Leren maar

Even na half augustus verschijnt een Zomercolumn van mij op literairnederland.nl (link komt hier). Het onderwerp is ‘Contrapuntisch lezen.’
Een mooi voorbeeld is een gedicht dat Adriaan Deurloo (foto links) een maand en een dag na het overlijden van zijn zoon Ruben schreef, en een gedeelte uit de studie over Spinoza van Kees Schuyt (foto rechts) die ik onlangs op deze blog besprak.
Eerst het gedicht, dan het gesprek met Spinoza en Schuyt.

Besef steeds weer, steeds
meer dat leven leren is.
Dat leren je verweer
is tegen het gemis,
’t inbrekende verdriet
om wie jou achterliet.

Leren dat leven van
de moederschoot af aan
feitelijk niets anders dan
steeds afscheid is, weg gaan
uit de vertrouwde kring.
Jij moet de leegte in.
Jij moet in de woestijn
weer leren wat jou zijn
opnieuw betekenen moet.

Het helpt daarbij wel goed
het als ontdekkingstocht,
’n reis naar ’t beloofde land
te zien – kort door de bocht
misschien, ja zelfs pedant.
Maar – merk je als je ’t doet,
het geeft de burger moed.

Dus leren maar. De vragen
verduisteren je kim.
Maar plotseling gaat het
dagen.
Je houdt je adem in.

Het is niet een gedicht over Spinoza, laat dat duidelijk zijn, maar er valt wel veel van diens denken in terug te vinden. Voor mij dan, want ik weet niet of Deurloo wat met Spinoza heeft; ‘zijn’ filosoof is Joh. Georg Hamann (1730-1788).
Het gedicht van Deurloo gaat een weg die niet alleen doet denken aan die van Spinoza met zijn drie stappen: de imaginatio (verbeelding), ratio (rede) en intuïtie (inzicht), maar ook aan zeven punten die Schuyt noemt (p. 252-253). Natuurlijk zijn er ook wezenlijke verschillen en die maken het gesprek uit.

Leren is volgens Deurloo verweer tegen gemis. Interessante vraag daarbij is volgens Schuyt of je ’t inbrekende verdriet / om wie jou achterliet ook ‘kunt verdrijven door een heel mooi gedicht (…) te lezen of naar mooie muziek te luisteren. Spinoza vond van niet.’ Deurloo als fervent concertganger en muziekliefhebber ongetwijfeld wel, maar daar gaat het hier niet om. Ook niet over de manier van leren die Elizabeth Bishop in een door Schuyt vervolgens geciteerde dichtregel bedoelt: ‘De kunst van verliezen valt te leren.’
Het leren bij Deurloo is verwant aan het levenslange, joodse lernen, een bevrijdende Exoduservaring, weer leren wat jou zijn / opnieuw betekenen moet. Een inzicht dat, volgens Schuyt, ‘uit jezelf komt en niet meer uit (…) emoties.’

Het is een ontdekkingstocht, of zoals Schuyt Spinoza verklaart ‘mentale training.’ Die opeens kan leiden tot het ‘verdrijven van emoties.’ En dan gaat het dagen en houd je je adem in. Dat is wat Spinoza intuïtie noemt.

Katrien Ruytjens – Ruimte voor het onverwachte

Ruimte voor het onverwachte / Katrien Ruytjens, Ellen Van Stichel. – Leuven : Lannoo Campus, [2016]. – 133 pagina’s : illustraties ; 24 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-94-01-43805-6

Elk hoofdstuk in dit boek is opgedeeld in verschillende, ook door afwijkende papierkleur
onderscheiden gedeeltes: een inleiding, hoofdtekst en ervaringen uit andere boeken, verhalen uit het leven of gedichten. Zij behandelen c.q. onder-steunen tezamen de onderwerpen die aan de orde komen. Dat zijn: wachten, verwachten en open staan voor het onverwachte; het lichaam waarvan je kunt genieten maar dat ook last kan bezorgen; kinderwens, zwangerschap en ouderschap; nare gebeurtenissen in leven en sterven; angst, de klimaat- en vluchtelingencrisis en de maakbare samenleving. De beide auteurs zijn theoloog en grijpen terug op het gelijk-namige boek en gedachtegoed van Trees Dehaene (1996). Dit boek past in een tijd die om aandachtig leven vraagt. Toegankelijk geschreven gezinshulpboek over het leven van de wieg tot het graf.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Woord

 

 

 

 

 

 

Je begint met niets en vormt het, in de loop van duisternis,
tot een heelal. Een deeg van klei, een flinke bal
die krimpt en krimpt met niets erin.

