Shakespeare en de Reformatie

Op 5-6 oktober a.s. organiseert The Research Group for Cultural Iconology and Semiography in de Universiteit van Szeged (Hongarije) een conferentie over Shakespeare Studies. De titel van de conferentie is Shakespeare and the Reformation – Shakespeare’s Reformations. Tot de sprekers behoren Tibor Fabiny, Géza Kállay, Douglas Lanier, Zenón Luis Martínez, Ádám Nádasdy, Rowland Wymer.

De aankondiging van deze conferentie bracht me terug bij een inleiding die ik in 2009 voor een gemeenteavond van de Oude Kerk in Amsterdam zou houden over Shakespeare en vasten. In het kader van deze conferentie plaats ik hier de niet uitgesproken tekst, omdat de avond niet door ging.

Geest   (1) Ik ben uw vaders geest,
(2) gedoemd een zekere tijd door nacht te waren,
(3) en overdag in vuur te moeten vasten,
(4) totdat de gruwelijkheden in mij leven
(5) verteerd zijn en gelouterd.

Dit is wat de Geest in Shakespeare’s toneelstuk Hamlet in de eerste akte te berde brengt. Hij vertelt Hamlet dat diens vader, koning van Denemarken, niet zomaar is gestorven maar is vermoord. Als moordenaar wijst de Geest Hamlets oom Claudius aan, die heel snel na de dood van zijn vader is getrouwd met zijn moeder.

Wát zegt de Geest nu precies.

  1. Volgens de rooms-katholieke opvatting in de tijd van Shakespeare (ca. 1600), kon de Geest de ziel zijn van een dode. Volgens de protestantse visie in die tijd was de Geest meestal het kwade in de hoedanigheid van een overledene, die mensen waaraan hij verscheen wilde misleiden.
    Beide achtergronden gaan hier op: het is de dode vader van Hamlet die zijn zoon aan wil zetten tot ‘wrekende gerechtigheid.’
  2. De zekere tijd slaat op de tijd tot de (weder)komst van Jezus van Nazareth, wanneer er geen zonde en dood meer zullen zijn.
    Het door de nacht waren doet denken aan een oefening van monniken om waakzaam en wakker te blijven.
  3. Overdag wil zeggen: tot de avond is gevallen (= Regel van Benedictus). In vuur vasten verwijst naar het voorgeborchte waar de vader van Hamlet niet – zoals in het vagevuur – wordt gekweld door hellestraffen, omdat hij in tegenstelling tot zijn broer Claudius geen misdaden heeft bedreven.
  4. Totdat de gruwelen in mijn leven is een typische zinsnede in de context van het Elizabethaanse Engeland waarin Shakespeare leefde en waarin het individualisme opkwam. Vasten is hier dus een individuele aangelegenheid en hangt niet, zoals in de oude kerk, samen met de liturgie (de eucharistie, bidden).
  5. Verteerd zijn en gelouterd levert, zoals zo vaak bij Shakespeare, reminiscenties op aan tal van Bijbelteksten. Bijvoorbeeld aan I Petrus 1:22: Nu u gehoorzaam bent aan de waarheid, is uw hart gelouterd en kunt u oprecht van uw broeders en zusters houden.

www.jagonak.com

 

Bovenaardse werkelijkheid

Op de een of andere manier heb ik altijd moeite gehad met kunsthistorici en filosofen die het immanente en transcendente, het wereldse en het goddelijke tegenover elkaar plaatsen. Ik heb het idee dat beide, transcendentie en immanentie, ’’ uiteindelijk een en dezelfde zijn. En precies daarin schuilt de ontroering’ aldus auteur en filosoof Roel Bentz van den Berg (1949).[1] ‘De kracht van het transcendenteren bewaren, maar die ombuigen naar de immanentie, daar gaat het om’ volgens Rüdiger Safranski.[2] Een personage in de roman Weg uit de USSR van Dato Turashvili antwoordt op de vraag “Wat zegt Kant?”: “’De sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij’”.[3]

Ik voelde de waarheid die in die woorden van Bentz van den Berg, Safranski en Turashvili schuilt weer eens duidelijk toen ik afgelopen zondag voor het triptiek Pietà und Auferstehung van Thomas Lange (1957) in de St. Paulus Dom in Münster stond (zie foto Udo Grote).
In de kathedraal was een kleurenflyer over dit kunstwerk te koop, waarvan de tekst ook op die van de Dom valt te downloaden (zie link hieronder). Daaraan ontleen ik enkele mooie gedachten.

