Drieluik

Het wordt weer eens tijd voor een drieluik. Dit keer naar aanleiding van

  1. ‘Drie paradijselijke middagen in de Ark’
  2. Muziektheater bij Zinnig Noord: Golem
  3. De recensie van Niña Weijers over de nieuwe roman van Ben Lerner

1.
Er staan in de Bijbel twee scheppingsverhalen, vertelt dr. Wilken Veen tijdens de eerste van drie middagen van het Oecumenisch Leerhuis Noord in Amsterdam.
Tijdens de tweede middag keken we naar het verhaal in Genesis 2. Veen legde uit dat in de mens een levende ziel werd geblazen (vers 7), zodat lichaam en geest één werden. God vond het geen goed idee, dat ‘de mens’ (adam) alleen is (vs. 18), maar Hij ‘vond geen hulp als zijn tegenover’, als gelijkwaardige. Daarom nam Hij één van zijn ribben uit de man en bouwde die tot een vrouw. Het woord ‘ribben’ werd lang louter als lichaamsonderdeel gelezen, maar je kunt het volgens Veen ook lezen als een rib van een gebouw; het Hebreeuwse woord wordt ook gebruikt in het kader van de bouw van de Tempel van Salomo.
Wanneer ‘de mens’ (adam, de man) zegt dat de vrouw been van zijn gebeente is (vs. 23), dan zegt hij niet meer en niet minder dan: precies zoals ik. Zij heet Ischa, vrouw (vs. 23), dus niet: mannin, zoals wel wordt vertaald, maar een zelfstandig wezen. En dan volgt een matriarchaal trekje: de man hangt, of kleeft, zijn vrouw aan. Wordt dus met andere woorden deel van de clan van zijn vrouw.

2.
In dezelfde week dat wij dit gedeelte lazen (een volgende keer lezen we nog verder over het paradijs), woonde ik de muziektheatervoorstelling Golem van Zinnig Noord in dezelfde kerk, de Ark, bij. Een persbericht vermeldde de volgende vragen die aan de orde zouden komen: ‘Wanneer raak je als mens bezield? Wanneer gaat “het licht” aan?’ Zouden er dezelfde, of andere antwoorden worden gegeven als in het Oecumenisch Leerhuis? En waar zou de joodse mysticus en kunstenaar Joseph Semah mee komen in wat werd aangekondigd als ‘een kort voorprogramma’? Dáár was ik ook nieuwsgierig naar, want zijn naam was in mijn leven als recensent en kunstliefhebber al eerder voorbij gekomen: https://8weekly.nl/recensie/de-kerk-is-deel-geworden-van-de-kunst/

Eerst de performance. Sebastian Holzhuber zat in een wijde pofbroek op een poef en spon een draad. Achter de piano zat Uzi Heymann, gehuld in een Franciscaanse pij. Hij speelde minimal music en een stukje van Eric Satie. Zijn gezicht was niet te zien, we hoorden hem alleen. Tot hij op een gegeven moment zijn pij afwierp en op een lendendoek na naakt voor ons stond. Holzhuber begon klei nat te maken en kneedde dit uit op zijn lichaam, tot op en in zijn haren aan toe. Er ontstond op die manier een, overigens mooi, abstract schilderij. Er ontstond een Golem, het mythische personage uit de joodse legende, een mens zonder individualiteit. Het eindbeeld was dat de twee mannen lepeltje lepeltje stonden en beiden de armen ophieven. Een afrondend gebaar? Een kruisteken? Het riep bij mij verwarrende gevoelens op, hoe fraai ik de performance op zich ook verder vond.

Het korte voorprogramma van Semah werd omdat men, bij monde van Jonatan, een van de organisatoren van Zinnig Noord, de beelden voor zich wilde laten spreken, een kort na-programma. Semah sprak niet of nauwelijks over de golem, maar over – zoals een persbericht al had voorspeld – het feit dat ‘zowel in de joodse mystiek als in de Griekse filosofie mannen en vrouwen ooit waren verenigd. Tot zij door de goden werden gescheiden. Gebeurde dit uit angst, of uit liefde?’

Semah begon met de Griekse filosoof Plato (Symposion). Daarin is een raamvertelling over de schepping opgenomen van Aristophanes. Eerst werden man en man geschapen, toen vrouw en vrouw en tenslotte man en vrouw. Het geslacht werd met een staaldraad van het lichaam gescheiden, omdat er angst bestond dat ze aan de macht van Zeus zouden raken.
Vervolgens ging hij in op het eerste scheppingsverhaal (Genesis 1), dat bij Wilken Veen niet echt aan de orde was geweest. Hier werd de mens mannelijk en vrouwelijk geschapen. Adam en Eva leefden volgens de joodse mystiek rug aan rug, zodat ze geen weet hadden van elkaars bestaan. God kwam weer letterlijk tussenbeide en daar waren Adam en Eva die elkaar ontmoetten, omdat ze elkaar aan konden kijken, en zochten. Hier was niet sprake van angst, maar van liefde.

Tenslotte gaf Semah de twee uitvoerenden van de performance nog een tip: eindig niet zoals je nu eindigt (het riep bij mij als gezegd ook al verwarring op), maar met een gezamenlijke dans, met drinken en eten eventueel.

3.
In De Groene Amsterdammer (14 november 2019) schreef Niña Weijers tenslotte een stukje onder de titel ‘Bla’. Het begon met gender: ‘Giftige mannelijkheid heeft een evolutie doorgemaakt van superieur zwijgen naar superieur spreken. De mansplainer is ontegenzeggelijk meer van de elite dan de zwijgende cowboy; het zijn voornamelijk hoogopgeleide vrouwen met carrières die aanstoot aan hem nemen, in omgevingen waar kennis en taal hoog in het vaandel staan.’

Vervolgens sprong zij over naar de nieuwe roman van Ben Lerner, Leerjaren in Topeka. ‘Het begint’, schrijft zij, ‘met een sterk staaltje mansplainen’. De hoofdpersoon blijkt nota bene Adam te heten, en dat is vast niet voor niets! Adam gaat varen met een vriendinnetje, ‘met zijn rug naar haar toe houdt hij een lang betoog over een en ander. Wanneer hij zich eindelijk omdraait, is ze verdwenen, in het water gedoken en, naar blijkt, terug naar huis gezwommen’.

