Maxime Rovere – Spinozaland

Spinozaland : de ontdekking van de vrijheid – Amsterdam, 1677 / Maxime Rovere ; Nederlandse vertaling [uit het Frans]: Frank Mertens en Hendrickje Spoor. – Amsterdam : Uitgeverij Balans, [2021]. – 560 pagina’s ; 23 cm. – Vertaling van: Le clan Spinoza. – Paris : Flammarion, © 2017. ISBN 978-94-600-3938-6

Dit boek kan worden geschaard onder de term ‘faction’ (feit en fictie, studie en roman). De filosoof Spinoza (1632-1677) wordt hierin neergezet als iemand die op de schouders van voorgangers als Descartes en Coornhert en vele anderen staat en de aanjager en belangrijkste vertegenwoordiger is van een groep gelijkgestemde vrijdenkers, de collegianten. De Franse titel (Le Clan Spinoza) geeft dit duidelijk(er) aan. De Franse auteur (1977) koos voor veel interactie met deze tijdgenoten. De verschillende karakters zijn raak neergezet. De gedeelten over Spinoza’s werk zijn wat taaier. Maxime Rovere is kenner van het werk van Spinoza en kunsthistoricus. Hij is werkzaam in Lyon. Enige basiskennis van het joodse denken, gebruiken en termen wordt aanbevolen. Hierbij kan worden opgemerkt dat het jammer is dat er telkenmale wordt gesproken van de joodse (Thora) of de mondelinge wet (Talmoed), waardoor de joodse leer een eenzijdig accent krijgt. Een geslaagd boek voor iedereen die in het 17e-euwse
Nederland in het algemeen en Spinoza in het bijzonder is geïnteresseerd. Feiten en
fictie rond Spinoza worden samengesmeed tot een geheel, dat tot doordenken
aanzet. Waardige opvolger van Het raadsel Spinoza van Irvin D. Yalom, waarin Rovere
dichter bij huis blijft.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Harry Smit – Een sterke vrouw

Een sterke vrouw : portretten van vrouwen in de Talmoed / Harry Smit. – Kampen : Uitgeverij Van Warven, [2020]. – 204 pagina’s ; 24 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-931752-7-3

In dit boek bespreekt de auteur zeventien sterke vrouwen uit de Talmoed, de rabbijnse discussies en commentaren. Elk hoofdstuk is volgens hetzelfde stramien opgebouwd: korte levensschets; de verhalen in de Talmoed over haar, zowel in het Hebreeuws/Aramees als in Nederlandse vertaling,
plus toelichting; enkele kenmerkende accenten, en een conclusie. Voor de bekendste vrouw, Beruria, zijn die accenten bijvoorbeeld: wijs en  gepassioneerd, een groot hart, scherpzinnig, liefde en verdriet en een dramatisch einde. Harry Smit is theoloog en exegeet met een joodse moeder en een christelijke vader. De bedoeling is vrouwen op de voorgrond te plaatsen die achter hun beroemde man of vader verdwenen, terwijl die hun roem vaak aan haar te danken had, zoals rabbi Akiva aan Rachel. Het is een inmiddels bekende insteek, die hier met succes op Talmoedische literatuur is toegepast en zowel interessant is voor lezers met aandacht voor vrouwengeschiedenis als judaïca in de ruimste zin van het woord. Met literatuur- en verklarende woordenlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Direct tot in de ziel

Op de tentoonstelling met iconen van Kees de Kort in het Bijbels Museum (Cromhouthuis), een expositie die nu in het Stadhuismuseum in Zierikzee valt te zien, hing een afbeelding van het Laatste Avondmaal die mij trof (zie foto, EvS). Vijf mannen zitten aan tafel. Vier zingen, één speelt op een houten blaasinstrument. Hé, was dat gebruikelijk in het oude Israël,  vroeg ik mij af, dat (psalm)gezang werd begeleid?

Eerst het instrument. Dat is een halîl, volgens de Talmoed (de mondelinge leer) de overkoepelende term voor houten blaasinstrumenten. Of zo’n instrument nu echt tijdens liturgische bijeenkomsten werd bespeeld, is iets waar de geleerden het overigens niet over eens zijn.

