Nanda van Bodegraven – Wandelgids naar vrijheid

Wandelgids naar vrijheid : filosofeer doeboek en teksten bij vrijheidvanamsterdam.nl / Nanda van Bodegraven ; redactie Jeroen Hoogerwerf. – [De Meern] : Levendig Uitgever, [2020]. – 96 pagina’s : illustraties ; 23 cm ISBN 978-94-917407-7-0

De filosofe, publiciste en trainer Nanda van Bodegraven nam het initiatief om tien filosofische stoeptegels in het centrum van Amsterdam aan te laten brengen. Dit boek geeft achtergrondinformatie bij twee filosofische wandelingen daarlangs: een over het ontstaan van de vrijheid in Amsterdam en een van Descartes naar Spinoza. De informatie (gericht op kinderen) en wandelingen nodigen kinderen uit om zich zowel bewust te worden van de wortels van onze vrijheid als na te denken over dit begrip in het verleden, nu en in de toekomst. De auteur beperkt zich tot de zeventiende eeuw (alhoewel de zestiende eeuwer Coornhert een paar keer nadrukkelijk wordt genoemd), met de nadruk op Spinoza en waaiert daarbij soms ver uit, bijvoorbeeld over wat Spinoza las (Bacon). Bevat enkele schoonheidsfoutjes en soms zou je een ander monument verkiezen; zo is de Alteratie in de Oude Kerk nog zichtbaar in een tekst op het koorhek. Fraai vormgegeven, met invulvragen en opdrachten. Zie ook www.vrijheidvanamsterdam.nl voor (gratis) audioversie, route en (uit te vergroten) plattegronden. Leuke wandelgids over het thema vrijheid. Voor leerkrachten, of (groot)ouders, om met kinderen van ca. 10 t/m 13 jaar al filosoferend te lopen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Grappig en gruwelijk tegelijk

Tijdens een HOVO-cursus over ‘Samuel Beckett – de laatste modernist’ (najaar 2020) kwam docent Ron Hoffman er – zoals hij zelf zei – niet onderuit Becketts beroemdste toneelstuk Waiting for Godot te behandelen. Het is een stuk dat langs veel schurkt: absurditeit, existentie, de Tweede Wereldoorlog. En niet in de laatste plaats humoristisch is.

Relatief lang bleven we stilstaan bij de beroemde monoloog van Lucky. Daar verschilden de meningen over. Een van de cursisten, een psychiater, beschouwde het als een uiting van een taalverwerkingsstoornis. De docent zag het eerst en vooral als een parodie op academische prietpraat, met zijn ‘quaquaquaqua’ en ‘acacademy’.
De monoloog schurkt ook langs de uitzichtloosheid in en direct na de Tweede Wereldoorlog. Nee: het gáát niet óver de oorlog, maar het speelt wel een rol. De monoloog is grappig en gruwelijk tegelijk, aldus Hoffman.

Het zaadje was gezaaid. Op het moment dat ik Waiting for Godot las, las ik de lezing ‘Aan de grenzen van de geest’ van Jean Améry in het door Arnon Grunberg samengestelde en ingeleide boek Bij ons in Auschwitz (Em. Querido’s Uitgeverij, 2020). Améry’s stuk begon ook langs het stuk van Beckett schurken.
Beckett heeft de tekst niet gekend, want deze is na Waiting for Godot geschreven. Het is dan ook alsóf ze door de thematiek met elkaar in gesprek gingen, als ware het dat er een bepaalde geestesgesteldheid in naar voren komt die dezelfde is. Die door de Tweede Wereldoorlog is gevoed.

Améry begint zijn lezing ‘Aan de grenzen van de geest’ met een opmerking die een vriend uitsprak, toen hij vertelde dat hij het over de intellectueel in Auschwitz wilde hebben: heb het zo min mogelijk over Auschwitz en zoveel mogelijk over ‘de intellectuele kwestie’. Maar hij kan niet om ‘de gruwel’ heen.
Om te beginnen geeft Améry een definitie van een intellectueel: ‘Een mens die binnen een zo ruim mogelijk geestelijk referentiekader leeft’. Hij plaatst zo’n intellectueel ‘in een omgeving waar het er voor hem op aankomt de werkelijkheid en de werkingskracht van zijn geest te harden of nietig te verklaren’.

