Een instrument

Tijdens een cursus over Spinoza, gaf Spinozakenner Miriam van Reijen eens een mooi voorbeeld van diens denken. Het ging erover, dat je lang om iets heen kunt draaien, en maar niet tot iets kunt komen, maar dan – opeens, is het moment daar om tot actie over te gaan.
Het doet me denken aan de manier waarop ik onlangs iemand die ik interviewde en die ik een beetje via social media volg, een tekst uit Galaten 4:4 (‘Maar toen de tijd gekomen was’) hoorde uitleggen: het is de volheid van de tijd om iets te veranderen.

Eenzelfde soort ervaring kwam boven op het eind van een avond over de roman Vaders en zonen van Toergenjev. Een leesclub via Zoom onder leiding van Thijs Kleinpaste, auteur van onder meer Tegenover Dostojevski. De vraag toen was, of in het boek van Toergenjev de weg der geleidelijkheid wordt bewandeld, of de revolutie wordt gepredikt. De meningen verschilden: de brave hervormers in het boek spelen niets klaar, – je mag best het bloed onder iemands nagels vandaan halen. Uiteindelijk luidde de conclusie, dat hervormingen in het boek gradueel verlopen. ‘Nieuwe wilden’ (nihilisten), zoals Jevgeni Bazarov, hebben we volgens Kleinpaste niet nodig.

Ik heb de weg der geleidelijkheid op deze blog wel eens eerder beschreven. Bijvoorbeeld naar aanleiding van het denken van Jacob Burckhardt (‘Breuk of doorgaande lijn?’). Toch gaat het nu, na die leesclub, opeens knagen. Hoe móet het dan, nu het vijf voor twaalf is? Met het klimaat, de ecologie, en alle andere crises? Is de tijd niet vol, om écht iets te gaan veranderen in ons gedrag?

Ik hoor aan de ene kant mijn-oud geschiedenisdocent op het Hervormd Lyceum, J. de Rek zeggen, dat het goed komt. Hij had vertrouwen in de wetenschap, zoals Pjotr in Vaders en zonen. En ik zie aan de andere kant Greta Thunberg, die in schoolstaking gaat. In de documentaire over haar, I am Greta, zien we haar (nog alleen) voor het parlementsgebouw in Stockholm zitten, terwijl een mevrouw langsloopt en haar erop aanspreekt dat ze niet op school zit. Want, zegt ze, je moet leren en later studeren om wat voor elkaar te kunnen krijgen. Greta kiest voor een andere weg: politici wakker schudden. We zijn nog niet te laat, zegt  Greta.
We zien hoe velen – vooral mannen – haar bejegenen: lacherig en overtuigd van het feit dat ze toch al zoveel doen, zoals Jean-Claude Juncker, die het heeft over het binnen de Europese Unie harmoniseren van het doorspoelen van toiletten, wat dat dan ook mag zijn.
Het lijkt op het steeds botter wordende gedrag van Bazarov in Vaders en zonen, die ook politieke punten wil maken. Ook hem wordt overigens weer de les gelezen, door Arkadi, die als personage groeit en de eigenlijke hoofdfiguur van het boek is.

Thunberg kan dingen benoemen, maar er zijn anderen die moeten luisteren (politici), het werk doen: de wetenschappers van De Rek, het bedrijfsleven, agrariërs en niet in de laatste plaats wij. Het begint misschien met respectvol luisteren en als dat niet werkt, eisen aan subsidies stellen, zoals aan vervuilers als de KLM en regering die zich niet aan afspraken houdt terugfluiten, zoals Urgenda deed. In geleidelijkheid, maar niet met de traagheid die ons land – ook wat het vaccineren tegen Covid-19 betreft – zo kenmerkt. Dat kunnen we ons niet (meer) veroorloven.

Greta Thunberg spreekt in de documentaire de hoop uit, dat in iedereen iets van haar Asperger zit. Een vaker gehoorde (en ook wat bedenkelijke) opmerking die sinds Neurodiversity. The Birth of an Idea (1998) van Judy Singer wel wordt geuit. ‘Selectief mutisme’ noemt haar vader het. Ondanks dat, of dank zij dat, is zijn dochter, om enkele regels uit een gedicht (‘Katalysator (voor vrouwen’)) van Sonja Prins aan te halen

… een katalysator
die met het stichten van onrust
dienst doet

Een katalysator. ‘Maak mij een instrument’, zei Franciscus van Assisi al. Nu, meteen. Dat wel.

