Alicja Gescinska – Thuis in muziek

Thuis in muziek : een oefening in menselijkheid / Alicja Gescinska. – Amsterdam : De Bezige Bij, 2018. – 125 pagina’s ; 21 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-03-13850-3

De titel van dit pleidooi voor muziek als fundament van ons bestaan geeft al de gelaagdheid van de inhoud ervan weer: de van origine Poolse filosofe, schrijfster en programmamaakster Alicja Gescinska (1981) voelt zich thuis in muziek en in het bestaan. Na de vlucht van het gezin naar België bijvoorbeeld in de muziek van de Pool Chopin (thuiskomen in zichzelf), maar bijvoorbeeld ook in het lied Der Wanderer en de gelijknamige pianofantasie van Schubert (thuiskomen in de wereld). Muziek werd van het allergrootste belang in haar leven en is dat, in het kader van persoonlijke en morele ontwikkeling, voor ieder mens tot Mensch (integer, goed mens uit één stuk). Ze vraagt het aan de Poolse componist Penderecki: ‘Maakt muziek de mens en de wereld beter?’ Zijn antwoord is: ‘Nee’, net als dat van de filosoof Kant. De filosoof Max Scheler zou de vraag bevestigend hebben beantwoord. Gescinska benadert de vraag voorts via empathie (begrip, betrokkenheid), zelfontdekking en -ontplooiing, intentioneel luisteren en gedeelde muziek en werkt zo naar een ontroerend slot toe. Essay waarin regelmatig wordt verwezen naar Vladimir Jankélévitch, maar dat toegankelijker is. Tegenhanger van Waarom Chopin de regen niet wilde horen van Marlies De Munck.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Kwetsbaar én krachtig

Echt recht van spreken heb ik nog niet, net een paar maanden pensionado-zijnde, maar ik zie al wel een beetje voor me hoe het gaat (worden). ‘Dat is een klap hè’, zei een vriendin die dat moment al eerder had beleefd.

Met drie stukken in dagblad Trouw van vandaag haal ik die ervaringen weer boven. Particuliere ervaringen, die blijkbaar herkenbaar zijn. En – belangrijker nog – ik verbind er conclusies aan. Het gebeurde allemaal op één avond. Ik rekende in een winkel een kekke blouse af; de tijd dat je je als oudere in stemmige kleuren kleedde is gelukkig allang voorbij. De verkoper vroeg zich af of ik er een tasje bij moest. ‘Nee’, antwoordde ik, ‘ik heb er een bij me’. Terwijl ik mijn pinpas veilig opborg, was hij er weer met een vraag: ‘Gaat het, mevrouw?’ Ik keek hem bevreemd aan en trok een tasje uit mijn jaszak. ‘O’, zei hij, ‘ik dacht al: waar heeft u dat tasje dan’.
Oké, Op naar een theatervoorstelling. ‘Ingang A’ zei de kaartcontroleur bij de trap. Dat had ik al gezien op mijn e-ticket, maar toch attent. Boven gekomen, liep ik naar mijn idee best doelgericht naar de bewuste ingang A. Halverwege werd ik aangesproken door een jongeman, die ook allervriendelijkst vroeg, of hij me ergens mee kon helpen. Huh?
Na een mooie voorstelling toog ik weer naar huis. In de tram stond iemand meteen op om mij te laten zitten. Dat aanvaardde ik dan weer dankbaar, zonder bevreemding.

Wat zegt dit nu? In de eerste plaats dat mensen een beeld van ouderen hebben. Ik zeg expres niet: dat jonge mensen een beeld van ouderen hebben, want ook ouderen onderling hebben er een handje van. In de kerk werd ik er na de dienst een keer door iemand voor me op aangesproken, dat ik de rollator van mijn buurvrouw wel eens even in elkaar kon zetten. En toen ik daar geen aanstalten toe maakte, omdat ik weet dat zij dit persé niet wil, begon iemand achter me al met veel omhaal, luid pratend en zeer nadrukkelijk de rollator uit te klappen.