Je maakt een gat, je blaast de geest, wacht tot er een hartslag is,
de wisseling van dag en nacht. Laat er aan het einde
toch nog hoop zijn, denk je, een handvol
schoonheid, een gedicht.

Maar ergens is iets misgegaan, de schepping brak al los en
plantte zich onstuitbaar voort. Er was geen vijand
van de taal, niets dat sterke tanden had.

Zo werden dingen vormgegeven, naam. Je breekt ze
steeds vergeefs in tweeën: de grens, het jaar;
de menselijke soort. In elke letter
zit een nieuw heelal.

Geloven is de echo, niet de knal. We zeggen hoe we
zoeken naar de rede maar dan vinden we
een woord en daarin zit dan mooi
een tweede; enzovoort.

Dit gedicht, Woord, van Ester Naomi Perquin (zie foto van Tessa Posthuma de Boer), hangt sinds ik het eens in dagblad Trouw tegenkwam, ingelijst bij mij aan de wand. Ik lees het af en toe, in het voorbijgaan, en het raakt me, maakt me blij. Net als het feit dat ze onze nieuwe Dichteres des Vaderlands is. Ter gelegenheid daarvan deel ik hierbij mijn interpretatie van bovenstaand gedicht.

Perquin lijkt het scheppingsverhaal uit Genesis 1 te volgen. De eerste strofe doet denken aan de beschrijving van de duisternis uit vers 2, van een zwart gat ook in de ruimte, waaruit niets, zelfs geen licht, kan ontsnappen (en duisternis lag op de vloed).

De tweede strofe associeer ik met het Kabbalistische begrip tsimtsoem, het samen- en terugtrekken van God om de schepping ruimte te geven. Het begin van de schepping is daar: Gods geest zweefde boven de wateren (vers 2). De wisseling van dag en nacht is er ook, en God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht (vers 5).

De derde strofe lijkt een beschrijving van Goethes Tovenaarsleerling, die zijn bezemsteel niet in bedwang kan houden, omdat hij de woorden die dit kunnen bewerkstelligen niet kent. Hij splijt de bezem in tweeën, maar beide stukken gaan door met water halen.
Zo worden, staat in de vierde strofe, dingen vormgegeven: in tweeën gebroken, in elke letter een nieuw heelal, scheiding tussen wateren en wateren, het uitspansel en de zeeën (vers 6-7).

Toch is er aan het einde van de schepping toch nog hoop, in een handvol schoonheid, een gedicht, zon- en maanlicht dat op de aarde schijnt (vers 15-16).

Het geloof is niet de oerknal zelf, zegt Perquin in de laatste strofe, maar de echo ervan. De mens zoekt naar ratio, maar vindt daarentegen een woord dat tot aanschijn roept, zoals God sprak en het was er (zo werden dingen vormgegeven, naam). En in dat woord, in die naam zit, als een matroesjka (baboesjka), een tweede. Zeven zijn het er – als de zes scheppingsdagen + één. Een handjevol schoonheid, een gedicht. En dat telkens weer, als teken van hoop. Toch nog hoop.

Op de eerste dag van de week

Lezend in Ad van Nieuwpoorts recent verschenen boek Uit de tijd komen bij mij associaties op met het beeld van een glas: zowel half vol als half leeg. Half vol, omdat ik wel een héél glas vol lust van zijn persoonlijke verhalen als ‘liberale dorpsdominee’ in Bloemendaal. Half leeg, omdat ik wel een héél glas vol lust van zijn exegeses waarin die verhalen soms overgaan.

In een gesprek met Annemiek Schrijver (De verwondering, 8 januari 2017) gebruikte Van Nieuwpoort een ander beeld. Dat van de leegte, wat mij deed denken aan dat mooie boekje van Theo Witvliet: Het geheim van het lege midden. Juist dáárom kan je een ander mens worden, zei Van Nieuwpoort, dáár wordt de creativiteit geboren. En hij had het over muziek en gedichten. Ook dáár had ik wel wat meer over willen lezen: het aangeraakt worden door de Geest/geest. Nu staat er aan de ene kant heel voorzichtig, en aan de andere kant heel stellig: ‘Ik ben (…) onder de indruk van de geest die door de profeten en de apostelen spreekt’ [en ook in muziek en gedichten?, EvS]. ‘Als je dat God noemt, dan doe ik wel voorzichtig mee. Maar geef mij maar liever Jezus.’ Boem paukenslag. Bij Schrijver aan tafel heette het nog: de joodse [vet, EvS] Jezus, en dat klinkt toch anders, minder Evangelisch.

