‘Zingevend, zoutgevend en riskant’

Eerder had ik het op deze blog over Hugo Mercier, op wiens spoor ik was gezet door Gerko Tempelman tijdens de cursus Fake-nieuws en de feiten van HOVO-Amsterdam.
Een andere denker die Tempelman noemde, en wiens spoor ik in deze blog volg, is de Amerikaan John D. Caputo (zie foto), sinds 1992 hoogleraar Filosofie aan de rooms-katholieke universiteit van Villanova (Pennsylvania, VS). In casu diens boek Religie (vert. Arend Smilde, uitg. Routhledge, 2002).

Een boek dat – het begint al goed – is opgedragen aan de Franse filosoof Jacques Derrida, die – zo schrijft Caputo – ‘mijn tong heeft losgemaakt’. Het begint niet alleen goed, het gaat ook zo verder (hoofdstuk één): over ‘De Liefde tot God’, de amor intellectualis Dei zou Spinoza zeggen. Al bekent Caputo zich niet tot hem, maar tot Augustinus. Ook fijn. En tot religie met of zonder religie. Een doordenkertje, hem aangereikt door Derrida.
De maatstaf is de liefde. Het is wat Typhon by heart citeerde in de eerste uitzending van Zomergasten in dit seizoen: ‘De liefde is geduldig en vriendelijk, niet opgeblazen of opschepperig, zij verdraagt alles, gelooft alles, hoopt alles, duldt alles’ (I Kor. 13).

God mag het weten
Het verschil tussen Spinoza en Augustinus zit er misschien in – Caputo interpreterend –, dat eerstgenoemde gelooft in een relatieve toekomst (vanuit de amor intellectualis) en Augustinus in een absolute toekomst, vanuit geloof, hoop en liefde. De één (Spinoza) beweegt zich binnen de ratio, de ander (Augustinus) binnen het domein van wat Caputo ‘God mag het weten’ noemt; niet Deus sive Natura, God of Natuur (Spinoza), maar de God van het onmogelijke dat mogelijk wordt (Derrida). Niet de orde van de natuur, maar die van de ervaring, ‘een religieuze structuur’ (Caputo) waarin ‘je kwetsbaar wordt, verwachtend, in beweging geraakt, in beweging bent, wordt bewogen’. Zo raakt het religieuze, stelt Caputo, aan kunst en politiek, ‘zingevend, zoutgevend en riskant’.
De orde van de Natuur is vervangen door de herschepping van de aarde (Psalm 104: 30), of misschien – een iets andere, door het joodse denken ingegeven afslag dan Caputo neemt – de voltooiing van de schepping.

Wegwijzers
Er wordt – we pakken de draad van Caputo weer op – ‘van ons verlangd dat we tot daden komen’. Volgens hem in onwetendheid (docta ignorantia) wat ik waag te betwijfelen, want we hebben de Tien Woorden, de tien geboden toch, die ons de weg wijzen? Tien leefregels hoe te handelen.
Dat is iets anders dan de stelling van Caputo, dat we ‘geen verbindingslijn naar een Transcendente Supermacht hebben die ons Het Geheim van De zin van het leven meedeelt, of van het heelal, of van goed en kwaad, en die dat zou doen op voorwaarde dat wij bidden en vasten en geen onreine gedachten hebben’.
Ik ben het met Caputo eens, dat het gaat om het doen van waarheid (daar is de link met de cursus van Gerko Tempelman!). En dat kan op grond van de Tien Woorden of de Noachitische geboden, zonder – en dat ben ik ook met Caputo eens – triomfalisme over het geloof of door anderen als ‘ongelovigen’ af te schilderen.

Liefhebben
Een stap verder denkend, deels in de voetsporen van Caputo en deels parallel daaraan, kun je je afvragen of het zo is, dat je in de liefde voor de Wet (Simcha Torah), eigenlijk niet God lief hebt. ‘Is liefde een manier om een voorbeeld van God te geven? Of is God een naam die we geven aan voorbeelden van liefde?’ En als er al een antwoord is, dan is het het ‘Hineini’, hier ben ik. Van Abraham en van Maria op de aankondiging van de geboorte (Annunciatie) door de engel Gabriël.

De hele bedoeling is te reageren, de waarheid te doen, waarheid te doen gebeuren, facere veritatem zoals Augustinus zei, gerechtigheid doen, het onmogelijke doen, de berg van zijn plaats doen komen, gaan waar ik niet gaan kan’.

En dan zijn we toch weer bij Spinoza, via Augustinus. ‘Een van de grote lessen’ uit Augustinus’ werk is volgens Caputo, ‘dat liefde aanspoort tot het zoeken naar kennis’. Eén van de lezers die voor mij het boek uit de Openbare Bibliotheek leende, heeft bij deze passage een streep voor de kantlijn gezet. En toch: geloof is geloof volgens Caputo en geen kennis. Hij blijft herhalen: ‘wat heb ik lief, wanneer ik mijn God liefheb?’ Hij voert de spanning op en zoekt het antwoord op de plek (de lege ruimte, zou ik met Theo Witvliet willen zeggen, of Makom met het joodse denken) tussen geloof en geloof zonder geloof. Misschien heeft Spinoza dit wel ten volle geleefd.