Behalve dat dit op hetzelfde neerkomt, leert het nog iets: praat met de mensen zelf die je wilt helpen. Voor je het weet heb een blinde die aan de kant van de weg staat naar de overkant geholpen terwijl die dat helemáál niet wil. Hebben ouderen  – zoals een kabinetsplan uitspreekt, volgens één van de stukken in Trouw – écht behoefte aan levensbegeleiders (kosten: 35 miljoen euro in deze kabinetsperiode) of meer aan een artsenpraktijk die, zoals in mijn geval, je zonder probeert om te praten noteert dat jij je bij eventuele gevallen niet wil laten reanimeren? Of aan, zoals Hedy d’Ancona (81) in een terzijde bij dit artikel stelt, niet alleen aan zelfbeschikking, maar ook aan thuiszorg die genoeg tijd voor je heeft?

Als het uitgangspunt is: ouderen serieus nemen, ouderen herwaarderen, dan heb je mij aan mijn zijde: in die laatste levensfase ben je zowel kwetsbaar als krachtig. ‘Je kunt je nog steeds blijven ontplooien en actief blijven’, zegt D’Ancona terecht. Ik voeg de daad bij het woord.
Rob Schouten geeft in zijn column als 65-jarige een duidelijk statement: ‘Ik voel me sindsdien eigenlijk van alles, volwassen, middelbaar, puberaal, kinderachtig’. Ik herken dit, ook uit mijn omgeving. Juist nu heb ik opeens behoefte aan eens héél andere concertabonnementen dan tot nu toe. Een kleine opera-keuzeserie met moderne opera’s en – ook nog nooit gehad – een vocale serie. Rebels, dat kan aan het rijtje van Schouten worden toegevoegd.

Let wel: ik recenseer nog steeds. Tentoonstellingen en boeken. Ik probeer het allemaal op de voet te volgen, ook door cursussen e.d.. En daarnaast schrijf regelmatig artikelen en interviews. Als dat eerste en laatste niet meer zou gaan, dan rest het middelste: de boeken. ‘Want zoals Vestdijk al over het schrijven zei: je kunt er toch bij blijven zitten’? Aldus Schouten. Waarvan akte.

De dominantie van een m/Meester

Het gebeurde gisteravond aan het slot van de eerste van twee Spinoza lezingen door prof. Catherine Malabou (foto rechts) over het thema ‘Philisophy and Anarchy’. En dan doel ik niet op een student die zich afvroeg of dominantie niet ook een positieve betekenis kan hebben, waarbij hij wees op het boek Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault, onlangs in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek uitgekomen bij Boom. Nog afgezien van het feit of die student Foucault wel goed had begrepen (zie het artikel van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 21 februari jl., met name par. 1), ontlokte hij aan Malabou een diepe zucht en de opmerking dat zij ‘dit pad niet volgt’.

Nee, ik doel op de laatste vragensteller (‘opponent’, verbeterde de partner van een kennis mij). Zijn vraag volgde op een opmerking van Malabou dat ‘filosofie de dominantie van een meester’ is. Hij verwees naar het dialogische discours vanaf Plato. Malabou reageerde met twee opmerkingen:

  1. Plato is gedurende zijn leven van mening veranderd
  2. Je moet de dominantie (h)erkennen en je ervan bevrijden

De eerste pleit denk ik niet voor Plato, de tweede bleef bij mij hangen.
Natuurlijk kun je er, om te beginnen, ook kanttekeningen bij plaatsen: de meester, de alwetende leraar is iets dat uit de tijd is. Dat geldt denk ik ook voor de dominee, de dokter enz. Op hetzelfde moment dat ik op weg was naar de Aula aan het Amsterdamse Spui, spraken in De Wereld draait door een arts en een ethicus die aangaven ook van hun patiënt te kunnen leren. Tot zover is het duidelijk.

Maar dan lees ik in het boek Leven in de waagschaal van Wessel ten Boom enkele opmerkingen die de uitlating van Malabou (het was doodstil toen zij ze uitsprak) in misschien het juiste kader zetten. Ze staan in de hoofdstukken ‘De infantilisering van de kerk’ en ‘Van vader naar broeder’ (veel verder ben ik nog niet). Eigenlijk zeggen die titels al genoeg: een kerk die geen m/Meester of l/Leraar meer erkent, vervalt tot liturgisch bloemschikken, maar die leraar (Karl Barth in dit geval) kan ook je broeder worden, dichterbij, naast je komen, wanneer je je deels van zijn invloed bevrijdt maar je toch nog door hem/haar laat gezeggen.

