Piet Steenbakkers en Spinoza

spinoza_in_muziekHet is een knappe, retorische truc: zeggen dat je geen oordeel kunt en gaat geven op het bijzonder hoogleraarschap Spinozastudies van Piet Steenbakkers, vanwege het bereiken van diens pensioengerechtigde leeftijd, en het en passant toch min of meer wel doen. Stan Verdult deed het in een blog op zijn website (http://spinoza.blogse.nl/log/het-bijzonder-hoogleraarschap-spinozastudies-van-piet-steenbakkers-komt-ten-einde.html).

Wat ik wil doen is evenmin een oordeel vellen over de vruchten van dit bijzondere hoogleraarschap, en twaalf jaar gewoon hoogleraarschap aan de Universiteit Utrecht, want op het universitaire werk van Steenbakkers en zijn postdoc-medewerkers heb ik geen kijk. Wat ik wél wil doen, is nagaan welk beeld van Spinoza ik dank zij Steenbakkers met name binnen de Vereniging Het Spinozahuis, waarvan ik lid ben, heb opgebouwd.

Korte Verhandeling
Als ik mijn aantekeningen mag geloven, heb ik hem op 19 februari 2005 voor het eerst bij de Vereniging gehoord. In een inleiding over ‘De verschillen tussen de Korte Verhandeling van God, de Mensch en dezelve Welstand en de Ethica.
Steenbakkers vroeg zich onder meer af waarom Spinoza de naam ‘God’ bleef gebruiken in plaats van ‘Natuur.’ En hij gaf het volgende antwoord: Misschien omdat de denker eerst door de studie van het jodendom en het schrijven van de Tractatus Theologico-Politicus (TTP) moest gaan, alvorens hij de Ethica kon schrijven. Spinoza had volgens hem geen probleem met God, maar met de predikanten uit die tijd die het hadden over een wrekende God.

Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk
Een jaar later legde Steenbakkers tijdens een zomercursus van de Internationale School van Wijsbegeerte (ISVW) en de Vereniging in Leusden onder de titel ‘Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk’ diens kenleer uit.
Hij ging toen nog een stapje verder dan het jaar daarvoor, en meende dat Spinoza de Naam van God in de Ethica nodig had vanwege de affectenleer. Hij bracht ook een nuancering aan bij de opvatting van diegenen die menen dat Spinoza in het vijfde deel van dit boek de deur open zou hebben gezet naar het idee van onsterfelijkheid van de ziel. Hij zag het eerder als een opgaan in een soort Al-geest, een collectief denken. Dat is iets anders dan de hemel, maar een verrijking van de mens(heid) door de twee attributen van God: denken en uitgebreidheid.

Recente ontwikkelingen
Tijdens de herdenking van de 375ste geboortedag van Spinoza, weer een jaar later, in de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam, spon Steenbakkers weer verder aan deze draad. Hij sprak over recente ontwikkelingen in het Spinoza-onderzoek, en noemde drie punten:
1. De nog nauwelijks onderzochte Bijbelkritiek van Spinoza
2. De meer onderzochte, hiervoor al genoemde affectenleer (Nico Frijda, Damasio)
3. Het onderzoek van Moreau.

De briefwisseling
Ik sla een paar jaar over, omdat ik niets in mijn aantekeningen over Steenbakkers terugvind, en kom uit bij diens inleiding over ‘Filosofische thema’s in de briefwisseling’ die hij in 2013 voor de Vereniging hield.
Steenbakkers stelt dat een belangrijk thema hierin het meningsverschil tussen Spinoza en enkele theologen uit die tijd over de hiervoor reeds genoemde attributen van God is. Spinoza beperkte deze tot denken en uitgebreidheid. De rest beschouwt hij als modi van God (Eeuwigheid, Alwetendheid enz.). Steenbakkers ziet een overeenkomst in de manier waarop Spinoza over het jodendom en het christendom denkt, en die is gelegen in de liefde. In november 2009 had Steenbakkers dit onderwerp, ‘Spinoza en de liefde’, al aangesneden tijdens een studiedag van de Amsterdamse Spinoza Kring. [1]

Democratie
We spinnen verder. Tijdens Steenbakkers inleiding over ‘Democratie’, het elfde hoofdstuk uit Spinoza’s Tractatus Politicus, mei 2014 en ook weer voor de Vereniging, heeft hij het wederom over collectief denken, net als in Leusden. Hij erkent dat dit beperkingen heeft, en dat God geen geest heeft (antropomorf). Steenbakkers ging ook nu in op recent onderzoek, onder andere op een boek van Martin Saar: Die Immanenz der Macht. Politische Theorie nach Spinoza (Berlijn 2013).
Ik zat in een gespreksgroep die traditiegetrouw na de inleidingen en de pauze samenkomt. Piet Steenbakkers was dit keer de gespreksleider. Ik was ook hier weer geraakt door zijn kennis van de joodse achtergrond van Spinoza’s denken. De opmerking ‘Maar hierover genoeg’, die je in Spinoza’s werk tegenkomt, staat volgens Steenbakkers op één lijn met de ruimte die Farizeeën in hun tekstcommentaren open laten als ze een inconsistentie tegenkwamen.