Twee wegen naar het geluk: Spinoza en Moltmann

Verleden jaar februari tot aan de uitbraak van corona in ons land organiseerde de Vereniging Het Spinozahuis enkele studiemiddagen in het Spinozalyceum in Amsterdam. Het onderwerp was ‘Het goede leven volgens Spinoza in de Ethica’. Op 15 februari 2020 sprak de Vlaamse emeritus hoogleraar moderne filosofie en groot Spinozakenner Herman De Dijn over de stellingen 1 t/m 20 uit deel 5 van de Ethica, en op 14 maar was Paul Juffermans aan de beurt. De laatste inleiding plus aansluitende discussie in groepjes (waarvan ik er telkens een mocht voorzitten) ging dus niet door. De lezing van Juffermans is via YouTube terug te zien, en van De Dijn hebben we nu het bij Pelckmans uitgegeven boek De andere Spinoza. De twee wegen naar het ware geluk.

Die twee wegen zijn:

  1. De brede weg, het vrome leven van gehoorzaamheid aan God en liefde tot de naaste
  2. Het steile pad, de filosofische religie die centraal staat in het boek van De Dijn, met een nieuwe interpretatie daarvan.

Het is niet mijn bedoeling het onderhavige boek hier te recenseren. In plaats daarvan wil ik dieper ingaan op De Dijns interpretatie van de stellingen 21 t/m 40 uit deel 5 van de Ethica, die mij, hoe vaak ik ze ook herlees, telkens weer raken. In casu de hoofdstukken 4 en 5 van deel 2 uit De Dijns nieuwe boek, dat op de longlist staat voor de Socratesbeker.

Geloven in God
Een kernzin luidt: ‘Spinoza komt tot de conclusie dat er een eeuwig bestaan van de geest “buiten verband met het lichamelijke bestaat”’ (p. 156). Dat wil zeggen dat de geest ‘een actief, eeuwig intellect is, onderdeel van Gods Intellect. Hij deelt als eeuwige essentie rechtstreeks in de goddelijke kracht tegelijk met alle andere (geestelijke) essenties, die samen de oneindige modus van Gods Intellect vormen’ (p. 159). Met andere woorden: de geest is ‘een kracht of activiteit die deelt in Gods eigen realiteit en eeuwigheid. Hij verschijnt dan als een eeuwige modus van Gods attribuut Denken en als een eeuwig deel van Gods Intellect’ (p. 160). Letterlijk geloven ‘in God’.

Dit betekent geloven in de Eeuwige, in JHWH, Die is, was en zal zijn. Wanneer ik mijzelf kan zien als zowel ‘uitdrukking van Gods attribuut Denken’ als ‘eeuwig deel van Zijn Oneindig Intellect’ (p. 172), dan is er sprake van wat Spinoza de derde soort van kennis noemt, ‘een soort contemplerende kennis, die tegelijk rationele kennis (…) veronderstelt én overstijgt’ (idem). Kennis die ‘direct en intrinsiek verbonden [is] aan vreugdevol én aan intellectuele liefde voor God én voor zichzelf’ (p. 173). Hieruit komt zielenrust voort. Spinoza heeft het zelf over salus (heil) en beatitudo (gelukzaligheid). Vrede met zichzelf, maar géén zelfgenoegzaamheid. De geest bereikt een ‘eeuwigheidsperspectief, los van (of ongeacht) het bestaan van zijn lichaam’ (p. 175). Het is een ‘schouwen en beminnen van God’ ineen (p. 177).

In het einde ligt het begin
Ik beleef eenzelfde soort vreugde bij het lezen van Spinoza’s Ethica en De Dijns boek als destijds bij het lezen van In het einde ligt het begin van de Duitse theoloog Jürgen Moltmann (Uitgeverij Boekencentrum, 2006). Zeker, er zijn tot op zekere hoogte overeenkomsten. Waar Spinoza bijvoorbeeld veelvuldig de apostel Paulus parafraseert en aanhaalt (‘Alle dingen zijn in God en bewegen zich in God’), zo citeert Moltmann soortgelijke woorden van Johannes: ‘Wie in de liefde blijft, blijft in God, en God blijft in hem’ (I Johannes 4:16). Ofwel: ‘Alles blijft in God. Met God zijn wij, sterfelijke wezens, onsterfelijk. Ons vergankelijk leven blijft onvergankelijk in God bestaan’ (Moltmann, p. 114).