In het eerste hoofdstuk gaat het, vrij vertaald, over de dominantie van de Leraar: ‘Waar het Woord opengaat en zijn genadig licht over ons doet schijnen, daar treden wij terug in onze aspiraties, die zucht naar sterrendom, en worden dankbaar stil, vervuld van een innige liefde.’ Ten Boom heeft het, schrijft hij in het tweede hiervoor genoemde hoofdstuk één keer meegemaakt (p. 54). Hij vraagt zich even verderop af: ‘Heeft een ander ons nog iets te zeggen dat ons als waarheid overtuigt?’ Ten Boom heeft niet de illusie ‘hierin ook maar enigszins vrij te zijn’. Dat idee houdt voor hem in dat je geen ander meer naast je duldt ‘die jou de waarheid zegt, omdat je zélf je leven wilt bepalen’.

Ten Boom erkent dat ‘wijsbegeerte een troost is’. Godsdienst soms ook. Daarom sta ik met het ene been in het eerste en bezoek lezingen als deze en met het andere in het tweede en lees een boek als dit, dat als een stomp in je maag binnenkomt. ‘Ik denk dus ik ben’ (Descartes) en: ‘Ik bid dus ik ben’ (Hoedemaker).

 

Link naar de opname van de lezing van prof. Malabou: https://webcolleges.uva.nl/Mediasite/Play/a277e0e2dc03499e931532e08f9c15781d

Zwaar licht

Ik had het recente videoportret dat BubbleEyes (Patricia Werner Leanse en Yve du Bois) maakten van het recente werk van kunstenaar Neel Korteweg al drie-vier keer bekeken en verschillende A4’tjes met aantekeningen gemaakt. En weer weggegooid, want ik kreeg er op één of andere manier geen vat op. Noch op het videoportret, noch op dit specifieke werk van Korteweg, van wie ik eerder onder meer prachtige portretten van Erasmus zag.

Het videoportret is duidelijk in drie delen opgebouwd, maar het hoe en waarom bleef mij onduidelijk. Eerst leek het te gaan over demonen en engelen, daar waren mijn verschillende aantekenvelletjes het wel over eens. Maar dan? Volgens mijn eerste aantekeningen ging het middendeel (vanaf 3’46”) over vaste grond, over een vrouw met beide benen op de grond en niet langer, zoals in een eerste versie van het schilderij, op de tenen staand. Volgens mijn tweede aantekenvelletje ging het echter over zeemeerminnen. Het derde gedeelte (vanaf 4’49”) gaat over de idealist en dromer Korteweg, met de donkere rand die de romantiek eigen is; ‘verraderlijke romantiek’ noemt ze het zelf. Of ging het toch primair over Icarus, en de zoekende vader?

Wat mij in ieder geval bij elke keer kijken duidelijk was, was dat de sleutel in het tweede, middengedeelte van het videoportret moest liggen. Qua geluid en beeld vormt het een duidelijke breuk met wat vooraf gaat en erna komt. Het geluid is anders, en opeens komt de verteller direct in beeld.
Het kwartje viel, toen ik  in NRC Handelsblad (1 februari 2019) een interview van Obe Alkema las met de classicus en dichter Piet Gerbrandy, naar aanleiding van diens nieuwe essaybundel Grondwater (alleen de titel al!). Ik kon alle snippers als een puzzel aan elkaar leggen.

