof hij niet zelf zong, alsof – om met Camus te spreken – niemand meer het verschil hoorde tussen de zanger en het gezang. Een gezang waarin eeuwen her meezongen, dat door het donker heen tot het licht was gekomen. Zoals de filosofie van Juan de la Cruz (Johannes van het Kruis), over wie ik ook al eerder een blog schreef. Misschien was de zang niet mooi in de zin van de esthetica, maar gewoon – denk ik verder – maar ‘waar’ of ‘waarachtig’ in de zin van Camus: één moment van balans waarin recht werd gedaan aan zowel de schoonheid als de vernederden die de flamenco in Cadiz, aan de rafelranden van het bestaan, bezingt. Een dialectiek van aanvaarding én verwerping, waarin het leven zelf (met Nietzsche) een kunstwerk is geworden.

3.
Even later bezocht ik een straat verder het eerste deel van de dubbeltentoonstelling over Ferdinand Bol en Govert Flinck, twee meesterleerlingen van Rembrandt. In het Rembrandthuis (nog t/m 18 februari a.s., zie affiche). Het tweede deel, dat ik al eerder zag, valt te zien in het Amsterdam Museum.
Op deze tentoonstelling wordt duidelijk wat Katja Rodenburg, en pianist Maurice van Schoonhoven ook al benadrukten: duende vind je niet alleen in de flamencodans en –zang, maar in alle kunstvormen. Schoonhoven demonstreerde dit in enkele rake – en prachtig gespeelde – keuzes, met om te beginnen twee etudes op. 25 van Frédéric Chopin, halverwege in onder meer met de Prelude op. 32 nr. 12 van Rachmaninoff en tenslotte met twee etudes (op. 2 nr. 1 en op. 8 nr. 12) van Skrjabin.

Maar ook al kijkend naar met name een tafereel, van respectievelijk Rembrandt en Ferdinand Bol, probeerde ik iets van duende terug te vinden: Tobias en de engel, een verhaal dat in de deuterocanonieke of apocriefe boeken kan worden teruggevonden. Een verhaal (en gaat het volgens Camus niet om het vertellen van verhalen, om wat Bergson volgens Weyembergh ‘de fabulerende functie’ noemt?) over Tobit en Tobias.
Tobit, oud en blind, heeft in het verleden een kleine schat achtergelaten bij iemand in Medië, en stuurt zijn zoon Tobias op pad om die op te halen. Op zijn reis ontmoet Tobias aartsengel Rafaël, die hij echter niet herkent. Rafaël helpt Tobias om de schat naar zijn vaders huis terug te brengen. Bovendien geneest Tobias, met de gal van een vis die hij samen met Rafaël heeft gevangen, zijn vaders blindheid. Een deel van de schat wordt als aalmoezen weggegeven.
Ik herkende in dit schilderij verschillende (verhalende en beeldende) elementen van de duende: het verleden (de oude man, de achtergelaten schat) speelt er altijd in mee, het licht (het weer kunnen zien van Tobit) komt dóór het donker (de blindheid) heen, je moet altijd blijven zoeken naar ‘het’ moment (de schat die achtergelaten is), de vernederden (in de woorden van Camus) worden bij het verhaal betrokken en krijgen aalmoezen.

Misschien is het de engel op beide schilderijen die symbool voor de duende staat: bij Bol daalt hij uit het donker neer, als de inspiratie voor een kunstenaar (wat we allemaal zijn: levenskunstenaar), bij Rembrandt stijgt hij op (zie afb.), om weer nieuwe inspiratie te halen. Als een doorgaand proces, wat leven heet. Want volgens Camus ‘gaat het uiteindelijk om één ding, “z’n taak mens te zijn” uitoefenen.’ Ik zou haast zeggen: Mensch te zijn – uit één stuk, niet als een synthese maar dialectisch. Licht en donker. Schokkend, zei één van de mensen die de lezing van Rodenburg bijwoonde.

Een mooi verbond, een mooi verband

De afgelopen tijd had ik gelukkig de gelegenheid om al met zijn orkestmuziek kennis te maken, en gisteren kreeg ik als bezoeker van November Music 2017 ruimschoots de gelegenheid daar gedurende de uitverkochte Fiumarathon zijn kamermuziek aan toe te voegen, oude en nieuwe stukken gedurende vijf concerten in de Willem Twee concertzaal van ’s-Hertogenbosch.
In deze blog beperk ik me daartoe (wat heet: beperk …), in de wetenschap dat ik andere geweldige composities die er omheen werden uitgevoerd daarmee geen recht doe. Met pijn in het hart, want er waren geweldige stukken bij.

