Iris van der Graaf – Is nergens ergens?

Is nergens ergens? : verhalen over filosofen en hun ideeën / Iris van der Graaf. – Amsterdam : Uitgeverij
Nieuwezijds, [2017]. – 135 pagina’s : gekleurde illustraties ; 18 cm ISBN 978-90-5712-466-2

Waar komt alles vandaan? Wat is echte vriendschap? Dit soort vragen komt aan bod, hoewel niet helemaal chronologisch, via het oude Griekenland, met de natuurfilosofen, en voorts via Descartes, Kant, Nietzsche, Kierkegaard, Wittgenstein, Arendt, Sartre en De Beauvoir tot Martha Nussbaum. Elk van de eenendertig hoofdstukken wordt afgesloten met een vraag om over door te denken, iets over op te schrijven of thuis of op school over te praten. Onderwerpen die aan bod komen zijn bijvoorbeeld: de zintuiglijke wereld, oneindigheid, schoonheid, verlangen, kunst, liefde, de dood, gender, geloven en niet geloven, taal en emoties. Iris van der Graaf is filosoof, beeldend kunstenaar en illustrator. Haar doel is kinderen te leren nadenken. Via dit handzame boek kunnen volwassenen/leraren met kinderen in gesprek gaan. Helder en toegankelijk geschreven, zonder dat de auteur op de knieën gaat zitten. Vrij aantrekkelijke lay-out met leuke, eenvoudige kleurenillustraties van de schrijver zelf,
en een uitklapkaart met een overzicht van de genoemde filosofen. Breder van insteek,
en zonder dat de auteur een mening ventileert, dan Mag je zeggen wat je vindt? van
Aby en Sander Hartog, dat meer op normen en waarden is gericht. Voor kinderen vanaf
ca. 9 t/m 12 jaar.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Seminar met Susan Neiman

De filosofe Susan Neiman krijgt steeds meer bekendheid in Nederland. Recent verscheen haar boek Verzet en rede in tijden van nepnieuws, waarvan ik de Duitstalige, oorspronkelijke versie op deze blog reeds besprak. Op 27 oktober a.s. spreekt zij tijdens de speciale pitstopsessie Design uw verandering van Filosofie Magazine, in Eindhoven. Ter gelegenheid daarvan neem ik hier enkele biografische notities over haar over zoals ik die schreef voor mijn MA-scriptie.

Susan Neiman werd in 1955 geboren in een joods gezien in Atlanta, de hoofdstad van de zuidelijke staat Georgia in de Nieuwe Wereld. Zowel de stad waar de Ku Klux Klan twee jaar na haar geboorte de synagoge vernietigde, als de plaats waar Martin Luther King het licht zag en met profetische gedrevenheid streed voor sociale gerechtigheid voor de zwarte bevolking in de Verenigde Staten. Kortom: een stad van onverdraagzaamheid én hoop.

In haar autobiografische notities Slow fire geeft Neiman aan dat haar voorouders uit Rusland en Polen kwamen.[1] Hierbij vermeldt ze niet of zij behoorden tot het aan de Verlichting verwante haskalah-jodendom of tot het meer mystieke Chassidisme. Het eerste ligt in de lijn der verwachting; Neiman noemt zichzelf een “Non-Jewish Jew”, naar de titel van een essay van Isaac Deutscher (1907-1967).[2] Deutscher muntte deze term voor humanistisch-joodse denkers. Neiman beschouwt zichzelf primair als een denker in de traditie van de Verlichting, en met name Immanuel Kant (1724-1804), al ontkent zij niet dat de Verlichting in het algemeen en de rede in het bijzonder hun beperkingen hebben en als filosofische doordenking van het kwaad ontoereikend zijn. De filosofie zal om die beperkingen geheel of gedeeltelijk op te kunnen heffen, in gesprek dienen te gaan met de literatuur en de daarin verwoorde filosofische concepten. Een opvatting, waarmee Neiman aansluit op een uitlating van haar eerste filosofiedocent aan de universiteit van Cambridge: “Philosophy compared to doing midrash”, dat wil zeggen: de doorgaande, Talmoedische dialoog die we ook in Neimans werk tegenkomen.[3]

In 1986 promoveerde Susan Neiman aan de Harvard University bij John Rawls (1921-2002) op een monografie over Immanuel Kant. R.W. Munk heeft gewezen op de affiniteit van de niet-joodse filosoof Kant met het joodse denken.[4] Door het noemen van de naam Kant zijn wij aangekomen bij de voornaamste filosofische inspiratiebron van Neiman die hier niet mag ontbreken.