Tamelijk aan het begin heeft Gerbrandy het over de Friese dichter Tsjêbbe Hettinga. ‘De spanning tussen eenzaamheid en nabijheid, ontheemdheid en geborgenheid splijt zijn werk’. Dáár hadden we het. Maar, vervolgt Gerbrandy, ‘vormt ook de kracht van zijn poëzie.’
Je zou de woorden eenzaamheid en nabijheid, ontheemdheid en geborgenheid zomaar kunnen vertalen met de sleutelwoorden voor het recente werk van Korteweg, die de ‘aftiteling’ van het videoportret vormen: drijven – zinken – vliegen – vallen – zweven, ‘een bijna rituele herhaling van wat zich vanaf de aardse oertijd afspeelt in de ontwikkeling van het leven’, aldus het persbericht bij de hieronder nader omschreven tentoonstelling Zwaar licht. Zo wordt het zoeken ‘naar de existentiële aspecten van literatuur’ die Gerbrandy bedrijft, beloond in het zoeken naar dezelfde aspecten in het werk van Neel Korteweg. Hij, en ik, ‘nodig anderen uit in mijn lezing mee te gaan, terwijl ze ook aangezet kunnen worden om andere beweringen te doen’.

Dat laatste kan tijdens de expositie Zwaar licht in Wouter de Bruycker Fine Arts & Gallery Antwerpen, van 11 april tot en met 26 mei a.s. De afbeelding hierboven, van De Engelenval (2018) is aan de aankondiging van deze tentoonstelling ontleend.

https://vimeo.com/search?q=Neel%20Korteweg

http://www.neelkorteweg.nl/

www.wdb-finearts.be

Het Woord verbeeld

Ter gelegenheid van 2018 Jaar van het Cultureel Erfgoed kwam het Nederlands Bijbelgenootschap met een handzaam gidsje onder de titel Het Woord verbeeld. Ik kwam het nu pas op het spoor, en pas kort daarna las ik een eerste bespreking ervan in Kerk in Mokum.

De kop boven het voorwoord van de directeur van het Nederlands Bijbelgenootschap luidt: ‘De Bijbel als inspiratiebron’. Preciezer gesteld: Bijbelverhalen als inspiratiebron – inclusief de apocriefe. Want laten we wel zijn, en daar is op zich als eerste aanzet niets mis mee, het gaat om twaalf kunstwerken, van ca. 1470 tot en met 1991, waar primair draait om Bijbelverhalen. Allemaal te zien (en niet altijd even te makkelijk te vinden) in het Amsterdamse Rijksmuseum – waarbij aangetekend, dat die van Rembrandt tot 10 juni a.s. onderdeel uitmaken van de expositie Alle Rembrandts en dus niet in bijvoorbeeld zaal 2.8 hangen.

De teksten in het gidsje, allemaal afgedrukt na een kleurenfoto van het kunstwerk dat het uitgangspunt ervoor vormt, zijn onderverdeeld in drie blokjes: informatie van het Rijksmuseum, een link naar het Bijbelgedeelte en een vraag voor de beschouwer. De teksten over het Bijbelgedeelte zijn van de hand van Peter Siebe, persvoorlichter en eindredacteur van de Nieuwe Bijbelvertaling, die ook tot uitgangspunt is genomen.

Het is een spannende onderverdeling, omdat de teksten van het Rijksmuseum vooral gericht zijn op formele kenmerken van de kunstwerken, met omschrijvingen als ‘Door (…). de verf met een spatel te bewerken, bracht hij [Rembrandt, EvS] een plastisch, glanzend reliëf aan’ (over: Het joodse bruidje, zie afb. rechts). Of: ‘Het effect is rijk, maar de kwaliteit van uitvoering is niet bijzonder hoog’ (over een Antwerps kabinet, zaal 2.23).

In de tekstblokjes van Siebe wordt veelal een verbinding gelegd tussen Oude- en Nieuwe Testament, en dat is mooi. Bijvoorbeeld – in het geval van bovengenoemd kabinet – tussen Numeri 21:9 en Johannes 3:14. Een enkele keer echter wordt er een sprong gemaakt die niet in de tekst staat, zoals bij de Beuningkamer (zaal 1.6), waarin het gaat over Handelingen 8:26-39. Volgens de tekst(schrijver) zou Filippus de kamerling, dat wil zeggen een Ethiopiër, wijs maken dat ‘de passage uit Jesaja’ die hij zat te lezen’ over Jezus ging, maar dát staat er niet: ‘Daarop begon Filippus met hem [de Ethiopiër, EvS] te spreken over het evangelie van Jezus, waarbij hij deze schrifttekst tot uitgangspunt nam’ (vers 35) – je zou zeggen: een Talmoedische wijze van tekstuitleg van een passage uit Tenach, zoals je ze zoveel tegenkomt in het Nieuwe Testament.