Het verschil zit hem naar mijn gevoel dan ook vaak in een woordje te weinig, zoals hier, of een woordje teveel. Hoezo zegt de dominee na een doophandeling: toen ‘vroeg ik nog even [vet, EvS] aan de ouders of ze hem in hun huis wilden ontvangen als een kind van God’? Dat is toch geen vraag voor even tussendoor? Of bedoelt Van Nieuwpoort dat het onderscheid tussen gelovigen/ongelovigen er minder toe doet dan lang gedacht? En wat doen die twee letters zo in de zin over Jezus die ‘door zijn eigen mensen is overgeleverd en zo [vet, EvS] ter dood veroordeeld en gekruisigd’? Je kunt het verkeerd lezen, en dan zijn de rapen gaar! Want waar blijven de Romeinen bijvoorbeeld in deze lezing?

Van Nieuwpoort staat in de theologische traditie van de Amsterdamse School, met leermeesters als Breukelman en Deurloo. Een traditie die teksten wil lezen in het literaire verband waarin ze staan, niet als een historisch verhaal, maar door een lezer die zijn/haar verbeelding kan laten spreken om dit verhaal uit te laten praten, zodat hij/zij te maken krijgt ‘met een verhaal dat raakt aan de vezels van ons bestaan.’

Een voorbeeld uit de eerder genoemde aflevering van De verwondering. In vuur en vlam zegt Van Nieuwpoort dat Daniël dertien jaar was toen hij aan het hof van Nebukadnezar kwam. We weten het niet. Sommige geleerden meenden dat hij veertien jaar was. Maar als ik niet de historie, maar mijn verbeelding erop loslaat, en denk dat dit ná zijn bar mitswa moet zijn geweest, dan zou hij inderdaad dertien jaar zijn geweest. In dat ene cijfer klinkt een context mee. Mooi; ik knap er meteen van op, om Annemiek Schrijver te parafraseren nadat haar gast de hoop had uitgesproken dit jaar in te kunnen gaan ‘in het geloof dat niets onmogelijk is.’

Ik was trouwens al opgeknapt na lezing van een prachtig interview met de predikant uit Bloemendaal door Yvonne Zonderop in De Groene Amsterdammer (8 december 2016). En half opgeknapt (we hebben ’t nog steeds over een glas dat zowel half vol als half leeg is) door het interview door Jacobine Geel in Jacobine op zondag (nog steeds op 8 januari 2017). Van Nieuwpoort zat hier aan tafel met Margrietha Reinders, Kristien Hemmerechts en Lisette Thooft. Op één of andere manier herkende de drie vrouwen zich soms wel en soms niet in wat hij betoogde. Niet over wat hij (kort, was erin geknipt?) herhaalde over God wat hij ook al in zijn boek schreef, en een beetje over wat hij ook hier benadrukte: het Bijbelverhaal dat moet spreken als fictie. Even kwam ook de leegte aan de orde. Lisette Thooft kwam ermee, maar toen was het gesprek jammer genoeg afgelopen.[1]

De opmerking van Van Nieuwpoort over het feit dat de Bijbel geen antwoorden heeft, maar vragen anders leert stellen, rijmde op het Kyrie-gebed dat Henk Gols ’s ochtends (we hebben ’t nog steeds over 8 januari) uitsprak in de Amsterdamse Oude Kerk: het gaat er niet om dat je geen antwoorden krijgt, maar dat je ze niet vindt.
Eén woordje verschil en daarmee een uitspraak om op te kauwen en over na te denken, net zoals het nieuwe boek van Ad van Nieuwpoort, dat ik op vele tafels wens in leerhuizen, binnen en buiten de kerk.
Misschien moet de schrijver op tournee, zoals fictieschrijvers doen. Door op televisie op één dag in twee praatprogramma’s te verschijnen, is hij daar eigenlijk al mee begonnen. Op de eerste dag van de week; ’t kan niet mooier.

[1] ’s Ochtends kwam de leegte ook aan de orde bij VPRO Boeken, toen Jeroen van Kan dichteres Mieke van Zonneveld interviewde n.a.v. het verschijnen van haar debuut: de dichtbundel Leger.

http://www.kro-ncrv.nl/deverwondering/seizoenen/seizoen-2017/ad-van-nieuwpoort

Een boek als herinnering

Gestolde pijn_DuvekotBij een tentamen Letterkunde dat ik eens deed, was één van de vragen of door veel invulling van een personage (= informatie en emotie) de mogelijkheid tot inleving door een lezer wordt vergroot of juist kleiner wordt. Ik had als antwoord de laatste optie gekozen, terwijl de eerste de juiste keuze heette te zijn. Deze vraagstelling kwam weer boven toen ik het in 2000 verschenen boek Gestolde pijn (zie afb.) van Willem S. Duvekot las. Ik schreef erover in Quadraatschrift (dec. 2001) en herplaats deze bespreking hier in enigszins herziene versie als een In memoriam, omdat Duvekot op 24 februari jl. is overleden. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