Natuurlijk zijn er ook verschillen tussen het denken van Spinoza en Moltmann; de een bewandelt het steile pad (Spinoza), de ander de brede weg (Moltmann). Die verschillen laten zich misschien het meest duidelijk maken aan de hand van de Bijbeltest die vooraf gaat aan het vers dat Moltmann citeert: I Johannes 4:7-10:

7 Geliefden! Laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God; en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren, en kent God;
8 Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend; want God is liefde.
9 Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem.
10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons lief heeft gehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden.

Het begin zal Spinoza kunnen beamen (vs. 7-8), inclusief het kennen van God, maar dan zal hij stoppen. De openbaring in het algemeen en die van Gods eniggeboren Zoon erkent hij niet. En op dat punt haakt Moltmann in. Dat zou ook wel eens de reden kunnen zijn waarom de theoloog Rochus Zuurmond, die in dezelfde tijd dat de studiemiddagen van Het Spinozahuis in Amsterdam plaatsvonden overleed, uiteindelijk afhaakte na het lezen en bestuderen van Spinoza’s werk. Wellicht dacht hij aan Psalm 139 en geloofde dat God hém liefhad eerder dan dat hij God kon kennen.

Dat laat onverlet, dat Spinoza, De Dijn en Moltmann mij vreugde schenken. In God.

Kinderen van Apate – Alicja Gescinska

Kinderen van Apate : over leugens en waarachtigheid / Alicja Gescinska. – Eerste druk. -Rotterdam : Lemnicaat, 2020. – 96 pagina’s ; 22 cm ISBN 978-90-477-1244-2

De Pools-Vlaamse filosofe en schrijfster Alicja Gescinska schreef voor de Maand van de
Filosofie 2020 een essay over het thema daarvan: waarheid, of liever – door haar blik –: waarachtigheid. Mooi en helder ontvouwt zij de redenen die tot de teloorgang van waarheid hebben geleid, vanaf het moment dat de godin Apate uit de doos van Pandora ontsnapte en misleiding en bedrog in de wereld kwamen, tot de ‘post-truth’,
alternatieve feiten en nepnieuws van nu. Als hoofdverantwoordelijken daarvoor wijst ze aan: het postmodernistisch relativisme, de analytische taalfilosofie, het einde van het expertisme, intrinsieke mankementen van de liberale democratie en het idee dat liegen loont. De auteur zoekt weerstand in uiterlijke en innerlijke waarachtigheid, oprechtheid en authenticiteit tegenover jezelf en anderen. Hierbij doet ze enkele boude uitspraken, die een smet op het essay vormen als je ze tot het eind toe zou doordenken. De bedoeling is dat in filosofie geïnteresseerde lezers komen tot een zinvol, waardevol en moreel te verantwoorden leven in vrijheid. De uitgave is voorzien van een literatuurlijst en eindnoten.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Koning en kind

 

Van ’t vroeglicht van de dageraad
tot waar de zon weer ondergaat
zingt elk de koning Christus eer
het kind der maagd is onze Heer.

 

 

Deze eerste strofe van Lied 516 uit het Liedboek (O solis irsus cardine) is voor mij de samenvatting van het Christmas Oratorio (2019) van de Schotse componist Sir James MacMillan, dat afgelopen zaterdag zijn première beleefde in het NTR Zaterdagmatinee. Gespeeld en gezongen door twee solisten, Mary Bevan (sopraan) en Christopher Maltman (bariton) op een, getuige de presentator van de ratio-uitzending ver in de zaal uitgebouwd podium, met de rug naar het Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor met een scherm voor zich waarop componist/dirigent James MacMillan was te volgen.