TTP
Tijdens Steenbakkers’ inleiding voor de Vereniging in 2016 ‘Over het politiek aspect’  in Spinoza’s TTP, merkte ik om te beginnen op dat het interessant is, dat Spinoza het in zijn Ethica zowel over vrijheid als determinisme heeft. Kenners en liefhebbers van de Talmoed zullen dit herkennen als een kenmerkend aspect binnen het Talmoedische denken.
Ook Steenbakkers ziet beide, vrijheid en determinisme, niet los van elkaar en erkent moeite te hebben met een artikel als Free men van Steven Nadler (in: Journal of the American Philosophical Association, januari 2015). Nadler betoogt, in tegenstelling tot gangbare interpretaties, dat de mens wordt geleid door de rede.

Symposium en afscheidsrede
Zowel  Nadler als de eerder genoemde Pierre-François Moreau spraken tijdens het symposium ‘Spinoza research: to be continued’, gisteren in Utrecht. Dit werd afgesloten met een openbare lezing door Piet Steenbakkers, ‘Spinoza, de legende voorbij.’ Hiertoe beperk ik mij tot slot van deze blog.
Meteen al in zijn inleiding tot deze lezing, sprak Steenbakkers de hoop uit dat er eens een solide, omvattende monografie over Spinoza’s kenleer komt. Hij ziet dit eerder in deze blog genoemde epistemologie als het centrum van Spinoza’s filosofische systeem: vrijheid door kennis.[2]
Ook het eerder genoemde gegeven dat Spinoza als atheïst wordt bestempeld en Steenbakkers’ opvatting dat Spinoza God niet ziet als wreker (en hier toegevoegd: als schepper) die in een mensenleven ingrijpt. Wat, aldus Steenbakkers, op zich voor zijn tijdgenoten al genoeg was om hem van atheïsme en immoraliteit te beschuldigen.
Prachtig hoe de draad steeds verder werd gesponnen en genuanceerd binnen het denken van iemand die vanaf 1977, toen hij nog student was, interesse opvatte voor Benedict de Spinoza.

[1] http://amsterdamsespinozakring.nl/images/stories/pdf/lezing_steenbakkers_spinozadag_22-11-2009.pdf

[2] De tekst van deze openbare lezing, en alle tijdens het symposium uitgesproken lezingen, zijn in het Engels uitgegeven door de Uitgeverij Spinozahuis: Spinoza research: to be continued (ISBN 978 94 90250 21 8). Waar ik naar verwijs zijn gedeelten op p. 10 (bovenaan) en 14 (voetnoot 14).

Voorsmaak van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde

Eli Content_The creation of manMomenteel ben ik het boek Reflecties. 25 kunstwerken en 24 filosofen van Onno Zijlstra en Wensy Janssen aan het lezen. Het is een originele inleiding in de esthetica, het  onderdeel van de filosofie dat zich bezighoudt met kunst en schoonheid. Telkens gaat één concreet kunstwerk in gesprek met het denken van een bepaalde filosoof. De auteurs hopen dat hun reflecties een aanzet geven tot het zelf bedenken van eigen combinaties tussen een kunstwerk en een filosofie.

Vandaag ben ik aangekomen bij het hoofdstuk ‘Utopie: Content en Marcuse.’ Hierin gaat het kunstwerk The creation of man (zie afb.) in gesprek met ‘de filosoof van de kritische studenten van ‘68’: Herbert Marcuse. Maar de auteurs ontkomen er hier, maar ook elders in het boek niet aan, om ook uit de Bijbel te citeren. In dit geval aan een tekst uit Jesaja:

Dan zal een wolf zich neerleggen naast een lam,
een panter vlijt zich bij een bokje neer;
kalf en leeuw zullen samen weiden
en een kleine jongen zal ze hoeden.

Juist op de dag dat ik dit hoofdstuk lees, gaan mijn gedachten terug naar de Bijbelpassage die vanmorgen in de Oude Kerk in Amsterdam werd gelezen (Lucas 14:7-14), en die ongetwijfeld door de aanhangers van de theologie van het socialisme in de jaren ’60 van de vorige eeuw met Marcuse in de hand is uitgelegd:

Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft,
vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren,
in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen.
Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit.
Dan zult u gelukkig zijn.