Aan het eind van de monoloog bij Beckett trekt Vladimir, de intellectueel in het stuk, de hoed van het hoofd van Lucky, de werker. Lucky zwijgt en valt. In Auschwitz waren veel intellectuelen volgens Améry niet in staat te werken. Zelfs ‘Mutsen af!’ kregen ze met moeite voor elkaar, omdat ze niet gewend waren onderdanig te zijn zoals Lucky.

Aan zijn intellectuele bagage had de gevangene in Auschwitz in sociale zin niet veel, en zelfs de transcendente ervaring ervan viel weg. Dat ervoer Améry toen hij bij het zien van een vlag, die bij hem een strofe van Hölderlin opriep; ‘het gedicht transcendeerde de werkelijkheid niet meer’. Dat had misschien alleen gekund, als hij een kameraad had gehad, zoals Vladimir Estragon. En dan nog: toen Améry een filosoof van de Sorbonne ontmoette, gaf deze alleen ‘eenlettergrepige, mechanische antwoorden en verstomde tenslotte helemaal (…). Hij geloofde gewoonweg niet meer in de werkelijkheid van de geestelijke wereld en weigerde het intellectuele spel te spelen’.

In Auschwitz ontdeed de intellectueel zich ‘van het traditionele filosofische idealisme’. En Améry citeert in dit verband Karl Kraus: ‘Het woord ontsliep toen die wereld ontwaakte’. Dat is het wat Lucky ons mijns inziens óók laat zien en horen.

 

Link naar de monoloog van Lucky, gespeeld door Billy Crudup: https://www.youtube.com/watch?v=eGQToJ9RR-4

 

 

‘Het mysterie stelt zich voor’

En weer is er een bijdrage die ik voor de website 8weekly.nl schreef, die met een boekje dat ik onlangs las aan de haal gaat. En met een eerdere blog, van 17 september jl. over Calder.
En met een toegift: een kunstwerk van Joana Vasconcelos.

De Zesde van Beethoven
De bijdrage ging over de aanrollende donder in de Zesde symfonie van Ludwig van Beethoven. Ik was er bang voor, écht bang. ‘Heel raar eigenlijk’, schreef ik, ‘want in het echte leven was ik als kind niet bang voor onweer. Ja, ik werd ’s nachts wakker gemaakt als het onweerde en we bleven in de huiskamer zitten tot de bui was weggetrokken. De spanning werd al minder als de tussenpozen tussen lichtflits en donderslag langer werden, maar ik wachtte rustig af tot ik weer naar bed mocht. Het onweer in de Zesde symfonie kon echter niet gauw genoeg overgewaaid zijn. Ik had er de pest in als de langspeelplaat weer (…) op de speeltafel werd gelegd. Het was wéér griezelen geblazen.’
En ik vroeg me verderop in deze Special af, of ik ook echt onweer hoorde, ‘of toch iets anders, iets dat misschien dieper gaat?’

Maarten Luther
Het antwoord had ik niet. Nog niet, want nu valt het me zomaar toe in het boekje Meditaties van de ziel van de theoloog Marcel Barnard. Hij heeft het in de tweede meditatie, ‘Het mysterie stelt zich voor’, over de hervormer Maarten Luther, die ‘een overdonderende presentie ervaart in een daverend onweer, als hij schuilt onder een boom in het veld. Hij interpreteert het als de stem van een verschrikkelijk en genadeloze godheid’ (p. 22).
Dát moet het ten diepste zijn geweest, als ik op zondagmiddag (!) naar de Zesde, de Pastorale van Beethoven luisterde en griezelde. Het past helemaal bij de angst die ik als kind had voor God, voor het eindoordeel dat naar mijn idee nabij was in het bijzonder. Hoe zou het dan komen, met mijn vader, mijn moeder, met mij, met de hele wereld uiteindelijk?