Neem alleen al Raw rocks van Aspasia Nasapoulou, uitgevoerd door pianist Ralph van Raat, of Narcolepsie voor gitaar van Aart Strootman, door hemzelf gespeeld. Ik troost me in de wetenschap dat de lezer van deze blog  kans om Aart Strootman zelf een keer te horen krijgt op bijvoorbeeld 30 november a.s., wanneer hij het nieuwe seizoen van Gaudeamus aftrapt met een concert in KuuB in Utrecht. En het strijkkwartet Withorwithout van Mayke Nas dat ook ging, gaat ook tijdens de Strijkkwartet Biënnale Amsterdam, op 3 februari door het Cuypers Kwartet. Voor degenen die Fiumara’s muziek een warm hart toedragen, komt er overigens – begreep ik – volgend jaar ook, in Amsterdam, een herkansing, t.g.v. zijn 50ste verjaardag. En ik ben – om de conclusie maar meteen weg te geven – helemaal verkocht. Eerst door de orkestmuziek, nu ook door zijn kamermuziek.

Terug naar Den Bosch dus, waar de marathon begon met zijn laatste, tweede strijkkwartet, Silver (2017), en eindigde met zijn eerste, I dreamed in the cities at night (2014).
In het eerste werk hoor je Fiumara’s muziek ten voeten uit: een samenballing van renaissance, barok, pop en minimal music. Soms leek het alsof het derde Brandenburgse concert van Bach voorbij kwam, of Vivaldi’s Vier jaargetijden, dan weer was het een John Adamsachtige stijl die de aandacht vroeg. Op een gegeven moment wenste ik dat een schrijver als Bart Stouten op zou staan, die zoals Stouten de Chaconne van Bach tot uitgangspunt van een literair essay nam (Over Bach) dit zou doen met het tweede deel van Silver.
Het verschil met I dreamed in the cities at night lag erin, dat het repetitieve karakter hier vormbepalend werkte, en bij Silver meer een middel vormde om je de klankweefsels en –vlakken in te trekken, als bij een schilderij van Rothko.

Een andere rode draad in het werk van Fiumara ligt volgens Joep Chirstenhusz in een mooi boekje dat t.g.v. November Music 2017 verscheen, What you hear is what you hear, in de buitenkant van zijn muziek, ‘in de lichamelijke ervaring van de sound zonder meer, of wat Fiumara “de huid van de klank” noemt.’
Je mag dit zeer fysiek opvatten, hoorden wij uit de mond van korte inleidingen op enkele van de gespeelde werken door gitarist Aart Strootman en saxofonist Tom Sanderman; voor beide musici schreef Fiumara een werk voor hun eindexamen aan het conservatorium.
Strootman speelde onder meer For Aart Strootman (2010). Een vinger brekend werk, dat mij net als The river beneath us (2015) dat Sanderman speelde deed denken aan de virtuoze solofantasieën voor blokfluit van Telemann: virtuoos, soms quasi meerstemmig net als Telemann maar voor alles van een diepgang die beroert.

Dit laatste gaat tenslotte op voor Counting Eskimo words for snow, een eigen bewerking die Fiumara voor piano en band maakte van een werk voor soundscape, een compositie uit 2008. Een prachtig sensitief werk waarin ook renaissancemuziek, minimal music en popmuziek een verbond met elkaar aangaan. Dat ze dit maar vaak mogen doen! Ik zie nu al uit naar 2018, waarin t.g.v. zijn 50ste verjaardag meer van hem te horen zal zijn.

Foto: Roger Cremers

De clown van …

Tijdens het Holland Festival bracht de Singaporese pianiste Margaret Leng Tan de cyclus Metamorphoses Book I voor versterkte piano, speelgoedpiano, klein slagwerk en stem van de 87-jarige George Crumb in première. En voor clownsneus, want die droeg ze tijdens een van de delen uit de zeg maar Schilderijen van een tentoonstelling: ‘Clowns in de nacht’ van Marc Chagall (privécollectie, zie afb.).
Ik weet niet of de componist dit voorschreef of dat het een idee was van de pianiste, maar deze ‘opleuking’ was niet alleen onnodig maar deed Chagalls schilderij ook geen recht. Maar het bracht me wel op een idee.