Immanuel Kant
Het tweede boek van Neimans hand, dat verscheen na het eerdergenoemde Slow fire, gaat over deze filosoof uit Königsberg (Pruissen): The unity of reason: rereading Kant (1994).
In het boekje In het zicht van de galg voert Thomas Mertens in een essay Kant terecht op als Neimans “belangrijkste intellectuele metgezel”.[5] Aldus, vervolgt Mertens, bekent zij zich “tot het perspectief van de Verlichting”.[6] Dat wil zeggen dat Neiman trouw aan Kant (…) weet dat de Verlichting een permanente opgave is. Haar alternatief bestaat erin te benadrukken dat alle religies fundamentalistische trekken hebben, waarin de nadruk ligt op gehoorzaamheid aan een externe autoriteit, maar ook rationele trekken waarin de menselijke capaciteit om te redeneren niet als een bedreiging van de autoriteit van God wordt beschouwd maar als een belangrijk onderdeel van de menselijke gehoorzaamheid.[7]

Als voorbeeld noemt Mertens het door Neiman veelvuldig in verband met het kwaad geciteerde verhaal van het zogeheten offer van Abraham oftewel de binding van Isaac (Genesis 22). Neiman ziet in Abrahams bereidheid om zijn enige zoon aan God te offeren pure gehoorzaamheid.[8] Net als haar leermeester Rawls neemt Neiman het individu dat persoonlijke keuzes maakt tot uitgangspunt van haar denken. Rawls maakt echter, in tegenstelling tot Neiman, een duidelijk onderscheid tussen religie en filosofie. Neiman spreekt in haar boek Evil in modern thought in dit verband zelfs van het feit dat filosofie zonder theologie en literatuur slechts komt tot “fragmentarische antwoorden”.[9]

Dialoog
De dialoog die Neiman aangaat, met het joodse (Verlichtings)denken – an sich al niet alleen de eeuw van de ratio maar ook de eeuw van de dialoog – en met Kant, gaat verder bij het Einstein Forum in Potsdam, waar zij als directeur werkzaam is. Dit is een klein ontmoetingscentrum in een voor Albert Einstein gebouwd huis. Zij ziet “het Einstein Forum als een salon in de traditie die teruggaat op de salons van Berlijn en Parijs ten tijde van de Verlichting. Destijds gingen daar de belangrijke intellectuele impulsen vanuit, niet vanuit de universiteiten”.[10]

Ter illustratie van het belang dat Neiman aan de dialoog toekent, is haar visie op de Kneipe (kroeg) als verschijnsel in Berlijn. Hierin komen ofwel (neo)nazi’s samen om het donkere verleden levend te houden, ofwel wordt er over de toekomst gediscussieerd, over de wereld zoals deze idealiter zou kunnen zijn; eenzelfde tweeslag tussen onverdraagzaamheid en hoop als in Atlanta wordt aangetroffen.[11] Neiman beschouwt de Kneipe als een van de kenmerkende concepten van Berlijn. Dit zegt overigens ook veel over haar ontwikkeling tot publieksfilosoof: filosofie voor het volk.

Ook in haar hoofdwerk, Evil in modern thought: An alternative history of philosophy kiest Neiman duidelijk voor de dialoog. Uitgaande van een kantiaanse positie kiest zij daarbij vooral de dialoog met Hannah Arendt (1906-1975). De moraal werkt zij verder uit in haar boek Morality. A guide for grown-up idealists (2008), in het Nederlands vertaald als Goed en kwaad in de 21ste eeuw (tweede druk; 2009). In de Nederlandse titel is de voorafschaduwing van Neimans volgende boek helaas weggevallen: Why grow up? (2014), in de Nederlandse vertaling: Waarom zou je volwassen worden?

Denken
Uit de Nederlandse titel van Evil in modern thought (Het kwaad denken) blijkt duidelijker dan in de oorspronkelijke titel Neimans verwantschap met het werk van Hannah Arendt die ze ook veelvuldig citeert. ‘Denken’ verwijst naar Arendts Thinking (uit: The life of the mind, 1977). Volgens Arendt is denken een van de voorwaarden om zich van het kwaad te onthouden. De vraag is echter, of denken toereikend is.