Koning Christus en het kind, of – om de titel van een boek van Karl Barth in een vertaling van Nico T. Bakker te parafraseren – Het koninklijke kind. Zo heb ik het ervaren. Zoals Barth telkens twee kanten laat zien, zo doet MacMillan dat ook.
Het begint er al mee, dat zijn oratorium uit twee delen bestaat, elk verdeeld in zeven segmenten en symmetrisch opgebouwd, als een palindroom, gespiegeld. Als zeg maar de gelaagdheid van een boven- en een benedenkerk. Volgens een interview dat mijn oud-collega Anthony Fiumara met de componist had, en dat werd gepubliceerd in het bij het Zaterdagmatinee behorende digitale boekje, is het MacMillans bedoeling ‘bij de ziel te komen en de relatie tussen het menselijke en het goddelijke op een krachtige, mysterieuze manier aan de orde te stellen’.
De componist zet zich duidelijk af tegen het wat hij ‘monodimensionele’ van een Arvo Pärt noemt. Enige nuancering is daarbij op zijn plaats: hij bedoelt hier de late(re), spirituele Pärt, want in met name in diens niet-vocale, vroege(re) werken horen we wel degelijk, maar dan veelal subtieler, eenzelfde conflict als MacMillan ten tonele voert.

Koning Christus
Laat ik de twee uitersten, de koning Christus en het kind, tot uitgangspunt nemen en zo bij wat hij ‘de ziel’ noemt uitkomen. Dat kan alleen, als je MacMillan ziet zoals Fiumara zijn stijl beschrijft: als uiting van een ‘retrospectief modernist’. Als een rooms-katholiek componist die ‘zijn plek begrijpt vanuit het verleden’, vanuit die traditie, maar dan voorwaarts gericht.

Het koninklijke wordt verklankt zoals we dat door de eeuwen heen gewend zijn te horen: met veel koperblazers, zoals in het ‘in unum Dominum’ in het eerste deel, en bij het woord ‘king’ in een koorgedeelte. Niet dat MacMillan voor de makkelijkste oplossing kiest, want waar je koninklijk koper zou verwachten, klinkt soms opeens een tedere woordschildering. Het andere uiterste van het spectrum.

Het kind 
Het kinderlijke klinkt meteen in de Sinfonia I waarmee het oratorium opent: een Schots dansje, met xylofoon en hobo (het pastorale instrument bij uitstek). De dreiging van gaat gebeuren (de kindermoord, de kruisdood) is echter niet ver weg, zoals de pauken aan het slot van het eerder genoemde ‘In unum Dominum’ bewijzen. Soms meende ik zelfs een vleugje blokachtige akkoorden à la Louis Andriessen te horen, zoals in het koor ‘But when Herod died, behold, an angel of God appeared in a dream to Joseph in Egypt’. Zoals er ook werd getapt uit vaatjes die de componist als dirigent kent: Sjostakovitsj (Sinfonia 3, het begin van het tweede deel), de Benjamin Britten van diens Christmas Carols (‘Today Christ is born’) en Bartók (slaan met de strijkstok op de snaren van de viool).

De ziel
En dan komen we tenslotte uit bij de ziel, die bij MacMillan als bij Joh. Seb. Bach wordt gespeeld door een vioolsolo, in dit geval Elisabeth Perry. Zij ging gelijk bij Bach de samenspraak aan met één van de solisten, zoals met de bariton in ‘Seest thou, my soul’. Ze had zelfs het laatste woord van dit stuk, een Schots kerstliedje van grote eenvoud waarin ook de celesta (caelestis, hemels, goddelijk) een grote rol speelde.

Zo mag ik het horen – heel doordacht qua opbouw en uitwerking aan de ene kant, en vol emoties aan de andere kant. ‘Spirituele genezing’ noemt MacMillan het, maar dat gaat mij iets te ver, al proef ik er wel iets van heel-making in. In een uitvoering om door een ringetje te halen, voor zover je dat via de radio helemaal kunt beoordelen.
Midden in coronatijd een lichtpuntje om in je hart en hoofd te bewaren. Of misschien, om de omschrijving van het werk van Paul Klee aan te halen waarvan het gezicht het omslag siert van het eerder genoemde boek van Barth/Bakker: ‘Hat Kopf, Hand, Fuss und Herz’. Het een wat meer dan het ander, maar dat is de persoonlijke insteek van zowel componist als luisteraar.

A one minute square in 12 hours

We kennen ze, de Quartzklokken die, op de effectenbeurs of in een station op een rijtje hangen en de tijd aangeven zoals die op een bepaald moment all over the world is: 12.32 bij ons is bijvoorbeeld 6.32 in New York enz..
Het kunstwerk A one minute square in 12 hours van de Rotterdamse kunstenaar Cas Beijers doet er op het eerste gezicht aan denken (zie afb.). De vier gewone klokken, – niet eens Zwitsers design zoals we ze op het station zien – , vormen samen een perfect vierkant. De secondewijzer wijst altijd verticaal omhoog of naar beneden. Tijdens slechts één seconde zijn ze in deze constellatie te zien. Daarna moet je weer twaalf uur wachten.