Hoe anders dan in het joods-mystieke verhaal dat Semah vertelde: Adam en Eva die rug aan rug leefden, maar door God de goede kant op werden gekeerd, zodat ze elkaar aan konden zien. Als elkaars tegenover, gelijkwaardig aan elkaar. De uitbeelding van het verhaal van de golem kwam niet tot dit punt, omdat beide mannen elkaar niet aanzagen. De golem is dan ook geen individu, zoals man en mannin dat nog niet zijn. Dat kwam toen God ze scheidde, Adam en Eva noemde, de mythe voorbij.

Verpopping

Ter voorbereiding op het symposium ‘Honderd jaar Herfsttij der Middeleeuwen’ van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, las ik de kleinood De kleine Huizinga van Willem Otterspeer (uitg. Atlas Contact), dat ook over deze klassieker gaat. Ter voorbereiding op drie ochtenden over Simon Vestdijks De glanzende kiemcel (uitg. Nijgh & Van Ditmar) door Wessel ten Boom voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie, las ik genoemd boek van Vestdijk.
Het opmerkelijke nu is, dat beide boeken zich in elkaars verlengde laten lezen. Ja, dat Vestdijks literatuuropvatting een uitwerking lijkt van die van Johan Huizinga, zoals Otterspeer die zo kernachtig uiteen zet.
Met name het gedeelte over het renaissancistische sonnet in het boek van Vestdijk (p. 151-154) is het vervolg op Huizinga’s opvatting over de middeleeuwen en renaissance. Laat ik dit aan de hand van Otterspeer eerst uiteen zetten. Daarna volgt Vestdijk en, tenslotte, als proef op de som een sonnet van renaissancedichter William Shakespeare.

Huizinga
Het begint ermee, dat Otterspeer stelt dat Huizinga ‘overal grimmige tegenstellingen ziet’. Van heldere kunst in een duistere samenleving, van zwarte wanhoop tegen ‘het wit van hun verlangen’. Zelf wilde Huizinga volgens Otterspeer de tegenstellingen tussen zijn gereserveerdheid en hartstocht, zijn socialisme en mystieke houding met elkaar verzoenen.

De kerngedachte van Huizinga is de ‘verpopping waar Jacob Burckhardt het over had’: ‘Laat wat voorbij is en wat zich aankondigt in elkaar versmelten’. Middeleeuwen versus renaissance, oud tegenover nieuw. De renaissance was met andere woorden ‘op middeleeuwse leest geschoeid’. Huizinga concludeert dat er geen contrast is tussen middeleeuwen en renaissance. ‘Het grote verschil (…) zat in de vorm’. Hij zoekt de verzoening van de tegenstellingen in een stilistische verzoening. ‘Ze spiegelen elkaar en heffen zich zo op’.

De achtergrond van dit alles zoekt Huizinga in ‘die sterk religieuze manier van denken (…): de feiten van het Oude Testament zouden op een of andere manier in het Nieuwe “herhaald” worden’. Er wordt sterk in symbolen gedacht. ‘Het symbool behoudt zijn gevoelswaarde alleen door de heiligheid der dingen’. De hemel wordt omlaag getrokken.

In het laatste hoofdstuk concludeert Otterspeer, dat Huizinga ‘de Middeleeuwen niet bij de Renaissance trok, maar omgekeerd de Renaissance bij de Middeleeuwen’. Wat hem boeide, ‘was niet opeenvolging en vernieuwing (…). Herhaling is de wet van de natuur, vernieuwing de opdracht van de mens’.

Vestdijk
Een gedeelte uit Vestdijks De glanzende kiemcel dat mij bijzonder aansprak, was dat over het sonnet. Hoe verhoudt dit gedeelte zich tot de visie van Huizinga/Otterspeer?
Vestdijk wijst op ‘het speciale vormkarakter van het sonnet, het architectonische, antithetisch geordende ervan’. De vorm heeft een ‘dialectisch element, dat (…) op antithese berust (…). De indeling in octaaf en sextet (…) richt onze geest op een zekere dialectische of discursieve verhouding, [omdat] men in het octaaf een gedachte ontwikkelt, waarvan dan in het sextet het tegendeel (…) wordt neergelegd’.
Vestdijk benadrukt dat ‘er geen sprake van is (…), dat deze dialectische bouw op één hoogte zou staan met een logische redenering of een wetenschappelijke bewijsvoering; tenslotte blijft de schoonheid van het vers de hoofdzaak’. Je zou het zo kunnen zien: het sonnet noopt de dichter ‘door zijn antithetische structuur tot denken, en door zijn kernachtigheid en beknoptheid besnoeit dit denken naar de eisen der poëzie’.

In vergelijking met Huizinga zou je kunnen stellen, dat het octaaf en het sextet elkaar spiegelen. Wanneer in het octaaf zwarte wanhoop tot uitdrukking wordt gebracht, dan komt in het sextet het tegendeel, het wit van het verlangen, naar voren. Ze spiegelen elkaar als middeleeuwen en renaissance, en heffen zo het verschil tussen beide op. De renaissance werd door de vorm bij de middeleeuwen getrokken, als een herhaling en vernieuwing.

Shakespeare
In een cursus die Ron Hoffman, een groot Shakespearekenner, in 2008 over de sonnetten van renaissancedichter William Shakespeare gaf, wees hij niet alleen op de andere vorm van het Shakespearesonnet, maar ook op het feit dat je ze niet altijd los van elkaar moet lezen; nummer 64 bijvoorbeeld krijgt een andere betekenis als je nummer 65 er ook bij betrekt. Een die laten zien wat Huizinga en Vestdijk al in theorie verwoordden.

Sonnet nr. 64 (http://www.shakespearevertaald.nl/de-vertalingen/sonnet-64/) gaat over de tijd die voorbij gaat en wat dit aanricht. Het woord ‘defaced’ (vergaan) uit de eerste zin slaat op gebeurtenissen als de Beeldenstorm: pronk, rijkdom en brons die door mensendrift in puin worden geslagen. Verderop is sprake van de zee die steeds meer van het land afknabbelt, over de tijd die de liefste van de dichter eens zal halen.