Twee rijtjes van vier: respectievelijk het establishment en de onderkant van de samenleving, waarbij Jezus de partijganger van de tweede groep is. Een sabbatsmaal, een feestmaal als voorsmaak van hoe het zal, en moet zijn. Geworteld in verhalen uit Tenach, zoals die van Jesaja. Het avondmaal is een oefenen daarin, zoals ds. Hans Uytenbogaardt opmerkte.

‘Marcuse’, schrijven Zijlstra en/of Janssen, ‘vindt het nier irreëel op een gelukkige samenleving te hopen. Niet omdat te verwachten is dat een uitgebuite, verarmde arbeidersklasse in opstand zal komen, maar omdat veel mensen walgen van de tegenstelling tussen de geweldige rijkdom [het eerste rijtje van vier, EvS], ook aan kennis en technische middelen, aan de ene kant en aan de andere kant de uitbuiting, honger en armoede in de wereld’ [het tweede rijtje van vier, EvS].

Zijlstra en Janssen schrijven dat we ‘met verbeelding onze wereld kunnen humaniseren. Er is al fantasie voor nodig om in te zien dat al die zaken die ons noodzakelijk lijken dat helemaal niet zijn; we kunnen anders met onze rijkdom omgaan. Om te bedenken hoe is ook weer fantasie nodig.’ Marcuse schijnt in dit verband Schiller bij te zijn gevallen: ‘Wat wij nu als schoonheid zien, zal eens werkelijkheid zijn.’

Soms kan echter niet alleen filosofie en literatuur maar ook de Bijbel helpen ons een beeld van die komende werkelijkheid te vormen. Als voorsmaak van een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.

Maarten van Buuren, Jan Knol, Yehudit Sasportas en Spinoza

Jan KnolMaarten van Buuren

 

 

 

 

 

Afgelopen zaterdag hield Maarten van Buuren (foto links) een lezing over het eerste gebod (‘Ik ben de Here uw God’) volgens Spinoza. Hij deed dat in het kader van het tweede jubileumweekend van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. Hierin ging hij onder meer in op de drie vormen van kennis die Spinoza onderscheidt: waarneming – rede – intuïtie.

Het viel mij op dat hij het laatste begrip uitlegt als ging Spinoza uit van de hedendaagse invulling hiervan. Met een beetje Sartre erover heen: het naar de voorgrond brengen, datgene wat te ver in het bewuste is weggestopt weer naar boven halen. Intuïtie is volgens Van Buuren een geestelijke oefening, een geesteshouding als hexis (ἕξις) bij Aristoteles.

Het is altijd leuk om een andere kijk op iets te krijgen. Maar om nu te zeggen, zoals Erno Eskens (programmadirecteur van de ISVW) deed, dat Van Buuren met zijn boek over Spinoza (Spinoza, vijf wegen naar de vrijheid) – en er volgen er meer, begreep ik – een nieuw standaardwerk over hem heeft geschreven gaat mij wat te ver.

Ik hou het voorlopig bij de definitie die Jan Knol (foto rechts) over intuïtie in één van zijn boeken over Spinoza gaf. Het gaat er bij Spinoza’s intuitie om ‘alle afzonderlijke dingen te zien in het licht van de eeuwigheid’, het gaat erom ‘dat we in een flits zien dat alles en iedereen een bepaalde verschijningsvorm is van de ene substantie, God.’

Yehudit_Sasportas_foto_Robert_Glas[1]

Yehudit Sasportas: The Lightworkers (2010) – foto Robert Glas

De proef op de som kan worden genomen aan de hand van bovenstaand kunstwerk dat te zien is op de tentoonstelling Once in a Lifetime in de Amsterdamse Oude Kerk. Het is een video-projectie van de Israëlische kunstenares Yehudit Sasportas. Volgens het boekje bij de tentoonstelling is ‘de relatie tussen het bewustzijn en het onderbewustzijn een belangrijk motief in haar werk.’ Het videowerk doet meer denken aan Van Buurens omschrijving van intuïtie bij Spinoza, dan aan die van Knol. Maar iedereen wordt door de Stichting Oude Kerk en het Humanistisch Verbond uitgenodigd daarover zelf te reflecteren. Bijvoorbeeld op zaterdagen om 11.00 en 13.00 uur tijdens een Wandelgesprek.