 

Eerste deel
Ook, of juist, wanneer het níet om literatuur gaat, wil ik eigenlijk niets weten over ‘het felle licht van de zon op deze dag in de lente’ wanneer de auteur uit de duisternis van het Monument van de kinderen in Jad wasjem in Jeruzalem komt, al snap ik wat hij ermee wil zeggen en staat de ervaring mij ook nog helder voor ogen. Ik wil helemaal niet weten dat je ‘goed moet uitkijken bij het oversteken’ van de Stawkistraat in Warschau, al weet ik dat er in het verkeer ook veel doden vallen. Toch is het een onvergelijkbare grootheid. Ik zou met andere woorden willen dat de pijn van de Sjoah ook in overdrachtelijke zin onder Duvekots pen was gestold, seizoenen en dagelijkse verkeersproblemen voorbij. Ik wil zélf verbanden kunnen leggen die mij alleen maar tussen de regels door worden aangereikt.

Tweede deel
Het ingehouden beschrijven van plaatsen van de Sjoah, meer nog dan de monumenten in de zin van beelden, zoals Duvekot dat met name in het tweede deel van zijn boek heeft gedaan, zegt eigenlijk al genoeg. Hij beschrijft in het tweede deel plaatsen ‘van de pijn – maar zeker ook van de hoop – uitgedrukt in beelden en plaatsen ter nagedachtenis’ in Jeruzalem, Warschau, Treblinka, Krakau en Auschwitz. Beschrijvingen die rijkelijk zijn voorzien van zelf gemaakte zwart-wit foto’s.
Citaten uit boeken van ooggetuigen, zoals in het eerste deel van het boek voorkomen (Herzberg, Kolitz, Wiesel) ontbreken hier nagenoeg geheel. Met uitzondering van indrukwekkende gedichten van Ida Vos. Dit maakt de doorgaande beschrijvingen des te indrukwekkender. Mede door een soms onderkoeld taalgebruik: ‘Binnen een half uur was dit onderdeel van de ontvangst [in het kamp, EvS] afgelopen.’

Epiloog
Een eenheid vormen, omdat ze soms in andere bewoordingen worden hernomen, de theologische explicaties waarmee het hele boek wordt doorspekt. Zoals: ‘Welke verdwazing dan alleen de hoogmoed kan de kerk ertoe brengen dat zij de boodschap van Jezus, die ze beweert te volgen, in haar tegendeel heeft verkeerd!’ Hier is de theoloog aan het woord die onder andere bekend is geworden als redactiesecretaris van het tijdschrift Ter Herkenning. Dit zijn onontbeerlijke momenten van bezinning die – zoals op de achterflap wordt omschreven – bijdragen aan wat het boek uiteindelijk wil zijn: ‘Een goede voorbereiding van een bezoek aan deze monumenten.’ Of, voor wie niet in de gelegenheid is de plaatsen te bezoeken, een poging de be-teken-is ervan duidelijk te maken. En – zou ik eraan willen toevoegen – een boek als herinnering voor hen die al dan niet alle monumenten al hebben bezocht. Want ‘vergetelheid veroorzaakt ballingschap, maar de gedachtenis is de weg naar de verlossing’ (Baäl Shem Tov).

‘Ik ben het licht, ik ben de duisternis’

Barend Roest CrolliusHet literaire werk van Barend Roest Crollius (1912-2000, zie afb.) heeft een soort Januskop, een dubbele uitdrukking als in het citaat van Toon Tellegen dat deze blog siert. Het boek Bezwarend getuigenis geeft dit duidelijk weer. Zowel qua stijl als qua inhoud. Aan de ene kant maakt de schrijver gebruik van een ambtelijke retorica vol archaïsche woorden, en aan de andere kant doet de toon zakelijk en modern aan. Dit gaat samen met zowel een premodern, metafysisch wereldbeeld als aan de Verlichting ontleende denkbeelden wanneer onderscheid wordt gemaakt tussen het natuurlijke, aan de metafysica ontleende Kwaad, en het morele kwaad waarvoor de moderne mens verantwoordelijk is.