Sonnet nr. 65 (http://www.shakespearevertaald.nl/676-2/) herneemt deze gedachte. Het rept wederom van brons en steen, zee en land, van uitgewiste schoonheid, maar in de laatste twee zinnen gloort de hoop dat dichtkunst blijft bestaan:

O name, unless the miracle have might
That in black ink my love may still shine bright.

In de laatste zin wordt de dialectiek van Huizinga en Vestdijk opgeheven: tegenover de zwarte wanhoop staat het wit van verlangen, heldere kunst in een duistere samenleving, black ink tegenover shine bright. Alleen een meester kan dit zó samenballen dat de synthese, de verzoening van het voorafgaande wordt bereikt. Alleen niet alleen van de zogenaamde donkere middeleeuwen en de oplichtende renaissance, maar die van het wonder van de kunst en de liefde door alle tijden heen.

Afbeelding bovenaan overgenomen van de website van de KNAW.

 

Eenzaam en alleen

Wytske Versteeg krijgt de Kellendonkprijs 2020 omdat zij, volgens de jury (Maarten Asscher, Manon Uphoff en Esther Op de Beek), de kwetsbaarheid en de complexiteit van alle menselijk leven op de lezer kan overbrengen. Reden om haar boek Quarantaine (2015) uit de kast te pakken.

In dit boek is de ik-figuur een plastisch chirurg die ‘wegens omstandigheden’ niet naar buiten kan en vierentwintig uur per dag televisie kijkt. Op de televisie gaat het over ‘de ziekte’ die uit Afrika was overgewaaid, maar nooit over ‘het enige woord dat er werkelijk toe doet: liefde’. Liefde die de ziekte overbrengt én liefde tussen mensen.

Lelijk als de nacht
Tomas (zonder h), de ik-figuur- houdt van de veel jongere Maria, – een devote naam -, en was getrouwd met Leanne. Hij verstopt zich, omdat hij ‘zo lelijk [is] als de nacht’ sinds zijn gezicht als kind ernstig is verbrand toen hij warme thee over zich heen kreeg, waardoor de linkerhelft ‘nu nog het meest lijkt op een masker van klei’. Door een te klein oog kijkt hij de wereld in. Ongevaarlijk, volgens de echtgenoten van zijn patiënten.
We lezen over zijn jeugd, aan de minder rijke kant van de straat met een moeder die bij de beter gesitueerde Josef aan de overkant werkt. De man met rijen en rijen vleesetende planten in plaats van boeken. En een dochter, Leanne.

Schrijnende passages
Plotseling, met een klap haast, volgt een gedeelte over plunderingen, gebroken ruiten en half afgebrande winkels. Terwijl het zichzelf niet dramatisch ontplooide. Geen pats, boem, paukenslag.
Wat zich ontvouwt, is een moraliteit over een nagenoeg alleen overgebleven man waar iedereen omheen aan de ziekte uit Afrika is gestorven of sterft. Komen zij ooit helpen, uit Afrika? Of komen ze alleen als bootvluchtelingen aan land? ‘Iemand’, denkt de ik-figuur, ‘zou daar misschien een toneelstuk over moeten maken, een ballet misschien als hier ooit nog gedanst wordt’. Dergelijke korte, schrijnende passages als deze snijden óók door de ziel! Ze zijn als korte, beeldende shots in een film. Of op het televisiejournaal. Of hebben het karakter van korte reminiscenties aan de grote literatuur, zoals de opmerking dat ‘het twijfelachtig is of Leanne (…) het überhaupt zou hebben gemerkt als ik van de ene op de andere dag in een kakkerlak zou zijn veranderd’ of in de kever bij Kafka.
Stuk voor stuk aanklachten tegen een maatschappij waarin het mogelijk is dat ‘een verpleger door de menigte’ wordt aangevallen. De focus verandert op die manier telkens, zoals Maria ‘van het ene op het andere moment veranderde van een femme fatale in een feeks, van radicale activiste in hysterica’.

Gezichtsloze zieken
Alleen vliegtuigen komen nog over. Quarantaine, veertig dagen opsluiting, ‘een hoopvolle termijn’ in Bijbelse zin. Het is van een beklemmende surrealiteit die doet denken aan De kelner en de levenden van Simon Vestdijk.
De ik-figuur heeft schuldgevoelens omdat de ziekte hem lijkt over te slaan, terwijl zijn vrouw eraan bezwijkt. Hij stort zich op bespiegelingen, al even korte essayistische passages over bijvoorbeeld de slaap.

Babyhuidje
Maria vraagt of het geen gevoel van macht geeft, ‘om zo een heel nieuw mens te maken?’ Josef verwijt hem ‘geen mensen-mens’ te zijn, maar het wordt alleen maar verwarrender wanneer Tomas onverwacht ‘door iets of iemand wordt gezien, gekend’. Het lijkt of hij vervelt, zijn pantser heeft afgeworpen en een babyhuidje tevoorschijn komt. Synchroon hieraan verdwijnt Maria, die hij niet mooier heeft durven maken. Dan is Tomas pas echt alleen. Of was zij een fantoom?
Hij heeft even, heel even, kunnen proeven aan wat mens-zijn inhoudt. En Wytske Versteeg heeft dit weten over te brengen. De jury heeft meer dan gelijk om haar de Kellendonkprijs 2020 toe te kennen.


Foto van de auteur (Lionne Hietberg) is van haar website overgenomen.

Quarantaine – Wytske Versteeg
Prometheus, 2015
ISBN 978 90 446 2691 9
178 pagina’s

Liefde voor elkaar en de natuur

Op het moment draait in de Nederlandse bioscopen een schitterende film van de Bulgaarse regisseur Milko Lazarov: Ága. Schitterend vanwege de beelden van Jakoetië in noordoost Siberië, maar het had net zo goed helemaal in het noorden van Scandinavië kunnen zijn. Schitterend vanwege het klein gehouden verhaal van twee bejaarde Inuit: Nanook (Mikhail Aprosimov) en Sedna (Feodosia Ivanova). Een klein gehouden verhaal binnen en rondom hun joert op de toendra.