Ik liet het thema rusten, tot ik thuis een mailtje aantrof dat galeriehoudster Lilka Zakirova in Heusden  als opsteker had rondgestuurd. Er zat een linkje bij naar een filmpje over haar galerie, gemaakt door de Russische kunstenaar en filmregisseur Raoef Mamedov. Daarin (https://www.youtube.com/watch?v=lWJbG6fJ2QQ&t=) komt zijn bekende, indrukwekkende foto Het Laatste Avondmaal (1999) voorbij. Ook hier zit Jezus aan tafel, in het midden, en de discipelen twee maal drie, links en rechts, van hem. Allemaal mannen met een verstandelijke beperking.

Op de achtergrond van het filmpje klinkt een flard fluitmuziek: de Domsker nigun (een Lied ohne Worte), waarover ds. Justine Aalders mij eens vertelde dat het de lievelingsmelodie was van rabbijn Yehuda Aschkenasy, aan wiens voeten zij heeft gezeten. Aschkenasy vertelde dat deze melodie, die werd opgetekend in Treblinka, hem na de bevrijding altijd begeleidde en hielp ‘om de huiver voor het hernemen van de geheiligde woorden te overwinnen, anders zou na de Sjoa alleen nog het stomme zwijgen overblijven’.

Een fluit, – op de icoon van Kees de Kort, in de film van Raoef Mamedov, de woorden van rabbijn Aschkenasy. Het instrument waarvan de klank meteen bij de luisteraar binnenkomt. Is dat het wat zo ontroert?


Deze blog verscheen eerder in
Drieluik, een gezamenlijke uitgave van de Protestantse Wijkgemeente in Amsterdam-Noord, april 2020. Wordt hier met toestemming hernomen genomen n.a.v. de genoemde expositie in Zierikzee, die vanaf 5 juni 2021 weer te zien is: https://www.stadhuismuseum.nl/kees-de-kort-ikonen/ 

Ludo Abicht – Desalniettemin

Desalniettemin : over Joodse wijsheid en humor / Ludo Abicht. – Antwerpen ; Amsterdam : Houtekiet, [2020]. – 243 pagina’s ; 21 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-892485-7-2

De auteur behandelt om te beginnen in chronologische volgorde uitgebreid de joodse
wijsheid, van Tora (de vijf boeken van Mozes), Talmoed en Kabbala tot Chassidisme. Daarna beschrijft hij korter ‘de vrolijke wijsheid’ ervan, om ten slotte de politieke dimensie van beide, joodse wijsheid en humor, te bespreken. Dat wil zeggen in zijn anarchistische vorm, want dat is volgens hem de hoogste vorm. Elk onderdeel wordt gelardeerd met sprekende voorbeelden. Ludo Abicht is een Vlaamse filosoof, ex-Jezuïet, humanist en germanist die een aantal boeken over onder meer het jodendom schreef. ‘Desalniettemin’ slaat op een kritische houding, interpretatie en herinterpretatie binnen de joodse wijsheid en filosofie. Hij springt helaas wat van de hak op de tak, zodat niet alles even goed uit de verf komt. Met bibliografie van voornamelijk niet-Nederlandstalige literatuur.
De insteek van dit boek is origineel, maar wie primair meer over joodse wijsheid wil weten, kan beter terecht bij de boeken van bijvoorbeeld Sjef Laenen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Een leerzaam 2021!

Je mag een gegeven paard niet in de bek kijken. Ik weet het, maar omdat wat doorgaat als een kerstgroet eigenlijk een jaarverslag in miniformaat (6’30”) is, én omdat wat wordt gezegd (en getoond in een overigens prachtige vormgeving) mij zo aan het hart gaat, ga ik hier toch op enkele achtergronden in. Immers: ik ken het boodschappende leerhuis van binnenuit, onder meer door in de tijd van ds. René Venema jarenlang lid te zijn geweest van de originele versie, de kerkenraadscommissie Tenach en Evangelie van de Hervormde Gemeente Amsterdam, alsmede redacteur van Bekirbénoe (Hebreeuws voor ‘In ons midden’), het blaadje dat zij uitgaven.[i] En als je iets van binnenuit kent, mag je kritiek leveren. Dat leren we uit de Bijbel al. Zowel die commissie als het blaadje zijn opgericht door ds. Kleijs Kroon, en niet Kleist (!) Kroon. Daar gaat het in de boodschap al fout.