Hierbij kunnen overigens meteen al drie dingen worden aangetekend. In de eerste plaats dient nadrukkelijk te worden gesteld, dat het om logisch denken gaat; het correct uit gegeven beweringen (premissen) een bepaalde conclusie trekken.[12] In de tweede plaats erkent Neiman, dat de ratio haar beperkingen heeft. Hierbij wijst zij naar de eerste zin van Kants Kritik der reinen Vernunft.[13] In de derde plaats staat hier haar geschiedopvatting tegenover die uit Het kwaad denken spreekt. Neiman definieert geschiedenis namelijk als categorie die “enables us to understand the world and gives us hope for changing it” (“ons in staat stelt de wereld te begrijpen en de hoop geeft dat we hem kunnen veranderen”).[14] Geschiedenis wordt op deze manier door haar als vooruitgangsgeschiedenis gezien.

We kunnen concluderen, dat Neiman in dialoog gaat met het vooruitgangs- en het Verlichtingsdenken en met Kant, dat zij aansluit bij de Torah en – in haar geval in sterkere mate, net als Kant – bij Job en is geïnspireerd door grote denkers als Arendt en schrijvers die zij bewondert, zoals Jean Améry (1912-1978) en Albert Camus (1913-1960) en recent Marilynne Robinson (1943).[15] Hierbij kan tenslotte worden opgemerkt dat de ratio bij Kant zowel slaat op denken (het Latijnse ratio) als de hiervoor veelvuldig genoemde notie van gesprek (het Griekse oratio), met God, zoals Abraham deed, maar ook in kritische zin met jezelf.[16]


[1]
Susan Neiman, Slow fire. Jewish notes from Berlin (2e druk; New Orleans 2010) (1e druk New York 1992) 51.
[2] Isaac Deutscher, ‘The Non-Jewish Jew’, The Non-Jewish Jew and Other Essays (New York 1968) 25-41.
[3] Neiman, Slow fire, 2. Zie voor het cv van Susan Neiman haar website: http://susan-neiman.de/docs/cv.html (geraadpleegd 3 januari 2016).
[4] Reinier Munk, ‘Kant en Cohen’, Joodse filosofie & Verboden wetenschap (Vrije Universiteit Amsterdam, 30 oktober 2002). Hierbij moet met name worden gedacht aan het hiervoor genoemde haskalahjodendom. Jonathan Sacks gaat in zijn boek To heal a fractured world (Nederlandse vert.: Een gebroken wereld heel maken (Vught 2016)) in op de overeenkomsten en de verschillen tussen Kant en het jodendom (p. 195-196).
[5] Thomas Mertens, ‘”Aan de deur”, Kant gelezen door Susan Neiman’, In het zicht van de galg. Helden en het kwaad (Budel en Nijmegen 2006) 56-69.
[6] Id., 57.
[7] Id., 59.
[8] Men kan zich afvragen of deze visie juist is. Het gaat hier eerder om het vertrouwen (emoena) van Abraham in God.
[9] Neiman, Evil in modern thought, 11. Neiman, Het kwaad denken, 29.
[10] Verbij, ‘”Moraal is het beste middel tegen het kwaad’”, 15.
[11] Vergelijk met Immanuel Kants morele onderscheid tussen de wereld zoals zij is en zoals zij zou behoren te zijn (Mertens, ‘”Aan de deur”’, 60).
[12] Hoezeer Neiman hier belang aan hecht, blijkt ook uit haar recente pamflet Widerstand der Vernunft. Ein Manifest in postfaktischen Zeiten (Salzburg en München, 2017) waarin ze stelt dat een basiscursus logisch denken ons veel “Wirrwarr” zou kunnen besparen (p. 49). Nederlandse vert.: Verzet en rede in tijden van nepnieuws (Rotterdam 2017).
[13] “Auf welche Art und durch welche Mittel sich auch immer eine Erkenntnis auf Gegenstände beziehen mag, es ist doch diejenige, wodurch sie sich auf dieselbe unmittelbar bezieht, und worauf alle Denken als Mittel abzweckt, die Anschauung”. Immanuel Kant, Kritik der reinen Vernunft. G. Hartenstein ed. (Leipzig 1868) 55. Uitspraak door Neiman gedaan in de lezing ‘Art and Enlightenment. Old-fashioned thoughts for the 21st century’, Akademie van Kunsten-lezing (Het Trippenhuis Amsterdam, 18 november 2015).
[14] Neiman, Evil in modern thought, 44. Neiman, Het kwaad denken, 63.
[15] Neiman, ‘Art and Enlightenment’.
[16] H. Procee, Immanuel Kant en het volle leven (Budel 2004) 67-68.

http://www.filosofie.nl/pitstop

 