Klein gehouden, maar met een grote draagkracht. Ze proberen te overleven, het echtpaar in hun joert, maar rendieren zijn er niet meer – al ziet Nanook er af een toe één aan de kim verschijnen, maar dat kan ook verbeelding zijn. Hoewel – tijdens zijn vertrek aan het eind van de film rijdt de auto waarin hij zit een rendier aan, dat – hoe symbolisch – boven op de boomstammen in de laadruimte meegaat. Klein gehouden, terwijl de klimaatverandering zich laat gelden, die in de film niet overheerst terwijl toch wel duidelijk wordt wat dit zal betekenen: geen rendieren meer, steeds hardere stormen, ijs dat smelt en als water zachtjes neer druppelt. Nog wel.

Nanook en Sedna proberen te overleven met hun tweeën en een sledehond, terwijl hun dochter (Ága) is weggetrokken naar een diamantmijn. Een enkele keer komt een neef op bezoek. Dat is naast een wereldontvanger hun enige band met de buitenwereld, die langskomt als de vliegtuigstrepen in de lucht. Ze zingen liedjes voor elkaar en vertellen elkaar hun dromen. Zoals die ene over een gat dat in de grond werd geslagen en waarin alle sterren zijn verdwenen.
Het shot op het eind van de film toont zo’n gat, groter dan Nanook en Sedna zelf ooit in het ijs hebben kunnen diggen. Uit de wereldontvanger klinkt het Adagietto uit Mahlers Vijfde symfonie, in de filmwereld bekend geworden door Visconti’s Death in Venice, waarbij echter niet vergeten mag worden, dat Mahler dit als een liefdeslied componeerde.

Want liefde, daar gaat het in de film denk ik primair om. Tussen Nanook en Sedna, van Nanook en Sedna voor Ága en voor de schitterend in beeld gebrachte natuur. Nanook wordt vergeetachtig en dat zou wel eens symbool kunnen staan voor het verdwijnen van de natuurlijke habitat van de Inuit. Of voor onze veelal korte termijnvisie aangaande de klimaatcrisis, als het al de naam ‘visie’ mag hebben. Een dreiging die de hele wereld aangaat en waar iedereen de gevolgen van zal ondervinden. Het enige dat blijft zijn de drie rotsen waarin Sedna de figuren ontwaart van een vader, een moeder en een kind. Want de liefde, die overwint.

Mythe, mysterie, mystiek

Onlangs verscheen mijn boekje over Henk Vreekamp, Mythe mysterie mystiek (uitg. KokBoekencentrum). Tijdens de presentatie daarvan, op 14 juni in de Amsterdamse Thomaskerk (Thomastheater), sprak ds. Thijs van Meijeren (Hoevelaken) enkele mooie woorden. Onder meer over de drieslag die in de titel tot uitdrukking komt:

‘De mythe. Overleven op de rand van angst en duisternis, de dood. De mystiek. Vlucht uit de werkelijkheid. De ziel met God alleen. Versmelten. De liefde, minstens zo sterk als de dood. Het mysterie. Het heilige midden. Als een kiertje licht, een weinigje hoop, stem en tegenstem van Israëls God, de teksten van de heilige Schrift, waardoor de andere twee panelen, mythe en mystiek, op hun plek vallen.’

Alles wat ik na 14 juni las, las ik door de ogen van Vreekamp, met de bril van Van Meijeren. Met name twee artikelen: ‘Verlangen naar mythes’ van Arnon Grunberg in Wordt Vervolgd (juni 2019, p. 9) en ‘De weg van de Stilte’ van Margreet Hogeterp over het gelijknamige boek van Jan de Jongh (uitg. Narratio) in Vredesspiraal (juni 2019, p. 14).

Mythe
Ik begin met het linker paneel: de mythe. Grunberg citeert uit een 4mei-lezing van Caroline de Gruyter, correspondent en columnist met aandacht voor Europese zaken: ‘De prijs die we voor dit systeem betalen, is dat Europa geen helden heeft, geen mythes, winnaars of verliezers’. Terecht, stelt Grunberg, benadrukt zij ‘het verlies van mythes, en dat is een groter verlies dan velen van ons lang hebben aangenomen (…). Het gaat niet om zelfonderzoek of onderzoek naar hoe het verleden echt was [invention of tradition noem ik dat in mijn boekje over Vreekamp, EvS], maar om het vinden van betekenis, en betekenis heeft de eigenaardige onhebbelijkheid de gedaante aan te nemen van een verhaal.’ Grunberg concludeert dat ‘wij met zijn allen de mythes hebben verwaarloosd, hebben gedacht dat vrede zonder mythes kan, en in dat gat is (…) extreemrechts gesprongen met heel specifieke en mijns inziens schadelijke mythes (…). Nu komt het erop aan ons verlangen naar mythes, oftewel betekenis, serieus te nemen.’
Vreekamp heeft ons voorgedaan hoe je dat kunt doen, en daarin is hij niet altijd begrepen. De mens is van den beginne verbonden met de aarde onder zijn voeten. Om dat te voelen liep hij blootsvoets over de heide, een woord waarin niet voor niets het woord ‘heiden’ mee resoneert: ‘de heiden in de oorspronkelijke zin: mens van de heide, het platteland, levend op het ritme van de seizoenen en vergroeid met de natuur’.
Vreekamp herontdekte de mythen van de aarde in Noord-Europa. ‘Midden in de nieuwe wereld begon ik de oude wereld wakker te lezen’, die van de Edda en de Heliand, die ‘Christus als de machtige Held, sterker schildert dan Wodan of Thor’.

Mystiek
Het rechter paneel bestaat uit de mystiek. Hogeterp beschrijft de volgorde van de thema’s in het boek van Jan de Jongh, ‘de weg van verlangen naar de veelal verloren Stilte, die kan uitkomen bij de levensbron van mystieke ervaring’. Het is een andere weg dan die Vreekamp volgde. Voor hem kwam de weg ergens anders uit, waarover straks. Hogeterp citeert het slot van De Jonghs boek:

‘Laten we dat verschrikkelijke en onverklaarbare WAAROM van Jezus en al die andere gemartelden in onze dagen laten staan – en niet vluchten in een theorie over verzoening of iets dergelijks. Het antwoord op de vraag blijft in de mystieke stilte. Want nooit kom ik los van jou, mijn God’.