Chagall heeft zelf het volgende over clowns geschreven: ‘Ik heb clowns, acrobaten en toneelspelers altijd als tragische wezens beschouwd, die voor mij overeenkomsten hebben met bepaalde personages op religieuze schilderijen. Zelfs nu nog komen bij het schilderen van een kruisiging of een ander religieus thema dezelfde gewaarwordingen in mij op als wanneer ik circusvolk schilder. En dat terwijl er aan deze schilderijen niet literairs kleeft – het is heel moeilijk te verklaren waarom ik tussen deze twee zo verschillende thema’s een psychoplastische overeenkomst voel.’

Deze overeenkomst doet mij opeens heel anders kijken naar de clown in de schitterende roman (eigenlijk is het een novelle) De tuinen van de herinnering van Michel Quint (zie afb.), een clown met ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ voor alles wat er om hem heen gedurende de Tweede Wereldoorlog gebeurde. De clown probeert, zoals de clown van Aleppo die in december op 24-jarige leeftijd werd gedood toen een Syrische of Russische raket insloeg, het leven te veraangenamen. Of het ze lukte, die clowns van Chagall, Quint en in Aleppo, te midden van de nacht?

Toen de clown van Quint was overleden, zei zijn zoontje: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al diegenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt pogen te wekken. Ik zal proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid …!’

Opeens schoof het beeld van een van Chagalls gekruisigde Jezusfiguren over dat van de clown van Quint. En de opdracht om Hem na te volgen. Met dank aan George Crumb en/of Margaret Leng Tan.

Senkrecht von oben

meteorietenmarinusboezem2016photorobert-glas2

… In elke letter
zit een nieuw heelal
(Ester Naomi Perquin)

1.
’s Ochtends hoor ik in een preek in de Amsterdamse Oude Kerk, door ds. Jessa van der Vaart, over het omslag van de folder die de Nexus-conferentie 2016 aankondigde. Daarop staat een foto van een pianist die tussen de puinhopen in Syrië zit te spelen. De vernietigingen daar en elders zijn geen aankondiging van het laatste der dagen, maar de pianist zit in, te midden van het geweld, en doet er inbreuk op. Zoals bidden dat kan doen, maar dan op de manier zoals die op wandschilderingen in catacomben in het oude Rome werd afgebeeld: met het hoofd ten hemel gericht, en zowel de handen als de ogen open, ontvangend.
En dat te midden van de tentoonstelling met werk van Marinus Boezem dat momenteel in de Oude Kerk wordt tentoongesteld. Alsof meteorieten dwars door het dak naar binnen zijn geslagen en als spiegels op de grond uiteen zijn gevallen (zie foto Robert Glas).[1]

2.
’s Middags bezoek ik de performance A prayer door Snejanka Mihaylova en Lisa Holmqvist in het kader van Amsterdam Art in de Amsterdamse Thomaskerk (curator: Dorothé Orczyk). Een gebed zoals wij nu gewend zijn te bidden: ingetogen, de ogen geneigd, in stilte. De kunstenares Mihaylova spreekt een gebed uit, en geïnspireerd op het Holy Book of the Great invisible spirit oftewel het Koptische evangelie van de Egyptenaren. Er zijn alleen klinkers uit overgebleven. Langzaam klinken ze door de ruimte, waarbij de uitvoerenden onder de koepel in het dak tegenover elkaar zitten. In de nieuwe spirituele muziek van Lisa Holmqvist weerklinken de klinkers ook, van de hoge a (in de sopraan) tot de lage e (in de bas). Gezongen door drie vrouwen en drie mannen en met één dwarsfluit (in plaats van de origineel twee (blok?)fluiten die volgens de partituur zijn voorgeschreven). De componist, die tevens dirigeert, houdt haar handen open naar boven gericht op de manier zoals we, sinds ik vanmorgen weet, uit de catacomben in Rome kennen. Op z’n tijd de losse letters tot woorden aaneen te rijgen; transformation, transliteration. In trance ook.
De morgen en de middag gaan een gesprek met elkaar aan.

