‘Een exodus, een revolutie’

De theoloog en Islamkenner Anton Wessels vervolgde zijn inmiddels afgesloten  cursusochtenden Koran lezen met Tenach en Evangelie voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) – dit seizoen via Zoom – als vanouds met veel verwijzingen naar allerlei boeken.
Zo wees hij een keer op de Grunbergbijbel van Arnon Grunberg, die ik ook in de kast heb staan. Het boek kon niet geheel zijn toets der kritiek doorstaan. Heeft Grunberg het wel helemaal begrepen, vroeg Wessels zich af. Neem alleen al dat hij spreekt over twee revoluties: die van het Oude- en die van het Nieuwe Testament. Er is toch alleen maar sprake van één revolutie, die van zowel het Oude- en het Nieuwe Testament als die van de koran? 1)
Alle drie de boeken zijn voor een goede uitleg van elkaar afhankelijk. En dat is dan geen dogmatische uitleg, want daartegen stelde Mohammed zich juist teweer. Dat is er een vanuit Tora en de Profeten, die bij Grunberg missen.

Iemand zei ter afsluiting van deze cursusochtend, dat hij de Grunbergbijbel ter hand ging nemen. Ik ging verder met ‘een verklaring van het boek Job’, zoals de ondertitel van het nieuwe boek van Dick Boer luidt. Ik stuitte in dit boek, Job redt de NAAM, op een schitterend hoofdstuk onder de titel ‘Twistgesprek: de evolutietheorie van de kameraden tegenover Jobs vasthouden aan de revolutie’ (p. 60-64). Wéér dat begrip ‘revolutie’. Elders in het boek noemt Boer dit: ‘een exodus, een revolutie’ (p. 141). En wéér die eenheid van Oude- en Nieuwe Testament. De koran blijft hier overigens buiten beeld.

Genade
Dick Boer wijst op het protestantse adagium sola gratia (genade alleen). Mijn vader nam het vaak in de mond en het raakte mij elke keer diep wanneer hij dat zei. Boer stelt echter, dat het uit elkaar rukken van Tora doen en het ‘door het genade alleen’, ten diepste anti-joods is. Ik schrok ervan, maar als je het tot je door laat dringen, is het ontegenzeggelijk waar, net zoals er maar één revolutie is. Deels waar, maar daar kom ik nog op.2)

God ‘geeft Tora’, schrijft Boer, ‘opdat deze gedaan wordt, niet uit eigenbelang maar in het belang van de verworpenen der aarde die uit de Tora naar de vrijheid geleid zullen worden’. Aan het begin staat het geschenk van de Tora, aan het eind het doel van de Tora. ‘Daar tussenin, in de tussentijd, komt het op het doen aan’. De auteur benadrukt op het eind van zijn boek, dat het sola gratia ‘geen eenzijdige daad van God [is], geheel los van het doen van de mens’ (p. 194). Je moet Tora doen, maar je kunt – denk ik – ook teveel van jezelf eisen.

Genade is inderdaad een werkwoord, maar het is en blijft wel een troostend woord voor als je tekort schiet in dat arbeiden op de akker van de Heer. Je ervaart – volgens ds. Johan Visser, predikant van de Noorderkerk in Amsterdam in een interview met Matthijs Hoogenboom (op de website van de Protestantse Kerk Amsterdam, 6 mei jl.) – ‘dat iets van goedheid je wordt toegeworpen. (…) Er zit ook iets van het [joodse] gein in, (…) dat al ons streven en drukdoenerij doorbreekt en relativeert. Een onverdiende vreugde die over je komt. Volgens mij is dat ergens de kern van geloven’.
Of – misschien – één van de kernen, zoals een ei soms twee dooiers kan hebben: exodus/revolutie én genade.

1) ‘Een stille revolutie’ noemde ds. J.H. Uytenbogaardt het tijdens zijn preek op Eerste Pinksterdag in de Bethelkerk in Amsterdam: de voetwassing op Witte Donderdag. En hij refereerde aan het Taizélied Ubi caritas uit Taizé: ‘Ubi caritas et amor / ubi caritas, Deus ibi est’ (‘Waar vriendschap en liefde is, daar is God’, Lied 568 uit het Liedboek).
2) In dit verband wijs ik ook op de uitleg die Max Brod gaf aan de roman Het slot van Franz Kafka: als beeld van Gods genade, die de mens niet door eigen inspanning kan verwerven.

Karl Jaspers bij de HOVO Amsterdam (III)

Het gebeurde tijdens het zesde college in de HOVO-cursus over Karl Jaspers. De docent gebruikt liever de term ‘narratief’ in plaats van ‘transcendentie’. Eén van de deelnemers vraagt, of het narratief bij Jaspers niet eerder in de verhalen uit de Bijbel ligt. De docent antwoordt, dat daar binnen de Protestantse Kerk Nederland (PKN) een naam voor is, maar het is haar ontschoten welke [later bleek  eigenlijk tussen de regels door, dat iemand haar ‘liberaal christendom’ heeft ingefluisterd]. Ik suggereer tijdens het college in de chat ‘Amsterdamse School’ wat bij enkele andere deelnemers herkenning oproept. Eén zegt dat dit al lang achterhaald is, een ander verwijst naar het Parabelproject. Blogs over vroegchristelijke en vroeg-rabbijnse parabels. Niet zo gek, want ook Jaspers zocht het in die richting. Al met al reden genoeg om mijn aantekeningen van een studiemiddag op 25 juni 2018 in De Nieuwe Poort Amsterdam er weer eens bij te pakken; een studiemiddag onder de titel De Amsterdamse School in debat.