Karin van Hoof – Filosofie

Filosofie / Karin van Hoof ; onder redactie van Marlies Huijzer, Hanneke Siemensma, Ferry Siemensma. – Etten-Leur : Schoolsupport, [2020]. – 24 pagina’s : gekleurde illustraties ; 24 cm. – Colofon vermeldt: 0/20. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-634-1793-8

Dit 97ste deel in de serie Informatie gaat ‘over lastige vragen en het nadenken over een mogelijk antwoord’. Over filosofen en filosofische onderwerpen als de mens, goed
en slecht, de werkelijkheid en kennis. Op een heldere en vlotte manier gaat Karin van Hoof op deze en andere thema’s in, die allemaal dicht bij de leefwereld van het kind blijven. Zij is een veelzijdig auteur, redacteur en docent die onder andere filosofeert met kinderen. De bedoeling is dat kinderen op de grens van basisschool en voortgezet onderwijs vaardigheden trainen als begrijpend lezen, het verwerken van informatie en het met elkaar van gedachten wisselen. Kan ook worden gebruikt als bron voor werkstukken en spreekbeurten. Kernwoorden als empirist, ethiek en een Socratisch gesprek worden zowel in de tekst als in een trefwoordenlijst achterin uitgelegd. Met aansprekende kleurenillustraties en enkele suggesties om verder te lezen, onder andere De wereld van Sofie van Jostein Gaarder, dat echter voor iets oudere kinderen is bedoeld. Dit boek valt tussen de boeken over filosoferen met kinderen op door de beknoptheid, helderheid en uitnodigend taalgebruik. Vanaf circa 11 tot en met 14 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Halve waarheden

De leader bij het interview dat Joël De Ceulaer had met de Franse cognitief wetenschapper Hugo Mercier (in: De Morgen, 23 februari 2020, zie foto) komt op mij vreemd over: ‘De meeste Duitsers’, citeert de krant Mercier, ‘hadden een afkeer van nazipropaganda’. Mijn haren gingen overeind staan: en van de daden die daaruit volgden dan? Hoe zit het daarmee?[1]

Ook in de tekst zelf stopt hij bij de geciteerde uitspraak, die zelfs de kop boven het interview werd. Dat is vreemd, voor een pragmaticus, waarvan Bert Keizer (in: Trouw, 10 juli j.l.) zo’n rake definitie gaf: ‘Zij willen het geloof in een waarheid onmiddellijk koppelen aan wat het uitmaakt in je handelen’. Het Angelsaksische pragmatisme heeft immers, door toedoen van onder anderen Bruno Latour, ook in Frankrijk wortel geschoten.

Ook op een andere plaats in het interview laat Mercier dit half na. Hij stelt dat, ‘als je wil weten waar het antisemitisme het felst was tijdens de jaren dertig, je moet kijken naar de regio’s waar in de veertiende eeuw de meeste pogroms plaatsvonden’.
Pragmatisme met terugwerkende kracht, zou je kunnen zeggen. Maar hoe verklaart hij dan dat in een land als Nederland, waar geen pogroms hebben plaatsgevonden, relatief veel joden zijn weggevoerd? Temeer daar hij niets moet hebben van het narratief ‘dat mensen gehoorzaam’ zijn.

Natuurlijk, er zitten ook rake observaties in dit interview. Bijvoorbeeld over het verschil ‘tussen intuïtief in iets geloven, en reflectief in iets geloven’. Het eerste heeft invloed op je gedrag, het tweede niet.
Een raak voorbeeld daarvan geeft Hasan Nuhanovic in zowel zijn boek Briefkaarten uit het graf als in zijn recente De tolk van Srebenica. Gebrek aan kennis, meent hij, leidt tot wat hij gevoelsmatige oordelen noemt en dien ten gevolge tot geen actie ondernemen. Dat geldt niet alleen voor de Verenigde Naties, maar ook voor Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, die Dutchbat in de kou lieten staan.

Niet dat niet tot actie overgaan, hoe kwalijk ook, uiteindelijk altijd verkeerd hoeft uit te pakken. De Belgisch-Rwandese politicoloog Olivia Rutazibwa geeft in een interview met Warda El-Kaddouri (in: De Groene Amsterdammer, 9 juli j.l.) een voorbeeld: ‘Tijdens de genocide in 1994 greep de internationale gemeenschap niet in, waardoor het land een sterk gevoel van zelfredzaamheid heeft ontwikkeld. Rwanda aanvaardt nog hulp, maar ze bepalen zelf de voorwaarden. Dat creëert een ander soort machtsdynamiek.’

Of, zoals de Zuid-Afrikaanse schrijver en wetenschapper Panashe Chigumadzi in een interview met Claire Gargard (in: Wordt vervolgd, juli/augustus 2020) zegt: ‘De primaire rol van het Westen zou moeten zijn om het gesprek over het verleden aan te gaan en herstelbetalingen te doen daarvoor. Zij besluit met: ‘Afrika is niet alleen de toekomst voor mij. Ze is het verleden, het heden én de toekomst.’

Als we zo de helft van het pragmatische verhaal van Hugo Mercier – althans in het aangehaalde interview – mogen aanvullen, dan weer richting verleden, dan weer in het heden, maar altijd met het oog op een hoopvolle toekomst (wat hebben we ervan geleerd?), dan is het goed; dan zijn het geen halve waarheden meer.