1.
Na deze schuiver, wordt door Adriaan Deurloo (voorzitter van LATE, Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie, een opvolger van genoemde kerkenraadscommissie) stellig beweerd dat dit huidige leerhuis ‘in omvang en kwaliteit’ is gegroeid. In omvang wellicht, maar in kwaliteit? Kijk naar het huidige programma (zie link onderaan). En naar de oorspronkelijke sprekers van naam, waarvoor zo’n opmerking een steek in de rug is: F.H. Breukelman, M. van Loopik, Hilde Burger, Chana Safrai, Erik Borgman, om slechts enkele bekende namen te noemen. Nu zijn dinsdagavonden en zaterdagochtenden gevuld met lezingen (wat iets anders is dan het joodse lernen en lehren, om de wortels van het leerhuis er maar meteen bij te pakken) door oudere heren. Geen één jongere, en geen één dame. En dat anno 2020! Elk jaar weer wordt op dezelfde trom geslagen. Kwalitatief goed, dat zal ik als regelmatige bezoeker zeker niet ontkennen, maar in dit opzicht gegroeid? Nee, dat zou ik niet willen zeggen. En dat is jammer.

2.
Zoals het ook jammer is, dat in het vervolg de Protestantse Kerk Amsterdam een sneer krijgt. De PKA ‘meent op dit moment geen financiële middelen (…) te kunnen vrijmaken’ voor de aanstelling van een predikant als opvolger van ds. Wilken Veen. ‘Dat stemt ons droevig’, aldus de voorzitter over de hoofden van de ontvangers van de kerstgroet heen, die de discussie tussen LATE en PKA niet hebben gevolgd en dus ook niet kunnen weten dat het iets genuanceerder ligt. Zelfkritiek zou hier passen.

3.
De volgende (mis)stap. Eerst vraagt Deurloo zich af of ‘het bestaan van het joodse volk de millennia door geen bewijs [is] van de kracht die van het leren uitgaat?’ Of de redenatie helemaal opgaat, weet ik niet, maar ik moest wel meteen denken aan rabbijn Leo Baeck, die in Terezín (Theresienstadt) medegevangenen om zich heen verzamelde om samen mee te leren. Hij gaf er ook lezingen, over Plato, over Kant, die per keer door zevenhonderd mensen werden bijgewoond. Voor hen, en ook sommige christenen in het ‘modelkamp’ was hij ongetwijfeld een menachem, een trooster.
Maar dan komt het: ‘Zij [de joden, EvS] laten zien dat wie leest en leert, blijft leven’. Dat is een onhandige uitlating die, om de eerder aangehaalde woorden van Deurloo aan te halen, droevig stemt, want wie aan de vele vermoorde joden tijdens, voor en na de Tweede Wereldoorlog denkt, zal dit niet zo in de mond durven nemen. Hoe hard ze ook leerden. Wat wel blijft, zijn de geschriften die zij ons hebben nagelaten: de Torah, Talmoed en ga zo maar door.

4.
Kreeg eerst de PKA de zwartepiet toegespeeld, vervolgens is corona de boosdoener. ‘Door Corona’, zegt Deurloo, ‘heeft onze programmering ernstige schade opgelopen. Maandenlang konden we niets doen’. O nee? Daar gingen heel wat andere leerhuizen voor(op) door middagen/avonden via Zoom aan te bieden, zoals bijvoorbeeld Pardes, ook in Amsterdam.
Binnen de commissie waren er best roependen in de woestijn die wel aandacht hadden voor digitale ontwikkelingen, zoals Rob Versélewel (Robertus Cornelius Versélewel de Witt Hamer), die onlangs na een kort ziekbed overleed.