Het is het k/Kwaad waar hij als kind kennis mee had gemaakt. Hij hoorde de telefoongesprekken die zijn vader in de huiskamer over ernstige ziektes voerde, hij ontmoette in levenden lijve de cliënten van zijn oudere zuster, die strafpleiter was, mee naar huis nam. De gesprekken en bezoeken wierpen vragen op die hem zijn hele leven zijn blijven bezighouden en ook in zijn oeuvre diepe sporen hebben achtergelaten.
In de bundel Dagboek van Sara en andere verhalen (1969) bijvoorbeeld, een zestal dan weer sterk aan Kafka en dan weer aan de Vestdijk van De kelner en de levenden herinnerende verhalen, is de centrale vraag nog steeds actueel: is het kwaad een ziekte die door de maatschappij wordt veroorzaakt (nurture) of zit het in de mens ingebakken (nature)?
Het titelverhaal, dat in 1962 werd bekroond met de Novelleprijs van de gemeente Amsterdam, staat in de traditie van een psychisch gestoorde patiënt als verteller (Guy de Maupassant, Emile Zola). De vraag is wie er nu ziek is: Sara (‘wij gaan praten om u beter te maken,’ zegt de psychotherapeut) of de verpleegster met haar ongeneeslijke haat die voortkomt uit jaloezie?

In een interview heeft Roest Crollius eens gezegd dat hij na het schrijven van elk (doorleefd) boek een psychische inzinking had. Heel erg soms. Tegelijk was het zich verdrinken in componeren, schrijven en schilderen een bezwering van kwade machten in niet alleen de buitenwereld maar voor alles in zichzelf. Zelf vergeleek hij zijn enorme werklust graag met die van Picasso, met wie hij overigens ook zijn grote differenties in stijl gemeen had.

Al met al bestaat Roest Crollius’ literaire productie uit zo’n twintig publicaties, van novellen en romans, aforismen en gedichten tot enkele vertalingen uit het Duits. Nog los van de vele recensies die hij tot 1971 om den brode heeft geschreven voor het Algemeen Dagblad, de Haagsche Courant, de Haagse Post en, over met name Franse literatuur, Elseviers Weekblad. Roest Crollius’ laatste boek was De wrede idealist (1971). Op de uitgave hiervan heeft hij gezien de gevoelig liggende thematiek (De drie van Breda) lang moeten wachten. Hetgeen er mede toe heeft geleid dat de auteur meende dat de literatuur ten onder ging en de uitgever een manager zonder literaire smaak is geworden. Daarbij voorbij gaand aan het feit dat hij zelf een ‘cultureel ondernemer’ avant la lettre is geweest met zijn kunstcentrum Kasteel Duinrell in Wassenaar. Hier werd aan jonge kunstenaars de gelegenheid geboden zich aan het publiek voor te stellen. De komst van grote namen, zoals de bariton Laurens Bogtman, Albert Vogel die uit het werk van Aart van der Leeuw kwam voorlezen of de antropoloog en ontdekkingsreiziger Paul Julien, bracht veel mensen op de been en het benodigde geld in het laatje om het centrum draaiende te houden.

Toch heeft Roest Crollius het bij mij voor elkaar gekregen waar hij op hoopte: ‘Een tovenaar te zijn die misschien een of twee keer in zijn kunstenaarsbestaan een tipje van het ondoorgrondelijke belicht.’
Bij het lezen van Dagboek van Sara, het eerste verhaal dat ik van hem las, vroeg ik mij zelfs af waarom hij een standaardwerk als De Nederlandse Literatuur – een Geschiedenis (NLG) niet heeft gehaald. Maar gaandeweg gaf de rest van zijn oeuvre misschien een mogelijk antwoord: door, in een tijd die veel waarde hecht aan originaliteit, een (te) grote schatplichtigheid aan de dag te leggen. Aan Kafka en Vestdijk, Kokoschka en Klee. En door de ‘vent’ meer op de voorgrond te plaatsen dan de ‘vorm.’ In die zin was Roest Crollius duidelijk een volgeling van de filosofie die het tijdschrift Forum (1932-1935) uitdroeg: de persoonlijkheid van de auteur is het alfa en omega.

De weduwe van Barend Roest Crollius heeft gelijk als zij desgevraagd meent dat het eigene van zijn oeuvre voor alles ligt ‘in de afwisseling, afhankelijk van zijn stemming.’ Zo kunnen wij de complexiteit van hem én van onszelf als consistente eenheid de ruimte geven en onder ogen zien.
Het is Roest Crollius’ werk vergaan als dat van zijn Vlaamse geestverwant Hubert Lampo. Beiden hielden zich bezig met de vragen die het leven stelt. De gemiddelde lezer en beschouwer van literatuur deinst echter vaak voor zulke vragen terug. Maar voor hetzelfde geld vindt er een omslag in de receptie plaats en kan juist deze ‘magisch-expressionistische’ kunst op zijn tijd tegenwicht bieden aan lichtere, verstrooiende uitingen. Voor hetzelfde geld wisselen met andere woorden hoofd- en onderstroom van plaats en komen Hubert Lampo en Roest Crollius weer boven drijven. Als op een golfslag, dan weer licht, dan weer donker. ‘Weinig is zo aangrijpend als een mens die lijdt en je aankijkt.’ Dit schreef Barend Roest Crollius op een kladpapiertje dat zijn weduwe na zijn dood overtypte.

