Drieluik bij de zevende kruiswegstatie

Jezus valt voor de tweede maal

1.
Afgelopen week liep ik op een avond van metrostation Vijzelgracht richting Leidseplein, met als doel onderweg in The Small Museum – twee mededelingenkastjes van de voormalige Vrije Gemeente (thans Paradiso) – pen- en inkttekeningen van Paul van Dongen die deel uitmaken van Troubled Waters, Art Stations of the Cross te bekijken.

De linker verbeeldt het Oordeel (2012), de rechter het Verrijzen (2013, zie afb. links, ontleend aan de website van de kunstenaar). De eerste toont ons volgens de catalogus ‘mensen die vallen, misschien doordat hun een te zware last werd opgelegd’. Het is een choreografie ‘met naakte manfiguren die samen de val, het bestaan zonder vaste grond, de reddeloosheid uitdrukken’. Aan de rechterkant van de deur, in het andere kastje (waarin op het moment dat ik er langs liep het tl-licht overigens kapot was, wat overigens niet deerde), worden mensen getoond die ‘weer opkrabbelen, zoals ook Jezus opstond na zijn val’.

2.
In de loop van de week lees ik in Preludium, het muziekmagazine van Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO, april 2019) een dubbelinterview dat Thea Derks had met dirigent David Robertson en componist Nico Muhly, die allebei meewerken aan een nieuwe theaterproductie van Dood in Venetië naar de novelle van Thomas Mann (4, 5, 7, 8, 10, 11 en 13 april a.s. in Koninklijk Theater Carré). Robertson dirigeert het KCO, Muhly componeerde verbindende muziek.
Muhly heeft het in het interview over Charon (de veerman van de onderwereld), die ‘staat voor de dood en het afdalen naar een steeds diepere duisternis. Het is een cyclus van vierenveertig akkoorden, die steeds in een andere variatie terugkeren (…). Het is alsof je eindeloos naar beneden valt’, net als op het Oordeel van Van Dongen.

3.
Weer enkele dagen later valt mij een recensie-exemplaar toe van de essaybundel Pijnlijk mooi. Lijden en schoonheid in de christelijke kunst (uitg. Skandalon) die ik voor de website 8weekly.nl zal bespreken. Anne-Marie Bos, verbonden aan het Titus Brandsma Instituut, schreef er een bijdrage in over een kruiswegstatie van Titus Brandsma (1942). Bij de zevende statie benadrukt hij volgens haar ‘niet het “weer opstaan”, maar het “weer vallen”.’ De herhaling van de val is, als in de vierenveertig akkoorden van Muhly, de vernedering in de vernedering. Het gaat Brandsma niet, zoals bij Van Dongen, om het Verrijzen, maar over bidden, het ‘ons steeds weer bemoedigen in ogenblikken van zwakte en vlucht van het lijden’.

Toegift
Aan het eind van de week hoor ik een mooie uitleg van het slot van het Bijbelboek Genesis (Gen. 50:22-26). De rouw om de dood van in dit geval Jozef, die blijft staan, terwijl er toch de zekerheid is dat God naar Zijn volk zal omzien en het uit de ballingschap zal voeren. Zoals Van Dongen beide naast elkaar laat staan: het Oordeel en het Verrijzen, de val en de opstanding, terwijl Muhly en Brandsma het bij het vallen houden. In de wetenschap dat er nog meer komt, dat er nog meer staties volgen. Zo vervolg ook ik mijn route langs de staties die deze veertigdagentijd in Amsterdam zijn te zien.

www.thesmallmuseum.nl
http://paulvandongen.com/
www.artstations.org
www.skandalon.nl

Hoftuin en Hermitage in Amsterdam

Tot en met 25 augustus a.s. is in de Hermitage Amsterdam de tentoonstelling De schatkamers! te zien, ‘een spannende ontdekkingstocht door 25.000 jaar kunstgeschiedenis’ aldus een folder van de Hermitage.

Kunsthistorica Karin Braamhorst leidt een vol Auditorium in de Hermitage in, dat ‘nieuwsgierig [is]  naar de connectie tussen een zestiende-eeuws triptiek en een twaalfde-eeuwse Boeddha’ om een folder van de Vrije Academie te citeren. En om slechts enkele voorbeelden te nomen die voorbij kwamen. Zij doet dit al tien jaar, net zolang als de Hermitage Amsterdam bestaat. Met veel kennis en enthousiasme laat ze haar luisteraars/bezoekers van de tentoonstelling waarover ze spreekt kijken, vergelijken en nadenken.