Ik hoop natuurlijk met LATE dat alles in 2021 weer doorgang kan vinden, nadat al definitief met de leerdiensten is gestopt. Maar dan wel op een wat modernere leest geschoeid, met onder meer jongere en vrouwelijke, interessante sprekers. Moge deze videoboodschap althans qua vorm daar een opmaat toe zijn.

Links:
https://www.youtube.com/watch?v=3s0CzSq2MSE&feature=youtu.be http://www.kleijskroon.nl/
http://leerhuisamsterdam.org

[i] Zie: Veertig jaar ‘Tenach en Evangelie’. Deel 1 in de serie Radix, leren en vieren met een Amsterdams accent. Uitgeverij Eburon, Delft.

Een dialectische deur

Opeens vielen enkele dingen uit de afgelopen weken samen in één beeld: een foto van de westelijke ingang van de synagoge van Willemstad (1732). Een kennis van mij maakte de (overigens andere) foto al een poos geleden heel attent voor mij. Natuurlijk, de tekst boven de ingang is mooi (‘U wordt/bent gezegend bij uw binnengaan’), maar het gaat mij hier om de vorm van de deur: een hoefijzervorm met daaromheen een deurlijst met eenvoudige, op Dorische zuilen geïnspireerde zuilen. De meest eenvoudige zuil die we kennen, terwijl bij kerken vaak de meest rijke vorm, de Korinthische wordt toegepast. Dat is al een mooi, tegelijk rijk (twee deuromlijstingen) en bescheiden (de meest eenvoudige zuil) ensemble bij elkaar. Maar het gaat, al even dialectisch verder.

1.
Op NPO2 Extra was in de maanden september en oktober een vierdelige Britse documentaireserie onder de titel The Dark Ages: an age of light te zien met presentator Waldemar Januszcak.
In de eerste uitzending ging het over ronde kerken, zoals de San Vitale in Ravenna, waarbij de je omsluitende, ronde vorm staat voor inkeer. Waar je kunt mediteren en het transcendente ervaart. Zoiets als in het koor van een kerk uit later tijd, dat het schip afrond.
In de tweede aflevering ging het onder meer over de kunst van de Visigoten in Spanje. Zij werden rooms-katholiek en bouwden kerken waarvan de ingang hoefijzervormig was, wat een speelsere indruk maakt dan een strakke(re) deurlijst. Het waren de Islamieten die dit in hun moskeeën verfijnden.

2.
In dezelfde tijd volgde ik, aangeschoven achter ZOOM – ik blogde er al eerder over – een module Jodendom door dr. Bart Wallet bij de Universiteit van Amsterdam. Als studieboek gebruikten wij Introducing Judaism van Eliezer Segal.
Als je dit boek doorwerkt, valt telkens weer op hoe dialectisch het denken van het jodendom van oudsher eigenlijk is. Aggada en halacha staan naast elkaar, gezond verstand en gevoel, de wet ten leven en mystiek, de mening van rabbijn a en b in de Talmoed, de liefdevolle rabbi Hillel en de strengere Sjammai, en ga zo maar door. Rabbijn Joseph D. Soloveitchik is, lees ik, zelfs ten diepste beïnvloed door het dialectische denken van de protestantse theoloog Karl Barth (p. 127).

Eigenlijk is dat met die deur in de synagoge te Willemstad net zo gesteld. De rest van de synagoge is geïnspireerd door de grote Portugese synagoge in Amsterdam van Elias Bouwman (1671-1675). Maar die deur in Amsterdam is voor alles strak en streng. Daar hebben ze op Curaçao toch mooi een ‘draai’ aan gegeven, inclusief de kleuren van hemel, zee en het strand. De dialectiek van het joodse denken waardig en dan ook nog eens in de kleuren waar Marcel Barnard in zijn Meditaties van de ziel (Uitgeverij Vesuvius) over schrijft: ‘Blauw is oceanisch en atmosferisch. Het is de kleur van het geloof, een spirituele kleur. Blauw is de kleur van de God die in het verborgene werkt, de God van onze bespiegelingen die we aanbidden. Blauw ontsnapt aan de concreetheid, het omvat de beschouwer’ die door deze deur naar binnen gaat.