De essentie
De eerste inleider was Ad van Nieuwpoort, predikant in Den Haag en voorman van de Nieuwe Bijbelschool. Hij begon met het citeren van een uitlating van de vader van de Amsterdamse School, Frans Breukelman: ‘Hou nou toch eens op met die Amsterdamse School!’ Van Nieuwpoort ging erop in, dat de Schrift zelf het raam is waarbinnen de Schrift wordt uitgelegd, en dat de exodus daarbij het uitgangspunt is. Voor zowel Tenach als het Nieuwe Testament. ‘Het tot verstaan komen kan niet zonder een verhaal (exodus)’ schreef mijn wijkpredikant recent – en zij is niet grootgebracht binnen de Amsterdamse Schooltraditie, dus dit is geen uitgangspunt dat door deze traditie kan worden geclaimd.

Tijdens de aansluitende discussie, werden sommige essenties nader aan- en ingevuld. Eén ervan was (Jaspers zou ook dit (h)erkennen), dat de aanhangers hiervan Tenach serieus nemen. F.J. Hoogewoud, oud-bibliothecaris van de Rosenthaliana in Amsterdam, heeft eens de volgende kenmerken van het Amsterdamse School-denken samengevat: aandacht voor de literaire kanten van de Bijbel, voor de historisch-kritische (zoals bij E.L. Smelik), voor de Bijbels-theologische én voor de liturgische (Dirk Monshouwer, predikant aan De Eshof in Hoevelaken, zie foto).

Joodse en christelijke Schriftuitleg
De tweede spreker was Marcel Poorthuis, een kenner van zowel de joodse als de christelijke exegese. Hij stelde terecht, dat je de joodse wijze van Bijbeluitleg als christenen niet zonder meer mag overnemen. Zij staan in een asymmetrische verhouding tot elkaar. Monshouwer zag, in tegenstelling tot Karel Deurloo, niet Exodus maar Leviticus als de kern waarom alles draait: ethisch-joods en universalistisch-christelijk. Beide gestalten zijn, aldus Franz Rosenzweig, noodzakelijk voor de ene waarheid. De Schrift die de Schrift uitlegt, kwam bij Poorthuis terug in Genesis 1 en Spreuken 8. Dit zouden we nu intertekstualiteit noemen. Een waaier aan betekenissen (narratieven zou de HOVO-docent zeggen), dat wat je met Jaspers transcendentie zou kunnen noemen: ‘Een verhaal is nooit uitputtend verklaard en gaat boven zichzelf uit’, waarbij je de hermeneutiek niet zomaar terzijde kunt schuiven.

Do’s and dont’s
Na de theepauze kwam Peter-Ben Smit aan het woord. Hij is hoogleraar contextuele Bijbelinterpretatie aan de Vrije Universiteit (Amsterdam), bijzonder hoogleraar vanwege het Oud-Katholiek Seminarie aan de Universiteit Utrecht. Hij formuleerde wat de aanhangers van de Amsterdamse School wel en niet zouden moeten doen. Tot het eerste hoort onder meer de nadruk op het literaire van de Bijbel, zoals hij dat ziet bij rabbijn J.L. Palache en hoogleraar M.A. Beek en op de verbinding tussen Tenach en Evangelie. Tot de don’ts behoren volgens Smit de polarisatie en elitevorming zoals hij die ziet in de kritiek die is geuit op de Nieuwe Bijbelvertaling, en die hij niet verheffend vindt, het idiolect vertalen, wat soms wringt, en het negeren van de lezer en de context (de tekst mag het zeggen, niet: moet het zeggen). Er zit niet alleen een wereld vóór de tekst, maar ook een wereld áchter de tekst en die krijgt volgens hem te weinig aandacht.

Kortom: de Amsterdamse School is alive and kicking, met alle kanttekeningen die je erbij kunt plaatsen.

Lees ook: https://leerhuisamsterdam.org/verslagen/verslagen-2020/de-tekst-mag-het-zeggen/

Het Koninkrijk Gods

Bij uitgeverij Aspekt verscheen het boek De Grande Finale van Anton Wessels, over de Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran. Dit boek is gebaseerd, oftewel een uitwerking van een cursus die de theoloog Wessels in 2018 gaf voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Ik woonde deze cursus bij en heb er aantekeningen van gemaakt. De aantekeningen van één ochtend, 17 november 2018, de tweede over ‘Wie zeggen de joden, christenen en moslims dat ik ben?’, heb ik hieronder als blog uitgewerkt.