Ze heeft het over de Maria met Kind onder een appelboom (ca. 1527-’30) van Lucas Cranach de Oudere, dat een protestantse leerstelling verbeeldt (Jezus als de nieuwe Adam) in vergelijking tot een Maria met Kind van Lotti, dat weer een rooms-katholieke insteek heeft. Ze heeft het over Maarten van Heemskerks Golgotha (1546-’60), een maniëristisch en illusionistisch doek, en de fantasie gaat met mij aan de loop.

Ik loop weer door de Hoftuin achter de Hermitage en de gebouwen van de Protestantse Kerk Amsterdam en sta voor de installatie Stations II van G. Roland Biermann (foto hierboven Marloes van Doorn). Het is óók een verbeelding van Golgotha, maar dan een uitgeklede versie die je zelf in mag vullen – zoals de laatste installatie op de tentoonstelling in de Hermitage Amsterdam, met lege schilderramen met tekstballonnetjes wat je je erin kunt voorstellen. Het werk van Roland Biermann is geplaatst in de openbare ruimte, het is uitgeklede kunst in vergelijking tot Van Heemskerk. Wel herken je er de drie kruisen, nu binnen een omheining met linten en met aangespoelde olievaten rondom.

Formeel doet de installatie denken aan K-piece (1972) van Mark di Suvero bij de ingang van het Kröller-Müller Museum in Otterloo (zie foto links). Inhoudelijk vormen zij echter een leerstelling à la Cranach. Stalen vangrails, à la stalen balken van Di Suvero, verwijzen in de Hoftuin niet alleen naar de drie kruisen op Golgotha, maar ook naar de drie Andreaskruisen in het wapen van Amsterdam: heldhaftig, vastberaden, barmhartig. Alleen: ze staan in de Hoftuin niet onder appelbomen, zoals Maria bij Cranach, maar onder grote, kale bomen die alles hebben gezien in deze Jodenbuurt.

Ik huiver en moet denken aan het groepje mensen dat tijdens de klimaatmars verleden week een rabbijn die het woord voerde, de rug toekeerde. Amsterdam, let op uw saeck. Het ‘grimmige tafereel’ van G. Roland Biermann, zoals hij het zelf omschrijft, roept ons des te meer op tot heldhaftigheid, vastberadenheid en barmhartigheid. In navolging van degene die aan het middelste kruis hing. Nu nog steeds, in de veertigdagentijd en in de tijd die komen gaat.

www.artstations.org/art

 

De arme Lazarus

‘Een van de eerlijkste en inspirerendste films die ik ken.’ Dat schrijft Dana Linssen in De Filmkrant van maart jl. over Lazzaro felice van de Italiaanse regisseur Alice Rohrwacher (1982), wier zuster Alba er ook (weer) een rol in speelt. Ze kreeg er in Cannes de Palm voor het beste scenario voor. Linssen heeft niet teveel gezegd; het ís een film die ontroert, je bij de kladden grijpt en aan het denken zet. Nog lang nadat je hem hebt gezien.

Veerle Snijders, die de film inleidde voor Rialto Filmclub, wees erop dat je de wolf die regelmatig in beeld komt, en wiens gehuil met eenzelfde regelmaat in het Italiaanse landschap in de buurt van Inviolata weerklinkt, wel eens voor God zou kunnen staan en nodigt de Filmclubleden uit hierover na te denken.

Om te beginnen zou ze wel eens gelijk kunnen hebben: de bevolking is bang voor de wolf/God, maar dat is een uiting van een periode die in de film voorbij gaat en opschuift naar het hier-en-nu. Lazzaro, de hoofdpersoon, heeft soms zelfs het idee dat de wolf hem antwoordt als hij zijn huilen nadoet. Alleen zijn dat dan (een humanistisch element in de film) mensen die het gehuil van de wolf nadoen.
In ieder geval is het de wolf die Lazzaro, nadat hij van een hoge rots naar beneden is gevallen, weer tot leven wekt; in die zin staat de arme doch vrolijke Lazzaro (Lazzaro felice) voor de arme Lazarus uit de Bijbel (Elazar, God heeft geholpen, Johannes 11). Lazzaro doet zijn ogen open en staat op, letterlijk (een sociaal-realistisch element in de film): zijn ogen gaan open voor het ongeluk dat de geknechte tabaksboeren in Inviolata treffen en (een actueel gegeven) tegen de bank die de horigen een schuld liet opbouwen die ze nooit kunnen aflossen.