Neem om te beginnen het feit dat het lichaam van Jezus van Nazareth zweeft; iets wat in de beeldende kunst geen ongewone afbeelding is. Hij zweeft als het ware de toeschouwer tegemoet, boven de blauwe kleurvlakken onder Hem die de dood verbeelden uitstijgend. Boven Hem is een beige-rood, ook met blauwe vlakken doorsneden vlakverdeling zichtbaar dat lijkt op een landschap in de verte zoals we ook uit de oude schilderkunst uit Italië en Vlaanderen kennen. Lange kent het al helemaal, want hij woont een groot gedeelte van het jaar in Orvieto.

Achter de Pietà is een scène afgebeeld waarop de opgestane Christus opdoemt. Maria probeert Hem vast te houden, maar het is zoals volgens het Johannesevangelie tegen Maria Magdalena wordt gezegd: ‘Noli me tangere’, houd me niet vast, raak me niet aan. De benen van Christus verkeren nog in de zwartblauwe zone onderaan het doek, de rest van Zijn lichaam verkeert al in een andere dimensie, in de helderblauwe en witte zone bovenaan.

Er is dus met andere woorden sprake van een combinatie van figuratieve elementen (de lichamen van Christus en Maria) en abstracte kleuren (de vlakverdeling onder- en bovenaan), van een aardse gebondenheid en een die daarbovenuit stijgt, van immanentie en transcendentie. Allemaal op een drieluik. Of, in de woorden van Udo Grote: ‘In seiner grossartigen Transzendenz und seiner gleichzeitigen irdischen Verwurzelung ist das Triptychon sicher eine der grossartigsten Schöpfungen im Werk des Künstlers Thomas Lange. In künstlerisch philosophischer Weise hat sich Thomas Lange – wie in vielen Arbeiten seines Oeuvres – dem Heilsgeschichte genähert. Er stelt die irdische Verhaftetheit und die gelöste Transzendenz gleichermassen dar und strebt zugliech einen den Menschen unmittelbar betreffenden aktualisierenden Rückbezug zum eigenen Leben ein. So lässt er die überirdische Wirklichkeit intensiver erfahrbar werden.’

http://www.paulusdom.de/kunst/kunstwerke/das-triptychon-in-der-suedlichen-turmkapelle/

[1] Roel Bentz van den Berg, ‘BVDB’, De Gids 179 (nr. 1 2016) 2.

[2] Een mooi voorbeeld is Safranski’s bespreking van het Bijbelboek Job. Hij stelt eerst dat Job niet prijs wil geven dat “een zelf (…) kan transcenderen” en zo “weigert verraad te plegen aan de transcendentie” (Het kwaad, 260). Vervolgens concludeert hij dat de God van Job niet bóven hem staat, maar ín hem, dus immanent is (id., 262).

[3] Dato Turashvili, Weg uit de UUSR. Roman (Amsterdam 2008) 51.

Deus Passus van Wolfgang Rihm

De afgelopen jaren heb ik mij in de veertigdagentijd de gewoonte aangewend om een voor mij tot dan toe onbekende Passie te leren kennen. Zo leerde ik, en schreef ik op deze blog over achtereenvolgens de Johannes Passion van Arvo Pärt en Golgotha van Frank Martin.

Dit jaar hoorde ik dank zij AVROTROS op NPO Radio4 op Goede Vrijdag de rechtstreekse uitvoering van het passieoratorium Deus Passus (Lijdende God) van Wolfgang Rihm (zie foto), over wie ik als bewonderaar van zijn werk hier ook al eerder schreef.

Maar laat ik eerst beginnen met te memoreren wat een gedenkwaardige uitvoering solisten, koor en orkest onder leiding van Markus Stenz brachten! Het solistenkwintet was geweldig op elkaar ingespeeld en mengde qua klank ook goed met elkaar. Het waren achtereenvolgens: Anna Palimina (sopraan), Olivia Vermeulen (mezzosopraan), Cécile van de Sant (alt), Mark Omvlee (tenor) en Miljenko Turk (bas).