De vragen zijn van het soort zoals je ze ook wel in Bijbelse dagkalenders of wat behoudende tijdschriften over de Bijbel tegenkomt. Van bijvoorbeeld ‘Heeft u weleens een bovennatuurlijke gebeurtenis meegemaakt?’ (bij De ontmoeting van Joachim en Anna, zie afb. links), ‘Voor wie bent u deze week barmhartig geweest?’ (bij De zeven werken van barmhartigheid) tot ‘Wat vindt u van kunst in de kerk?’ (bij Dirck van Delens Beeldenstorm in een kerk) en ‘Heeft u een voorbeeld in huis dat een Bijbelverhaal uitbeeldt?’ (bij het Antwerps kabinet).

Het is het soort uitgaven dat roept om een vervolg. Daarbij valt dan niet alleen te denken aan meer metaforische in plaats van letterlijke verbeeldingen van het Woord of aan andere musea. In het eerste geval denk ik dan bijvoorbeeld aal het Stilleven met boeken van Jan Lievens (ca. 1627-’28) waarop je niet alleen boeken (waaronder de Bijbel?) ziet, maar dat ook een wijnkan en een homp brood (Avondmaalsattributen). In het tweede geval zou een boekje als Een soort bijbel. Vincent van Gogh als evangelist van Anton Wessels de aanleiding kunnen zijn voor een gidsje voor het Van Goghmuseum.

Overigens: Peter Idenburg mag in zijn recensie in Kerk in Mokum dan wel opmerken dat de ‘brochure gratis beschikbaar is bij het Nederlands Bijbelgenootschap, [maar] helaas niet bij de balie van het Rijksmuseum’ – het museum heeft in de winkel wel een fraaie reeks boekjes met verdiepende teksten over onder meer Het Joodse bruidje en De zeven werken van barmhartigheid. In het eerste staan interessante gegevens over modernere interpretaties over het afgebeelde tafereel, dat in het gidsje van het Nederlands Bijbelgenootschap wordt beperkt tot de gangbare: Isaak en Rebekka. Waarvan akte.

www.bijbelgenootschap.nl/bijbelroute

https://www.protestantsamsterdam.nl/loop-de-bijbelroute-langs-twaalf-meesterwerken-in-het-rijksmuseum/

https://www.rijksmuseumshop.nl/nl/boeken-en-dvd-s/rijksmuseum-reeks

 

Februari 1979 in Leeuwarden

Mijn ouders dachten dat ik weer eens schielijk overdreef, toen ik zei in Leeuwarden (waar ik toen woonde en werkte) ingesneeuwd te zijn en de deur niet uit te kunnen. Ze hadden er nog niets van gehoord. En dat kan kloppen, want het Journaal besteedde er niet of nauwelijks aandacht aan. Ik deed dat wel eens meer, overdrijven, vonden ze. Bijvoorbeeld toen ik zei dat mijn huis heen-en-weer ging tijdens een hevige storm. Op tien hoog voelde ik dat en zag het aan de lamp boven de eettafel.  Ik had het van niemand vreemd; mijn peettante had er ook een handje van. Zo zag ze eens olifanten in de straat. Totdat mijn ouders een keer zelf zo’n storm meemaakten en de speling in de galerijflat (gelukkig maar!) voelden. Tot ze hoorden dat die circusolifanten op weg waren geweest naar hun standplaats. Er was zelfs een foto van. Het was allemaal echt gebeurd c.q. menens geweest. Een foto van het circus, gemaakt door een collega van mijn vader van het – toen nog- Algemeen Handelsblad en een Sneeuweditie van de Leeuwarder Courant bewijzen het. Ook nu nog. Ik heb ze nog steeds, die foto en die Sneeuweditie.