Zo’n perfecte minuut, waarin alles lijkt samen te vallen, is iets waarop je hoopt dat je die eens, of eens in de zoveel tijd als je geluk hebt, mee mag maken. In een recensie werd het kunstwerk een ‘welhaast contemplatieve ervaring van tijd en evenwicht’ genoemd. Zo’n ervaring laat zich alleen niet uitmeten op de manier zoals de kunstenaar deed. Het valt je toe. Natuurlijk – er bestaat zoiets als een perfect vierkant of een perfecte cirkel. Of zelfs een perfect vierkant ín een cirkel, zoals de in 2002 overleden André Volten er in 1973 enkele maakte.

Maar je kunt A one minute square in 12 hours ook anders ‘lezen’. Bijvoorbeeld als het ultieme corona-kunstwerk. Een uitspraak van de Italiaanse denker Antonio Gramsci bracht me op deze interpretatie: ‘De crisis bestaat precies uit het feit dat het oude sterft en het nieuwe niet geboren kan worden’. Misschien zou je moeten zeggen: nog niet geboren kan worden.’
In die ene seconde, in de stilstand van de crisis sterft het oude en is er hoop op het nieuwe, wat iets anders is dan het ‘nieuwe normaal’. De wereld houdt de adem in. In die ene seconde ligt het misschien besloten: de oplossing van alle crises die de wereld in de greep houden of – soms – meer zouden moeten houden. Veel discussies hebben we al gevoerd, vanaf de Club van Rome tot nu toe. Over klimaat, over duurzaamheid en ga zo maar door. En telkens is er weer die ene minuut, een kans om te grijpen. Voor je het weet is die voorbij.

Karl Jaspers bij HOVO Amsterdam

‘Wat is transcendentie? Waarom moeten we wat we niet kunnen uitleggen – liefde, hoop – toch koesteren? Jaspers kan inzichten bieden om er een eigen oordeel over te ontwikkelen.’

Zo staat het in de cursusaankondiging van HOVO Amsterdam: een cursus die binnenkort start over de psychiater Karl Jaspers, die vooral bekend werd als filosoof. Er is een cursusboek: Sporen van transcendentie van Jozef Waanders. De samenvatting daarvan luidt: ‘De Duitse filosoof Karl Jaspers (1883-1969) heeft als weinig anderen de crises van het moderne denken en bestaan verwoord en geduid. Daarbij stelt hij heel nadrukkelijk de vraag wat de filosofie – in het bijzonder de metafysica – in de moderniteit nog kan betekenen. Hij staat sceptisch tegenover de mogelijkheid van iedere (systematische) kennis en wijst voortdurend op de onoplosbare gespletenheid van het moderne leven. Maar tegelijkertijd laat hij zien hoe zich juist in die begrenzing en gebrokenheid óók de mogelijkheid van authentiek mens-zijn en transcendentie openbaart.’
Alles bij elkaar genoeg om me direct voor deze cursus via Zoom aan te melden. En ter voorbereiding vast een ander boek dan dat van Waanders te gaan lezen. Met als opgave om na afloop van de cursus te bekijken of ik op grond van het boek dat ik las, de cursus door Petra Bolhuis én het boek van Waanders in staat ben om een eigen oordeel te ontwikkelen.

Ik begon met het boek Filosofie van de onbekende God. Een kritische schets van het denken van Karl Jaspers van de hand van J.M. Spier. Hieronder geef ik weer, wat ik daaruit heb opgestoken. Voor lezers van deze blog die misschien, net als ik, nog niet zoveel van Jaspers weten wellicht ook interessant.