Een wolf is in de christelijke iconologie het attribuut van vele heiligen (Antonius de Grote, Radegundis, Remaclus). Ook in het verhaal van Franciscus van Assisi, op wie in de film even wordt gezinspeeld, duikt een wolf op (zie afb. hierboven). Lazzaro kun je eveneens als een soort heilige beschouwen, die als vreemdeling wordt gewantrouwd. Men denkt dat hij, wanneer hij de bank binnenloopt om over de schulden te praten, een wapen bij zich heeft. Als dit al zo is, dan is het de katapult zoals de Bijbelse David die had en die Lazzaro van Tancredi, de zoon van Marchesa Alfonsina de Luna van de tabaksplantage, cadeau heeft gekregen en als teken van vriendschap altijd bij zich moet dragen.

Op een gegeven moment trekken de horigen naar de grote stad. Let wel: een stad met allemaal zendmasten die symbolisch wat lijken te willen opvangen van het leven voorbij de fysieke werkelijkheid. Als dat wat het aardse leven te boven gaat of dat wat er grond aan geeft. De groep gaat een kerk binnen en horen op het orgel spelen. Een non jaagt ze weg; het is, zegt zij, een besloten mis. Het lijkt of de orgelklank in de kerk wordt opgesloten. Je kan in deze scène kritiek zien ten opzichte van het instituut kerk, die het niet voor de landarbeiders opnam (een enkele uitzondering, zoals Thomas Münzer daargelaten), die niet meeging met de tijd. Alleen Lazzaro heeft in de film wat tijdloos; hij verandert gedurende de speeltijd niet.

Het slot van de film zegt nog iets anders: de orgelklank groeit uit tot het orgelkoraal Erbarm’ dich mein, o Herre Gott BWV 721 van Joh. Seb. Bach, die Lazzaro vergezelt. De strekking van de tekst van dit koraal (Psalm 51 in de Luthervertaling) zegt méér dan woorden kunnen uitdrukken.
Al met al is het een film die bij je blijft. Eerlijk en inspirerend. Op z’n minst.

De andere helft van het verhaal

Er bestaat zoiets als ongelijktijdige gelijktijdigheid: iets dat gelijktijdig gebeurt en toch vanuit een totaal ander perspectief wordt bekeken. Bijvoorbeeld aan het andere eind van de wereld.
Neem de houding ten opzichte van het teruggeven van koloniale roofkunst en tegenover actrice Selma Blair, die op het Oscarfeest 2019 liep met een stok (zie foto links). Het is allebei nog nooit vertoond en het riep verschillende reacties op. En toch is er een overeenkomst waarnaar ik op zoek ga.

Het Nationaal Museum van Wereldculturen was de eerste die aankondigde dat landen of instanties die menen aanspreek te kunnen maken op koloniale roofkunst, die kunst op kunnen eisen. In de slipstream hiervan gaf Taco Dibbets, directeur van het Amsterdamse Rijksmuseum, iets soortgelijks aan. Iets soortgelijks – want er is een wezenlijk verschil: een afdelingshoofd van het museum gaat in gesprek met musea in onder meer Sri Lanka en Indonesië.

Een wezenlijk verschil en, denk ik, meer van deze tijd, gevoeliger als we gelukkig zijn geworden voor machtsrelaties. Of dit nu gaat over roofkunst of over #MeToo; het is een perspectiefwisseling, waarbij de aandacht is gekanteld van object naar subject.

Dat geldt ook voor Selma Blair (Legally Blonde, Cruel Intentions, The Sweetest Thing). In de pers werd de stok waarmee zij op het Oscarfeest ten tonele verscheen, beschreven als ‘gewoon’ een onderdeel van haar – als altijd – opvallende, schitterende outfit van dit keer Ralph and Russo. Dat klopt, als je naar de foto kijkt. Maar ze had die stok wél nodig, want ze heeft MS.