Link naar het interview met Hugo Mercier: https://www.demorgen.be/nieuws/de-meeste-duitsers-hadden-een-afkeer-van-de-nazipropaganda-cognitief-wetenschapper-hugo-mercier~b0f1fc32/

[1] Gerko Tempelman wees op dit interview in het kader van de cursus ‘Fake-nieuws en de feiten’ van HOVO Amsterdam (juni-juli 2020 via ZOOM).
Foto van Hugo Mercier afkomstig van diens website.

De kroon op hun werk

Ik ben niet de eerste, die de overeenkomst opvalt tussen Troost in filosofie van de laat-Romeinse filosoof Boëthius (ca. 480-525) en het werk van Benedictus de Spinoza (1632-1677). Agnes Arber publiceerde er al in 1943 over.[1] Zij vergeleek een boek van Boëthius (De Consolatione Philosophiae) primair met Spinoza’s Korte verhandeling van God, de mens en zijn welstand. Spinoza (zie afb. links) kende waarschijnlijk de vertaling van Boëthius’ werk door Coornhert, die in de kring van de Collegianten circuleerde. In Spinoza’s bibliotheek zelf bevond zich namelijk geen exemplaar.
Arber vergelijkt de stadia van kennis die Boëthius en Spinoza onderkennen en die sterk overeenkomt, maar zij gaat ook in op verschillen. Onder meer ten aanzien van de vrije wil. Zij concludeert uiteindelijk, dat in Spinoza’s geschriften, zoals genoemde Korte verhandeling, het denken van Boëthius ‘lived anew’, zoals ze het noemt.

In 2019 verscheen bij Uitgeverij DAMON een nieuwe vertaling en inleiding van en op Boëthius De Consolatione Philosophiae van de hand van Piet Gerbrandy: Troost in filosofie (zie afb. rechts). Een mooie uitgave, met leeslint, die de uitgever in deze coronatijd met korting aanbiedt. Ik aasde er al eerder op, maar zag nu mijn kans schoon. En ik heb er, ook nog eens liefhebber van het werk van Spinoza én de classicus, dichter en criticus Gerbrandy, absoluut geen spijt van.

Poging tot vertroosting
Het gaat mij er nu niet zozeer om de vergelijking tussen beide denkers in de voetsporen van Agnes Arber voort te zetten, maar op een opmerking van Gerbrandy in vergelijking tot Spinoza uit te werken. In tegenstelling tot de flaptekst van Troost in de filosofie, waarin gewag wordt gemaakt van ‘een ijzingwekkende climax’, spreekt Gerbrandy van het feit dat ‘Boëthius de lezer onbevredigend achterlaat’ (p. 19) en: ‘Het boek gaat over een poging tot vertroosting – die, als ik het goed zie, jammerlijk mislukt’ (p. 28). Vooral ‘het slot is hoogst onbevredigend’ (p. 30), aldus Gerbrandy.
Pas in voetnoot 12 van deel vier komt de aap uit de mouw. Het gaat in de onderhavige alinea over ‘de ziel nadat het lichaam is gestorven’ (p. 237). ‘Maar’, schrijft Boëthius, ‘ik was niet van plan daar nu uitvoerig op in te gaan’. Gerbrandy vermeldt dan in zijn voetnoot, dat dit ‘voor sommigen een argument biedt om te betogen dat Boëthius het werk niet heeft kunnen voltooien’. Zijn eigen opvatting dien aangaande blijft een beetje in het midden, ook wanneer hij in zijn Inleiding schrijft dat ‘de meeste geleerden ervan uitgaan dat het voltooid is’ (p. 8).

Wat ik wil onderzoeken is, of het écht zo is, dat Boëthius de lezer gedesillusioneerd achterlaat tegenover de omgekeerde opvatting, die bij sommige lezers van het vijfde en laatste deel van Spinoza’s Ethica opgeld doet, namelijk dat dit deel niet geschreven had moeten worden. Het idee bestaat namelijk dat het over de onsterfelijke ziel zou gaan – daar waar het bij Boëthius wel degelijk over gaat.

Boëthius
Laten we eerst kijken waar Boëthius mee komt. Hij haalt Aristoteles aan, die ‘ten aanzien van de kosmos heeft geoordeeld, dat iets wat begin noch eindpunt kent [qua] levensduur gelijk opgaat met de oneindigheid van de tijd’. Dit doet denken aan Spinoza’s attribuut van uitgebreidheid, en het absoluut oneindige: God of de Natuur.
Boëthius nadert Deze met eerbied en is sprakeloos. Dat is mijns inziens geen zwaktebod, maar een grens die hij nabij komt. Het gebed waarop hij preludeert, schrijft hij niet op. Je kunt in het midden laten waarom: is hij te dicht genaderd of ontdekt hij uiteindelijk toch niet christelijk te zijn? Voor de een zal dit een ‘ijzingwekkende climax’ zijn, voor de ander onbevredigend.