Vreekamp vond zo’n antwoord niet in de mystiek. Het bleef voor hem een geheim, een mysterie. Een woord dat ook in de bespreking van Hogeterp valt, wanneer ze Kick Bras, theoloog en oud-docent spiritualiteit aan de Protestantse Theologische Universiteit (Kampen) uit het voorwoord citeert: ‘Liturgie is voor De Jongh stil en aandachtig, ritueel en poëtisch omgaan met de levensraadsels en het daarin zich manifesterende goddelijke Mysterie’. De mystiek was voor Vreekamp geen antwoord, zoals bij De Jongh, maar een vermoeden. Een mysterie.

Mysterie
Het mysterie vormde voor Vreekamp het middelpunt, het hart van het drieluik, het wat ik in mijn boekje met H. Berkhof ‘het perspectivisch middelpunt’ noem. Het gegeven midden was voor hem Jeruzalem, het geloof der Vaderen. De liturgie waar De Jongh het over heeft, was voor hem iets ‘tussen mythe en mystiek [in]’, de preek ‘de verkondiging van het mysterie van de Messias’. Zoals God ‘in een tent wil wonen te midden onder zijn volk. Dichtbij de mensen, letterlijk in het midden’. Zó vallen, zoals Van Meijeren zei, ‘de andere twee panelen, mythe en mystiek, op hun plek’.

Lees hier de tekst van Thijs van Meijerens reactie op mijn boek, in twee delen:

Deel 1: https://www.theoblogie.nl/hernieuwde-ontmoeting-met-henk-vreekamp/
Deel 2: https://www.theoblogie.nl/de-drieslag-van-henk-vreekamp/

Het koninkrijk van de angst – Martha Nussbaum

Het koninkrijk van de angst : een filosofische blik op angst als politieke emotie / Martha C. Nussbaum ; vertaald [uit het Engels] door Rogier van Kappel. – Amsterdam : Uitgeverij Atlas Contact, [2018]. – 255 pagina’s ; 21 cm. – Vertaling van: The monarchy of fear. – New York : Simon & Schuster, © 2018. – Met
literatuuropgave. ISBN 978-90-450-3748-6

Martha Nussbaum heeft al eerder aangetoond aandacht te hebben voor emoties die een destabiliserende factor vormen in de zoektocht naar rechtvaardigheid. Met name in haar boek Politieke emoties (2014). Nussbaum is een van de bekendste filosofen van dit moment en als hoogleraar verbonden aan de universiteit van Chicago. Na de Amerikaanse verkiezingen van 2016 besluit ze dieper in te gaan op de emotie ‘angst’, die het rationele denken blokkeert, hoop vergiftigt en constructieve samenwerking belemmert. Het doel van dit voor een groot publiek geschreven boek is pimair reflectie en introspectie. Achtereenvolgens geeft zij een analyse van angst en enkele strategieën om deze in toom te houden. Ze beschrijft woede, walging en afgunst: negatieve, op minderheden gerichte politieke emoties (uitsluiting van immigranten, moslims) en hoop, liefde en visie voor de mensheid. De invulling van Nussbaum neigt soms naar een wat eenzijdige benadering van de begrippen ‘angst’ en ‘woede’ en zou wat de alternatieven betreft hier en daar wat aan concreetheid hebben kunnen winnen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Drieluik uit Utrecht

Witte Donderdag

Aan het begin van de veertigdagentijd dit jaar hoorde ik in een dienst in mijn wijkkerk een gastpredikant die een lofzang afstak op de ontluikende lente: op de krokussen en de sneeuwklokjes. Zij wees op verschillende soorten tijd: de wereldlijke en de kerkelijke kalender. In de kerk keren we in de veertigdagentijd juist naar binnen. Om daarna, met Pasen, volop op te bloeien.

1.
Welk boek, leek mij, kon ik op de drie dagen van Pasen (Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag) beter lezen dan Lente (uitg. De Geus) van Karl Ove Knausgård? De Noorse auteur verhaalt erin over de lente in het Zweden waar hij woont, over zijn ontluikende kleine kinderen en hoe hij naar binnen keert door de zorgen over zijn vrouw Linda, die wordt opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis.
Gaandeweg Witte Donderdag bedacht ik me, dat ik net zo goed Knausgårds Liefde had kunnen herlezen met zijn ‘Hun hel is jouw hel, hun hemel is jouw hemel’.

2.
Dat inzicht kwam om te beginnen op tijdens de Paaslezing ‘De inspiratie van het lijden’ van Helikon in Utrecht. Deze dubbellezing werd gegeven door kunsthistoricus Paul Bröker en filosoof Laurens ten Kate.
Een van de schilderijen waarvan een afbeelding werd getoond, was een Laatste Avondmaal van Holbein de jonge. De meeste discipelen zijn erop zijn egoïstisch met zichzelf bezig, zonder al teveel relatie met de serene Christus. Bij Leonardo da Vinci’s Laatste Avondmaal (St. Maria delle Grazie, Milaan) zijn ze echter met Jezus bezig en delen hun gevoelens; Zijn hel is onze hel, Zijn hemel is onze hemel. Op het Isenheimer altaar van Grünewald tenslotte lijkt het of God met de discipelen mee lijdt. Er is geen wanhoop of ontzetting, maar troost. Er is, aldus Ten Kate, sprake van wat in de rooms-katholieke leer ‘dubbele identificatie’ wordt genoemd: zonde (moordenaar) en reiniging (slachtoffer).
Aan het eind van zijn lezing maakte de spreker een zwenking naar het thema ‘liefde’. Hij deed dat aan de hand van een kort stukje van componist Giovanni Legrenzi (1626-1690) op de cd Via crucis van ensemble l’Arpeggiata van Christina Pluhar:

Dit hart dat ooit blij was,
voelt zich nu gebroken door verdriet.