Wat is nu de overeenkomst tussen beide verhalen, dat over de houding van de directie van het Rijksmuseum en Selma Blair? Dat zij de andere helft van een verhaal vertellen, de helft die lang níet werd verteld: bij roofkunst hoort óók gevoeligheid voor de ex-koloniën, niet alleen een formele houding, bij een stok hoort óók gevoeligheid voor de handicap van een actrice. Het zijn niet alleen statements, maar we laten de partijen zélf aan het woord en praten niet vanuit een zekere, onterechte machtspositie over hun hoofden heen. Ik wil als niet-westers museum zélf gehoord worden, mijn land en kunst mogen er zijn, ík mag er zijn, mét stok. Vanzelfsprekend.

Het is een eerste stap. Maar toch.

Het vijfde seizoen; aan de vooravond van de klimaatmars

Opeens is er in het boek Het jaar van Vivaldi van Henk Vreekamp weer een figuur die je ook in Als Freyja zich laat zien tegen had kunnen komen. Ze stapt door de deur, gemaskerd als voor het Venetiaanse carnaval, en neemt plaats in de lege stoel bij de haard. Ze blijkt Vivaldi goed te hebben gekend. Ze vertelt:

‘Vivaldi heeft me ooit toevertrouwd (…), dat hij plannen had aan De Vier jaargetijden een Vijfde jaargetijde toe te voegen. Op dat idee was hij gekomen toen hij op de vierde zondag van Advent in het Missaal de beginwoorden van Psalm 19 las: “Coeli enarrant gloriam Dei: et opera manuum eius annutiat firmamentum”. De hemelen verhalen de glorie van God en het firmament kondigt de werken van zijn handen aan. De vonk in deze woorden sprong bij hem over, op slag. Verrast dronk hij de woorden van Psalm 19 in als “sonnet” voor het vijfde seizoen.’                                                                                       

Het vijfde seizoen vormt de ziel van de vier. Het verbindt ze, zet ze in beweging zodat ze niet verstarren in hun wederkeer. Het is zoiets als ‘het vijfde evangelie, het zesde zintuig, de achtste dag, de dertiende maand’. Of wellicht de dertiende apostel (Joh. Seb. Bach). In ieder geval ‘boventallig. Over de grens van het gewone heen, om juist dat gewone te bezielen’.

Het doet me, aan de vooravond van de klimaatmars in Amsterdam, denken aan een schilderij van David Hockney dat ik afgelopen week op de tentoonstelling Hockney – Van Gogh in het Van Gogh Museum in Amsterdam zag:

Een moerbeiboom links lijkt te juichen van vreugde. Hockney heeft wat met de wisseling der seizoenen in het Engelse Yorkshire. De boom lijkt te juichen voor het vijfde seizoen, in de hoop ‘op U, op ons’ zoals André F. Troost dichtte. Het tegendeel van de klagende, kreunende, schreeuwende en roepen schepping op het beroemde schilderij De schreeuw van Edvard Munch.

Troost lijkt als slot van zijn gedicht ook het vijfde seizoen te benoemen, het ‘jaargetijde dat al ons vuil in schoonheid doopt’:

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping klaagt, de
aarde huilt – akkers en weiden: straks woestijnen,
het voedsel schaars, de grond vervuild.

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping kreunt, de
aarde vraagt: gun ons de tijd nog te vermijden dat
al wat leeft wordt weggevaagd.

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping schreeuwt,
de aarde zucht – hoe konden wij zo bruut ontwij-
den uw werk: het land, de zee, de lucht?

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping roept, de
aarde smeekt – dit is toch niet het eind der tijden
nu hebzucht wereldwijd zich wreekt?

Kyrieleis, heb medelijden, de schepping bidt, de
aarde hoopt op U, op ons – een jaargetijde dat al
ons vuil in schoonheid doopt.

 

Afb.: David Hockney “May Blossom on the Roman Road” 2009
Oil on 8 canvases (36 x 48″ each) 72 x 192″ overall
© David Hockney Photo Credit: Richard Schmidt

Mijn recensie van deze tentoonstelling, die nog tot 26 mei a.s. valt te zien, verscheen op de site van 8weekly.nl: https://8weekly.nl/recensie/kunst/een-ode-aan-het-leven/

Tussen mei-september a.s. komt bij uitgeverij KokBoekencentrum een boekje van mijn hand uit over denken en werk van Hendrik Vreekamp: Mythe, mysterie, mystiek.