Spinoza
Dat geldt als gezegd ook voor het laatste, vijfde deel uit Spinoza’s Ethica. Voor de een (bijvoorbeeld Paul Juffermans) ‘de kroon op de Ethica’, voor de ander een deel dat Spinoza beter niet had moeten schrijven. ‘Vooral’, schrijft Jeroen Bartels in een heldere introductie op dit deel, en eigenlijk de gehele Ethica, omdat ‘het laatste gedeelte van het vijfde deel – vanaf stelling 20, waar Spinoza meedeelt dat het tijd wordt om “verder te gaan met de duur van de geest los van het lichaam” – forse interpretatieproblemen oplevert’.[2] Zou, vragen sommige mensen zich met afkeer af, Spinoza dan zijn teruggekeerd op zijn idee dat lichaam en geest ‘bestaanswijzen of expressies [zijn] van twee wezenlijke eigenschappen of attributen van één en dezelfde werkelijkheid’ (p. 9)? Of zou hij het Christendom zijn genaderd? Een werkelijkheid die, zoals Boëthius ook al schreef, oneindig en omvattend is. ‘Alles wat is, is in God, en niets kan zonder God bestaan of worden gedacht’ (stelling 15 van het eerste deel uit de Ethica). Ik ben ‘als modus [bestaanswijze, EvS] uitdrukking van en wordt gedragen door de oneindige substantie [God, EvS]’ (p. 20).

Dit leidt uiteindelijk volgens Spinoza tot de amor Dei intellectualis, de verstandelijke liefde tot God (stelling 32 van het vijfde deel). Dát te ervaren is als een moment van blijdschap, van gemoedsrust en gelukzaligheid die een eeuwigheid lijkt te duren en de eeuwigheid in zich draagt. Een moment waarbij je, zoals Boëthius ons toont, stil valt. Is het dan gek om te concluderen dat de laat-Romein niet tekort schoot, en dat Spinoza dit deel nodig had als kroon op zijn werk? Nee, ik denk het niet. Ze zijn me allebei lief: het denken van Boëthius en dat van Spinoza. Inclusief het vijfde deel van diens Ethica, waarin Boëthius ‘lived anew’.

[1] In: Isis, Vol. 34 nr. 5 (zomer 1943), p. 399-403. Uitg. The University of Chicago Press.

[2] Jeroen Bartels, ‘Over de macht van het verstand’. Mededelingen vanwege het Spinozahuis nr. 115. Uitgeverij Spinozahuis, 2019, p. 3.

Het voelende brein

De serie jaarlijkse lezingen met nabesprekingen over Spinoza’s Ethica door de Vereniging Het Spinozahuis in het Amsterdamse Spinozalyceum is inmiddels over de helft. We zijn ondertussen bij deel vijf van de Ethica aangekomen. Diezelfde Vereniging heeft op 20 februari jl. de zilveren erepenning – de hoogste onderscheiding – uitgereikt aan Spinozablogger Stan Verdult, die [aanvulling] op 31 mei 2020 overleed.
Beide evenementen tezamen, de eerste lezing over deel vijf van de Ethica door emeritus hoogleraar Herman De Dijn en het heugelijke feit dat Verdult de zilveren erepenning kreeg, gaven mij aanleiding tot deze blog.

Artikelen in Preludium
Om te beginnen zou je dat vijfde deel, met een gedeelte uit de ondertitel van een boek van Antonio Damasio over Spinoza, samen kunnen vatten als ‘het voelende brein’.
Die constatering van Damasio leidt mij namelijk om te beginnen naar een aantal artikelen in het tijdschrift Preludium (maart) van het Amsterdamse Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO). Wat niet vreemd is, omdat Verdult in zijn blog met enige regelmaat schrijft over muziek uit met name de renaissance en de barok, al dan niet gerelateerd aan Spinoza.

Het gaat om drie items. Het eerste betreft een interview door René van Peer met dirigent Alain Altingoglu. De dirigent zegt dat hij opereert ‘met een mengeling van intuïtie en kennis’ (p. 27). Het tweede item is een interview van Rahul Gandolahage met de leden van het Busch Trio. Primarius Mathieu van Bellen zegt daarin iets wat aan ons thema raakt: ‘Je hebt eigenlijk twee hoofdparameters in muziek: aan de ene kant moet je de muziek structureel begrijpen (…). Aan de andere kant moet je de muziek emotioneel begrijpen’ (p. 48). Het voelende brein dus. En het derde item tenslotte is een toelichting die Michel Khalifa schreef bij het Pianokwintet van de componist Thomas Adès. Hij schrijft daarin dat Adès ‘ernaar streeft zijn notenmateriaal zo logisch te ordenen dat subjectieve expressie en objectief vakmanschap hand in hand kunnen gaan’.

Drie kennissoorten
Los van definitiekwesties (Altingoglu zal onder intuïtie wellicht iets anders verstaan dan Spinoza), valt in alle drie de stukken in Preludium op, dat er sprake is van ‘mengeling’, ‘aan de ene en de andere kant’ en ‘hand in hand gaan’. In die mengeling gaan de drie kennissoorten die Spinoza benoemt (verbeelding, ratio en intuïtie) hand in hand, en is er dus sprake van wat De Dijn een soort parallellisme noemt. Of zoals Piet Steenbakkers tijdens zijn lezing over het derde deel van Spinoza’s Ethica zei: ‘kennis wordt een affect’. De Dijn meent dat stelling 20 uit het vijfde deel van Spinoza’s Ethica door Nico van Suchtelen verkeerd is vertaald. Daar, in het deel waarin intuïtie en amor intellectualis Dei (verstandelijke liefde jegens God) de hoofdtoon voeren, lezen we:

Deze liefde jegens God kan noch door nijd, noch door ijverzucht worden ontwijd, maar  zij wordt juist des te sterker, hoe méér mensen wij ons ons onder éénzelfde band van Liefde met God verbonden denken.