Het waren een paar aaneengesloten dagen, half februari 1979. Op de eerste dag ging het nog wel, met moeite weliswaar. Ik moest naar de tandarts en de bus reed door de ijzel niet over de Voorstreek, uit angst in het water te glijden. Ik was ruim op tijd weggegaan, maar kwam toch veel te laat. De tandarts, die blijkbaar om de hoek woonde en/of nog niets in de gaten had, vroeg droog waarom ik te laat was. Ik was wat bang voor de grote man met lange baard en halflang haar, maar vroeg even droog of hij de lolligste thuis was. Dat was een keerpunt; opeens toonde hij niet alleen interesse in mijn gebit, maar vroeg ook wat ik eigenlijk van mijn vak was. Daarna was ik niet bang meer en hij vriendelijk. Het kan verkeren.

Maar de omstandigheden werden steeds erger. De sneeuw bleef maar vallen, de noordoostenwind nam stormkracht aan. Er was geen brood meer te krijgen. De storm zorgde ervoor dat de sneeuw bij mijn voordeur zó hoog was opgewaaid, dat ik de deur niet meer uit kon. En dus ook niet naar mijn werk. Openbaar vervoer reed er niet, auto’s waren op de straatweg blijven steken. Zelfs op mijn werk geloofden ze me op dat moment niet helemaal (mijn ouders stonden niet alleen), maar aangezien het voor meer mensen uit de buitengewesten van Leeuwarden gold, hoefden we later toch geen vrije dag op te nemen.

De vrouw van mijn hoboleraar moest bevallen, en ze werd met een helikopter van de luchtmachtbasis, even verderop, van huis naar het ziekenhuis vervoerd. Als ik me goed herinner waren er zelfs voedseldroppingen; ik zou er de Sneeuweditie nog eens op na moeten slaan. Want misschien overdrijf ik dat wél.

The Wave en Occupied – twee Noorse film(serie)s

Dit (boven rechts) was zo’n beetje het openingsshot van de Noorse film The Wave (2015) van Roar Uthaug die afgelopen woensdag op RTL7 viel te zien: enkele cruiseschepen die voor anker liggen in het Geirangerfjord in Noorwegen. Ze kunnen in dit kleine fjord niet aanmeren, zodat de ontscheping met tenderboten gebeurt. Afgelopen zomer heb ik het meegemaakt, zodat het shot een feest der herkenning was. In de wetenschap dat een cruiseschip zware en goedkope stookolie gebruikt, dat wel weer.

Een feest ja, want hoe Corina Schwingruber cruisen neerzet in haar documentaire All inclusive die enkele dagen ervoor door de VPRO werd uitgezonden, als een decadent ‘varend vakantiefort met luxe interieurs en non-stop entertainment’ herkende ik niet. Met terugwerkende kracht werd dit kwartiertje als een portret van de Titanic.

Want wat gebeurde er in The Wave? Een bergwand boven het Geriangerfjord stort in en veroorzaakt een tsunami van tachtig meter hoogte. Het draait om de familie van een geoloog, zijn vrouw die in een hotel werkt (hetzelfde hotel waar ik afgelopen zomer voor op een hop off hop on-bus stond te wachten), zijn scatende en met zijn mobieljte bezig zijnde zoon en een dochtertje dat aan huis verknocht is. Zij proberen te overleven. De vrouw (Ane Dahl Torp)  laat een bus voor haar neus vertrekken, omdat zoonlief zoek is. Hij blijkt in de keldergewelven te zijn gaan scaten en ze raken er, samen met een andere hotelgast, ingesloten. De man (Kristoffer Joner) is met hun dochtertje per auto wel de bergen in kunnen vluchten, maar keert terug op zoek naar zijn vrouw en zoon. De afloop verraad ik niet, want daar gaat het mij hier niet primair om.

Op de aftiteling van de film stond te lezen dat de bergwand jaarlijks zestien centimeter méér aan speling laat zien. Een schrikwekkend idee. Of het met de klimaatverandering te maken heeft, werd niet duidelijk gemaakt, maar die kloofvorming boorde voor  mij (excusez le mot) nog een diepere laag in de film aan, die staat voor alle mogelijke kloven die de wereld ontwrichten en die – zal ik straks aantonen – kenmerkend is voor Noorse films.