Het gaat dan volgens Ten Kate over het lijden in het algemeen en liefde in de ruime betekenis van het woord.
Het deed denken aan het boek van Knausgård, die in de tijd dat zijn vrouw in het ziekenhuis lag, ‘steeds dezelfde muziek draaide, Queens of the Stone Age, zo hard dat het pijn deed, want binnen in mij deed het pijn en op de een of andere manier hielp de harde agressieve muziek, als een soort tegendruk’ (p. 73).

3.
Het boek van Knausgård en de lezingen ’s middags werkten ’s avonds bij mij door in de dienst in de Domkerk. Voorganger was ds. Sytze de Vries, organist Jan Hage met medewerking van de Domcantorij onder leiding van Remco de Graas.
Het begon al met het Ubi caritas uit de Musica pro Deo van Maurice Duruflé (1902-1986):

Waar liefde en eensgezindheid is, daar is God.
De liefde van Christus heeft ons verenigd.
Laat ons juichen en ons in Hem verblijden.
Laten wij de levende God vrezen en beminnen.
En elkaar met een oprecht hart liefhebben.

Het ging verder in de preek, waarin ik een mooie definitie van zonde hoorde: ‘geweigerde solidariteit’. Ik zag het beeld van Holbein de jonge weer voor me, met hun ‘statische lichamen; zet je je lichaam in beweging, dan beginnen ook je gedachten zich te roeren’ (Knausgård, id.).
Het is een verschuiving van een andere definitie die ik Sytze de Vries eens hoorde geven tijdens een leerhuis, jaren geleden in Amsterdam, die me altijd is bijgebleven en mee resoneerde met zijn tegendeel bij Duruflé: zonde is datgene waar God niet aanwezig is of wil zijn.

Misschien vormen deze ervaringen, al lezend in Knausgård, luisterend naar Laurens ten Kate en Sytze de Vries, kijkend naar verschillende schilderijen van het Laatste Avondmaal en luisterend naar Legrenzi en Duruflé, tezamen een antwoord op een deel van een vraag die in de tentoonstelling Moed in het Utrechtse Centraal Museum (t/m 30 juni a.s.) wordt gesteld: ‘Is compassie exclusief verbonden aan theologische beelden, verhalen en ervaringen?’ Nee dus.

De dominantie van een m/Meester

Het gebeurde gisteravond aan het slot van de eerste van twee Spinoza lezingen door prof. Catherine Malabou (foto rechts) over het thema ‘Philisophy and Anarchy’. En dan doel ik niet op een student die zich afvroeg of dominantie niet ook een positieve betekenis kan hebben, waarbij hij wees op het boek Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault, onlangs in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek uitgekomen bij Boom. Nog afgezien van het feit of die student Foucault wel goed had begrepen (zie het artikel van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 21 februari jl., met name par. 1), ontlokte hij aan Malabou een diepe zucht en de opmerking dat zij ‘dit pad niet volgt’.

Nee, ik doel op de laatste vragensteller (‘opponent’, verbeterde de partner van een kennis mij). Zijn vraag volgde op een opmerking van Malabou dat ‘filosofie de dominantie van een meester’ is. Hij verwees naar het dialogische discours vanaf Plato. Malabou reageerde met twee opmerkingen:

  1. Plato is gedurende zijn leven van mening veranderd
  2. Je moet de dominantie (h)erkennen en je ervan bevrijden

De eerste pleit denk ik niet voor Plato, de tweede bleef bij mij hangen.
Natuurlijk kun je er, om te beginnen, ook kanttekeningen bij plaatsen: de meester, de alwetende leraar is iets dat uit de tijd is. Dat geldt denk ik ook voor de dominee, de dokter enz. Op hetzelfde moment dat ik op weg was naar de Aula aan het Amsterdamse Spui, spraken in De Wereld draait door een arts en een ethicus die aangaven ook van hun patiënt te kunnen leren. Tot zover is het duidelijk.

Maar dan lees ik in het boek Leven in de waagschaal van Wessel ten Boom enkele opmerkingen die de uitlating van Malabou (het was doodstil toen zij ze uitsprak) in misschien het juiste kader zetten. Ze staan in de hoofdstukken ‘De infantilisering van de kerk’ en ‘Van vader naar broeder’ (veel verder ben ik nog niet). Eigenlijk zeggen die titels al genoeg: een kerk die geen m/Meester of l/Leraar meer erkent, vervalt tot liturgisch bloemschikken, maar die leraar (Karl Barth in dit geval) kan ook je broeder worden, dichterbij, naast je komen, wanneer je je deels van zijn invloed bevrijdt maar je toch nog door hem/haar laat gezeggen.

In het eerste hoofdstuk gaat het, vrij vertaald, over de dominantie van de Leraar: ‘Waar het Woord opengaat en zijn genadig licht over ons doet schijnen, daar treden wij terug in onze aspiraties, die zucht naar sterrendom, en worden dankbaar stil, vervuld van een innige liefde.’ Ten Boom heeft het, schrijft hij in het tweede hiervoor genoemde hoofdstuk één keer meegemaakt (p. 54). Hij vraagt zich even verderop af: ‘Heeft een ander ons nog iets te zeggen dat ons als waarheid overtuigt?’ Ten Boom heeft niet de illusie ‘hierin ook maar enigszins vrij te zijn’. Dat idee houdt voor hem in dat je geen ander meer naast je duldt ‘die jou de waarheid zegt, omdat je zélf je leven wilt bepalen’.

Ten Boom erkent dat ‘wijsbegeerte een troost is’. Godsdienst soms ook. Daarom sta ik met het ene been in het eerste en bezoek lezingen als deze en met het andere in het tweede en lees een boek als dit, dat als een stomp in je maag binnenkomt. ‘Ik denk dus ik ben’ (Descartes) en: ‘Ik bid dus ik ben’ (Hoedemaker).

 

Link naar de opname van de lezing van prof. Malabou: https://webcolleges.uva.nl/Mediasite/Play/a277e0e2dc03499e931532e08f9c15781d

Psalmen proeven

Het is natuurlijk niet meteen een boek dat vraagt om een recensie, Laat mij maar zingen. Psalmen na geschreven van Gert Bremer. Zo persoonlijk als hij alle 150 psalmen ‘omtaalde’. Maar toch zijn er in meer technische zin best wel wat vragen, wat vraagtekens bij te plaatsen, bij dat mooi uitgegeven, spirituele boek met leeslint van de musicus die van 2006-2017 woonde in de Cisterciënzer Abdij Maria Toevlucht in Zundert. Dat doe ik hier puntsgewijs, al proevend van verschillende psalmen.