Bettina Stangneth – Het kwade denken

Het kwade denken / Bettina Stangneth ; vertaald [uit het Duits] door René van Veen. – Amsterdam : Uitgeverij Atlas Contact, [2017]. – 235 pagina’s ; 21 cm. – Vertaling van: Böses Denken. – Reinbek bei Hamburg : Rowohlt Verlag, © 2016. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-450-3399-0

De Duitse filosofe en historica Bettina Stangneth schreef een spraakmakend boek waarin ze helder en soms zelfs lichtvoetig drie begrippen uitlegt: ‘het radicale kwaad’ (Kant), ‘banaliteit van het kwaad’ (Hannah Arendt) en het ‘academisch kwaad’:
respectievelijk willens en wetens, gedachteloos, of het zicht op wetenschap en moraal ontnemend kwaad bedrijven. Stangneth promoveerde op Kant en schreef eerder een gezaghebbend boek over Eichmann in Argentinië (2012). Het doel van dit boek is, licht te werpen op de wereld en op onszelf als vrije mensen die kunnen kiezen. De mens moet vanuit de rede ernaar streven een moreel karakter te ontwikkelen om van
daaruit te kunnen handelen. Met name de eerste twee onderdelen komen het beste uit de verf. Vergelijkbare titel, waarin Susan Neiman probeert het kwaad te begrijpen: Het kwaad denken (2004), deels ook op grond van Kant en Arendt.

Cop, NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

 

Hannah Arendt

Elke maand belicht Filosofie Magazine één grote filosoof wiens leven en werk van grote invloed zijn geweest. Deze maand is dat Hannah Arendt. De redactie van Filosofie Magazine selecteerde de belangrijkste boeken. Haar drie in het Nederlands vertaalde werken (Denken, Oordelen en Willen) besprak ik alle drie voor NBD Biblion (zie elders op deze blog). Voor de Open Universiteit Nederland schreef ik in 2013 een werkstuk over haar. De inleiding neem ik hieronder als blog over.

Het belangrijkste boek van Hannah Arendt is The human condition (De menselijke conditie, 1958). Oorspronkelijk had zij het Amor Mundi willen noemen, liefde voor de wereld. In dit boek werkt Arendt haar ideeën uit over een actief leven (vita activa) in de publieke sfeer. Dit leven plaatst zij tegenover de vita contemplativa, het beschouwende leven dat in de westerse filosofie vanaf Plato de boventoon voert. “Haar liefde voor de wereld was bijna een moreel appèl”, zegt de filosofe Susan Neiman in een televisie-interview, “om er op één of andere manier aan bij te dragen dat hij niet ontspoort, anders verraden we de volgende generatie.”[1]

Arendt onderscheidt in The human condition drie menselijke activiteiten: arbeid, werk en handelen. Het eerste behelst het leven an sich, het biologische proces van de wieg tot het graf alsmede de eerste levensbehoeften, en – volgens de uitleg van Heinz Paetzold (Universiteit van Kassel) – uiteindelijk de plaats van de mens in de consumptiemaatschappij.[2] Een maatschappij die onder kritiek wordt gesteld. Werken slaat op de wereld der dingen, producten van kunst en cultuur, en handelen voltrekt zich tussen mensen en is de conditie voor iedere vorm van politiek samenleven – woorden en daden ineen.

Wat hier ontbreekt, is dus het denken, de bron van alle waarheid die men meende te vinden in het Idee of “het transcendente Woord Gods.”[3] Denken maakte Arendt tot onderwerp van wat zij ooit “een soort tweede deel van De menselijke conditie” noemde: Thinking (Denken, 1971).[4] Dit denken “relateert ons aan de wereldse zaken in het heden zoals we daarmee geconfronteerd worden, en produceert via de verbeelding voorstellingen of ‘nabeschouwingen’ waar de andere geestvermogens mee kunnen werken.”[5]

Alle drie de geestesvermogens (denken, willen en oordelen) vallen niet los van elkaar te zien en zijn net als arbeid, werk en handelen op elkaar betrokken. Zonder dat het één ten dienste staat van het ander. Elke vorm van instrumentaliteit is vreemd aan het denken van Arendt. “Zij gaat er namelijk van uit dat het instrumentele handelen alles van zijn intrinsieke waardigheid berooft; het vernietigt elke permanente betekenis en leidt tot een ‘ontwaarding van alle waarden’; het ondermijnt aldus de objectiviteit, de duurzaamheid en de stabiliteit van de woonvorm, die [ze] wereld noemt.”[6]