3.
En dat gaat ’s avonds nog zo even door. Thuisgekomen lees ik in NRC Boeken, die iemand in de kerk altijd voor me meeneemt, een recensie van Toef Jaeger van het boek Het valse seizoen van Christiaan Weijts (NRC Boeken, 25 november 2016).
Het begint met een beschrijving van een vrouw die altviool speelt, daags na de aanslagen op de redactie van Charlie Hebdo, terwijl een duif neerstrijkt op de krul van het instrument. Weijts vraagt zich volgens Jaeger af of die viool troost biedt of weerstand oproept, kunst is of kitsch. Volgens Jaeger komt Weijts uit op ‘het idee van interventie, al dan niet maatschappelijk, als voorwaarde voor kunst.’ Inbreuk doen in de werkelijkheid, al wil volgens haar de vrouwelijke hoofdpersoon uit Weijts’ boek aan de puinhopen betekenis geven.
Die betekenis wilde Jessa van der Vaart, als ik haar goed heb begrepen, niet in het spel van de pianist in Syrië leggen. Doodeenvoudig omdat die betekenis er niet is. En inbreuk doen, Senkrecht von oben zoals de spiegels van Boezem, des te meer.
Bidden – met de ogen open, om die gebroken spiegels, de gebroken wereld heel helpen te maken. Dat misschien?

[1] Recensie: http://8weekly.nl/recensie/kathedraal-van-de-verbeelding/

marinus boezem

 

De Matthäus Missie van Reinbert de Leeuw

ripolin-mannetjes

En weer kom ik aanzetten met de Ripolin mannetjes. Het eerste mannetje verbeeldt in deze blog de Matthäus Passion van Joh. Seb. Bach, de tweede dirigent Reinbert de Leeuw en de derde de bezoekers van zowel de uitvoering van Bachs Matthäus onder diens leiding in de Amsterdamse Nieuwe Kerk als de bezoekers van de film die naar aanleiding hiervan werd gemaakt door Cherry Duyns: De Matthäus Missie (link onderaan).

De Matthäus is groots. Zó groot dat Frans Brüggen hem volgens zijn vriend Reinbert de Leeuw tijdens zijn leven slechts één keer heeft gedirigeerd. Ook De Leeuw zelf is nog nooit op het idee gekomen zich eraan te wagen, nog los van het feit dat hij – zoals Duyns opmerkt – meest muziek van levende componisten over het voetlicht brengt. Maar een telefoontje van de leiding van het barokorkest Holland Baroque trok hem over de streep. ‘Of ze eens mochten komen praten.’ Maar dan wél in de Nieuwe Kerk, en niet in het Concertgebouw.

De film begint met een shot waarin De Leeuw achter de piano gezeten een stukje uit Bachs meesterwerk speelt. Traag, soms zoekend. De camera zit hem op z’n handen – je ziet een versleten overhemd, zoals je later een versleten jasje ziet. Daar gaat het de musicus duidelijk niet om. De partituur, – die is heilig. Hij bijt zich er helemaal in vast. Met behulp van de visie van Kees van Houten, die Erbarme dich ziet als het middelpunt van de passie, het punt waarop de kruisbalken elkaar kruisen. Je kunt er een vraagteken bij zetten, maar ook dáár gaat het niet om.

Wie de repetities op het scherm volgt, ziet dat De Leeuw onvoorwaardelijk in zijn visie gelooft. Op dat moment is er geen ruimte voor een andere. De musici uit het orkest moeten opeens niet meer aan de slof strijken, zoals ze een week ervoor nog onder een andere dirigent werden geacht te doen, maar zoals een zanger zingt. Geen lettergrepen, maar onder één boog en zonder vertragingen aan het eind van een zin. Wanneer de concertmeester in Erbarme dich ‘buikt’ zoals ze dat uit de authentieke uitvoeringspraktijk gewend is, zegt De Leeuw dat hij het prachtig vindt. ‘Dus dat mag?’ vraagt ze zich een beetje verbaasd af.

De conclusie wordt getrokken dat we jaren door de authentieke uitvoeringspraktijk zijn gepokt en gemazeld, als musici en als luisteraars. Het was een standaard geworden, en we zijn er zonder meer enorm door verrijkt. Maar het werd voor sommigen soms ook een beetje een keurslijf. De Leeuw is erdoor beïnvloed, dat is duidelijk, maar staat er ook boven. Zijn opvatting is, zoals één van de musici zegt, een retorische. Soms een beetje te langzaam, wanneer de solo-alt naar lucht staat te happen en zegt dat het zo écht niet kan; ze gaat dood op die manier. De dirigent geeft toe. Een zeldzaamheid, dat moet hij zelf ook erkennen.