Eigenlijk zijn ze wel bekend, die kloven: tussen oud en jong, tussen arm en rijk, tussen Noord en Zuid, tussen Oost en West. Ze lijken – schijnt de film te zeggen – niet of nauwelijks te dichten. Nee, het wordt alleen maar erger. Tenzij we het tij (excusez le mot) kunnen keren. Tenzij de politiek zich niet verschuilt onder falsificaties en luistert naar wetenschappers die het kunnen weten of naar Urgenda en de rechterlijke macht die ze op de vingers tikt. Niet naar de rijken en het bedrijfsleven, maar naar de jongeren zonder stemrecht maar wél met een stem van jewelste, daar op het Haagse Malieveld.

De film is niet zo absurd als het leek, bleek wel uit de aftiteling. Net zoals het eerste seizoen van de Noorse serie Occupied naar een idee van John Nesbø niet zo absurd is: Rusland houdt met steun van de EU Noorwegen bezet. Ik heb ze gezien, de boten die de grens bewaken. En ze boezemden angst in. Wat speelde er in de film? Noorwegen besluit uit milieuoverwegingen te stoppen met productie en uitvoer van olie en gas. De EU is ervan afhankelijk, vandaar de steun, terwijl ze Noorwegen zouden moeten beschermen.

Het lijkt wel of schrijvers en filmers (en spijbelende kinderen op het Haagse Malieveld) beter door hebben hoe laat het is, dan de neoliberale politiek. Mogen onze ogen ook nog verder opengaan dan ze misschien inmiddels al een beetje zijn gegaan!

Winterreise

Je kunt niet overal bij zijn en daarom is het fijn dat verschillende zendgemachtigden concerten opnemen en rechtstreeks of kort na de uitvoering uitzenden. Zo was afgelopen maandag, 4 februari jl., in het Avondconcert op NPO Radio4 een opname te horen die de NTR maakte van een concert door bariton Thomas Oliemans en pianist Paolo Giacometti van twee dagen ervoor in Musis Arnhem. Op het programma stond Schuberts Winterreise.

Vrienden van mij kwamen enige tijd geleden terug van een korte vakantie naar Berlijn met een programmaboekje van de openingsweek van een nieuwe concertzaal daar, de Pierre Boulez Saal. Daarin stonden twee mooie essays over de Winterreise, die tijdens de openingsweek was uitgevoerd door Christian Gerhaher en Daniel Barenboim.

Susanne Ziese, een van de auteurs in het boekje, heeft de Winterreise opgedeeld volgens tempo en met aandacht voor andere vormelementen, zoals toonsoort: matig, in gaande beweging – langzaam – iets langzaam. Susan Youens, de tweede, Amerikaanse auteur in het boekje maakte een inhoudelijke indeling: een reis vol zelfontdekking – illusies en verlangens – epiloog.

Twee indelingen die mij dit keer anders deden luisteren naar de complete liedcyclus; zouden Oliemans en Giacometti zich ook aan een van deze, of een andere, eigen, opdeling houden? Laat ik om te beginnen zeggen dat hun grandioze vertolking bestond uit een lange spanningsboog, die ingehouden begon (‘Der Mai’ uit Gute Nacht, het eerste lied) en eindigde (‘O umbarmherz’ge Schenke’ uit een van de laatste liederen, Das Wirtshaus).

Het was bijzonder knap hoe zij de liederen aan elkaar regen; het eerste lied eindigt met een echo, het tweede kende een echo in het voorspel van de piano. Het woord ‘Herzen’ in dat tweede lied (Die Wetterfahne) kende een hartenklop, het derde op gelijke manier vallende tranen.

Ik meende te bespeuren dat beide musici zich, al dan niet bewust, aan de indeling van Ziese hielden; Irrlicht klonk opeens wat inniger dan de voorgaande liederen. Ziese opent er haar tweede sectie (Langzaam) mee.
Opvallend was ook dat na Das Wirthaus  een relatief lange rust werd ingelast, en voor het laatste lied, Der Leiermann, een relatief korte. Volgens Ziese verklankt dit lied de dood als utopie, Youens ziet het als een vraagteken waar geen antwoord op mogelijk is. In ieder geval volgde er vanuit de zaal een doodse stilte.

Die stilte gold ook een groot compliment aan de uitvoerenden die de zaal, en de radioluisteraars, verrasten met een grandioze uitvoering. Zorgvuldig afgewerkt en eensgezind, op misschien Frühlingstraum na, toen ze elk even een andere weg leken te gaan bewandelen. Het is en blijft steeds weer een enorm indringende ervaring, deze Winterreise. Al dan niet gesteund door opvattingen van Ziese en/of Youens.