Met dank aan Thea van Zanten, die mij foto’s van de synagoge mailde, en ds. Trinus Hibma die op zondag 25 oktober jl. afscheid nam als geliefd predikant van de Bethelkerk in Amsterdam en die door consulent ds. Paula de Jong ‘predikant van hart en hoofd’ werd genoemd. In zijn preek sprak hij o.a. over gezond verstand, Hillel en Sjammai. 

Voor waar houden

Ook het tweede hoorcollege van de module Jodendom van de Universiteit van Amsterdam, die ik via ZOOM (en de Illustere School) volg, geeft aanleiding tot overdenking en een blog. Ik kreeg zomaar ‘een beurt’, en toen dorst ik even later ook wel een vraag te stellen … Over de rol van de Bijbel in de Talmoed, want daar had ik in dit college, over onder meer die Talmoed, nog niets over gehoord. De docent, dr. Bart Wallet, antwoordde dat Talmoedisten niet de Bijbel bestuderen, maar de Talmoed. ‘De Bijbel’, zei hij, ‘is gewoon deel van de discussie’. Dat mag zo zijn, toch was ik niet helemaal overtuigd. Het antwoord kwam deels uit onverwachte, indirecte hoek: in een artikel van Udo Doedens over Pieter Bruegel de Oude (in: In de Waagschaal, 19 september 2020).

Eerst nog even terug naar het college en wat Wallet, in aanvulling op het studieboek Introducing Judaism van Eliezer Segal zei: de twee stromingen binnen het Talmoedische denken, de Palestijnse en de Babylonische, ontwikkelden zich als in een soort dialectiek: Talmoed Jerushalmi en Talmoed Bavli. In de dialectische manier van denken valt later de invloed te bespeuren van de islam, aldus Wallet. Rabbijn a zegt dit, rabbijn b meent iets anders. So far so good.

Doedens schrijft over het schilderij De strijd tussen Vasten en Vastenavond (1559) van Bruegel (zie afb.), dat de tegenstellingen die hierop worden getoond, de veelvraten aan de ene kant en de mageren aan de andere kant, ‘samen de inwendige en uitwendige strijd van de mensheid verbeelden’, maar: ‘Er moet nog een derde element bijkomen om orde op zaken te stellen’ (p. 19). Dat derde element is volgens hem de wijsheid ‘die in Christus op aarde was gekomen’ (p. 20).

Maar waar putte Christus die wijsheid uit? Op het midden van het schilderij staat immers een put. Juist, uit Tenach, de joodse Bijbel.
Ik blader wat terug in de aantekeningen die ik maakte tijdens het laatste jaar (2017-2018) dat ik met een groepje onder leiding van een joodse leermeester gedeelten uit de Talmoed bestudeerde. Ik stuit op deze aantekening: ‘Een enkele keer lukt het niet om een tegenstelling op te heffen (teku = moet blijven staan)’. En ik vul aan: tot de Messias komt. Tot zo lang is het derde element de Bijbel om uit te putten. Niet vanuit de idee these – antithese – synthese, niet als ‘gewoon’ een onderdeel van de discussie, maar als de grond eronder die als een palimpsest schemert door de discussies tussen rabbijn a en rabbijn b. Daar waar God aanwezig is, lees ik in mijn aantekeningen. Zó wil ik het voor waar houden.

‘Het breidt zich alleen maar uit’

De tweede en laatste blog naar aanleiding van een middag (9 december jl.) in het Amsterdamse Spui25 rond het nieuwe boek De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) van P.C. Hooftprijswinnaar Maxim Februari.

Deze keer blijf ik stil staan bij zijn opmerking, dat een roman niet valt samen te vatten, in tegenstelling tot een filosofieboek; zijn vriend René Gude (beiden filosoof) vond het omgekeerde. ‘Het breidt zich alleen maar uit’. Een opvatting die ik tussen twee haakjes tijdens een weekend over joodse filosofie bij de Internationale School voor Wijsbegeerte, geleid door Rico Sneller, ook meende op te maken als zijnde de visie van Derrida: literatuur, filosofie en theologie vormen ‘in den beginne’ een herhaling met andere woorden.
Uit de zaal volgde naadloos hierop aansluitend dan ook de vraag of interpretaties dan altijd nodig blijven. Ja, kwam uit in verschillende bewoordingen uit diverse monden.