Bovenstaande gedachtegang en het aansluitende citaat leiden regelrecht naar de uitspraak uit De crisis in de cultuur die mij aanzette tot het onderzoek:

Kathedralen werden gebouwd ad maiorem gloriam Dei (tot meerdere glorie van God); hoewel ze als bouwwerken zeker de noden van een gemeenschap dienden, kunnen deze behoeften hun verfijnde schoonheid nooit verklaren – ze konden evenzeer door een banaal bouwsel gediend worden. Hun schoonheid transcendeerde alle behoeften en maakte deze kathedralen door de eeuwen heen duurzaam. Maar terwijl de schoonheid, zowel de schoonheid van een kathedraal als deze van om het even welk seculier gebouw, noden en functies transcendeert, nooit overschrijdt zij de wereld, al is de inhoud van het werk toevallig religieus.[7]

[1] Susan Neiman in: Ikonhuis. De Nieuwe Wereld. Talkshow met Colet van der Ven (3 mei 2015).
[2] Heinz Paetzold, ‘Arendt en Kant. Politieke filosofie in cultuurfilosofisch kader’ in: Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa. Antoon Van den Braembussche en Maurice Weyembergh (red.) (Budel 2002) 64.
[3] Elisabeth Young-Bruehl, Het belang van Hannah Arendt (Amsterdam 2007) 84.
[4] Idem, 161.
[5] Idem, 185-186.
[6] Antoon Van den Braembussche, ‘De totalitaire verleiding. Hannah Arendt en de stilte van Heidegger’ in: Antoon Van den Braembussche en Maurice Weyembergh (red.) Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa (Budel 2002) 94.
[7] Arendt 1995, 49-50. Interessant is dat Arendt het hier ook over noden heeft. Ook dan gaat het om het overschrijden van dingen die ons overkomen. Daardoor kon transcendentie een sterke kracht ter overleving zijn in de concentratie- en vernietigingskampen, waar kunst voor sommige gevangenen troost bij uitstek was. Zie: Nico Rost, Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid. Dagboek 1944-1945 (De Bilt, 2015).

Een manifest

‘Haar blik ging van links naar rechts, niet op de “oneerlijke Richard Nixon”-manier.’ Zo omschrijft Harlan Cobben een getuige in zijn thriller Geleende tijd. En even verderop laat hij de hoofdpersoon, Paul Copeland denken: ‘Ik geloofde dat als je in de strijd ten onder moest gaan, je dat wel moest doen terwijl je de waarheid trouw bleef.’

De filosofe Susan Neiman (zie foto) zou hier ongetwijfeld mee instemmen, als je haar recent verschenen manifest Widerstand der Vernunft naast deze thriller legt. Neiman benadrukt dat de alternatieve feiten van de regering Trump oude papieren hebben. Vanaf Nixon en uit de tijd dat de Amerikanen Sadam Hoessein ervan beschuldigde massavernietigingswapens te hebben.
John Farrell geeft vandaag in een interview met Menno de Galan in NRC Handelsblad ook een tekenend voorbeeld: ‘Kijk naar het gedrag van Trump! Tijdens zijn reis naar Europa duwde hij op een bijeenkomst de leider van Motenegro aan de kant. Dat lijkt een zeer zwakke echo van Nixon in Vietnam, maar het gaat om de houding: “Leer ze een lesje in nederigheid. Laat zien wie de baas is. Hard optreden tegen buitenlanders, want die hebben jarenlang een loopje met ons genomen.” Amerika hoort nog steeds te winnen’ aldus de auteur van een biografie over Nixon (Richard Nixon: The Life).

Ken uw geschiedenis, zeggen Farrell en Neiman. En trek daar, lijkt Jan van der Putten in zijn Buitenlandcolumn in de Groene Amsterdammer van deze en volgende week aan toe te voegen, er conclusies uit ten aanzien van Kim-Jong un en de Noord-Koreaanse kernmacht. Doe aan waarheidsvinding, zoals in Zuid-Afrika is gedaan, schrijft Neiman. Waarheid en gerechtigheid, daar gaat het om, en daarin toont ze zich een joods denker (chesed ve emet).

Hoe bereik je dat? Door, zegt ze, logisch te denken. Dat kunnen zowel de mensen van de wirwar aan alternatieve feiten als de plunderaars in de straten van Hamburg gedurende de G20 (ik heb het niet over de demonstranten) in hun zak steken; hersenloos noemde een passant ze in het Journaal, en Neiman zou hier meteen aan Hannah Arendt denken die iets soortgelijks zei over Adolf Eichmann. Die demonstranten hadden zo hun ideeën, en daar doet Neiman het voor.
Hoop en idealen, nog zo’n woordenpaar als waarheid en gerechtigheid: “Hoffnung zielt darauf, Tatsachen zu ändern. Hoffung als Ideal zu verstehen, bedeutet, dass sie nicht einfach gegeben ist, sonder errungen werden muss.”