Ouverture
Een zin die mij aansprak, is: ‘Aan de ene kant wil filosofie bij hem geen wetenschap en geen gesloten systeem zijn. Want de waarheid is niet, doch zij wordt (…). Anderzijds wil zijn existentie-filosofie geen irrationalisme zijn, geen tegen-redelijke beweging’ (p. 8). Mooi, zorgvuldig geformuleerd, want wat ik nu al door heb, is dat Jaspers geen existentialist was, maar een existentie-filosoof, en dat is wat anders.
Het rijtje van filosofen waarvoor Jaspers een voorkeur heeft, en het rijtje van filosofen in wiens voetsporen hij wilde denken, zijn ook al veelbelovend. Enerzijds zijn dat Plotinus, Boëthius, Cusanus en Kant, en anderzijds Plato, Plotinus, Spinoza en Kant.
En dan heb ik het nog niet eens over de dialectische beweging die Spier in zijn werk herkent. Ik meen daar een zekere verwantschap met Karl Barth in te herkennen, hoewel die volgens Spier kritisch tegenover Jaspers denken stond. Niet alleen in de dialectiek, maar ook door een omschrijving als het ‘terugkeren tot de “grond”, nl. de transcendente, onbekende God’ (p. 14), ‘de grond van het Zijn’ (p. 16).
Met name het woordje ‘grond’ doet mij denken aan diens Tambacher Rede, maar ook aan Spinoza zoals Herman De Dijn hem in een recent boek (De andere Spinoza) beschrijft: de grond ‘als Natura Naturans, “onder” alle dingen’ (p. 200), hoewel De Dijn dat met Jean Wahl ‘trans-des-cendentie noemt. De Dijn schrijft in in zijn recente boek niet dat ‘aan zijn God wellicht toch een vreemde soort transcendentie toegekend moet worden’ (p. 11), hoezeer ook altijd de nadruk valt op diens immanente denken? Jaspers heeft het over de transcendentie die verschijnt in de immanentie (p. 33 Spier). We zullen het zien; het is complex, zoals De Dijn terecht concludeert.

Immanentie en transcendentie
Spier gaat in het vijfde hoofdstuk van zijn boek dieper in op de verhouding tussen wat hij noemt ‘de wijzen van het omvattende’, immanentie (bewustzijn, geest) en transcendentie (existentie en rede) bij Jaspers. Spier heeft het in dit verband over ‘het dualisme van Jaspers’ conceptie (…), die niet op een diepere eenheid teruggaat’ (p. 27), Dit is dan in tegenspraak met eerdere uitingen over de dialectiek van Jaspers, die hij denk ik eerder bedoelt en die wel degelijk een diepere eenheid, een grond kent zoals wij zagen. En het is ook in tegenspraak met latere uitlatingen, waarin hij stelt dat beide niet tegenover elkaar staan, alsof er tweeërlei zijnde is (p. 43) en dat de dialectiek ‘geen tegenstellingen overbrugt, noch gevaarlijke spanningen opheft, doch die laat voor wat ze zijn’ (p. 73). Het is alsof ik mijn oud-wijkpredikant ds. Eddy Reefhuis hoor, die mij wees op Barths Tambacher Rede en die vond dat ik maar mooi bij het dialectische denken moest blijven.

Chiffre
Het omvattende staat voor ‘het zijn zelf, god en wereld’ (p. 32). De wereld is het ‘radikaal-andere tegenover de Transcendentie’ (p. 35), de ‘verborgen God (…) [die] boven en buiten de wereld staat’ (p. 39). In de wereld zou niets anders van Hem zijn dan het chiffre, het codeschrift of symbool ‘waarin god spreekt of verschijnt’  (p. 95). Jaspers ontkent, dat je g/God kunt kennen. Niet door het chiffre, dat ‘wordt vernomen, niet begrepen of gekend’ (p. 96) en ook niet door Zijn Woord, dat hij hier helemaal niet noemt, of ombuigt in ‘de ervaring van deze wereld als spraak van god’ (p. 47) waarnaar men eenvoudig moet luisteren.
Overigens is niet alleen het zinnelijk-waarnemen in de wereld, maar ook de gedachte zelf die een chiffre kan worden. Bijvoorbeeld in ‘ontvouwingen bij dichters en filosofen’ (p. 97). ‘Chiffre wordt alles, als ik erbij vertoef, getroffen door een lichtstraal uit de grond van het Zijn’ (p. 98). Daar hebben we de grond weer! Maar dat kan wel zo zijn, Spier benadrukt telkens weer, dat ‘alles hoogstens gelijkenis en heenwijzing is. Nooit bereik ik god zelf’ (p. 98). Het chiffre benadrukt ‘de tegenwoordigheid én afwezigheid van de Godheid’ (id.). Het gaat niet om het kennen van g/God, ‘maar om de zelfverwerkelijking van de mens’ (p. 99).