Symproviseren of een mens lenen?

Je leert jezelf beter kennen in de ontmoeting met anderen, in de ontmoeting met  boeken en in wat anderen daarover schrijven. De bibliotheek is daar de uitgelezen plek voor.

1.
Op zaterdag 26 januari jl. deed ik in het filiaal van mijn bibliotheek mee aan wat de kunstenaar en filosoof Erik Hagoort ‘symprovisatie’ noemt: met een klein groepje mensen hardop denken en tegelijk schrijven. We deden het in schriftjes, die (als het kunstwerk dat zo ontstond) aan de Openbare Bibliotheek Amsterdam worden geschonken. We deden het unverfroren, associatief van het ene op het andere thema springend en ze zo aaneenrijgend. Het ging diep en op een gegeven moment voor mij, introverteling, te open.
Ik merkte, dat ik me er met een grapje vanaf maakte en de pen neerlegde en verder alleen luisterde. Maar misschien zullen eventuele toeschouwers, als zo’n ‘symprovisatie’ hier of elders wordt herhaald en zij erbij aanwezig mogen zijn, dit ook als een al dan niet waardevol, in ieder geval opvallend, onderdeel van het kunstwerk beschouwen. Net als de blakend witte pagina’s in mijn schriftje. Wie zal het zeggen.

2.
Drie weken later las ik in het boek Leven in de Waagschaal van Wessel ten Boom een rake omschrijving over de mij zo geliefde Bijbelse Psalmen: ‘de rauwheid van Israëls psalmen’ (p. 18). Ja – ik houd ervan. Niet alleen van de Psalmen an sich, maar ook van rauwe kunst en literatuur in het algemeen. Van kunst die weet te schuren, te raken. En van interpretaties daarvan die er wat van het waarom oplichten en niet verzanden in wat Ten Boom (die bij leven en welzijn straks weer een cursus over literatuur voor het Leerhuis Amsterdam Tenach en Evangelie hoopt te kunnen geven) ‘estheticisme en dagdromerijen’ noemt. Soms is iets gewoon te wáár om mooi te (kunnen) zijn. Je moet zoiets bevechten, in de waagschaal durven stellen. Overdenken, van links en rechts bekijken, van onder en van boven. Dat lukt mij al ‘symproviserend’ minder, hoewel ik mezelf er wel beter door heb leren kennen (wat niet de eerste doelstelling is): een grapje maken als het me te dicht bij komt.
Misschien wél als ik een mens leen – ook zo’n mooi initiatief van sommige bibliotheken: de Mensenbieb, waar je voor een moment een ‘levend boek’ leent. Je mag alles vragen – dat mag bij het ‘symproviseren’ niet, vragen stellen –, maar je hoeft geen antwoord te geven, net zomin als je dat bij de ‘symprovisatie’ hoeft te doen. Immers: ‘muziek stelt geen vragen. Muziek geeft geen antwoorden’ (Hagoort). Misschien lukt dat me beter?

3.
Ik krijg – verrassing! – de bewerkte versie van de voordracht die Erik Hagoort hield tijdens de verdediging van zijn doctoraat in de kunst (13 oktober 2017, Antwerpen). Ik lees het slot:

‘Op het punt staan iets tegen iemand te zeggen.
Inademen, iets kunnen gaan zeggen,
maar er van af zien.
Weer uitademen, zonder te spreken.
Zeggen als een ademtocht zonder woorden,
zonder vorm, zonder vervoering,
maar wel met een richting: naar jou toe.’

Het was goed zo. Dank je wel, Erik, dank je Wessel. Dank je wel openbare bibliotheek.

Afb. links ontleend aan de website van Erik Hagoort: http://www.erikhagoort.nl/Erik_Hagoort_NL_thuispagina.html

Projecties van christelijke en witte mensen – een drieluik

Al een poosje heb ik geen drieluik meer geschreven, dus het wordt naar mijn gevoel wel weer eens tijd. Dit keer over wat er gebeurde tijdens een zondagse eredienst in mijn wijkgemeente, de laatste ochtend van een Bijbelkring over het boek Esther in dezelfde gemeente en het lezen van een prachtig artikel over Nelson Mandela in De Groene Amsterdammer. Een drieluik, omdat ze alle drie op één of andere manier met elkaar in verband staan.