De eerste keer, op 3 november 2018, had Wessels het Evangelie van Marcus als uitgangspunt genomen; het is het enige evangelie dat de Koran ook als zodanig erkent. Eén van de bronnen die Wessels benoemde, is het boek Marcus als tegenevangelie van Egbert Rooze (uitg. Halewijn, 2012).
Twee weken later vervolgde Wessels zijn betoog met Marcus 8, dat begint met de notie van de Mensenzoon. Jezus is huiverig voor de titel ‘Messias’, want dat zou tegen Rome en Pilatus ingaan.[1] Mensen-zoon geeft een verhouding weer: die tussen mens en Zoon.

Deze notie dien je in de context van het Oudtestamentische boek Daniël te plaatsen, waar dit woord ook belangrijk is (Daniël 7:13). De Willibrordvertaling is in dit verband belangrijk. De Mensenzoon vertegenwoordigt de menselijke heerschappij ten opzichte van alle dieren die worden genoemd. De vier grote dieren zijn de vier koninkrijken die de aarde zullen beheersen (vs. 17).

Het Koninkrijk Gods is met kracht gekomen, lezen we in Marcus 9:1. Het zijn de zachte krachten die zullen winnen. Het is geen spektakelstuk. Maar wat dan wel?
Het Koninkrijk is gekomen met de dood van Jezus aan het kruis (verleden tijd!). Dat is een onthullend, openbarend moment en een appèl om Hem te volgen, het kruis op te nemen en anderen te redden.

Dit is een herverstaan, of een opnieuw verstaan van het Evangelie en de Koran. De komst van het Koninkrijk zet zich door op een niet-gewelddadige manier. Het proces gaat verder in de Koran, zoals Kronieken Koningen opnieuw probeert te lezen.
Het kernverhaal blijft echter Exodus, het op weg gaan naar een nieuwe aarde. Dan kunnen joden, christenen en moslims samen Pasen vieren.

Het zijn de teksten van Henriëtte Roland Holst (over de zachte krachten), het zijn liederen (van Mozes en Mirjam) en de poëzie van een Willem Barnard (‘Een mens te zijn op aarde’) die ons helpen de Schriften te verstaan: Tenach, Evangelie en Koran.

Anton Wessels: De Grande Finale
De Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran
Uitgerij Aspekt
ISBN 9789463388924
Prijs: € 35,–

 

Met dank aan Anne-Marie Visser die mij op deze uitgave attent maakte.

[1] Iets soortgelijks vertelde ds. Paula de Jong tijdens een Bijbelkring in de Nieuwendammerkerk te Amsterdam: zinsneden als ‘Zie, dat gij niemand iets zegt’ (Marcus 1:44) en: ‘En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken’ (Marcus 3:12) hebben ook met onder andere angst voor de Romeinen te maken.

 

Drieluik

Ik heb de afgelopen tijd veel voor- en napret – nu voor en na de lezing die componist/muzikant Christiaan Verbeek, die ik eerder interviewde voor Kerk in Mokum, vandaag hield in de Keizersgrachtekerk, en voorpret voor de lezing van Martien Brinkman over ‘Koplands aardse mystiek’ in de Amsterdamse Thomaskerk (11 december a.s.), met declamatie (Pieter Jan Mellegers) en muziek (Rembrandt Frerichs, piano en Hermine Deurloo, mondharmonica).
Vandaag de lezing van Christiaan Verbeek. In drie aandachtspunten – de aandachtspunten die hijzelf benoemde als zijnde de onderdelen van het gedicht Aan het grensland I van Rutger Kopland, dat hem inspireerde voor een gelijknamig muziekstuk dat hij besprak en liet horen.

  1. Nu

Je kijkt over het land de ontelbaarste keer
in je leven naar waar het ophoudt

je zegt ons dit is het grensland
het laatst van de aarde hier om ons heen

Verbeek werd tijdens het compositieproces van genoemd werk geïnspireerd door de Hors op Texel (zie afb., ontleend aan zijn website). Het grensland waar land overgaat in zee en in lucht.
Ik moest denken aan de predikant, schrijver en (amateur)organist Henk Vreekamp, over wie ik een boekje schreef dat binnenkort uit zal komen bij uitgeverij Kok-Boekencentrum. Voor hem was het grensland het Kootwijkerzand. Pars pro toto staan zowel de Hors als het Kootwijkerzand voor Eden aan de ene kant en voor de Exodus aan de andere kant, voor hemel en voor aarde.
Ik schreef: ‘Met Israël worden de volkeren uitgenodigd om als pelgrim tijdens het Loofhuttenfeest op te gaan naar Jeruzalem, dwars door de woestijn, – met blote voeten door het Kootwijkerzand, zoals Vreekamp dat in zijn Veluwe-trilogie pars pro toto beschrijft, zoals Kana voor hem de voorsmaak van Kanaän was en Ede in een gedicht van Jan Weiland (1894-1976) de voorsmaak van Eden. Vreekamp citeert, of liever: ontmoet onderweg Emmanuel Levinas (1906-1995) en gaat met hem in gesprek. Het is een treffend voorbeeld van lernen (in de Joodse betekenis van het woord) namelijk hoe gezamenlijk onder woorden kan worden gebracht wat een tekst te zeggen heeft, zoals Vreekamp dat ook leerde van A.A. van Ruler. “De mens”, stelt Vreekamp, “begint in de woestijn, waar hij in tenten woont en waar hij God aanbidt in een tempel die verplaatsbaar is”.’
Ik moest eraan denken tijdens de inleiding en de muziek van Verbeek – die ook in gesprek gaat, zoals straks zal blijken.