In dezelfde week als de Spui25-bijeenkomst las ik in het tijdschrift In de waagschaal een ‘Exegetische miniatuur’ van emeritus predikant Wout van der Spek over Psalm 2 die hieraan raakt. Het is, schrijft Van der Spek, als je ervan uitgaat dat Psalm 1 later is toegevoegd, eigenlijk de eerste Psalm die ook nog eens begint met: ‘Waarom’.
De auteur schrijft van Tom Naastepad te hebben geleerd, dat het vervolg van een verhaal of een boek een herlezing ervan is. Dat is mooi, maar Van der Spek had ook dichter bij huis kunnen blijven: de Talmoed (wij zaten nota bene enkele jaren samen aan de voeten van een joodse leraar Talmoed te lernen) is de uitbreiding ervan, om Maxim Februari te parafraseren.

Mijn hart sprong dan ook op, toen ik tijdens een Bijbelcursus in mijn eigen wijkkerk de predikant Paula de Jong hoorde zeggen, dat de (Psalm)citaten in de Evangeliën meestal net niet letterlijk zijn; een soort kleine Talmoedfragmenten dus: kleine uitbreidingen, herhalingen in net andere bewoordingen, interpretaties. Derrida (zie link onder aan deze blog) zou het haar hebben kunnen nazeggen.

Zo zou je, tenslotte, Marcus 4:25 volgens haar ook kunnen lezen:

Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

Niet in materiële zin, maar als sommetjes: 1+1=2, 1-1=0. De rijke wordt rijker, aan Bijbelkennis die hij/zij als rijkdom met zich draagt en die zich steeds uitbreidt. Interpretatie op interpretatie.

 

https://www.dbnl.org/tekst/_voo013201501_01/_voo013201501_01_0036.php

 

Ravel, Spanje en het jodendom

Onlangs kwam de tweede cd van Nathalia (piano) en Maria Milstein (viool) uit: Ravel Voyageur. De zussen zetten, naast diens twee Vioolsonates, de landen en muziek op de kaart die Ravel inspireerden: Griekenland en het Kaddish (Aramees voor heiliging, later specifiek een gebed voor de doden).
Reden om het allereerste artikel dat ik ooit voor het tijdschrift
Mens & Melodie schreef, hier in iets gewijzigde en ingekorte vorm te hernemen (nr. 3 1975, p. 79 e.v.).

Dit is wellicht een goed moment om kort aandacht te schenken aan een weinig bekend aspect van Ravels leven en werk, namelijk aan zijn door Roland-Manuel (A la gloire de Ravel) als diepgaand gekenschetste belangstelling voor traditioneel-joodse muziek, waarvan men duidelijk de neerslag vindt in onder meer het Kaddish, op de cd in een arrangement van Lucien Garban.

Toen tegen de tiende eeuw in Spanje de joodse cultuur haar grootste bloeiperiode der diaspora tegemoet ging, stond in het toenmalige islamitische land ook de Arabische cultuur op een hoog peil. Door de eeuwen heen blijft de invloed van beide culturen te bespeuren. Zo wordt bij de huidige studie van de Talmoed nog gebruik gemaakt van de commentaren van Rasji (1040-1105) en van de codificaties van Maimonides (1135-1204), zowel in het Arabisch als in het Hebreeuws.

Ook in de muziek van de landen rond de Middellandse Zee – in Mali, Tunis en Algerije – komt met naast de Moorse melodiek (vermengd met de frygische kenmerken van de muziek der Andalusische zigeuners: canto hondo, flamenco) sporen tegen van het melismatische synagogale gezang. Een voorbeeld hiervan is het quilisma, een snel staccato op één toon.