1.
Eerst dan de dienst van zondag 24 februari jl. met een gastpredikant en een koor. Gelezen werd Lucas 6: 27-38 (‘De wet der liefde’). Het slot hiervan luidt aldus:

36Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. 37En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. 38Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.

Het koor zong onder meer – een beetje vreemd, maar oké – John Brown’s body. De dirigent verstond het, om pal daarvoor nog even te reflecteren op de preek over bovengenoemde tekst en 1 Korinthiërs 15:35-49. Hij had het over John Brown (1800-1859, foto links), een ‘militante strijder tegen de slavernij die een vrijheidsbeweging startte over de Afro-Amerikanen, in 1859 gevangen werd genomen door de manschappen van generaal Robert E. Lee, berecht, schuldig bevonden en veroordeeld tot de galg’. Dat was terecht, vond hij, want hij had niets van het Evangelie begrepen.
Ik kon niet anders dan concluderen, dat ik dan toch echt een andere preek had gehoord, over niet oordelen (naar aanleiding van vers 37). En ik moest denken aan het mooie boek We hadden liefde, we hadden wapens van Christine Otten, dat ik voor literairnederland.nl recenseerde. ‘Een intense en prachtige triomf van de empathische verbeelding’, aldus Antjie Krog.

2.
In de week hierna lazen we op donderdagochtend de twee laatste hoofdstukken uit het kleine Bijbelboek Esther. We laten:

5De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des zwaards, en der doding, en der verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen. 6En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen. 7En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata, 8En Poratha, en Adalia, en Aridatha, 9En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha, 10De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.

Voordat het gesprek weer een obligate richting in zwenkte (de wraakzuchtige joden uit het Oude tegenover de vredelievende christenen uit het Nieuwe Testament), probeerde ik de nog steeds boven de groep hangende vraag waarom de naam van God in dit Bijbelboekje niet voorkomt, te duiden. Misschien omdat hij Zijn gezicht afwendt bij zoveel kwaad? Bovendien gaat aan het Poerimfeest een vastendag vooraf. ‘Juich niet als je vijand valt’, leerde het joodse volk van de rabbijnen. Uit een lezing die Nechamah Mayer-Hirsch eens hield voor Kerk en Synagoge in Amsterdam-Buitenveldert, jaren en jaren geleden, citeer ik in dit verband het volgende: ‘Het beeld paste niet in het ontwerp zoals de kerk de Jood wilde hebben: de bange, laffe, sjlemielige Jood die het aan eigen gedrag te danken heeft dat hij door zijn omgeving zo gehaat wordt. Die rond hoort te gaan met de jodenlap, de jodenhoed en de jodenster, maar zeker niet met een wapen in zijn hand.’

3.
Iets soortgelijks lees ik in het mooie artikel, de ingekorte versie van de Nelson Mandela-lezing in februari jl., dat de schrijver en activist Sisonke Msimang schreef c.q. hield over Nelson Mandela (De Groene Amsterdammer 28 februari 2019, foto rechts): ‘Madiba is meer dan een totem. Laat Nelson Mandela geen heilige worden.’ Zij schrijft erover hoe Mandela’s nalatenschap wordt versimpeld en afgezwakt, wat ‘hem tot een pion maakt in de projecties van angstige witte mensen, met als doel ons te doen vergeten dat hij ook een vrijheidsstrijder en een intellectuele reus was’. Voorts was ‘de dreiging eerder van wit dan zwart geweld’, zoals we ook in het boek van Christine Otten kunnen lezen. ‘Het waren de witten die de militaire macht in handen hadden, het waren de witten die boos waren over het verlies van hun macht en die een geschiedenis hadden van wreed en gewelddadig optreden tegen zwarten.’  

Deze analyse geldt niet alleen voor witte mensen, maar ook voor christenen die zich een oordeel aanmeten over zwarte vrijheidsstrijders en over joden die wreed en gewelddadig optreden. In beide gevallen zijn het projecties. Van angst wellicht.