Volgens De Dijn zou je hier op grond van het Latijn ‘verbeelden’ moeten lezen. Ze hangen aan elkaar, aldus De Dijn. Hij zoekt zijn ‘bewijslast’ vaak in gedichten, onder andere in die van Leo Vroman; Stan Verdult blogde erover (zie link onderaan deze blog). Ik deed dat overigens onlangs ook, met enkele regels uit een gedicht van Maud Vanhauwaert.

Intellect en intuïtie
Maar ik zoek het, net als Verdult, ook graag in muziek. De drie artikelen in Preludium wezen mij de weg. En – als toegift – een recensie van de CD Double Solo van pianist Stevko Busch en altsaxofonist Paul van Kemenade (in: Trouw, 28 februari 2020) door Mischa Andriessen, onder de kop ‘Een combinatie van intellect en intuïtie’. Niet ‘Duo’ maar ‘Double Solo’. De twee musici doen allebei, zoals De Dijn het wellicht zou noemen, adequaat en in samenspraak ‘hun ding’.
Elke keer als ze optreden weer anders, want dat is niet alleen inherent aan jazzmuziek, maar aan elke goede uitvoering van welke muziek dan ook. Zoals De Dijn ook weer elke keer iets nieuws in de Ethica vindt. Ook nu maakte hij ons daar deelgenoot van.

Vooruitblik
De laatste lezing dit jaar wordt volgende week zaterdag gegeven door Paul Juffermans [vervalt i.v.m. maatregelen t.a.v. het coronavirus]. Hij zou het tweede gedeelte van het vijfde deel uit de Ethica behandelen en onder meer over het begrip eeuwigheid bij Spinoza spreken.
Herman De Dijn gaf daar al een voorzetje van. Eeuwigheid, definieerde hij, is een perspectief in de tijd. Ik veerde daarom op, toen ik zondag 1 maart tijdens het televisieprogramma Podium Witteman de IJslandse pianist Vikingur Ólafsson Le rappel des oiseaux (1728) van Jean-Ph. Rameau hoorde spelen, met zijn kenmerkende rusten. Ter toelichting daarop zei hij, dat de tijd daarin stopt. Ja – even voel je daar de eeuwigheid zoals Spinoza dat wellicht bedoelde. In het hier en nu.

 

http://blog.despinoza.nl/log/leo-vroman-spinozistisch-dichter.html

Le rappel des oiseaux van Rameau, gespeeld door Matthias Havinga op het Ahrendorgel in de Bovenkerk van Kampen: https://www.youtube.com/watch?v=pTwSt4prp9M

Lorenz Demey – Waarheid

Waarheid / Lorenz Demey. – Antwerpen ; Amsterdam : Lannoo Campus, [2019]. -167 pagina’s : illustraties ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-01-46228-0

De auteur verwondert zich over waarheid en onwaarheid in een tijd van ‘fake news’, hoewel de filosofische begrippen oude papieren hebben en teruggaan tot de Griekse oudheid. De centrale vraag is of waarheid er toe doet of niet. Demey beperkt zich tot de dagelijkse waarheid en gaat niet in op de Waarheid betreffende grote levensvragen. Lorenz Demey is hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Leuven en zijn ideeën liggen dicht bij een filosofie die is gebaseerd op de wiskunde. Hij behandelt net als Andreas Kinneging en Rob Wiche in hun boek Waar of niet? (2013) verschillende, zij het andere begrippen. Achtereenvolgens gaat hij in op enkele deelgebieden van de filosofie:
metafysica van waarheid, taalfilosofie, epistemologie (studie van kennis) en logica. Op deze manier wordt een breed palet aan ideeën en theorieën geboden. Op grond hiervan, uitgaande van het imprint Junior College Series en het feit dat de lezer met ‘je’ wordt aangesproken, lijkt het doel primair een studieboek filosofie te zijn. Met literatuurverwijzing.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Drieluik

Het wordt weer eens tijd voor een drieluik. Dit keer naar aanleiding van

  1. ‘Drie paradijselijke middagen in de Ark’
  2. Muziektheater bij Zinnig Noord: Golem
  3. De recensie van Niña Weijers over de nieuwe roman van Ben Lerner

1.
Er staan in de Bijbel twee scheppingsverhalen, vertelt dr. Wilken Veen tijdens de eerste van drie middagen van het Oecumenisch Leerhuis Noord in Amsterdam.
Tijdens de tweede middag keken we naar het verhaal in Genesis 2. Veen legde uit dat in de mens een levende ziel werd geblazen (vers 7), zodat lichaam en geest één werden. God vond het geen goed idee, dat ‘de mens’ (adam) alleen is (vs. 18), maar Hij ‘vond geen hulp als zijn tegenover’, als gelijkwaardige. Daarom nam Hij één van zijn ribben uit de man en bouwde die tot een vrouw. Het woord ‘ribben’ werd lang louter als lichaamsonderdeel gelezen, maar je kunt het volgens Veen ook lezen als een rib van een gebouw; het Hebreeuwse woord wordt ook gebruikt in het kader van de bouw van de Tempel van Salomo.
Wanneer ‘de mens’ (adam, de man) zegt dat de vrouw been van zijn gebeente is (vs. 23), dan zegt hij niet meer en niet minder dan: precies zoals ik. Zij heet Ischa, vrouw (vs. 23), dus niet: mannin, zoals wel wordt vertaald, maar een zelfstandig wezen. En dan volgt een matriarchaal trekje: de man hangt, of kleeft, zijn vrouw aan. Wordt dus met andere woorden deel van de clan van zijn vrouw.