Wijsgerig geloof
Wat ook hand in hand gaan, zijn ‘het geloof en de rede als uitingen van de existentie’ (p. 45). Het filosofisch geloof, wel te verstaan, dat ‘nooit kan stollen tot dogma of confessie’ (id.). Daarin kun je de dialectiek van these en antithese niet loslaten, want dan verval je in ‘eenlijnige gedachtengangen’ (p. 51) in plaats van het rusteloos zoeken naar de waarheid. ‘Waarheid voor de geest is overtuiging in ideeën, terwijl waarheid voor de existentie geloof is’, schrijft Spier elders (p. 66). Waarheid en liefde zijn de bron van vrijheid. Die vrijheid doet ons onvoorwaardelijk handelen bij iets nieuws uitkomen.

Je kunt niet ontkennen dat Jaspers daarin een kernboodschap van het Christendom heeft gegrepen. Hij schreef zelf, dat hij zich ervan bewust is ‘te leven in samenhang met het Bijbelse denken, daarin geboren te zijn en te ademen’. Hij houdt zich ‘voor een protestant (…) en heeft de gelukkige protestantse vrijheid zelf – zonder middelaar – in onmiddellijke relatie tot de Transcendentie, volgens de leidraad van de Bijbel en met Kant’ (p. 104). Al ziet Spier dit anders: ‘Zonneklaar blijkt dat juist datgene, wat het christendom tot christelijke religie maakt, bij hem niet alleen afwezig is, maar dat hij daarentegen een verbeten strijd voert’ (p. 107). Jaspers treft de drie-eenheid volgens Spier ‘in het hart’ (p. 107), daarmee omzeilend dat er veel gelovige niet-trinitariërs bestaan.
Sterker is misschien het feit, dat Jaspers de goddelijke openbaring verwerpt. Dit is volgens hem ‘een mythisch begrip, dat is beeldspraak met een bovenzinnelijke betekenis. Wie – volgens hem – aan de openbaringsidee haar mythisch karakter ontneemt en de openbaring opvat in de zin van empirische realiteit, die vervalt tot materialisme’ (p. 111). Hiermee ontzielt volgens Spier ‘deze denker de christelijke religie’ (id.). Sterker nog, volgens hem komt hij ‘plotseling aandragen met een platvloerse rationalistische kritiek op de mysteriën van het christendom’ (p. 112).

Beoordeling
Spier stelt, dat ‘de betekenis van het wijsgerig-bezig-zijn zó hoog is gespannen, dat het schijnt, alsof de functie, die de filosofie in het bestaan van de eigenlijke mens vervult, een religieus karakter draagt’ (p. 135). Ten aanzien van de verhouding tussen beide, filosofie en religie, schrijft Spier dat ‘ons leven gedragen moet worden door een diepere ordening, anders gaat het in versplintering verloren. Doch mét een ordening heeft het een zin’ (p. 137), een zinsnede die mij doet denken aan het bekende lied van Willem Barnard waarin sprake is van ‘zin en samenhang’ (Lied 225 uit het Liedboek voor de Kerken). ‘Filosoferen is tegelijk leren leven en kunnen sterven. Dan is het bestaan zinvol’ (p. 138). Onder dit gezichtspunt is filosofie geseculariseerde religie. Oftewel: ‘De filosofie kan niet geven wat de religie aan de mensen geeft. Daarom laat ze ruimte voor de religie’ (p. 139). ‘Twee wegen naar het ware geluk’, om de ondertitel van het hiervoor genoemde boek van Herman De Dijn over Spinoza aan te halen.

Spier besluit zijn boek met ‘Wat anderen zeggen’ (Barth, Van Riessen, Zuidema, Severijn, Jonker, Van Peursen en Beerling). Dat laat ik hier voor wat het is; het gaat me er straks om, wat Waanders in zijn boek en Bolhuis in haar HOVO-cursus over Jaspers te zeggen hebben en uiteindelijk hoe ik Jaspers’ werk weeg. Dan heb ik pas wat geleerd.

Formaat pasfoto

Half december volgde ik via Zoom de twee avonden omvattende, korte cursus ‘Jezus als filosoof’ van dr. Jan de Bas (Filosofiegroep Rotterdam). We kregen huiswerk. Eén van de opdrachten bestond uit zes afbeeldingen van Jezus. We moesten kort reageren op twee ervan, er een of meer uitzoeken die bij de opvattingen van Kierkegaard hoort/horen (we behandelden Erasmus, Kierkegaard en Jaspers) en zeggen welke afbeelding je het meest aansprak. Ik begreep dat De Bas zich had gebaseerd op What did Jesus look like? (2018) van Joan E. Taylor.