 

Gemeente
Laat ik om te beginnen zeggen, dat veel me aan de 150 psalmen vrij van Huub Oosterhuis doet denken. Bijvoorbeeld in de keuze van het vaak terugkerende begrip ‘gemeente’, zoals in Psalm 100:

De Ene is de God die ons tot gemeente maakt.

Daarbij moet ik toch even slikken, want dat is wel erg vrij – zowel van Oosterhuis als van Bremer, want in de Statenvertaling staat: ‘de schapen Zijner weide’, en in de Nieuwe Bijbelvertaling (vaak gewraakt, maar wat mij betreft niet aangaande de Psalmen en Jesaja): ‘de kudde die hij weidt’. Natuurlijk, gemeente kom je ook in het Hebreeuws tegen (kehilla, קהילה ), maar dat woord laten we meestal staan en heeft niet de sfeer van wat wij in Nederland onder een kerkelijke gemeente verstaan (‘Gemeente van Jezus Christus’). Op andere plaatsen vertaalt Oosterhuis (in tegenstelling tot Bremer, die het bij ‘gemeente’ houdt) eerder ‘uw huis’ (Psalm 26).
Kortom: is hier niet sprake van toe-eigening? Zelfs zo ver, dat Berger aan een psalm (Psalm 90) de kerkverlating toevoegt … Dat mag, want dat staat los van de psalmtekst zelf, zijn eigen korte overdenking die, cursief, op elke psalm volgt.
De vraag is: hoe doe je, los hiervan, rechtd aan de bron van de psalmen, die zowel door joden als christenen worden gelezen? Door wie wordt je uitgenodigd? Door de joden – om mee te lezen. Zij zijn het die je in, en met deze teksten, gezeggen.

Joodse elementen
Er zijn wel meer joodse elementen die zijn weggevallen, zoals in Psalm 92 en 93, waar de tiensnarige harp sec ‘harp’ is geworden. Dat is jammer, want daarmee valt ook een lading weg.
Maar er zijn gelukkig ook zinnen die een houvast bieden, zoals

Tora leeft immers in hun hart.

Soms blijft Bremer dicht bij het origineel, zoals in Psalm 75, waar sprake is van een ‘hoorn’ van de kop van een dier, waar in andere vertalingen trots staat of hoorn als instrument (de ramshoorn).

Mooi
Ik lees – laat dat duidelijk zijn – veel mooie psalmen, zoals 84, 91 en 130. In de eerste staat ‘Omvleugelde’ voor God en in die laatste psalm staat ‘Volstrekte’ voor HEER en de vraag of Jij (die HEER) in de afgrond is, zoals Lloyd Haft ambigue herdichtte:

Waar ik u aanroep is diepte.

Ook meerduidig is een vertaling als in Psalm 38, waarin de pest niet letterlijk maar figuurlijk is opgevat:

… vrienden mijden mij als de pest.

Mystiek
Kenmerkend voor Bergers omtaling is ook een zekere mystieke ondertoon. In Psalm 130 heeft hij het bijvoorbeeld over ‘Ziel in mij, zegen de Ene’ voor de Godsnaam, het ‘Gij zijt Gij’ en het ‘gedachte bent u nu in Mij’ (Oosterhuis). Waar de eigenschappen van God aan worden gehangen: ‘Erbarmend, Genadig, Lankmoedig, Rijk aan liefde, Rijk aan trouw’. Met aanhalingstekens, want intertekstueel. Een punt dat straks nog terugkomt.

Theologisch
Soms proef ik een theologie die wat achterhaald lijkt, zoals in Psalm 84, waarin de vraag wordt gesteld of het gaat om

dit wachten, dit niet weten,
dit tussenruim in mijn bestaan.

Gaat het niet eerder om ver-wachten, niet in een tussenruim, maar hier op aarde, in het hier-en-nu, waar het moet gebeuren? Gaat God boven tijd en ruimte uit (Psalm 92 en 93), of doet Hij er juist inbreuk in? Of is dat weer te Barthiaans? Je kunt, en je mag, er van mening over verschillen.
Ook in een vertaling als Psalm 46 staat een Godsgeloof dat gedateerd overkomt. Hierin gaat het over het wankelen der aarde, maar toch niet als God zich verheft? Dat staat er denk ik niet, en je moet het er ook niet in willen leggen.
Toch spreekt er uit sommige psalmen ook een hedendaagse twijfel die je mee kunt voelen. Mooi is bijvoorbeeld:

Niet vanzelfsprekend blijf ik zingen van Jou,
want niet te rijmen zijn Jouw grond en afgrond.

Soms staan er ook letterlijk vraagtekens in plaats van uitroeptekens. Bijvoorbeeld in Psalm 15, volgens een predikant die ik onlangs hoorde een samenvatting van het geloof. Dit valt Lloyd Haft zwaar (‘Zwaar ligt het woord’) en Berger vraagt of hij het waard is, ‘jouw tent?’
Van deze tijd is ook een vertaling als ‘heelheid van God’ (Psalm 50), waar de Statenvertaling ‘Gods heil’ geeft.

Nadenken en troost
Veel teksten geven niet alleen manna om te overdenken, maar ook stof om over na te denken of bieden troost. Neem bijvoorbeeld Psalm 115: ‘Ze hebben een neus maar kunnen niet ruiken’  wordt bij Bremer:

hun neus ademt geen wierook

En ja, de joden kenden het rookoffer. De titel van Bremers boek komt overigens uit deze psalm.
Om over na te denken is Psalm 16. Berger heeft het over God die mij niet laat vallen in het niets, waar vaak wordt gezegd, intertekstueel, dat God mij niet anders laat vallen dan in Zijn hand, zoals in het lied van Arno Pötzsch:

Je kunt niet dieper vallen
dan louter in Gods hand

Troost kun je vinden in een psalm als Psalm 73:

Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn
lichaam, de rots van mijn bestaan,
al wat ik heb, is God, nu en altijd.