Thuisgekomen na het weekend over ‘De privésfeer & religie’ las ik dat Jan Knol op Hemelvaartsdag is overleden. Zijn boeken staan op een rijtje in mijn boekenkast. Ik grijp er met enige regelmaat naar. Nu in de trieste wetenschap dat er geen meer aan zal worden toegevoegd. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Once in a Lifetime
12 mei t/m 28 augustus 2016 in de Oude Kerk, Amsterdam
http://www.oudekerk.nl/nl/programma/kalender/once-in-a-lifetime
http://www.humanistischverbond.nl/once-in-a-lifetime-tentoonstelling

Op dinsdag 10 mei a.s. is er tussen 19:00 en 20:00 uur gelegenheid tot afscheid nemen van Jan Knol in het Kompas in Smilde. De dag erna wordt om 11.00 uur in de Koepelkerk, ook in Smilde een afscheidsdienst gehouden. Voorafgaand aan deze dienst is er vanaf 10.15 uur gelegenheid tot condoleren.
Adres Koepelkerk en het Kompas: Veenhoopseweg 12 B, Smilde
De begrafenis vindt plaats in besloten familiekring. 

Hilary Mantel

Mantel_HilaryMantel_De geest gevan

N.a.v. een interview met Hilary Mantel (zie afb. links) in de VPRO Gids #18 (30 april t/m 6 mei 2016) werk ik hier een column uit die ik eerder schreef voor Wervelingen (winter 2006-2007). Het interview verscheen n.a.v. de Nederlandse vertaling van Giving up the ghost (zie afb. rechts).

Eén van de hoofdpersonen in John Le Carré’s literaire thriller Absolute vrienden is Sasha. Een a-symmetrische man en voor alles een charismaticus, een ‘Quasimodo van de maatschappelijke genese van kennis’ (p. 97). Zelf brengt Sasha dit in verband met zijn Duits-zijn: ‘Voor mij geldt dat wat geen logica biedt betekenisloos is’ (p. 105). Le Carré legt dus geen link met Sasha’s scoliose en pijn. Of lijkt dat maar zo?

Zo’n stap wordt door onder anderen Hannemieke Stamperius wel gezet in haar boek Kleine theologie voor leken en ongelovigen. Haar visie doortrekkend, is het zo dat wanneer iets ten dienste van de maatschappij wordt gesteld, dit niet langer op het ego is gericht en dus is overwonnen (p. 214).
Stamperius besluit het hoofdstuk ‘Lijden en pijn’ met: ‘Geaccepteerd lijden breekt het ego af: psychologie en theologie gaan hier hand in hand. Er wordt dan ook wel terminologisch onderscheid gemaakt tussen lijden, dat de mens gevangen zet, en pijn, die mits geaccepteerd een bron van vrijheid en vreugde kan zijn. Tegenwoordig noemen we dat “empowerment”: in overwonnen lijden kan een enorme levenskracht zitten’ (p. 218).

Er is dus een link tussen het beeld dat Carré (maatschappelijke genese) en Stamperius (empowerment) schept: vechten voor de wereld en/of jezelf. Dit verband wordt ook beschreven in de dissertatie over lijden van Philip Krijger: De tragiek van de schepping.  Hij weet, net als overigens Stamperius die een botziekte heeft die ook haar gewrichten, spieren en zenuwen aantast, waarover hij praat, slechtziend en slechthorend als hij is. Krijger beschrijft drie modellen die niet naast elkaar staan maar in elkaar overgaan. Het gaat in de eerste plaats om het harmoniemodel (vrijheid en vreugde), vervolgens om het tragische model (frustratie, het lot) en tenslotte om het strijdmodel (confrontatie, maatschappelijke genese).

Maar er is nog een andere ingang. Die ontleen ik aan een interview dat Katja de Bruin had met schrijfster Hilary Mantel. Mantel heeft met haar boek Giving up the ghost, dat nu in een Nederlandse vertaling is verschenen (De geest geven) volgens De Bruin ‘grootste literatuur’ geschreven.
Mantel was, lezen we, ‘net twintig, toen ze geveld werd door vermoeidheid, braakaanvallen en een onverklaarbare pijn in haar benen.’ Het duurde zeven jaar voor ze zelf de diagnose stelde: endometriose. ‘De ziekte heeft haar leven bepaald. In veertig jaar is er geen dag geweest waarop ze geen pijn had.’ Tot voor kort, want na een zware operatie ‘kwam er ineens een dag waarop ik me realiseerde dat ik geen pijn had’, zegt de schrijfster.

In dit boek steeg de schrijfster boven haar eigen leed uit omdat ze, zoals ze stelt, zichzelf behandelde als een personage. Ze had dit boek nodig om voor zichzelf klaar te zijn om aan het laatste deel van haar levenswerk te beginnen: het derde deel over Thomas Cromwell. En dat is ze nu.
Bij haar is dus zowel het ego overwonnen (Stamperius) en leidt de confrontatie met de ziekte (en meer) tot een maatschappelijke genese (Krijger) in die zin dat de bewonderaars van haar werk dank zij haar autobiografie nu het derde deel over Cromwell tegemoet kunnen zien. Terwijl ze er zelf veel waarde aan hecht endometriose meer bekendheid te hebben gegeven.