Dit boek diende ook Pieter van Os als leidraad bij zijn artikel over ’s Heilands hoofd in de Groene Amsterdammer (17 december 2020). Hij behandelde onder meer een bidprentje, dat hij hyperrealistisch noemde en dat een ander, zoals zijn vader, kunsthistoricus Henk van Os, wellicht als ‘kitsch’ zou bestempelen. ‘Kunst à la Bob Ross’, van wiens werk overigens tot 11 april 2021 een tentoonstelling is te zien in Museum MORE.
De afbeelding deed denken aan een uit de reeks van De Bas en was geschilderd in 1940 door Warner Sallman. Hij ging, formaat pasfoto, mee met de soldaten die de Tweede Wereldoorlog ingingen. Wat vooral opviel, waren de ‘wel heel helder blauwe ogen’. Een versuikerde versie van het Jezusbeeld dat vanaf zo’n beetje de twaalfde eeuw in Europa opgang deed: ‘lijzig, tikje esoterisch ogend (…): een man met een vlassig baardje, sluikhaar en amandelvormige ogen’.

Iets daarvan vond ik terug in Christus in de woestijn (1939) van Gustave Van de Woestyne (Museum voor Schone Kunsten Gent, zie afb.), dat ik uit de reeks afbeeldingen van De Bas koos als degene die mij het meest aansprak. We zien een Jezus met inderdaad sluikhaar, amandelvormige ogen en een dun, vlassig baardje. Verder was hij gladgeschoren. Hij droeg geen Byzantijns ogende mantel, maar een joods, wit gebedshemd en hij had de handen niet zoals op een Salvator Mundi-afbeelding, maar in een ritueel gebaar. Hij was alles bij elkaar eerder wat Van Os ‘fysiek onaanzienlijk’ zou noemen.
Ook een Jezus om als een bidprentje, formaat pasfoto mee te nemen de oorlog in? Ja. Juist zo’n afbeelding kan dichtbij komen als je zelf geestelijk of lichamelijk gewond bent geraakt. Bijvoorbeeld als je als Nederlandse soldaat in Uruzgan ‘moreel verwond’ bent, zoals ik een soldaat een collega hoorde omschrijven, door acties die nu opeens naar buiten komen. Omdat de tijd er rijp voor is. Zoals in 1939 dat was voor deze afbeelding. Een joodse Jezus.

Oscar Brenifier – Wat is goed, wat is kwaad?

Wat is goed, wat is kwaad? / tekst: Oscar Brenifier ; illustraties; Clément Devaux ; Bewerking [en vertaling uit het
Frans]: Kolet Janssen. – Antwerpen : Davidfonds/Infodok, [2020]. – 95 pagina’s : gekleurde illustraties ; 24 cm. – Vertaling van: Le bien et le mal? : c’est quoi?. – Paris : Nathan, © 2004. ISBN 978-90-02-27063-5

Ook bij kinderen leven vragen over goed en kwaad. Op hun niveau worden er in dit boek
zes behandeld: Mag je stelen om te kunnen eten? Moet je lief zijn voor anderen? Moet
je altijd gehoorzamen aan je ouders? Moet je alles vertellen? Moet je altijd kunnen doen wat je wilt? En: moet je anderen helpen? Ze worden bekeken met zowel argumenten vóór als tegen. Op grond daarvan worden enkele conclusies getrokken om over door te denken. De auteur is een filosoof die volgens de Socratische methode werkt. Kolet Janssen bewerkte de tekst. Het doel is kinderen zelf te leren nadenken en een oordeel te leren vormen. Daar dragen de stripachtige kleurenillustraties zeker aan bij. Het in de tekst veelvuldig gebruikte woord ‘moeten’ zal bij veel kinderen tegen de borst stuiten. Deel uit de nu vierdelige serie ‘Filosofie voor kinderen’, in 2011 verschenen Goed en kwaad en Liefde en vriendschap en onlangs Wat voel ik? Boek over een actueel thema in de filosofie. Om samen met kinderen van ca. 7 t/m 12 jaar over in gesprek te gaan.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.