De musici ervaren zijn manier van werken als een ‘aardbeving’, de repetitor van het Roder Jongenskoor vraagt extra attent te zijn op de niet altijd duidelijke slag van de dirigent. En een lid van het Nederlands Kamerkoor zegt tijdens de koralen tot tranen toe geroerd te zijn. Dat is hem in geen jaren overkomen.
Het overkwam mij ook bij het zien van de film. Weer zo’n geweldige film van Cherry Duyns, die iedere muziekliefhebber zou moeten zien. Omdat de boodschap van de Matthäus (volgens De Leeuw een oproep tot humaniteit) samenvalt met de broosheid van de dirigent en een beroep doet op de empathie van uitvoerenden én luisteraars. De Ripolin mannetjes in optima forma.

http://www.nederlandskamerkoor.nl/concertenreeks/matthaus-passion-met-holland-baroque/

De Matthäus missie van Reinbert de Leeuw

De tijd op zijn best – Robert Heppener

robert-heppenered-spanjaard

 

 

 

 

 

 

Het gaat er niet om de beste van de tijd te zijn, maar de tijd op zijn best. Aldus de Duitse filosoof Hegel. Franz Rosenzweig zei het hem ruim een eeuw later veelvuldig na: het is de bedoeling de tijd waarin je leeft optimaal tot uitdrukking te brengen. En te boven te komen, de tijd vooruit te zijn.
Rosenzweig heeft geweten wat dit betekende: door die houding aan te nemen vielen alle deuren voor een loopbaan in de universitaire wereld voor zijn neus dicht. Pas gaandeweg werd het belang van zijn denken, uiting gevend aan de tijd op zijn best en visionair tegelijk, ingezien.

Iets soortgelijks overkwam Robert Heppener (1925-2009, foto links), wiens muziek heel lang niet de (h)erkenning heeft gekregen die haar toekomt. Op 7 oktober a.s. klinkt in de serie AVROTROS Vrijdagconcert in het Utrechtse TivoliVredenburg Heppeners Del iubilo del core che esce in voce in een uitvoering door het Groot Omroepkoor o.l.v. Ed Spanjaard (foto rechts). Ter gelegenheid hiervan herplaats ik hier gedeelten van een artikel dat ik over de Heppener schreef in Mens en melodie (nr. 6/6 2003).

Zelf heeft de componist wel eens het idee gehad niet thuis te horen in de tijd waarin hij leefde, zoals hij in een interview met Paul Janssen in het Parool van 6 juni 1988 zei. Maar dat gevoel is voorbij gegaan: ‘de zijlijn is vanzelf middenveld geworden.’ In die zin voelde Robert Heppener zich verwant aan de tijdloosheid die de muziek van Olivier Messiaen ademt. En ook de vogelgeluiden, en zelfs een heuse ‘vogelcadens’ in Voir Clair voor orkest doen aan Messiaen denken.

Robert Heppener heeft de combinatie van Socratische vervreemding, het zich niet helemaal thuis voelen in de tijd waarin je leeft en het zich distantiëren van wat lang bon ton was (het serialisme), en Platoonse, visionaire hoop die tot het wezen der dingen doordringt, van niemand vreemd. Het kan namelijk ook kenmerkend worden genoemd voor het latere werk van Bertus van Lier, die van 1951 tot 1955 Heppeners mentor was. Een Socratisch leraar die tegen zijn leerling zei: ‘Als je begint aan een compositie, is onderbewust dat stuk al klaar. Dat moet je naar voren halen.’

In de geest van Van Lier is een vroege compositie van Heppener geschreven: Cantico delle creature di S. Francesco d’Assisi voor hoge stem, harp en strijkorkest (1952-1955). De sopraanpartij is in één, vrijwel ononderbroken beweging gedacht, als een vogel die zweeft in de lucht en slechts een enkele keer de vleugels beweegt. Het werk is duidelijk vanuit de tekst geschreven, waarbij de instrumenten de woorden onderstrepen.
Ook in het overwegend lyrische Voir Clair wordt de schepping bezongen door middel van gedichten van de surrealistische dichter Paul Eluard.

Opvallend is dat Eglogues voor orkest (1963) tegenover Cantico en Voir Clair staat, of liever: complementair daaraan is, omdat het de gewelddadige kanten van de schepping onderstreept. Het motto van deze in 1980 gereviseerde compositie is ontleend aan de Franse dichter Saint-John Perse (pseudoniem van Alexis Léger) en roept, aldus de componist, ‘een beeld op van de tijd waarin we leven door middel van metaforen, ontleend aan de natuur, en wel aan die van het hooggebergte, met alle grootsheid, onzekerheid en fataliteit.’