2.
In dezelfde week dat wij dit gedeelte lazen (een volgende keer lezen we nog verder over het paradijs), woonde ik de muziektheatervoorstelling Golem van Zinnig Noord in dezelfde kerk, de Ark, bij. Een persbericht vermeldde de volgende vragen die aan de orde zouden komen: ‘Wanneer raak je als mens bezield? Wanneer gaat “het licht” aan?’ Zouden er dezelfde, of andere antwoorden worden gegeven als in het Oecumenisch Leerhuis? En waar zou de joodse mysticus en kunstenaar Joseph Semah mee komen in wat werd aangekondigd als ‘een kort voorprogramma’? Dáár was ik ook nieuwsgierig naar, want zijn naam was in mijn leven als recensent en kunstliefhebber al eerder voorbij gekomen: https://8weekly.nl/recensie/de-kerk-is-deel-geworden-van-de-kunst/

Eerst de performance. Sebastian Holzhuber zat in een wijde pofbroek op een poef en spon een draad. Achter de piano zat Uzi Heymann, gehuld in een Franciscaanse pij. Hij speelde minimal music en een stukje van Eric Satie. Zijn gezicht was niet te zien, we hoorden hem alleen. Tot hij op een gegeven moment zijn pij afwierp en op een lendendoek na naakt voor ons stond. Holzhuber begon klei nat te maken en kneedde dit uit op zijn lichaam, tot op en in zijn haren aan toe. Er ontstond op die manier een, overigens mooi, abstract schilderij. Er ontstond een Golem, het mythische personage uit de joodse legende, een mens zonder individualiteit. Het eindbeeld was dat de twee mannen lepeltje lepeltje stonden en beiden de armen ophieven. Een afrondend gebaar? Een kruisteken? Het riep bij mij verwarrende gevoelens op, hoe fraai ik de performance op zich ook verder vond.

Het korte voorprogramma van Semah werd omdat men, bij monde van Jonatan, een van de organisatoren van Zinnig Noord, de beelden voor zich wilde laten spreken, een kort na-programma. Semah sprak niet of nauwelijks over de golem, maar over – zoals een persbericht al had voorspeld – het feit dat ‘zowel in de joodse mystiek als in de Griekse filosofie mannen en vrouwen ooit waren verenigd. Tot zij door de goden werden gescheiden. Gebeurde dit uit angst, of uit liefde?’

Semah begon met de Griekse filosoof Plato (Symposion). Daarin is een raamvertelling over de schepping opgenomen van Aristophanes. Eerst werden man en man geschapen, toen vrouw en vrouw en tenslotte man en vrouw. Het geslacht werd met een staaldraad van het lichaam gescheiden, omdat er angst bestond dat ze aan de macht van Zeus zouden raken.
Vervolgens ging hij in op het eerste scheppingsverhaal (Genesis 1), dat bij Wilken Veen niet echt aan de orde was geweest. Hier werd de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen. Adam en Eva leefden volgens de joodse mystiek rug aan rug, zodat ze geen weet hadden van elkaars bestaan. God kwam weer letterlijk tussenbeide en daar waren Adam en Eva die elkaar ontmoetten, omdat ze elkaar aan konden kijken, en zochten. Hier was niet sprake van angst, maar van liefde.

Tenslotte gaf Semah de twee uitvoerenden van de performance nog een tip: eindig niet zoals je nu eindigt (het riep bij mij als gezegd ook al verwarring op), maar met een gezamenlijke dans, met drinken en eten eventueel.

3.
In De Groene Amsterdammer (14 november 2019) schreef Niña Weijers tenslotte een stukje onder de titel ‘Bla’. Het begon met gender: ‘Giftige mannelijkheid heeft een evolutie doorgemaakt van superieur zwijgen naar superieur spreken. De mansplainer is ontegenzeggelijk meer van de elite dan de zwijgende cowboy; het zijn voornamelijk hoogopgeleide vrouwen met carrières die aanstoot aan hem nemen, in omgevingen waar kennis en taal hoog in het vaandel staan.’

Vervolgens sprong zij over naar de nieuwe roman van Ben Lerner, Leerjaren in Topeka. ‘Het begint’, schrijft zij, ‘met een sterk staaltje mansplainen’. De hoofdpersoon blijkt nota bene Adam te heten, en dat is vast niet voor niets! Adam gaat varen met een vriendinnetje, ‘met zijn rug naar haar toe houdt hij een lang betoog over een en ander. Wanneer hij zich eindelijk omdraait, is ze verdwenen, in het water gedoken en, naar blijkt, terug naar huis gezwommen’.