Mooi, mooier, mooist

In de Smidskapel van de Amsterdamse Oude Kerk zitten twee oude schalkbeeldjes onder de kap die nog helemaal intact zijn. Het zijn twee vrouwen met een hoge rug, de handen op schoot, schijnbaar om niet helemaal in elkaar te zakken. Boven de beeldjes zit een overhuiving, waar de rug niet tegenaan komt, zoals we van Italiaanse preekstoelen kennen, waar de hyper-kyfose van soortgelijke mansfiguren dragend is voor de kuip.

Er zijn wel symbolische verklaringen voor zulke beeldjes gegeven – bijvoorbeeld in het verlengde van een liedtekst van Tom Naastepad:

            …

            en Hij zal zijn schouders bukken

            onder wet en tijd.

Of als symbool van de overwinning van het kwade, van ziekte en gebrek. Toch scharen veel kunsthistorici dergelijke beeldjes nu onder de vrijheden die middeleeuwse kunstenaars zich veroorloofden en laten de symboliek voor wat het is.

Toch zou het kind hiermee wel eens met het badwater kunnen zijn weggegooid. In zijn boek Kritik der zynischen Vernunft (1983) rehabiliteert de filosoof Peter Sloterdijk een denkwijze die hij ‘kynisme’ noemt. Dat is een vrijmoedige, volkse en groteske vorm van kritiek in de voetsporen van Diogenes. Met name in de middeleeuwen op de rand van de renaissance leefde deze manier van denken op. De bolle fratskoppen van de beeldjes in Amsterdam en Italië staan in deze traditie. Maar misschien meer dan alleen die koppen.

Misschien ook het schilderij Minerva (ca. 1630) uit de omgeving van van Rembrandt, dat momenteel is te zien op de tentoonstelling Rembrandt en het Mauritshuis (31 januari – 15 september 2019, zie afb.). Het is achtereenvolgens toegeschreven aan Willem de Poorter, Gerard Dou en Hendrik Gerritsz. Pot. Die vreemd gevormde schouder roept hoofdbrekens op: een onhandigheid van de schilder, een misvormde schouder van Minerva, die ik in de literatuur echter niet ben tegengekomen. Maar wie weet wat voor symboliek erachter zit … In ieder geval zou Aart van der Leeuw het ‘misschien contrefait noemen’ (in: De kleine Rudolf).

Aandacht daarvoor past in ieder geval, wat het ook oplevert, in onze tijd waarin sprake is van wat wel ‘body history’ wordt genoemd, waarbij er interesse is voor die perioden in de geschiedenis (bijvoorbeeld de middeleeuwen van de schalkbeeldjes en de barok van Rembrandt en omgeving) waarin het lichaam even belangrijk was als het verstand.

Sloterdijk stelt het activisme van de moderniteit onder kritiek: snel-sneller-snelst. In zijn lijn doorgeredeneerd, kan degene en datgene dat níet zo snel gaat zijn plaats opeisen, al dan niet gesteund door een sterke patiëntenvereniging. Sloterdijk beroept zich op het begrip ‘Gelassenheit’ van Heidegger. Van de ‘Kehre’ bij Heidegger en de ‘juiste beweeglijkheid’ bij Sloterdijk gaat een rust uit – een zich naar eigen vermogen kunnen én zonder kritiek mogen voortbewegen in een overbeweeglijke tijd.

Het is een attitude die ik ook bij het kijken naar de beeldjes en naar het aan Rembrandt toegeschreven schilderij voel. Wat zich onder kritiek laat stellen, is de houding die mismaakte mensen uitsluit. Snel, -sneller, snelst, mooi, mooier, mooist. Wat heet; zelfs een godin als Minerva is althans op dit schilderij niet moeders mooiste! Dat geeft te denken.

Deels gebaseerd op een in de lente van 2005 verschenen column in Wervelingen.

https://www.mauritshuis.nl/nl-nl/ontdek/tentoonstellingen/rembrandt-en-het-mauritshuis/