Ook in de muziek van Ravel, de Bask (menging van Iberische elementen, Ieren en tijdens de inquisitie gevluchte joden?) treffen wij naast een idealiserende verwerking van het Spaanse idioom een originele verwerking aan van traditioneel-joodse muziek.
De pathetisch, gestileerde cantilene boven een bourdon-toon, zoals die voorkomt in het Kaddish, vertoont zelfs verwantschap met één der Habanera’s uit l’Heure Espagnole (1907). De cante hondo-achtige melismen uit Kaddish doen ook denken aan de hobosolo in de Scène uit El Amor Brujo van Manuel de Falla, hetgeen in de lijn ligt van bovengenoemde cultuurvermenging.
In Kaddish (de eerste der Deux mélodies hebraïques) wordt de joodse cultuurerfenis vanuit hetzelfde romantische escapisme benaderd als de Spaanse sfeer. De pianobegeleiding is gebouwd op het procedé van een briljante, snel gebroken akkoordbehandeling, geïnspireerd door harpklanken.

De vraag in hoeverre Ravel van joodse afkomst was, geeft aanleiding tot allerlei veronderstellingen. Ravels leerling en intimus Roland-Manuel wees op de verwantschap van de naam Ravel met ‘Rabelle’ (kleine rabbijn). De componist zelf, die er een afkeer van had om over zichzelf te praten, schonk hier geen aandacht aan. Gdal Salenski, cellist van het Boston Symphony Orchestra, vertelde in een interview in 1927: ‘Ravel told me that his mother was of Jewish origin’. Volgens de Ravel-biograaf Seroff (Maurice Ravel, New York 1953, p. 245) heeft de componist dit in een brief aan Laberge (3 juni 1928) tegengesproken.

Ravels solidariteit met Dreyfus (het melancholische Menuet uit Le Tombeau de Couperin is ter nagedachtenis aan hem geschreven) en zijn kennis van het Hebreeuws zijn waarschijnlijk de reden geweest van racistische speculaties. In deze controverse en toenemend nationalisme zou helaas ook wel eens de oorzaak gezocht kunnen worden van de onderwaardering van Ravels uiterst waardevolle composities op niet-Franse teksten. Het is goed dat Nathalia en Maria Milstein er nu enkele, in arrangementen voor viool en piano, op cd hebben gezet.

Duizend-en-een manieren om jood of moslim te zijn

Duizend-en-een manieren om jood of moslim te zijn : een dialoog / Delphine Horvilleur, Rachid Benzine ; in
samenwerking met Jean-Louis Schlegel ; vertaling [uit het Frans]: Lieven Vanderbrugghen. – Antwerpen : Halewijn, [2019]. – 179 pagina’s ; 24 cm. – Vertaling van: Des mille et une façons d’être juif ou musulman. – Éditions du Seuil, 2017. – Rugtitel: 1001 manieren om jood of moslim te zijn. ISBN 978-90-852849-4-9

De Franse uitgever Editions du Seuil vroeg een liberaal-joodse rabbijn (Delphine Horvilleur) en een islamoloog (Rachid Benzine) om onder leiding van een christelijke
godsdienstsocioloog (Jean-Louis Schlegel) met elkaar in gesprek te gaan. Om in alle vrijheid zowel overeenkomsten als verschillen in hun beider godsdienst te ontdekken en te benoemen. Dit boek is de Vlaamse vertaling van de uitkomst. Beide welbespraakte gesprekspartners peilen diep in de boeken en het geloof van het jodendom en de islam: Tenach, Talmoed en Koran. De uitkomst is populairwetenschappelijk. Aan de orde komen onderwerpen als de geschiedenis, traditie en vernieuwingen binnen jodendom en islam, de halacha (aanwijzingen hoe te leven) en
hadiths (overleveringen). De nadruk valt op de overeenkomsten en vermenging van
beide tradities. Met voetnoten, maar jammer genoeg zonder verklarende woordenlijst.
Een urgent boek in het huidige tijdsgewricht voor gesprek(sgroepen), zowel
interreligieus als intra-religieus binnen nominaties van de eigen gemeenschap.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.