Herkenning

SpinozaHet was tijdens één van de studiebijeenkomsten van Het Spinozahuis, in het Spinozalyceum in Amsterdam. Na een inleiding kregen we gelegenheid om in kleine groepjes verder te praten. Ik zat in een groepje dat werd geleid door de inleider.
Het was voor mij op dat moment een topic, en ik vroeg het dan ook: mag je volgens de inzichten van Spinoza een mens instrumenteel gebruiken? Ik kan me herinneren dat de gespreksleider niets zei, maar alleen knikte. Blijmoedig knikte. Ik was er even door van mijn stuk gebracht, maar moet er nog vaak aan terugdenken. Omdat dit uiteindelijk op en top Spinoza is.

Dit drong tot mij door op een heel raar moment: toen ik op een ochtend de sleutel in het slot omdraaide, op weg naar mijn werk.
Ik had lopen peinzen over iemand die net als ik dezelfde kerk in Amsterdam bezocht (Spinoza had hier overigens, getuige uitlatingen aan zijn gelovige hospita, niets op tegen) en op een gegeven moment buiten Amsterdam was gaan wonen. Bij tijd en wijle bezocht ze nog haar oude kerk en trof ik haar. Na afloop vroeg ze me dan onder een kopje koffie in een restaurant de oren van het hoofd over alle ins en outs van die kerk – en vooral kerkgangers. Op een gegeven moment was ze weer terug in Amsterdam en op het honk. Op dat moment stopte ook het gezamenlijk koffiedrinken. Ik voelde me ‘gebruikt’ en dat zat me niet lekker. Hoe had ik zo dom kunnen zijn.
Maar terwijl ik die sleutel omdraaide, zette ik blijkbaar ook een knop in mijn hoofd om – of werd er een knop in mijn hersens omgezet, wie zal het zeggen: nee, ik was niet gebruikt maar een instrument geweest om haar pad terug richting kerk weer te effenen. En daar voelde ze zich nu blijkbaar weer helemaal op haar plek. Wat wil een mens nog meer.
Dank, Spinoza voor de gemoedsrust die over mij kwam! Dank ook inleider die mij op dit spoor had gezet.

Hoe valt de bron van die gemoedsrust, die me niet alleen overviel maar vooral ook bij me bleef, nu te verklaren?
Uit stelling 27 van het vijfde deel van Spinoza’s Ethica: ‘Uit de derde soort van kennis [intuïtie in de zin van Spinoza: intuïtief weten, doorschouwen] ontstaat de grootst mogelijke gemoedsrust. Bewijs: de opperste deugd is het kennen van God. Hoe meer de geest met dit soort kennis dingen kent, hoe groter deze deugd. Wanneer iemand dus de dingen met deze soort kennis kent, bereikt hij de hoogst mogelijke volmaaktheid en de grootst mogelijke gemoedsrust.’

Antonio Damasio bouwt zijn boek Het gelijk van Spinoza ook op richting dat vijfde, korte deel uit Spinoza’s Ethica.
Volgens een andere inleider tijdens een zomerweek over Spinoza in Leusden, mede georganiseerd door datzelfde Spinozahuis, maakt Damasio hiermee een – volgens haar zeer ongewenste – draai richting geloof, oftewel: de traditionele opvatting van wat dit volgens haar inhoudt (‘het geloof in een persoonlijke, transcendente God en een leven na de dood’, Piet Steenbakkers in een tekst waarop ik straks verder in zal gaan) en niet de modernere die ‘neer komt op het inzicht dat de gehoorzaamheid jegens God niets anders is dan liefde jegens de naaste’ (Steenbakkers).

Nog helemaal los van het feit of je hier nu wel of niets tegen in wilt brengen, gaat het bij geloven niet alleen om het kennen van en de liefde voor God (amor Dei intellectualis), maar is het als een Jacobsladder: niet alleen figuurlijk naar boven, maar ook de ladder af, naar beneden.

Ook dit inzicht overviel mij op een bepaald moment: toen ik op een avond aan tafel zat.
Ik had lopen piekeren over een collega die mij, als afdelingshoofd, tijdens een functioneringsgesprek, – een gesprek op gelijkwaardig niveau tussen de werkgever en de werknemer – had gezegd niet met mij overweg te kunnen maar verzuimde, ook na herhaald aandringen, de reden(en) ervan te noemen. Dat zat me niet lekker, want hier kon ik niets mee. Maar terwijl ik zat te eten, zette ik blijkbaar een knop in mijn hoofd om – of werd er een knop in mijn hersens omgezet, wie zal het zeggen: Nee, het gaat er niet om of zij mij kent of dat ik haar beter had moeten kennen, maar het gaat erom dat God mij kent en op het goede pad zet. Zoals in Psalm 139:

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,
u weet het als ik zit of sta,
u doorziet van verre mijn gedachten.