Herplaatsing van de gedeelten over het literaire werk van Barend Roest Crollius in Mens en melodie (nr. 2/2007) n.a.v. het verschijnen van de brieven van Heere Heeresma (Bleib gesund!), ingeleid en samengesteld door Hein Aalders (De Arbeiderspers). Hierin wordt o.a. melding gemaakt van één van de vele practical jokes van Heeresma, die Roest Crollius – volgens Jaap Goedegebuure in Trouw (5 december 2015) ‘niet bepaald een prominent auteur’ – in de waan bracht dat hij de P.C. Hooftprijs had gewonnen.

Hoge kunst in brons gegoten?

SweelinckTijdens de uitzending van ‘Het Filosofisch kwintet’ op 28 juni 2015 werd gediscussieerd over het begrip Bildung. Op een gegeven moment riep Maarten Doorman op tot het erkennen van een canon. Dit werd onderschreven door Eugène Sutortius, mits deze maar niet star is.Over het begrip ‘canon’ hield ik in april 2012 een lezing voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie. Daarvan plaats ik hier het eerste, inleidende gedeelte.

 

 

Inleiding
Het begon allemaal in oktober 2006 – en het is nog steeds niet opgehouden, getuige de Groene Amsterdammer die begin maart 2012 opeens kwam met een zogenaamde zwarte canon, een canon van zwarte bladzijden uit onze geschiedenis.
In 2006 verscheen het rapport entoen.nu van een commissie onder voorzitterschap van Frits van Oostrum, historisch letterkundige aan de Universiteit van Utrecht. Het is een canon, die doorgaat als ‘de’ Canon van Nederland. D.w.z. – volgens Van Oostrum – datgene ‘wat we bij uitstek belangrijk vinden, en (…) aan nieuwkomers en volgende generaties als verplichte kennis(making) willen voorschrijven.’
Dat is nogal wat. Maar Van Oostrum haast zich in het voorwoord tot de Canon van de rooms-katholieke kerkmuziek in Nederland daaraan toe te voegen: ‘Steeds meer met de ambitie ook die andere betekenis van canon recht te doen: samenzang. Dus niet zozeer een wet, maar eerder een appèl.’
Dat moet ook wel, want de beer was los. Neem alleen het onderwerp ‘muziek’: muziek ontbreekt in deze Canon helemaal, al heet de canon ‘een culturele en historische canon’ te zijn, bestaande uit 50 vensters van belangrijke personen, creaties en gebeurtenissen. Daar hoort onze grootste componist Jan Pz. Sweelinck dus blijkbaar niet bij (zie afb.)

Duidelijk moge zijn dat de commissie zelf ondertussen heeft begrepen dat zij zich op glad ijs heeft begeven. Ondertussen wil zeggen: mede dankzij de toenmalige prinses Máxima die een vraagteken plaatste bij het concept ‘nationale identiteit’, – zo dit ooit valide is geweest.
Toch zou het woord ‘venster’ al veel kunnen zeggen; er wordt ons – en dat is in eerste instantie vooral de basisschoolleerlingen waarvoor de Canon is bedoeld – in principe geen spiegel voorgehouden, maar er worden vensters geopend. Dat zou samen moeten kunnen gaan met een minder defensieve en meer positieve benadering van de Canon. Opvallend in dit verband is, dat medelanders vaak wel positief op het verschijnen van de Canon hebben gereageerd.
Ook positief is, dat de commissie genegen is te luisteren naar kritiek. Zo is er sinds het verschijnen een nieuw venster, Christiaan Huygens, gekomen. De boekdrukkunst heeft daarvoor overigens plaats moeten maken, omdat het geen uitgesproken Nederlands fenomeen is en elders in de Canon al voldoende wordt belicht (de Statenbijbel, de Bleau-atlas).
Na het verschijnen van de Canon heeft de Boekmanstichting een apart nummer van hun periodiek Boekman aan het thema ‘canon’ gewijd. Aan dat nummer ontleen ik vervolgens de volgende karakteristieken.