  1. Voor

je zou willen weten wat voorbij daar is
voorbij het steeds maar weer zichtbaar zelfde

je zoekt in de schimmige einder iets als
een gezicht maar van wat of van waar

Bij deze twee maal twee regels moest ik opeens denken aan een boek waarover ik momenteel een recensie voor NBD Biblion voorbereid: Pleidooi voor een moraal der dubbelzinnigheid van Simone de Beauvoir. Met dubbelzinnigheid bedoelt ze ambiguïteit, dat zich uit in paren als goed en kwaad, vrijheid en bevrijding, onderdrukking en opstand, nut en noodzaak, mythe en realiteit, doel en middelen, dwang en democratie, ethiek en esthetiek, verleden en toekomst, en heden en toekomst. Ik proef iets soortgelijks in zowel het gedicht van Kopland als in de muziek van Christiaan Verbeek. Een gedicht dat niet voor niets Grensland heet. Niet alleen tussen hemel en aarde, maar ook tussen nu, voor en na, ethiek en esthetiek. Immers: Verbeek verbond aan het Exodus-element ook de vluchtelingen van nu, De Beauvoir verbond aan het existentialisme de moraal (ethiek).

  1. Na

je denkt aan je jeugd aan I Korintiërs 13
nu kijken we nog in een wazige Spiegel

maar straks staan we oog in oog

Oog in oog is, zoals Verbeek het uitlegde: oog in oog met Arvo Pärt, de door hem bewonderde componist voor wiens 80ste verjaardag hij dit stuk voor Cello Octet Amsterdam schreef, oog in oog met Kopland, op wiens tekst hij zijn werk baseerde, maar ook oog in oog met zichzelf (‘Christiaan Verbeek’ staat er in het laatste gedeelte van zijn compositie tussen de notenbalken) en oog in oog met zijn publiek.
Dat bestond deze ochtend vrienden, familie en kerkgangers van de Keizersgrachtkerk. Lof viel hem ten deel, en terecht, want Christiaan Verbeek is een naam om te onthouden! En: bedankt, mensen van de werkgroep Morgendiensten van de Keizersgrachtkerk, voor deze fijne morgen!

Klik hier voor mijn interview met Christiaan Verbeek (pagina 5): https://www.protestantsamsterdam.nl/pdfs/kerk-in-mokum.pdf

Klik hier voor de website van Christiaan Verbeek: http://www.christiaanverbeek.com/

Met een boek in het achterhoofd

De afgelopen weken werden gekleurd door het intensief lezen van de twee romans van Milena Michiko Flašar: Een bijna volmaakte vriendschap en: Meneer Katō speelt familie. De laatste komt begin september uit bij Uitgeverij Cossee; ik mocht het al ter recensie lezen. Een recensie die uiteraard na verschijnen van het boek zal worden gepubliceerd op de website van Literair Nederland.

Het speelde zó door m’n hoofd, dat het vanmorgen bij het bezichtigen van de tentoonstelling ‘Kunst om niet te vergeten. Naoorlogs werk uit eigen collectie’ in het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam (verlengd tot 16 september a.s.) bleef doorwerken.

Eerst Flašar. In haar romans gaat het om de tekorten van het leven, dat zij in haar stijl laat doorklinken met onaffe zinnen (in Een bijna volmaakte vriendschap) als: ‘Ze zeggen dat’, ‘Maar ik’, ‘Toen je me vroeg of ik kinderen’ en ‘En dan’. In haar tweede roman zijn dat soort zinnen iets meer aangevuld, uitgewerkt: ‘In de zijstraat. Niets verrassends’, ‘Wat anders. Wie zal het zeggen?’. De flarden zijn nu aaneengesmeed, als zoeken ze verbinding, contact met elkaar.

Beide elementen kwam ik tegen in enkele werken op genoemde tentoonstelling in het Joods Cultureel Kwartier. Eerst dat van het onaffe, de open gelaten vormen.
Het begon al met Exodus (1950) van Wessel Couzijn, die na de oorlog met open vormen werkte, wat toen nog relatief weinig werd gedaan. Met uitzondering natuurlijk van bijvoorbeeld De verwoeste stad in Rotterdam van Ossip Zadkine uit dezelfde tijd. En het ging verder met de gaten op de Abstracte composities (1949) van Greet van Amstel.