Hoe anders dan in het joods-mystieke verhaal dat Semah vertelde: Adam en Eva die rug aan rug leefden, maar door God de goede kant op werden gekeerd, zodat ze elkaar aan konden zien. Als elkaars tegenover, gelijkwaardig aan elkaar. De uitbeelding van het verhaal van de golem kwam niet tot dit punt, omdat beide mannen elkaar niet aanzagen. De golem is dan ook geen individu, zoals man en mannin dat nog niet zijn. Dat kwam toen God ze scheidde, Adam en Eva noemde, de mythe voorbij.

All is True, is it?

Het eerste beeld dat je van de DVD All is True ziet wanneer je op ‘Play’ hebt gedrukt, is Londen dat in brand staat. We schrijven 1613 en de Globe, het Shakespearetheater, gaat ook in vlammen op. William Shakespeare gaat terug naar zijn geboorteplaats Stratford-upon-Avon. Hoewel aangetekend moet worden, dat de film niet in Stratford is opgenomen, maar in de buurt van Windsor Castle, gehuld in de herfstkleuren van de seizoenen en het leven.
Na dit beeld verschijnt de bard zelf, dat wil zeggen Kenneth Branagh in een ‘uitvoering’ die is gebaseerd op het beroemde Chandos portret van Shakespeare (National Portrait Gallery, zie foto rechts). Ik moest even glimlachen, want wat opvalt zijn Branaghs helblauwe ogen die niet rijmen met de bruine van Shakespeare op genoemd portret. All is True, is it? – al blijkt Branagh ervan op de hoogte, getuige een opmerking hierover in een als Bonus bijgevoegd interview op de DVD.
In Stratford ontmoet Shakespeare een jongetje dat hem vraagt of hij, schrijver zijnde, zijn verhaal wil afmaken. Het is de geest van zijn overleden zoontje Hamnet, zoals Hamlet begint met de geestverschijning van diens overleden vader. Ook dit is een détail – een opvallend détail in een film die vol is van alle mogelijke dwarsverbanden. Later meen je bijvoorbeeld Ophelia te zien.
Ook het kaarslicht is een dwarsverband, in dit geval met het chiaroscuro effect op schilderijen van Utrechtse meesters uit de tijd van Shakespeare die in Italië in de leer zijn geweest.

Van toneelspeelster Judith Dench (Anne Shakespeare) weten we al dat ze grandioos met veelzeggende, vaak woordloze détails werkt. Ook hier weer. Een kort kuchje, een kleine handbeweging doen het hem. Bijvoorbeeld wanneer haar man zegt, dat hij een tuin wil aanleggen en zij daar ongemakkelijk op reageert. Shakespeare legt dan uit dat het net zoiets is als een toneelstuk: ‘Beide hebben een droom nodig’.

Anne, die meent dat William uit rouw voor Hamnet een tuin wil, werpt haar man vervolgens voor de voeten dat hij, toen de jongen, de helft van een tweeling stierf, uitgerekend zijn komedie The merry wives of Windsor schreef; een nog steeds actuele vraag hoe zoiets in algemene zin samen kan gaan.1) Shakespeare antwoordt dat hij daarom is teruggekomen: om uit een imaginaire wereld in de werkelijkheid te kunnen stappen. Liefde voor de flora was hem trouwens niet vreemd; daarnaar verwijst bijvoorbeeld tussen twee haakjes de kruidentuin rond de Southwark Cathedral in Londen.
De imaginaire wereld van enkele toneelfragmenten en sonnetten (zoals nr. 29) en de werkelijkheid van 1613 wisselen elkaar in de film af. De imaginaire wereld fungeert op deze manier als flash backs.

De vraag die opgeworpen wordt is dan: wat ís waarheid? Bedriegt Susanna, één van de dochters van Anne en William, haar man, is het een ‘echt’ kind – vraagt Judith, de andere helft van de tweeling aan haar vader – als hij een kleinzoon van Susanne zou krijgen? Wat is waarheid überhaupt? Wie is de Dark Lady in de sonnetten? De Earl of Southampton, die de Shakespeares bezoekt? Een prachtige rol overigens van Ian McKellen. En: wie schreef die briljante verzen: Hamnet of zijn tweelingzus Judith?

Anne en William komen steeds dichter bij elkaar, onder andere in het beroemde ‘second best bed’ dat hij later expliciet aan haar zal nalaten. Anne gaat zelfs in de tuin aan het werk, terwijl William in een kerkregister de datum van Hamnets dood ziet en tot zich door laat dringen. Hij komt tot het inzicht dat het de geest van Hamnet was die hem nabij was wanneer hij zijn toneelstukken schreef. Stierf Hamnet aan de pest (volgens Anne)? Of verdronk hij (volgens Judith)? Op dat moment zien we het beeld van Ophelia voor ons, zoals we dat van tal van schilderijen kennen. Of heeft de jaloerse Judith hem zelfs vermoord?

Het laatste woord is aan Titania, de vrouw van Oberon uit Shakespeares  A Midsummer Night’s Dream (hier is de droom!). Maar niet nadat Anne en Judith hun man c.q. vader een cadeau hebben gegeven: de analfabete Anne schrijft haar naam onder hun huwelijksakte en Judith belooft een gedicht te schrijven en doet dat ook. Het verhaal is af, zoals Hamnet vroeg, gaat op die manier door.