Een mobile van Calder
Maar gelukkig stond daar ook iets tegenover. Ook daarover schreef ik een Special, en daarover ging het in de blog van 17 september jl., de overlijdensdatum van mijn moeder. Ook Marcel Barnard kent het: een ervaring in een museum. Hij met zijn vader, ik met mijn moeder. Hij in het Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, ik in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Voor hem was het (waarschijnlijk, schrijft hij) werk van Peter Struyken, voor mij een mobile van Calder, maar de ervaring was vergelijkbaar. Op een gegeven moment stelde God ‘zich present in de ruimte van de kunsten’ (p. 23). Wat Barnard daarna schrijft, herken ik dan weer niet, want het komt mij toch een beetje te dicht in de buurt van het tegenover elkaar plaatsen van de God in het Oude- en de God in het Nieuwe Testament, de God ‘die het donderen al had verleerd en al een menselijke maat had aangenomen’.

Joana Vasconcelos
Ik zag wel voor me hoe de kleine Marcel in die museumzaal ‘op de grote eerste verdieping van het museum’ staat en er ‘zich een cocon van stilte’ om zich heen spint: ‘Ik word in een zuil van licht gewikkeld, het geroezemoes verdwijnt, de mensen om mij heen worden vage schimmen, ze lossen op in het niets’ (p. 21). Ik moet bij deze beschrijving denken aan een kunstwerk dat ik verleden jaar in de Kunsthal in Rotterdam zag: van de Portugese kunstenares Joana Vasconcelos (1971). Een rode cocon als de gedaante van een mens, die op de muziek van een Spaanse dans rond draaide. Een dans, – daar heeft Barnard het ook over, waarbinnen hij wordt getrokken, ‘de dans van die vreemde en paradoxale God’ (p. 18). Zo is het.

Link naar de Special over Beethovens Zesde symfonie: https://8weekly.nl/special/griezelmaand-de-aanrollende-donder/

Link naar het kunstwerk van Vasconcelos: https://www.youtube.com/watch?v=CoED3_K8YA8 (vanaf 3’05”)

Marcel Barnard: Meditaties van de ziel
Uitgeverij Vesuvius, 2019
ISBN 978-90-8659-805-2
Prijs: € 14,50

Sleutelen aan het DNA

Op het eerste gezicht hebben ze niets met elkaar te maken: het klappen voor onze zorgverleners tijdens de eerste coronagolf en de schuldbelijdenis van de Protestantse Kerk Nederland (PKN) voor de houding van de kerken voor, tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog, maar bij nader inzien valt er een wrang verband te ontdekken. 

Applaus
A.F.Th. van der Heijden heeft in zijn roman Mooi doodliggen (uitg. Querido, 2018) een essay-achtig hoofdstuk opgenomen over het fenomeen ‘klappen’ (hoofdstuk XL). ‘Mensen’, schrijft hij, ‘zijn verzot op applaudisseren, en ze klappen liever voor een ander dan zelf de ovatie in ontvangst te nemen. Ze zijn nu eenmaal geboren met twee handen, en zolang ze niet aan parkinson lijden, passen die als schelphelften op elkaar’. Het voelt goed, klappen: ‘actief deel te hebben aan dat machtige applaus! die dankbare ovatie! dat collectieve, luidruchtige totaalcompliment!’ Tot zover over het applaus.

Schuldbelijdenis
De PKN heeft op de zondag aan de vooravond van de Kristallnacht (9 op 10 november 1938), bij monde van scriba René de Reuver in de Rav Aron Schuster synagoge in  Amsterdam een verklaring, een schuldbelijdenis uitgesproken. Hierin wordt gesteld, dat de kerk voor, tijdens en direct na de Tweede Wereldoorlog tekort heeft geschoten. Dat voelt voor sommigen goed, voor anderen – met name kinderen van verzetsmensen – op voorhand niet, hoewel rabbijn ir. Ies Vorst tijdens zijn indrukwekkende toespraak een naam uitsprak, die voor mij voelde als stond hij voor velen: die van ds. Bos uit Rijsbergen.

DNA
En nu komt de overeenkomst. Van der Heijden spreekt op een gegeven moment over het DNA, waaraan Grigori, het hoofdpersonage in zijn roman, wat zou willen ‘versleutelen en het zo de wereld uit helpen’. Trudie van der Spek, woordvoerder van de werkgroep Vanuit Jeruzalem, heeft het in een ingezonden stuk in Trouw (31 oktober jl.) over het DNA van de kerk: over foute theologie die ‘in de 21ste eeuw het DNA van de kerk [is] gaan heten’. Wat heet: die anti-judaïstische theologie is nog steeds niet verdwenen, antisemitisme ook niet; René de Reuver sprak in dit verband over het zondigen tegenover God en de mensen, al zou een jood dat net andersom zeggen.