En andere symbolen die hetzelfde lijken te willen uitdrukken, zoals de figuur zonder gezicht op Frieda Tas-Herzbergs Bergen-Belsen (1947), of het personage met een arm (Concentratiekamp I, 1950) of helemaal geen armen (Concentratiekamp II uit hetzelfde jaar) van Jules Chapon.
Of door de lege kas(t) van wellicht een klok op Patience (1949) van Jaap Kaas: dat wat erop of erin zit, lijkt op de slinger van een uurwerk. Of op een zwaard. Beide zeggen genoeg: ze slaan op de vergankelijkheid van het leven, een onttakelde wereld. Het kansspel dat dood heet.

Maar ziedaar: de andere kant van de leegte en het onaffe, zoals dat ook in de tweede roman van Flašar naar voren komt: de leegte die tevens ruimte en rust uitdrukt, en een verlangen naar menselijk contact, zoals in het werk van Agmon van der Veen: Genummerd menselijk landschap (1970-1975), geruime tijd na de Tweede Wereldoorlog gemaakt.

Ook geruime tijd na de verschrikkingen ontstond De kosjere slachter (1983) van Harry Visser (zie afb. hierboven, van de website van de kunstenaar): hierop lijken de rails die in Auschwitz naar het hoofdgebouw voeren op een trap zoals Armando hem vormgaf: je kan er op afdalen, maar ook op klimmen. De kop van de slachter doet denken aan koppen van Francis Bacon, vervormd en met één oog dicht. Op die manier uit twee helften bestaand, zoals op het schilderij Liberation (1990) van Marlene Dumas.

Zomaar een greep van enkele van de vele indrukwekkende werken die momenteel in het Nationaal Holocaust Museum zijn te zien. Gá ze zien, al dan niet met ander werk, of een boek, in het achterhoofd of op het netvlies.

Leren maar

Even na half augustus verschijnt een Zomercolumn van mij op literairnederland.nl (link komt hier). Het onderwerp is ‘Contrapuntisch lezen.’
Een mooi voorbeeld is een gedicht dat Adriaan Deurloo (foto links) een maand en een dag na het overlijden van zijn zoon Ruben schreef, en een gedeelte uit de studie over Spinoza van Kees Schuyt (foto rechts) die ik onlangs op deze blog besprak.
Eerst het gedicht, dan het gesprek met Spinoza en Schuyt.

Besef steeds weer, steeds
meer dat leven leren is.
Dat leren je verweer
is tegen het gemis,
’t inbrekende verdriet
om wie jou achterliet.

Leren dat leven van
de moederschoot af aan
feitelijk niets anders dan
steeds afscheid is, weg gaan
uit de vertrouwde kring.
Jij moet de leegte in.
Jij moet in de woestijn
weer leren wat jou zijn
opnieuw betekenen moet.

Het helpt daarbij wel goed
het als ontdekkingstocht,
’n reis naar ’t beloofde land
te zien – kort door de bocht
misschien, ja zelfs pedant.
Maar – merk je als je ’t doet,
het geeft de burger moed.

Dus leren maar. De vragen
verduisteren je kim.
Maar plotseling gaat het
dagen.
Je houdt je adem in.

Het is niet een gedicht over Spinoza, laat dat duidelijk zijn, maar er valt wel veel van diens denken in terug te vinden. Voor mij dan, want ik weet niet of Deurloo wat met Spinoza heeft; ‘zijn’ filosoof is Joh. Georg Hamann (1730-1788).
Het gedicht van Deurloo gaat een weg die niet alleen doet denken aan die van Spinoza met zijn drie stappen: de imaginatio (verbeelding), ratio (rede) en intuïtie (inzicht), maar ook aan zeven punten die Schuyt noemt (p. 252-253). Natuurlijk zijn er ook wezenlijke verschillen en die maken het gesprek uit.

Leren is volgens Deurloo verweer tegen gemis. Interessante vraag daarbij is volgens Schuyt of je ’t inbrekende verdriet / om wie jou achterliet ook ‘kunt verdrijven door een heel mooi gedicht (…) te lezen of naar mooie muziek te luisteren. Spinoza vond van niet.’ Deurloo als fervent concertganger en muziekliefhebber ongetwijfeld wel, maar daar gaat het hier niet om. Ook niet over de manier van leren die Elizabeth Bishop in een door Schuyt vervolgens geciteerde dichtregel bedoelt: ‘De kunst van verliezen valt te leren.’
Het leren bij Deurloo is verwant aan het levenslange, joodse lernen, een bevrijdende Exoduservaring, weer leren wat jou zijn / opnieuw betekenen moet. Een inzicht dat, volgens Schuyt, ‘uit jezelf komt en niet meer uit (…) emoties.’

Het is een ontdekkingstocht, of zoals Schuyt Spinoza verklaart ‘mentale training.’ Die opeens kan leiden tot het ‘verdrijven van emoties.’ En dan gaat het dagen en houd je je adem in. Dat is wat Spinoza intuïtie noemt.

Licht en leven

Dank zij de Poëzieweek 2017, en alle publiciteit daaromheen, kwam ik op het spoor van de indrukwekkende debuutbundel Leger van Mieke van Zonneveld. Eerder had zij al de Turingprijs in de wacht gesleept met haar gedicht ‘Nee’, dat ook in de bundel is opgenomen.
Het is een bundel die heen-en-weer beweegt tussen leven en dood, ziekte en gezondheid, hemel en aarde, met mooie Bijbelse beelden en tal van verwijzingen naar literatuur en muziek.