En er overviel mij wederom een gevoel van gemoedsrust, die bij me bleef. Of deze nu te verklaren was aan de hand van de Ethica of werd aangedragen door die Psalm? Wie zal het zeggen.

Ik denk zelf dat het een combinatie was: de één (Spinoza) ging in gesprek met de ander (de Bijbel). Mag je dat zo zeggen? Volgens de inleidster in Leusden zou dit ongetwijfeld uit den boze zijn. En daarin staat ze niet alleen.
En daarmee gooit ze volgens mij vorm en inhoud uit elkaar; Spinoza mag dan weliswaar uit de synagoge zijn gezet, en al dan niet afscheid van het joodse denken hebben genomen – het denken zat hoe je het wend of keert toch in zijn DNA, al was het maar een klein strengetje.

Een beetje deterministische opvatting? Maar dat was ook het eerste dat ik over Spinoza leerde. Uit een cursus van de Open Universiteit Nederland. Die tekst van de eerder genoemde Piet Steenbakkers is nu, in een bewerking, een korte cursus van de Open Universiteit: http://www.ou.nl/eCache/DEF/2/24/443.html

Het is de originele tekst die mij op het spoor van Spinoza zette: ik had op grond hiervan een haat liefde verhouding met Spinoza en toog naar Leusden, naar de eerste zomercursus die door Het Spinozahuis in samenwerking met de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) over hem werd georganiseerd. Om meer over hem te weten te komen. En over wat er zowel aan die haat als die liefde ten grondslag zou kunnen liggen.

Zo kwam ik ook meer te weten over mezelf. Of, zoals de eerder genoemde Spinozakenner Piet Steenbakkers zijn cursustekst voor de Open Universiteit besluit: ‘Het lot van filosofen van dit formaat is, dat ze als persoon verdwijnen achter hun werk. Een filosofie waaraan eenmaal het predikaat klassiek is verleend, gaat een eigen leven leiden en wordt in zekere zin het rechtmatig eigendom van de eeuwen erna. Wij lezen deze wijsgeren – hoe zouden we anders kunnen – vanuit het tijdsgewricht waarin wijzelf ons bevinden, met alle voor- en nadelen van dien: historische distantie biedt meer overzicht, maar minder herkenning.’

Blog n.a.v.: Spinoza: Ethica studiegroep – cursus van de Volksuniversiteit Amsterdam:
http://www.volksuniversiteitamsterdam.nl/cursussen.php?parent_id=4267&child_id=4384&course_id=10366

 

De zonnestraal van Spinoza

Dante_William Blake‘Het geheim is’ volgens fotografe Marilyn Silverstone ‘dat je je leven doorloopt zonder het teveel te analyseren.’ Niet dat je zonder analyseren tot zelfkennis kunt komen, maar naarmate je te diep graaft, word je – net als de hoofdpersoon in Selma Lagerlöfs verhaal De weg tussen hemel en aarde – ‘steeds somberder en mistroostiger.’
Wat je op weg kan helpen, is een spiegeling aan een soortgelijke weg zoals bijvoorbeeld Dante die beschreef in zijn Divinia Commedia. De deuren worden voor hem geopend met een zilveren (inzicht) en een gouden sleutel (het ontsluiten van het hart voor de liefde).
Maar toch kwam ik, al lezende in de Divinia Commedia, niet uit het dal waarin ik, steeds somberder en mistroostiger en mezelf teveel analyserend terecht was gekomen.

Dat gebeurde wel op een avond tijdens een moment waarop ik aan tafel zittend, als in een flits de vormen van kennis zoals Spinoza ze beschreef doorzag en daarin een uitweg vond.
Spinoza omschreef in zijn Ethica het begrip ‘kennis’ op drie manieren. Eerst als ratio, de eerste sleutel van Dante: inzicht. Voorts als intuïtief weten. En uiteindelijk in het kennen van God. Een kennen als in een relatie – zoiets als het oud-Nederlandse woord ‘bekennen’ uitdrukt, seksuele omgang hebben met. Het gaat er dan niet om of ik jezelf door en door, tot op het bot kent, maar dat je je gekend weet.

Het is als in het verhaal van Selma Lagerlöf, enkele zinnen na de hiervoor geciteerde: ‘Plosteling kwamen de eerste zonnestralen aangesneld om de zwarte lettertjes’ van in dit geval Spinoza’s Ethica te vergulden. Op dat beslissende moment keerde het negatieve, slechte en sombere zich in positieve zin ten goede. Vanaf dat moment ook vergezelt Spinoza mij en is een licht op mijn pad.