Niet in de laatste plaats bij degenen die naar de DVD kijken, die ik zo genereus van vrienden cadeau kreeg. En dan rest nog het bonusmateriaal, zoals enkele interviews. Om naar uit te kijken, net als boek No bed for Bacon. The story of Shakespeare and Lady Viola in love van Caryl Brahms en S.J. Simon dat ik ook van ze kreeg. De gedeelde liefde voor Shakespeare is een continuing story, dat blijkt.


  1. Een deel van het antwoord geeft de filosoof Jos Kessels in zijn boek Het welgetemperde gemoed (uitg. Boom), weliswaar over muziek maar toch: ‘Muziek is geen expressie maar expositie; zij geeft niet de gemoedstoestand van de componist weer, maar zijn kennis ervan, zijn inzicht erin’ (p. 125). Op dit boek zal ik later in een blog terugkomen.

 

DVD All is True (Sony Pictures Classics/TKBC, 2019).

Steven Nadler en Spinoza (II)

Opvallend genoeg begon Steven Nadler zijn serie colleges over Spinoza’s Ethica aan de Universiteit van Amsterdam, met een uitvoerige bespreking van de cherem (banvloek) die de joodse gemeente over de filosoof uitsprak. Op die manier leek het een statement dat ergens toe moest leiden. De ontknoping is nog niet daar, want het laatste college is pas aanstaande donderdagavond. Toch begint iets ervan me al duidelijk te worden, mede na lezing van het hoofdstuk ‘Verbeelding’ in het boek Ik bid dus ik ben van de theoloog Bert Hoedemaker (uitg. Skandalon, 2018), dat ik onlangs cadeau kreeg.

Cherem
Maar eerst, als context, nog even de achtergronden van de cherem, zoals Nadler die ook weergeeft in zijn boek over Spinoza (uitg. Olympus, 2001).
Nadler geeft een economische interpretatie, uitgaande van het feit dat Baruch zich wilde vrijwaren van de aansprakelijkheid voor de schulden van zijn overleden vader Michael (p. 155). Vervolgens geeft hij een opvatting weer, waarbij de oorzaak van de banvloek ligt in het gegeven dat Spinoza de Bijbel niet op joods-theologische gronden interpreteerde, maar vanuit de filosofie (p. 168). Tenslotte wijst hij op een politiek aspect, door te stellen dat de parnassiem (het bestuurscollege van de joodse gemeente) wilde laten merken dat ze de zaak onder controle hadden (p. 193).
Door de banvloek werd Spinoza ‘afgesneden van deelname aan de riten van de gemeenschap’ (p. 160). Aan het slot van dit hoofdstuk concludeert Nadler, dat Spinoza van dit alles geen spijt had en met vreugde de weg insloeg die voor hem open lag (p. 198). Op een aspect van die weg, de verschillende soorten van kennis die de filosoof onderscheidde, ga ik nu eerst kort in.

Kennissoorten
Spinoza onderscheidt in zijn hoofdwerk, de Ethica, drie soorten kennis:
1. Imaginatio (verbeelding)
2. Ratio (rede)
3. Scientia intuitiva (intuïtie).
Dat wil niet zeggen, dat het bij het steeds een trede hoger gaan op de ladder, je elk vorig niveau meteen verlaat of verliest, maar wél dat je steeds dichterbij de adequate kennis komt.
De verbeelding – volgens sommigen inbeelding – levert beperkte, inadequate kennis op. De rede onderkent wetmatigheden en de intuïtie tenslotte doorschouwt. Het is de bedoeling, de verbeelding uiteindelijk terug te dringen. Vanuit Spinoza’s ervaring in de twee jaar voor en door zijn ban, snap ik, mede door Hoedemakers boek gelezen te hebben, waarom die ban zo belangrijk is geweest. En dus ook waarom Nadler er zoveel nadruk op legde.

Hoedemaker
Hoedemaker stelt, gelijk Spinoza – die hij overigens niet noemt –, dat de verbeelding aan de rede vooraf gaat. Met Spinoza is hij het eens wat betreft het feit dat er geen kennis bestaat zonder verbeelding. Het is geen fase die je achter je kan laten. In tegenstelling tot Spinoza, ziet Hoedemaker in de ratio echter niet iets dat méér ruimte in moet nemen, wel iets om de verbeelding, die hij een belangrijke plaats gunt, in zijn uitwassen mee te temmen.
Onder religieuze verbeelding verstaat Hoedemaker ‘voorstellingen, symbolen, rituelen, praktijken en verhalen (…) [waarin] vaak sprake is van leven voor de geboorte en na de dood’ (p. 26). En waarmee, als het te ver gaat, je moet oppassen, want dan kan het ontaarden in ‘een dichtgetimmerd verbeeldingssysteem – een soort fundamentalistische afwijzing van de wereld, een zich vastklampen aan het eigene’ (p. 38).
En dat is wat Spinoza nu allemaal net níet wil. Gedurende die twee jaar die Nadler aanhoudt, voltrok zich volgens hem een proces waarin Spinoza onder meer een afkeer ontwikkelde voor rituelen, het leven na de dood ontkende en steeds verder afdreef van het joodse geloof.

De cherem bevestigde die breuk én maakte voor Spinoza de weg ook formeel vrij om de weg te nemen die hij wilde volgen. Zoveel is me duidelijk, c.q. in de context van de drie soorten kennis, duidelijker geworden. In die zin kun je de cherem inderdaad als een statement beschouwen, gelijk Nadler deed.