 

 

Het langste gedicht heet ‘Exodus’. Op internet valt het al te vinden: https://books.google.nl/books?id=mRrgDQAAQBAJ&pg=PT27&lpg=PT27&dq=de+bomen+hangen+over+ons+met+ogen+van+Zonneveld&source=bl&ots=5EIMfizc7X&sig=5oHpeUQWEvxddR7RzN7ZsdeA3nI&hl=nl&sa=X&ved=0ahUKEwjYvePrqo_SAhXDLcAKHXgwBgAQ6AEIHDAA#v=onepage&q=de%20bomen%20hangen%20over%20ons%20met%20ogen%20van%20Zonneveld&f=false

Ik volg het gedicht op de voet en probeer eruit te halen wat er misschien in zit.
De titel moge duidelijk zijn: de uittocht, uit Egypte naar het beloofde land, uit het rijk van de dood naar het levende water. Het eerste beeld gaat over mee treurende bomen, ‘met ogen / in hun takken.’ De bomen waaraan de Israëlieten tijdens de ballingschap in Babylonië hun lieren hingen (Psalm 139:2). De ik-figuur in het gedicht ‘ging onder hun blik / gebogen, slofte in de sporen van jouw / zingen zonder woorden.’ Een nigun, een lied zonder woorden, als geneuried en gefloten door de Rattenvanger van Hamelen, die eerst ratten en toen kinderen de dood in lokte.

In het tweede couplet droomt de dode ik-figuur dat zij hangt ‘aan de klanken / die de bosgeest ons verbood.’ Die bosgeest zou kunnen verwijzen naar de Silene Marsyas, een fluit spelende collega van de Rattenvanger.

In het derde couplet is sprake van een doodstraf, en wederom van ogen, die nu overlopen van het beeld ‘van de velden in de verte / engelen in het lentelicht!’ Je ziet een beeld van Elyzeese velden voor je en je hoort in de verte weer een andere fluit: die uit Glucks opera ‘Orfeo ed Euridice.’ Maar de toegang is gesloten, het beloofde land kan wel worden gezien, maar niet betreden.

Het volgende couplet herneemt het beeld uit de Psalmen van de lier die aan de wilgen wordt gehangen, en loopt over in dat van de lier van Orpheus die ‘zucht / om lang geleden liefde / die werd uitgeblust.’ Er zijn kosmische klanken die ‘boven mensenzang verheven / licht en leven is ons woordeloos / gegeven’, zoals eerder de nigun als associatie opkwam, het Lied ohne Worte.

Het laatste couplet gaat over ‘willen liefhebben in alle talen en dat / duizendmaal herhalen.’ In woorden, in muziek. De stem van de hij-persoon in het gedicht wordt herkend als een god, ‘maar menselijk wordt nu zijn stem.’ Het is Hymeneus, de god van het huwelijk. En van de hymnen. ‘O Hymneus hoor / zijn lied.’

Op een razend knappe manier neemt het kosmische besef uit dit lange gedicht een wereldlijke wending. Wat een ontdekking: Mieke van Zonneveld! Een naam om in de gaten te houden, wis en waarachtig.

En dan is het niet verder aan jezelf

[#Beginning of Shooting Data Section] Nikon D3X 2010/09/07 12:35:09.86 World Time: UTC+1, DST:OFF RAW (14-bit) Image Size: L (6048 x 4032), FX Lens: 14-24mm F/2.8G Artist: Peter Cox Copyright: Naamsvermelding verplicht Focal Length: 20mm Exposure Mode: Manual Metering: Matrix Shutter Speed: 1/125s Aperture: F/9 Exposure Comp.: 0EV Exposure Tuning: ISO Sensitivity: ISO 100 Optimize Image: White Balance: Direct sunlight, 0, 0 Focus Mode: Manual AF-Area Mode: Single AF Fine Tune: OFF VR: Long Exposure NR: OFF High ISO NR: OFF Color Mode: Color Space: Adobe RGB Tone Comp.: Hue Adjustment: Saturation: Sharpening: Active D-Lighting: OFF Vignette Control: OFF Auto Distortion Control: Picture Control: [NL] NEUTRAL Base: [NL] NEUTRAL Quick Adjust: - Sharpening: 2 Contrast: 0 Brightness: 0 Saturation: 0 Hue: 0 Filter Effects: Toning: Flash Mode: Flash Exposure Comp.: Flash Sync Mode: Colored Gel Filter: Map Datum: Image Authentication: OFF Dust Removal: Image Comment: [#End of Shooting Data Section]

‘Een wereldstad in de zomer’, schrijft Sjoukje Wartena in een bijdrage over een Weekje Parijs aan het winternummer 2005 van Wervelingen, ‘betekent mensen uit de hele wereld, zoveel soorten lijven, zoveel variatie in maten, kleuren, lengte, levensgeschiedenissen. Dat heeft een speciale werking. We zijn allemaal anders en allemaal hebben we ons eigen lijf en ons eigen leven en ons eigen levensverhaal. Maar dát hebben we allemaal, daarin zijn we allemaal hetzelfde.’