Karakteristieken
In deze Boekman associeert Anita Twaalfhoven in haar redactioneel rond het woord ‘canon’: ‘Volgens Van Dale dient een canon als “leidraad” of als “richtsnoer” en is canoniseren “tot norm verheffen” (…). Maar (…) wie ervan uitgaat dat een culturele canon per definitie exclusief Nederlands dient te zijn, wijkt uit naar discussies rond nationale identiteit en nationalisme. Wie canoniseren bij voorbaat opvat als een poging om hoge kunst in brons te gieten, ziet het als een synoniem voor uitsluiting van populaire cultuur. En wie de canon als een dwingende handleiding ervaart, zet zich eerder schrap dan degenen die dit als een open handreiking benaderen.’
In deze Boekman wordt voor het volgende uitgangspunt gekozen: het zichtbaar maken ‘hoe sterk verschillende culturen met elkaar zijn verweven, bijvoorbeeld door kunstwerken te kiezen waarin die culturen samenkomen.’ Een lovenswaardig streven mijns inziens. Sweelinck zou ermee gelegitimeerd zijn geweest!

Eén van de eerste bijdragen is van de hand van Thijs Adams. Hij neemt de canonvorming in Finland als voorbeeld. ‘Alle Finnen houden van Sibelius. En misschien wel het allermooiste stuk van Sibelius is Finlandia (…). Paradoxaal is dat die conservatieve Finnen niet wegblijven wanneer in hun Nationale Opera door hun professionele orkesten hedendaagse Finse muziek wordt gespeeld [ik denk aan Kaija Saariaho, vS]. Hoe steviger hun kern, hoe meer beweging in de periferie zij verdragen. Daarom is Finland in zoveel opzichten een innovatief land. Vernieuwingen aan de rand hebben aan de kern tot nu toe geen afbreuk gedaan.’ Je hoort hem denken: ‘Kom daar in Nederland maar eens om!’

Eén van de volgende schrijvers is Francois Stienen, die nog een ander argument in de strijd gooit. Namelijk: bij het samenstellen van – hij noemt als voorbeeld – de Nederlandse filmcanon, had alleen uitgegaan moeten worden van ’de cinematografische kwaliteit’.
Dat is een terugkerend probleem: ga je bij literatuur bijvoorbeeld uit van het spel met de taal of van de inhoud, – van vorm of vent? Of mag het allebei en kom je dan niet automatisch uit bij tijd- en contextgebonden criteria?
Of, zoals Marita Mathijsen in een nawoord bij een recente uitgave van Multatuli’s Max Havelaar het canonieke van dit boek onder meer verbindt met de rol van Multatuli: hij werd een ijkpunt van politiek correct gedrag. Ikzelf opteer overigens zelf voor contextgebondenheid.

Deze contextgebondenheid sluit aan bij de wat Paul Schnabel noemt ‘de symbolisering van een culturele en historische gemeenschap.’ Waarbij opgemerkt dat [ik citeer Schnabel] ‘in de Nederlandse historische canon overigens wel een interessante poging is gedaan om met thema’s als “slavernij” en “jodenvervolging” ook ruimte te maken voor schaamte en schuld.’ Wat niet wegneemt, dat de Groene Amsterdammer als gezegd toch met een ‘zwarte canon’ kwam.

Peter Hecht, hoogleraar kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, hanteert in dit verband het begrip ‘opgerekte canon.’ Want, schrijft hij, ‘toen was daar ineens het verlangen naar een bredere canon die weinig of niets met kunst en kennerschap en een oordeel over kwaliteit te maken heeft. Het begrip werd opgerekt tot “het geheel van teksten, beelden, kunstwerken en gebeurtenissen dat het referentiekader is van een gedeelde cultuur of religie” en Rembrandt kreeg gezelschap van de Zilvervloot en Sinterklaas. De canon lijkt nu te zijn geworden wat een Nederlander kennelijk moet weten om zijn plaats in Nederland te verdienen.’ Of misschien, positiever gezegd: tot een lijst van erfgoed.

Ik heb de eerste bijdrage aan Boekman tot het laatst bewaard. Die eerste bijdrage is van Merlijn Schoonenboom. Hij maakt een onderscheid tussen canons en lijstjes die je ‘vroeger gewoon top-10 of top-40’ zou noemen, ‘maar sinds 2006 zonder schroom tot “canon” zijn verheven.’ Als voorbeeld noemt hij dan Komrij’s Canon uit 2008, ‘met 100 onontkoombare gedichten die iedereen in zijn bagage zou moeten meedragen.’ Hij zet ook zo zijn vraagtekens bij een canon die tegelijk open is voor discussie. Typisch Nederlands, vindt hij dat. Het zij zo.