Of in de bewerking van Lloyd Haft:

Want: U bent niet in hun woorden
maar waar woorden niet meer zijn.

Woorden (!) om in je hart te bewaren. En daar lijkt het Berger toch ook vooral om te doen. Ik ga verder proeven.

Gert Bremer: Laat mij maar zingen. Psalmen na geschreven. Uitg. Abdij van Berne, 2018. ISBN 9789089722362. 288 pagina’s € 24,90

Drieluik uit Noorwegen

Dit wordt weer eens een drieluik Dit keer naar aanleiding van drie dingen die mij tijdens een vakantie in Noorwegen afgelopen week aan het denken zetten. Het eerste was een opmerking van de rooms-katholieke voorganger David Earl Cooper tijdens een van de missen aan boord van de Koningsdam (foto Els van Swol), het lezen van het boekje Bron in je brein van de vrijzinnig protestantse theoloog Wim Jansen (uitg. Meinema) en een bezoek aan Kube, het kunstmuseum van Ålesund, waar in Fire Martyr (2014) van Bill Viola zag.

1.
David Cooper zei, in het verlengde van de Bijbeltekst die op een dag centraal stond (Mattheus 23), dat het hem primair gaat om het altaar en pas daarna om het brood en de wijn die erop staan, want ‘die komen eruit voort’. Het brood en de wijn zijn in eerste instantie voor hem ook ‘spiritual food’ en dan pas het lichaam en het bloed van Christus – of, voor protestanten, het brood uit de hemel en de wijn van het Koninkrijk.
Misschien vermoedde Cooper hetzelfde als Jansen in zijn boek verwoordde: ‘Een stil licht achter de dingen’. Of, even verder, ‘een diepe eerbied voor die geheimzinnige, verborgen aanwezigheid’.
Ik kan me dat zomaar voorstellen, als ik aan het mooiste altaar denk dat ik ooit zag: de eenvoudige stenen tafel (!), zonder welke opsmuk dan ook die Donatello maakte en die staat in de Pazzi-kapel in Florence. ‘God’, zegt Jansen, ‘is ook een afgeleide, net als ikzelf’, net als het brood en de wijn voor Cooper.

2.
Zoals het altaar vooraf gaat, gaat voor Jansen ook het ‘bidden vooraf aan religie en ligt eraan voorbij’. Of, even verder, zoals meditatie door hem wordt gezien als ‘een noodzakelijke fase die aan bidden vooraf gaat’.
Toegepast op het altaar met de brood en de wijn, kun je dit vergelijken met een citaat van de Noorse schrijver/avonturier Erling Kagge dat Jansen geeft: ‘Ik stond op het punt om mijn eten te verslinden, maar Börge stelde voor om niet alles in één keer op te eten en te wachten. Om even in stilte naar het eten te kijken’. Dat is het moment waarop het laken van het brood wordt gehaald en het servet van de beker met wijn: om in stilte naar het eten en drinken te kijken en er dan ook maar één hapje en één slokje van te nemen. Als voorsmaak.
Als Jansen zegt, dat het moment waarop hij de zee ziet, ‘een gebed op zich is’, dan denk ik aan het moment waarop ik het altaar van Donatello zie: ‘Mijn hart springt ervan op’. Telkens weer. Een moment dat je de kapel anders doet verlaten dan dat je er binnen ging, omdat je van binnenuit werd bewogen, geraakt. ‘Al deze dingen’, concludeert Jansen, ‘vormen niet alleen een opmaat tot, maar zijn ook al bidden’.

3.
Het is ook een boekje dat verwarring schept, wellicht omdat het niet altijd even consistent in zijn denken overkomt wanneer je uitgaat van de ondertitel: Bidden tot de God in wie je niet gelooft. Verwarring schept ook het kunstwerk van Viola dat ik zag, meerdere keren achter elkaar. Een zwarte man zit op een stoel te mediteren of te bidden. Eerst valt er één vlammetje op de grond, en dan nog eentje dat meteen weer dooft. Steeds vallen er meer. Alles om de man heen, de hele wereld, staat in brand. Op een gegeven moment wordt het te warm onder zijn voeten en doet hij de ogen open. Hij kijkt je aan. De vlammen klimmen aan zijn stoelpoten omhoog. Uiteindelijk rest een vlammetje. Dan dooft het licht. De uitleg is aan de toeschouwer. En daarbij moet je voor een keer het begeleidende bordje aan de muur laten voor wat het is.

Toegift
Eenmaal thuis valt mij een vertaling toe van de parasja die ’s middags tijdens een leerdienst in het Gast-huis centraal staat (zie afb., ontwerp Kees Voordouw). Adriaan Boer, hoofdredacteur van het Gast-huismagazine waarin ik op z’n tijd ook iets schrijf, stuurt mij zijn werkvertaling hierover uit Torah as a Guide to Enlightenment van rabbi Gabriel Cousens toe. Hieruit citeer ik het volgende, dat mij in het kader van dit drieluik bijzonder raakte: ‘Eén les omvatte het aanbieden van de eerste vruchten op het altaar, wat elementaire dankbaarheid aan God demonstreert (…). Het diende ook als een rituele herinnering aan het volk van de bron van hun oogst, wat hen op hun beurt hielp een bepaald niveau van nederigheid in stand te houden. Het aanbieden van de eerste vruchten was ook gerelateerd aan de eenheid van de relatie van het seculiere met het spirituele (…). Het spirituele gaf betekenis aan het seculiere en het seculiere gaf betekenis aan het spirituele (…). Om het land binnen te gaan, moesten de mensen de spirituele wereld samenvoegen met de fysieke wereld in hun bewustzijn, en op die manier zouden ze vrucht dragen in het land Israël (…). Dit wordt verder geactiveerd door onze ervaring van onszelf als goddelijke wezens die stralen met de aanwezigheid van God van binnen, die heerlijk versterkt wordt door mitswot en gebed. Wanneer we rondlopen, vervuld met de aanwezigheid van God, worden we door God geleefd op elk moment van ons leven en daardoor worden we blij gevuld met de niet causale liefde, tevredenheid, vreugde, vrede, eenheid en mededogen van het goddelijke dansen in het centrum van onze harten.’