Een fijn boekje, dat tot nadenken en verder denken stem. En zo hoort het te zijn.

Naschrift (18-7): Ook Nederland kent er wat van, blijkens een column van Phaedra Werkhoven vandaag in Trouw: ‘In Nederland is een politicus als Thierry Baudet in opkomst wiens meningen volgens hemzelf feiten zijn en die het bericht over deze Russische fabels [t.a.v. de MH17, EvS] durft te retweeten met de vraag erbij: fake of echt? Waarmee hij de hele rechtsgang van het proces en alles wat door het onderzoeksteam is onderzocht als bedorven voedsel voor het twijfelvolk in de arena werpt.’

Susan Neiman: Widerstand der Vernunft. Ein Manifest zu postfaktischen Zeiten. Uitg. Ecowin, 2017 (ISBN 978-3-7110-0154-2).

Hannah Arendt – Oordelen

Oordelen : het leven van de geest / Hannah Arendt ; vertaald door Dirk De Schutter en Remi Peeters. – Zoetermeer : Klement, [2016]. – 252 pagina’s ; 22 cm. – Vertaald uit het Engels en Duits. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-868718-1-0

Na de eerdere uitgaven van de eerste twee delen (Denken, 2012 en Willen, 2014) van Arendts trilogie ‘Het leven van de geest’ verschijnt nu het laatste deel. Dat wil zeggen: voorstudies hiertoe. Dirk De Schutter en Remi Peeters bezorgden ook nu de vertaling, in dit geval van Arendts colleges over Immanuel Kants Kritiek van het oordeelsvermogen, en combineren deze met teksten over respectievelijk het totalitarisme, Socrates en Lessing. Arendt was één van de grootste filosofen uit de vorige eeuw; De Schutter en Peeters schreven ook een inleiding tot haar denken. Dit deel bevat tevens een inleidende tekst van dertig pagina’s, waarin Arendts pleidooi voor esthetische, morele en politieke oordelen als het sluitstuk wordt gezien van haar nadenken over het actieve en contemplatieve leven. Goede vertaling, met enkele
Vlaamse uitdrukkingen en germanismen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Marli Huijer – Achterblijven

Achterblijven : een nieuwe filosofie voor een grenzeloze wereld / Marli Huijer. – Amsterdam : Boom, [2016]. – 194
pagina’s ; 21 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-895386-8-0

De titel van deze studie slaat in eerste instantie op familie, vrienden en buurtgenoten die achterbleven ten tijde van de emigratiegolven uit Europa (1800-1960). Mensen die nu achterblijven, hebben sneller en veelvuldiger contact met emigranten. Achterblijvers hebben in de visie van Huijer niet alleen een conserverende functie (zorg voor het behoud van omgeving en gemeenschap), maar dienen ook open te staan voor nieuwkomers (vluchtelingen). De auteur, Denker des Vaderlands, is zelf een achterblijver. De opzet van het boek is fenomenologisch, uitgaande van ervaringen. Huijer maakt daarbij veelvuldig gebruik van de Europese literatuur, film, theater en sluit aan bij het denken van onder meer Hannah Arendt. Door deze insteek wordt de aandacht grotendeels beperkt tot de materiële cultuur en wordt dat wat achterblijvers in zich meedragen wat verwaarloosd. Wat de bedoeling is van wat groots een ‘nieuwe filosofie’ wordt genoemd, en voor welke doelgroep het boek is geschreven, wordt helaas niet helemaal duidelijk. Het boek is voorzien van voetnoten en een literatuurlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Amor mundi – Peter Venmans

Amor Mundi_VenmansAmor mundi : hoe komen we tot een betekenisvolle relatie met de ander? / Peter Venmans. – Amsterdam en Antwerpen, Atlas Contact, 2016. – 240 pagina’s ; 20,5 cm ISBN 9789045030364