Daarom gaat de film Trying to kiss the moon van Stephen Dwoskin wel in op diens jeugd in het ziekenhuis, maar wordt polio niet met naam en toenaam genoemd; het gaat om het universele van zijn ervaringen, gelegd naast die van anderen. Maar Marjan Teeuwen, van de prachtige architectonische installaties van verwoeste en weer door haar opgebouwde huizen (zie afb.: Verwoest Huis op Noord, 2014), doet dat wel. Voor beide is wat te zeggen. Teeuwen is aan de ene kant daardoor gewend met tegenslagen te leven, en dergelijke transformaties van gebouwen dat óók zijn, en aan de andere kant omdat ze zelf veel struikelt en de bezoekers van de gebouwen na haar ingreep moet oppassen dat ook niet te doen.
Het is in beide gevallen, van Dwoskin en Teeuwen ‘pogingen iets van dat gemeenschappelijke individueel uit te drukken, of iets van het individuele op een gemeenschappelijk herkenbare manier uit te drukken’.

‘Na al te veel mooie jonge meisjes en vrouwenlijven in brons, marmer en op schilderijen’ had Sjoukje Wartena behoefte aan ‘Degas, die vooral veel vermoeide danseresjes schilderde, backstage, met pijnlijke voeten en zo.’ Of aan ‘grijnzen bij Toulouse Lautrec’, de zelf ook lichamelijk beperkte kunstenaar ‘die zich ook uitleefde in lelijkheid.’

Ik moest hierbij denken aan de ‘Face Farces’ van Arnulf Rainer, de beeldend kunstenaar die zichzelf met drugs en alcohol in een zekere staat van waanzin bracht en vervolgens foto’s van zichzelf bekraste, met grijns en al.

Zou dat de diepere zin zijn van het Bijbelverhaal waarin God tegen Mozes zei: ‘”Leg je hand in je boezem” en toen Mozes haar eruit trok, was zijn hand melaats, wit als sneeuw’ (Ex. 4:8): om hem even te laten voelen hoe het is om melaats te zijn?
Hans den Hartog Jager ging er in een recensie in NRC Handelsblad van 23 december 2005 mijns inziens ten onrechte ervan uit dat je uit de schilderijen van Jörg Immendorff niet zou kunnen opmaken dat hij de dood in de ogen kijkt. En al die schaduwen dan? Ze zeggen voor, en volgens mij, genoeg – zelfs als je niet weet dat Immendorff de spierziekte ALS heeft.

Alle genoemde kunstenaars doen, zoals Sjoukje Wartena tot slot van haar mooie stuk schrijft, net als wij zouden moeten wel alles ‘wat je kunt doen en alles waar je wat aan kán doen: uitgaan van feiten als gezinssamenstelling, verlangens en interesses, serieus nemen van je beperkingen, grenzen daarvan zoeken, je goed voorbereiden, voorwaarden scheppen, je ervaringen delen met je geliefden. En dan is het niet verder aan jezelf.’

Blog op basis van een column in Wervelingen (lente 2006) die ik hier met toestemming (her)plaats n.a.v. een portret van Marjan Teeuwen in Kunstuur, 17 april 2016 op NPO 2.

www.marjanteeuwen.nl

Minder sympathiek

Christoffel van SwolZou Jan Pieterszoon Coen nog een nageslacht hebben? Die nazaten zullen dan nu ongetwijfeld met veel belangstelling zijn biografie van Jur van Goor, Jan Pieterszoon Coen (1587-1629). Koopman-koning in Azië ter hand nemen. Ik moet het wat mijn voorvader Christoffel van Swol (1668-1718, zie afb.), van 1713-1718 gouverneur-generaal van Nederlands Oost-Indië ‘doen’ met een minder vleiend portret op Wikipedia.
Los hiervan zullen alle nazaten van mensen als Coen en Van Swol met dit voorgeslacht in het reine zien te komen. Wat mij op weg heeft geholpen, is de filosofie van Charles Taylor (geb. 1931).
Taylor stelt zichzelf vragen die waardevol zijn en neerkomen op:

1. hoe krijgt je leven betekenis als je het verleden daarin een plaats wilt geven
2. uit welke bronnen put je als je je leven zin wilt geven.

Ik wil me niet van de minder fraaie kanten van mijn voorouderlijk geslacht losmaken, omdat ik van Justine Aalders heb geleerd dat de beroemde woorden uit Exodus 20:5 dit onmogelijk maken: ‘Ik, de Heer uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheden der vaderen bezoekt aan de kinderen, aan het derde en vierde geslacht van hen die Mij haten.’ Het woord bezoeken betekent volgens een uitleg van haar (in: Quadraatschrift, juli/augustus 1997) ‘niets anders dan “gedenken” (….). Dat wil zeggen: de kinderen kunnen verzoening doen voor de daden van hun vaders. Wat de vaders misdreven, kunnen de kinderen als het ware goedmaken door hun eigen goede daden.’ Aan het slot van haar indrukwekkende stuk, schrijft zij: ‘Durven wij de zonden van onze vaderen op ons te nemen en te trachten deze te verzoenen, opdat er barmhartigheid gedaan wordt door God aan duizenden, dat wil zeggen duizend geslachten? Zoveel groter is Gods barmhartigheid dan zijn woede; zoveel meer waard zijn ook onze goede daden dan onze slechte!’