Te vaak hoor je het nog open en bloot vanaf de kansel of lees je het terug in een boek van een theoloog van wie je het op het eerste gezicht niet verwacht. Ik schrik er elke keer nog steeds van. Het was de reden voor een inmiddels overleden vriendin om destijds de kerk te verlaten, en dat kan ik begrijpen.

Woorden én daden
Met andere woorden: je kunt wel heel hard klappen voor het zorgpersoneel, – je kunt wel schuld belijden (het zijn géén excuses, zoals de historicus Wim Berkelaar tijdens een tv-uitzending van Jacobine op 2 meende), maar als je er niet naar handelt, is het hooguit een aanzet. Zolang het zorgpersoneel geen cent méér krijgt, in de maling wordt genomen door feestvierende mensen die alle coronaregels aan hun laars lappen, – zolang er zondags op de preekstoel, in boeken en artikelen nog steeds ideeën leven zoals over de jaloerse, wraakzuchtige God van Tenach en de liefdevolle God van de Evangeliën, alsof er twee zouden bestaan: een joodse en een Christelijke, dan gaat er iets fout.[1]

Aanzet
Het begin is er, en op het indrukwekkende moment van uitspreken van de schuldbelijdenis hadden zo’n 630 mensen ingeschakeld op de livestream door het Centraal Joods Overleg (CJO).

Het is een aanzet, waar het CJO bij monde van de voorzitter, Eddo Verdoner, blij mee is. ‘Het is een mooi en welkom gebaar van vriendschap’, aldus Verdoner, die vond dat de kerk een stap heeft gemaakt.
Een begin, een aanzet, en stap, want deze woorden moeten worden gevolgd door daden; dat is nu eenmaal een eenheid: dabar (woord én daad in het Hebreeuws). Woorden moeten gebeuren. Zo zit dat Bijbels gezien nu eenmaal in elkaar.

Een aanzet om, – zoals ds. Ad van Nieuwpoort in diezelfde uitzending op 7 november jl. van Jacobine op 2 terecht zei -, te helpen voorkomen dat het wéér gaat gebeuren. Dat kan alleen als de kerk, net als Grigori wilde, gaat sleutelen aan zijn DNA. Dat is de opdracht die er nu ligt.

Link naar de volledige tekst van de verklaring: https://niw.nl/kristallnachtherdenking-verklaring-van-de-protestantse-kerk-in-nederland-over-erkenning-van-schuld/ 

 

[1] Zie bijvoorbeeld een artikel van Wim Berkelaar: https://www.trouw.nl/nieuws/het-ethisch-reveil-van-albert-camus~baaf87f5/ waarover ik met hem een felle discussie op twitter heb gevoerd, want ik mag en kan hierover niet zwijgen. Vergelijk met mijn blog over diezelfde Camus: https://elsvanswol.nl/een-vergeten-aspect-van-albert-camus/ Inclusief literatuurverwijzingen.

 

 

Orde scheppen

Orde scheppen : essays over liefde en lijden / onder redactie van P. Adriaens, R. Breeur, L. Lauwaert & S. Symons. – [Nijmegen] : Vantilt, [2019]. – 231 pagina’s ; 22 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-600-4469-4

Bundel essays waarin dertien auteurs hulde brengen aan het denken van de bekende Vlaamse filosoof Paul Moyaert (1952) ter gelegenheid van diens emeritaat als hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de Katholieke Universiteit Leuven. Zij doen dat binnen de domeinen wijsgerige antropologie, psychiatrie en religie. Het boek is conform die driedeling opgebouwd. Een veelzijdigheid die niet alleen voor Moyaert in het bijzonder, maar ook voor feestbundels in het algemeen kenmerkend is. De onderwerpen lopen uiteen van onder meer uchronie (wat als …), de meerduidige gedichten van Lucebert en Kouwenaar, homoseksualiteit bij vrouwelijke adolescenten, meervoudig gehandicapten, Kant, Foucault, terreur en religie tot Franciscus van Assisi, Kierkegaard en Hans Keilson. Het overgrote merendeel van de essays is in toegankelijke taal geschreven. Met eindnoten, literatuuropgaven en personalia.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.