De titel van deze uitgave is ontleend aan het concept dat Hannah Arendt in een boek had willen uitwerken, maar dat nooit is verschenen. De filosoof Peter Venmans stelt dat dit thema, liefde voor de wereld, niets aan actualiteit heeft ingeboet. Het boek bestaat uit tien essays: het ontbreken van amor mundi vanaf de christelijke middeleeuwen tot aan het neoliberalisme, het zoeken naar individueel geluk tot wat amor mundi ons vandaag, via het denken van mensen als Camus en Sloterdijk, kan bieden. Venmans heeft drie eerdere publicaties op zijn naam staan, waarvan één over Hannah Arendt: De ontdekking van de wereld (2005). Het politieke element uit Arendts denken komt in dit boek echter niet of nauwelijks aan bod. Amor mundi is voor Venmans allereerst oordelen: je houding bepalen tegenover de wereld. Maar niet hoe je vandaar tot handelen komt. Dat kan als een gemis worden ervaren; het blijft zo bij de verkenning van het thema. Niet meer en niet minder.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Een ‘bucklicht Männlein’

Das undatierte Archivbild zeigt den deutschen Schriftsteller Thomas Mann. Der "größte deutsche Epiker des 20. Jahrhunderts" wurde vor 125 Jahren, am 06.06.1875 in Lübeck geboren. Schon sein erster Roman "Buddenbrooks" (1901) machte ihn weltberühmt. Weitere wichtige Werke sind "Tod in Venedig" (1912), "Der Zauberberg" (1924) und "Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull" (1954). 1929 wurde er mit dem Literatur-Nobelpreis ausgezeichnet. Als Kritiker der Nationalsozialisten emigrierte er 1933 in die Schweiz, später in die USA, wo er 1944 die amerikanische Staatsbürgerschaft erhielt. dpa (nur s/w; zu dpa Themenpaket "Thomas Mann" am 29.05.2000)Walter Benjamin

In het laatst verschenen nummer van Filosofie Magazine (februari 2016) staat een ‘Historisch profiel’ van Walter Benjamin (1892-1940, foto rechts). Hierin citeert de auteur, Martin de Haan, een veel door Benjamin geciteerde omschrijving over een ‘bucklicht Männlein’ uit Des Knaben Wunderhorn. Het gebochelde mannetje dat voor pech in ons leven zorgt. Hij brengt dit, met Hannah Arendt, die het eerder deed, in verband met de vraag of Benjamin zelf niet aanstuurde ‘op zijn eigen pech, om maar niet nuttig te hoeven zijn?’ Naar aanleiding hiervan neem ik hieronder een eerder in Wervelingen gepubliceerde column (herfst 2008) over, waarin het mannetje ook figureert.

Onlangs las ik dat de schrijver Thomas Mann (foto links) iedereen die in zijn buurt kwam alleen maar bekeek met de ogen van een schrijver op zoek naar personages. Of dat hem helemaal recht doet (zie die fijnzinnige versie die Georg Lukács over hem geeft in Sunschrift 92) waag ik te betwijfelen, maar de rugpatiënten die Mann in zijn roman De Buddenbrooks ten tonele voert, lijken in eerste instantie meer tot op de spits gedreven karikaturen dan geloofwaardige personages. Of grotesken die we ook uit de beeldende kunst kennen, zoals de kleine mensen in Dr. Faustus.

Daar gaan we dan. Makelaar Sigismund Gosch ‘betreurde oprecht geen bochelaar te zijn’ (Buddenbrooks, p. 145). Gosch, een vrijgezel, was uiterlijk ‘een boosaardige, gemene, interessante en vreeswekkende karakterfiguur’ maar innerlijk eerlijk en goedmoedig. Een dialectiek die we tussen twee haakjes ook tegenkomen bij de zieke, stervende moeder in Die Betrogene.
En dan is er de bekende Sesemi Weichbrodt, die een pension had waarin zij adolescenten opleidde. Zij is naar de werkelijkheid getekend, en hád een kromme rug. Behalve vrijgezel was ze in de roman boosaardig en gemeen.
Vervolgens komt Johannes Buddenbrook, Hanno, ten tonele. Het jongetje dat droomt van het gebochelde mannetje uit Des Knaben Wunderhorn dat een beetje griezelig is (ook hij), slechte dingen uithaalt en tenslotte vraagt of men hem in gebed wil gedenken (p. 375).
Om nog maar te zwijgen van de jongste bediende van het kantoor van Thomas Buddenbrook, ook al zo krom als een hoepel en schuw als wat.
Tenslotte is er de organist van de Marienkirche in Lübeck, Edmund Pfühl, die – het valt te raden – op z’n minst ‘wat hoge schouders’ heeft.