Het is een beetje de positie die de filosoof Taylor inneemt in het filosofisch debat: hij houdt vast aan de waarde van de persoonlijke verantwoordelijkheid en hij bekritiseert het relativisme (of determinisme) door begrip voor ieders achtergrond en opvoeding een beetje tussen haakjes te plaatsen. Er is namelijk iets dat ieder individu overstijgt: ‘De achtergrond waarvan men aan het eigen leven richting geeft. De verbondenheid met dergelijke levensperspectieven ontneemt aan de morele keuzen die de enkeling maakt het arbitraire en vluchtige karakter (…). In plaats van een in een luchtledig zwevend individu is de enkeling volgens Taylor een gesitueerde persoonlijkheid; hij maakt deel uit van de kaders die hem als enkeling transcenderen’ (Victor Kal in zijn bijdrage over Charles Taylor in: Filosofie van deze tijd, uitg. Bert Bakker, 6e dr. 2002, p. 299).

Over dergelijke problemen en (on)mogelijke oplossingen, belegt de stichting Pardes onder de titel Geweld en verzoening op 7 juni a.s. van 14.00-17.00 uur een inspiratiemiddag: http://www.stichtingpardes.nl.
http://www.stichtingpardes.nl/algemeen/67/sub/94/Inspiratiemiddag-een-succes.html

Twee harten

Albert HelmanDe eerste artikelen n.a.v. het feit dat het volgend jaar twintig jaar is geleden dat ‘een van de interessantste Nederlandse letterkundigen uit de twintigste eeuw’ (Marc van Oostendorp) overleed, zijn al verschenen. In dat koor zing ik mee.

Op 12 december 2013 publiceerde ik een blog over de (film)componist Lou Lichtveld (1903-1996), nu herneem ik uit datzelfde artikel in Mens en melodie (nr. 2/2006) enkele gedeelten over de schrijver Albert Helman (zie foto), zijn alter ego.

Het is niet makkelijk je een beeld van Helman/Lichtveld te vormen, en áls je denkt een vinger achter zijn werk te hebben gekregen, dan ontglipt het je telkens weer (wat wellicht maar goed is ook!) of doemt het beeld op van twéé harten, zoals in de film Wan Pipel (1976) waarvoor Helman het script schreef.

Over twee harten gesproken: in het gedicht Pavor nocturnes bestaat één regel van de vierregelige verzen uit puntjes:

O angst, verbeten in dit zwart
dat ploffend langs mij heen blijft reppen,
als twee, verdwaald op donk’re steppen

Ach, ‘t is je hart dicht bij mijn hart.

Deze opzet heeft niet zozeer te maken met de inbedding van een muzikaal element in een gedicht, als met een bescheiden vormexperiment. Het gedicht barst niet uit zijn voegen, maar binnen de traditionele vorm zindert het, rammelt het aan de kaders.

Ook in de novelle Mijn aap schreit zit een passage die expressionistisch aandoet en waarin onder anderen de invloed van Freud doorschemert. Dit is in de tijd van ontstaan een nieuw fenomeen; als eerste Freudiaanse roman geldt Italo Svevo’s Bekentenissen van Zeno (1923). In Mijn aap schreit gaat het om een seksueel geladen droom, waarbij een naakte vrouw de ik-figuur om water vraagt. Op een binnenplaatsje vindt de ik-figuur op een voetstuk een aap van zwart basalt. De aap lijkt onmerkbaar te giechelen. De ik-figuur gooit een steen naar zijn kop, die stuk springt en tot een gloeiende steen verwordt die op zijn beurt weer een fontein vormt waaruit water welt. Binnengekomen blijkt de vrouw een gebroken schedel te hebben en kruipt de aap – een Engelstalig spreekwoord voor de duivel indachtig – opeens tussen haar knieën tevoorschijn. In de kamer wordt de kop duizend keer weerspiegeld in de grote spiegelruiten, een prent van Hendrick Golzius (1597, Rijksmuseum, Amsterdam) in veelvoud.
Het is een allegorie die op zich al een ‘duizendvoudige intensiteit’ ademt. Een binnenplaats bijvoorbeeld doet denken aan de hortus concluses, de omheinde hof uit de middeleeuwse mystiek, een slag op een steen waar vervolgens water uit komt aan de staf van Mozes die op de rotssteen te Horeb sloeg (Exodus 17). De aap is niet alleen de duivel maar primair ‘le singe de Dieu’ (Mauriac) en in die zin een zelfportret: Hel-man (als tegenvoeter van Engel-man) én kunstenaar.

Deze twee-zaamheid is kenmerkend voor Helman. Zijn hart balanceerde tussen het één of het ander, en vindt rust in het één (muziek) én het ander (literatuur).