Bij het verschijnen van de Taschen-uitgave met een selectie van teksten uit Dantes Divina Commedia en afbeeldingen van William Blake (zie afb.).

De Descartes van René Gude

rene_gude_-_photo_sarah_wong_-_rightsfreeFilosofie Magazine kwam met wat zij noemen een ‘extra dik bewaarexemplaar’ (mei 2015): René Gude in Memoriam. Het artikel van Daan Roovers opent met de zin: ‘Ik kan leven met onzekerheid. Dat heb ik van Descartes geleerd.’ Dit brengt mij in gedachten terug bij een college over Descartes, dat René Gude (zie foto) in 2010 gaf voor de Open Universiteit.
Mijn aantekeningen werk ik hieronder uit. Ter nagedachtenis aan een fijne leermeester, ‘de man die de filosofie een gezicht gaf.’

Gude begint te zeggen dat hij bij zijn denken de ‘autobiografische methode’ gebruikt, net als Descartes zelf. Gebaseerd op het thema van de OU-cursus: vrijheid. Het gaat er dus om hoe zij tot het concept ‘vrijheid’ zijn gekomen.

Tijdens zijn studie sociale geografie stelde Gude zich twee vragen:

1. hoe verhoudt deze wetenschap zich ten opzichte van andere vormen van wetenschap
2. wat is mijn statuur als deskundige.

Hij kwam erachter, dat hij gewoon filosofie aan het bedrijven was, want:

1. wat is wetenschappelijke kennis?
2. hoe deel je de wetenschappen in?

Descartes heeft rechten gestudeerd, maar geneeskunde was zijn fascinatie. Die wetenschap was toen nog niet zo ver ontwikkeld als moderne wetenschap. Dat wilde hij verbeteren. Door een opleiding voor artsen te starten die door een betere wetenschap de mensheid beter kan dienen. Pragmatisch dus. En dan pas artsenij in praktijk te brengen.

Descartes kwam naar Nederland, waar de verdeeldheid was georganiseerd, eerder dan dat je kan spreken van tolerantie. De ene na de andere universiteit schoot uit de grond.
Hier dacht Descartes zijn nieuwe methode van wetenschap veiliger en eerder te kunnen slijten dan aan de Sorbonne. Om die reden ging hij later door naar ‘het land van de beren’: Zweden.

Wat houdt vrijheid nu bij hem in? In de eerste plaats zelf denken, een eigen fundament vinden, niet alleen de traditie volgen. Hij wilde een inventieve methode ontwikkelen, die niet alleen van lezen uitging, maar ook het oog op de wereld richtte.
De kern is dan: aansluiten bij de twijfel die je hebt, bij alledaagse vragen die je tot de bodem uit wil zoeken. Dat heet filosofie. Er staan je twee dingen te doen:

1. vallen en opstaan
2. metafysische meditatie loslaten op kennis.

Descartes koos voor de tweede methode. En begon te twijfelen, door in het te onderzoeken probleem te stappen en zich af te vragen: Wat zou betrouwbare kennis kunnen zijn?
Dit is methodisch een enorme breuk in de constatering dat je kennis hebt opgedaan, zonder deze methode of structuur. De vraag is vervolgens: Wat is daarbinnen dan waar en wat niet? Je kunt weer twee dingen doen:

1. doorgaan met positief benoemen wat goed is, omdat …
2. of je afvragen of er inzichten bestaan die 100% betrouwbaar zijn.

Descartes zelf gaat nog harder twijfelen. En wel expres. Hij doet een twijfelexperiment. Het risico bestaat, dat er geen echte wetenschappelijke kennis mogelijk blijkt, neemt hij daarbij voor lief. Een andere mogelijkheid is, dat je ‘iets’ vindt dat je niet onderuit kunt halen.

Descartes presenteert niet zijn bevindingen, maar hoe hij daartoe is gekomen. Dus door van het begin bij de conclusie te geraken, en door van de conclusie weer terug te keren naar het begin. Je kunt de weg (voie) volgen van de

1. orde synthetique (bewijzen)
2. analytique (aantonen).

Je moet alle stappen zelf mee kunnen maken. Of niet …
Descartes wil je mee zien te krijgen: ‘Dat heb ik nu ook.’ Hij biedt tenslotte een methode in zijn Meditationes. Hij twijfelt alles weg: alles dat via de zintuigen is waargenomen, is het meest waarschijnlijk (voorstelling in ons denken), maar tegelijk verdacht:

1. droomexperiment voldoet niet aan criterium van 100% zekere kennis
2. kwaadwillende geest – zelfs wiskunde voldoet niet meer.