Het is dan ook niet verwonderlijk dat Robert Heppener de wereld van de novelle Eine Seele aus Holz van de Oostenrijkse schrijver Jacov Lind in zijn libretto voor de opera Een ziel van hout (1996) heeft omgebogen: de menselijke wereld van het grote moorden en de relatief paradijselijke wereld van de dieren in het bos staan tegenover elkaar, hoewel Lind zelf beide als één wereld beschreef.

Ook in het koorwerk dat in Utrecht wordt uitgevoerd is ook een complementair stuk: ingetogenheid gaat in deze uit 1974 daterende compositie op tekst van Jacopone da Todi over in extatische jubel. Hierin is Heppener naar de geest verwant met de muziek van Françis Poulenc, die in zijn werk soms na een grote climax tot eenzelfde, plotselinge verstilling kan komen als Heppener in het slot van dit stuk.

Del iubilo del core che esce in voce gaat vanwege de notatie en voorgeschreven zangtechnieken door als één van de meest ‘moderne’ stukken van de componist. Zelf sprak hij van een ‘nogal exuberante muzikale taal.’ Dat is, voor wie bijvoorbeeld Spinsel voor piano (1986) kent, schijn. Het enige verschil is wellicht dat Heppeners ‘moderne’ kant in eerste instantie duidelijk uit de gebruikte tekst voortkomt en, na een ziekteperiode gedurende de jaren 1979-1984, organisch vanuit zijn manier van schrijven voor instrumenten voortvloeit. Ten diepste is er geen verschil.
Het stuk straalt een helder licht uit als van een kaars op een donker schilderij uit de Gouden Eeuw. Er zijn altijd kunstenaars die een donkere tijd te boven komen. Robert Heppener was er één van.

In de stilte tussen de noten

Hurdegaryp_Hofkerk‘Het had Dvořák moeten zijn, want dat speelde ze zoveel’ zegt een buurman van mijn lieve oud-buurvrouw die is overleden. Maar zij had anders besloten: Mozart en Schubert zouden het worden. Haar pianoleraar speelde muziek van hen. Op haar eigen piano, die naar de Hofkerk in Hurdegaryp was overgebracht (zie foto). Daar was het afscheid. En daar werd ze, naast de kerk, begraven.

De piano(leraar) vertelde haar levensverhaal. Het zat in de stiltes tussen de noten. Het klonk alsof ze het zelf vertelde, in haar flat in Leeuwarden. Waar de kinderen het hadden over de vrouw ‘die zich geraakt wist door de leegheid die het platteland geeft’, hoorde je dat terug in de ruimte tussen de noten.  En verder ging het, over ‘een vrouw ook (…) die één uitlaatklep had om alle indrukken van het leven een plekje te geven: haar muziek, haar piano, haar zingen…’. Dat hoorde je in de schrijnende open plekken in de muziek van Schubert, waar woorden tekort schoten. Met alle respect voor Dvořák: ja dat zit meer in de muziek van hem.

Dát is wat muziek kan bieden. Dát is het wat we allemaal in de stiltes tussen de noten hoorden, zoals wat gezegd wil worden soms tussen de regels of in een witregel staat. Esther Gerritsen is er sterk in, hebben we tijdens de afgelopen Boekenweek weer uit het Boekenweekgeschenk kunnen opmaken. Ongetwijfeld hebben de pianolessen eraan bijgedragen om de muziek zó te spelen, met die veelzeggende stiltes tussen de noten. En daarom is het zo onvoorstelbaar dat we leven in een land dat dit niet altijd inziet en er niets over wil horen, op muzieklessen op scholen beknibbelt en muziekscholen sluit.

Hoeveel een mens, de levenden en de nabestaanden, daarmee kan worden ontnomen, hoezeer je het leven van iemand daarmee tekort kan doen, bleek weer in de Hofkerk in Hurdegaryp. ‘Niet te moeilijk hoor, anders snappen de kinderen het niet’, had Jap tegen haar pianoleraar gezegd. Ik denk dat ze het helemaal hebben begrepen zo niet hebben aangevoeld. En veel mensen die bij het afscheid aanwezig waren met hen.