In de roman van Thomas Mann lopen dus aardig wat mensen met een min of meer kromme rug rond. Misschien omdat er, als realiteitswaarde, in die tijd, begin 20ste eeuw, nog niet veel aan kon worden gedaan. Maar vooral, lijkt het, als symbool van het decadente, het burgerlijke. Mann wilde dit tegenover het intellectuele plaatsen. En dan staan – vrij naar de eerder genoemde Georg Lukács – ‘verminkte (…) persoonlijkheden’ (Sunschrift, p. 20) tegenover ‘estheties (…) aantrekkelijken’ (p. 22).

Maar aan het voorkomen van Sesemi Weichbrodt geeft Thomas Mann aan het eind van zijn boek een aparte draai: ‘Toen echter kwam Sesemi Weichbrodt aan tafel overeind, zo hoog ze maar kon. Ze ging op haar tenen staan, rekte haar hals uit, klopte op het tafelblad, en de muts trilde op haar hoofd. ‘Het is zo!’ zei ze met al haar kracht en keek iedereen uitdagend aan.
Daar stond ze, triomferend in de goede strijd die ze haar hele leven lang tegen de verzoekingen van haar leraressenverstand had gevoerd, gebocheld, nietig en bevend van overtuiging, een kleine, straffende, geestdriftige profetes’ (p. 616).

En zo geeft Mann aan Weichbrodt het profetische elan mee ‘zoals aan het slot van duistere Shakespeare-tragedies een Richmond of een Edgar naar voren komt die aanduidt dat het niet de wereld is die is vergaan maar slechts een bepaalde maatschappelijke wereld en dat die zal worden opgevolgd door een nieuwe, betere wereld’ (Lukács, p. 183).
Thomas Mann zegt zo via Weichbrodt, die het laatste woord heeft, dat het decadente voorbij gaat en er hoop is op een betere toekomst. Even heeft, en geeft, zij zicht op een wereld zonder pijn en narigheid.

Literatuur:
Thomas Mann: De Buddenbrooks. Vert. Thomas Graft. Uitg. De Arbeiderspers, 2006 (Modern Klassiek)
Georg Lukács: Thomas Mann. Socialistiese Uitgeverij Nijmegen, 1975 (Marxisme en kultuur)
Martin de Haan: Walter Benjamin: al het nuttige is betekenisloos, Filosofie Magazine 24 (2016) nr. 2 (febr.) 54-60.

Denken en doen

Arendt_DumasTijdens de cursus Vrouwen in de filosofie van The School of Life Amsterdam, liet docente Daan Roovers de deelnemers een filmpje zien van Joke Hermsen. Zij dacht volgens Roovers verder in het spoor van Hannah Arendt (zie afb., schilderij Marlene Dumas). Over vluchtelingen, die rechteloos zouden zijn. Uit de zaal kwam, terecht denk ik, weerwoord. Er bestaan namelijk zaken als een VN-vluchtelingenverdrag en Europese richtlijnen over erkenning van vluchtelingen. En mensenrechten voorop. Doordenken in het spoor van … is altijd een hachelijke zaak, dat blijkt maar weer.

Jurist en filosoof Bas Hengstmengel pakte het tijdens een Herman Dooyeweerd symposium in de Amsterdamse VU anders aan. Hij had het over de erfenis van Dooyeweerd en de inspiratie die je hier anno 2015 nog uit kunt putten. Denken met het hart, noemde hij het. Tegenover louter rationeel denken. Je zou scherp moeten zien te krijgen waar de tegenstelling tussen beide invalshoeken zit. En die zit volgens de spreker in het transcendentale denken; het was even of hij zo een invulling aan dit begrip gaf op een manier die Arendt ook gedaan zou kunnen hebben. Alleen had zij het over transcendentie.

Stap drie. Afgelopen zondag ging ds. Hans Uytenbogaardt voor in de Oude Kerk. Hij preekte naar aanleiding van Deuteronomium 15:1-11 en Marcus 10: 17-31. Waarbij tussen twee haakjes het Oude Testament door een lector en het Nieuwe door de predikant werd voorgelezen, zoals sommige denominaties de in mijn ogen twijfelachtige gewoonte hebben bij Tenach te blijven zitten en bij het Evangelie te gaan staan. In de preek ging het ook over recht en het hart. Maar bovenal over een perspectief voor ogen hebben, een perspectief bieden. Aan vluchtelingen, denk ik dan, bijvoorbeeld. Dat is wat we bovenal moeten doen. Denken en doen, met hart en handen.

http://www.nieuwwij.nl/interview/joke-hermsen-je-menselijkheid-is-verbonden-aan-de-rechten-die-je-hebt-als-mens/