Kunst die zin wil hebben

Marjo TalIn het kader van de tentoonstelling Componisten in Oorlogstijd (5 juni-23 augustus 2015) in de hal van het Stadsarchief van de Gemeente Amsterdam, vindt ook een serie zondagochtendconcerten plaats.Op 19 juli a.s. staan enkele vrouwelijke componisten centraal, waaronder Marjo Tal (zie afb.).

Ter gelegenheid daarvan herplaats ik daarom hier een gedeelte uit een artikel dat ik over haar schreef in Mens en melodie (nr. 7/8, 2002).

Men heeft zich erover verwonderd dat de kunstliederen en de chansons die Marjo Tal (1915-2006) componeerde uit de pen van één en dezelfde persoon konden vloeien – een eufemisme overigens voor een componiste van wie bekend is, dat haar werk moeizaam tot stand kwam. De vraag is dan gerechtvaardigd of deze verwondering meer zegt over het beeld dat anderen van haar werk hebben gevormd, of over de identiteit van de pianiste/componiste: verscheidenheid of éénheid, of éénheid in verscheidenheid?

Liederen
De toonzetting van respectievelijk de Nederlandse en de Russische liederen is bijvoorbeeld al verschillend. De Acht Engelman-liederen ademen weer, ondanks een totaal eigen idioom, een wat impressionistische sfeer: gebroken akkoorden met fijnzinnige modulaties en daarboven hier en daar een klankschildering of een blue note die het grijs-grauwe onderwerp van een lied als Wolken accentueert. De begeleiding van de liederen op Russische tekst is voller van klank, zoals de taal dat is en een Russisch orkest er in vergelijking tot een Nederlands klankideaal een warmere toon op na houdt.
Wat wél overeenkomt, is de keuze voor gedichten die enerzijds allemaal aandacht hebben voor het onspectaculaire, het alledaagse, de kleine rimpelingen in het bestaan en anderzijds juist, ín en achter dat schijnbaar alledaagse een visioen van een andere wereld doen vermoeden die onbereikbaar en onzichtbaar is (‘een kleur die ik niet zie’).

In de voorliefde voor gedichten van bijvoorbeeld Jan Engelman komt echter tegelijk een andere kant van de medaille naar voren die in de Franse chansons, die zo’n twintig jaar eerder werden geschreven, al aanwezig was. Net zoals Marjo Tal, had Jan Engelman – die zij persoonlijk kende en haar verzocht zijn gedichten van muziek te voorzien – zowel een spirituele aanleg als een duidelijk gevoel ‘in’ de wereld te staan; mystiek en engagement gaan vaak, zoals bij hen, hand in hand.

Chansons
Hoewel één van de liederen als gezegd de wolken bezingt, met donkere klanken in de linkerhand van de pianopartij, die méér is dan louter begeleiding, en één van de chansons de zon (Couplet de la rue de Bagnolet, op tekst van Robert Desnos), is het niet zo dat de chansons over het algemeen zonniger zijn. Zeker, ook hier wordt het grote weer in het kleine, het alledaagse gevonden (Paris est tout petit, op tekst van Jacques Prévert), maar dat is kenmerkend voor veel Franse literatuur.
In A Paris (ook op tekst van Prévert) worden we bijvoorbeeld door de donkere begeleiding, ostinato-figuren en modulaties mee de diepte van het leven in een grote stad ingezogen. Ruth Wolf had het mijns inziens dan ook bij het rechte eind toen zij in een artikel over Marjo Tal (in Vrij Nederland, 28 juli 1956) schreef: ‘Een Parijs dat men niet kent (ook al herkent men het onmiddellijk en niet zonder huivering), een ruwe en bittere stad vol eenzame mensen.’ Het zijn chansons, schrijft Wolf, die ‘van de toehoorder veel veronderstelt, kennis en aanvoelingsvermogen, maar ook veel eist. Men kan hier niet maar zo eventjes vriendelijk belangstellend naar gaan luisteren. Als deze kunst zin wil hebben, dan moet men zich erbij laten betrekken.’

Conclusie
Het is opvallend dat op de compact disc met muziek van Marjo Tal op het label BVHaast zowel een keuze uit haar liederen als haar chansons bevat. De tijd is er rijp voor. Het is zoals prof. dr. Rudi Laermans zijn studenten theoretische sociologie en sociologie van de cultuur aan de Katholieke Universiteit van Leuven in de voetsporen van Pierre Bourdieu leert: het is het postmodernisme dat de acceptatie van het wegvallen van de grens tussen ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur, tussen in dit geval kunstliederen en kleinkunst, mogelijk heeft gemaakt.

http://www.patricia.dds.nl/cdsmt.html