Dan ligt de conclusie voor de hand dat alles betwijfelbaar en hoogst onzeker is. Maar één ding staat vast: niet de inhoud is weg, want je weet dat je er moet zijn om überhaupt te kunnen twijfelen (Ik denk dus ik ben). Telkens wanneer je dit zegt, is het waar.

Waarheid is wanneer wat je zegt samenvalt met wat je ermee bedoelt; de voorstelling past op datgene wat je bedoelt (adequate kennis). Er zijn dan twee categorieën:

1. dat wat niet samenvalt met een zaak
2. deel dat wél samenvalt.

Je wilt die delen groter maken. Dat betekent óók dat het niet meer onzinnig is om naar wetenschap te zoeken, naar betrouwbare kennis.
Er is een principe, een vast punt van waaruit je vertrekt: kennis van

1. het denken. Is beperkt, maar maakt deel uit van een deel dat méér belooft. Kom je door eigen inspanning.
2. kennis van lichamelijkheid. Deze geef je aan in termen van uitgebreidheid en gestalte. Het blijft waar als je materiële eigenschappen wegdenkt (lengte, breedte, diepte als berekening van de voorstelling van een lichaam).

Hier begint het dualisme van Descartes zich te ontwikkelen. Met mentale processen (denken) en somatische processen (lichamelijkheid) komt Descartes zo bij de geneeskunde uit. Respectievelijk psychologie en somatiek. De arts onderscheidt deze: heeft iemand mentale problemen of lichamelijke? Eigenlijk was Descartes volgens Gude dus psychiater vanuit de huidige stand van zaken geredeneerd.

Wat is dan uiteindelijk vrijheid? Er is sprake van keuzevrijheid, denkvrijheid en beslissingsvrijheid. Maar: de vrijheid is beperkt. Vanuit jouw perspectief, jouw startpunt, kun je vaststellen of iets betrouwbaar is of niet. Dát is de vrijheid die je hebt. En dat mag je leven noemen.

Dat heeft René Gude ons voorgeleefd. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Ken Hem in al uw wegen

SpinozaWim Kayzer zegt in het tv-programma Boeken van Wim Brands voor de VPRO (herhaling, 23 augustus 2014) over zijn roman De laatste tafel op een gegeven moment dat bij de vier keer dat de dood hem werd aangezegd, na de paniek op een gegeven moment kalmte over hem kwam. En dan, vervolgt hij, ‘kom je iemand tegen die je zelf niet kent’. Hij bedoelt, als atheïst, iemand als zichzelf. Ik herken die kalmte, maar die Iemand is bij mij toch een Ander dan mijzelf.

Het doorlopen van je leven, waarvan men zegt dat je dat pal voor de dood doet, is zoiets als in het kort een soortgelijke weg afleggen zoals Dante in zijn Divina Commedia beschreef.

Dante verdwaalt in een woud, waar een leeuw, trots en hoogmoedig, hem de pas afsnijdt. Maar dan spreekt Vergilius, gezegend met een gezond verstand, tot hem. Beatrice, de goddelijke liefde, begeleidt hem op zijn weg.
Op de louteringsberg aangekomen, omgordt Vergilius Dante met een bies, met deemoed, omdat hij moet leren in nederigheid te zien; horende doof en ziende blind zijn is één van de ergste zonden die je bij jezelf kunt ontdekken. Zeven hoofdzonden moet Dante uitboeten op de zeven omgangen van de berg. De deuren ertoe worden geopend met een zilveren sleutel (inzicht) en een gouden sleutel (het ontsluiten van het hart voor de liefde).
Samen met Beatrice beweegt Dante zich door de hemelsferen en wordt bewogen door de Liefde, de barmhartigheid, het meeste van alles, zoals Co ’t Hart dichtte:

Maar wie in liefde hoedt en weidt
en met verdrukten medelijdt
en niet om eer zal vragen,

die acht zich als Gods eigen knecht heel klein,
die wil alleen maar dienstbaar zijn
en groeit in kracht door dragen.

De uitweg uit die zeven omgangen vind je ook in de manier waarop Spinoza (zie afb.) in zijn Ethica ‘kennis’ omschreef. Eerst als ratio, de eerste sleutel van Dante: inzicht. Dan in het intuïtieve weten. En uiteindelijk in het kennen van God, in de betekenis van liefde (de gouden sleutel van Dante), omgang hebben met (jada in het Hebreeuws). Het gaat erom niet jezelf, maar om Hem te kennen in al je wegen, want Hij je paden recht maken (Spreuken 3:6). Dan wordt het mogelijk ‘uit de eigen spelonk’ te stappen, over de ‘eigen schaduw heen’ (Sytze de Vries), waardoor je je gekend weet door Iemand, door God.