Hierbij kan voorts meteen worden opgemerkt dat de Christuspartij geen solopartij voor tenor was, zoals we dat uit bijvoorbeeld de Passionen van Joh. Seb. Bach kennen, maar door meerdere stemmen tezamen werd vertolkt, waarvoor het – zoals Thea Derks in de inleiding op de ratio-uitzending vermeldde – ‘universeler en minder persoonlijk’ werd. Niet dat, zoals zij ook zei, Bach niet regelmatig om de hoek komt kijken.
Maar dat geldt eigenlijk voor de hele Duitse (!) muziekgeschiedenis die op z’n tijd langs kwam. Van de tremulerende strijkers in Vater, ich befehle meinen Geist in deine Hände, zoals we die uit het Klaaglied Mit Fried unt Freud ich fahr dahin van Buxtehude kennen, tot het fluisterende, haast marcherend overkomende, adembenemende Kreuzige dat we uit de muziek van Mauricio Kagel kennen.

Met die laatste uitroep was nog meer aan de hand. Het Bar-Abbas uit dit deel (dat ook werd gefluisterd) ging naadloos over in het Kreuzige. Hieraan ligt de theologische opvatting ten grondslag dat Bar-Abbas niet alleen de naam is van degene die vrijgelaten zou moeten worden, maar ook Zoon van God betekent en dat het hier dus om een Godsmoord (deïcide) gaat.
Hieruit blijkt dat Rihm zich goed in zijn onderwerp heeft verdiept, jaren lang en uiteindelijk koos voor het Lucasevangelie, dat volgens hem het minst anti-judaïstisch is van de synoptische evangeliën. Hij gebruikt delen uit het evangelie in de vertaling van Maarten Luther, van wie dit overigens niet gezegd kan worden.

Niet alleen de hele Duitse muziekgeschiedenis komt voorbij, ook de alle vormen van geloof passeren de revue. De Lutherse, met telkens terugkerende citaten uit het koraal O Haupt voll Blut und Wunden (zie afb.). Met elementen uit de rooms-katholieke eredienst voor Goede Vrijdag (een responsorium, een improperium, de Hymne bij de kruisverering en de Klacht van Maria) en, het meest opvallend, het gedicht Tenebrae van Paul Celan, dat het werk van Rihm afsluit. Aan dit deel ontleent de oratoriumpassie zijn titel. De laatste woorden luiden: Bete, Herr / Wir sind nah, als een oproep voor ons luisteraars. In dit deel is ook, net als in de opening (Lucas 22:19-20) en door het haast als refrein terugkerende koraal O Haupt voll Blut und Wunden sprake van bloed.

Ook muzikaal valt Rihm soms terug op sjablonen uit de kerkmuziek. De woorden libera me (bevrijdt mij) uit het responsorium voor Goede Vrijdag worden gezongen als een respons: eerst solo, daarna beantwoord door het koor. Af en toe komen ook toonschilderingen voorbij zoals we die uit de passionen van Bach kennen: een huiveringwekkende vioolsolo loopt vooruit op Und asbald … krähete der Hahn, trombones die Und es ward eine Finsternis begeleiden verwijzen naar het gebruik van deze instrumenten als symbool voor de dood in bijvoorbeeld het Requiem van Mozart, en – tot slot – de herhaalde letter ‘a’  in O quam tristis et afflicta (O, hoe treurig en doorwond) klinkt alsof de speer telkens weer in de zijde van Jezus van Nazareth wordt gestoken.

Ik kan weer een indrukwekkend werk toevoegen aan het rijtje passionen dat ik de afgelopen jaren in de veertigdagentijd beluisterde: ‘donker en ingetogen’, zoals Thea Derks het noemde. Passend in de theologische opvatting van onze tijd.

Over kerk en synagoge en twee beelden van Johan Tahon

‘Interessant u. vor mir aus gesehen, nie lösbar’ schreef de Zwitserse vriendin van mijn vader op de flyer van de tentoonstelling Ecclesia et Synagoga. Zwei feindliche Schwestern in 1999 in het Jüdisches Museum Hohenems (Oostenrijk, zie afb. links). Zou het beeld Twins – Zwillinge, een monument voor Hannover dat Johan Tahon maakte (zie afb. rechts, foto van Gert-Jan van Rooij) en dat op 4 mei a.s. om 19.00 uur aan de Landeskirche aan de Rote Reite wordt onthuld, die vraag anders hebben beantwoord? Daarvoor moeten we eerst in de kunstgeschiedenis duiken.[1]

Ecclesia en Synagoga
De afbeelding van de twee zusters, of tweelingen zoals Tahon ze noemt, vindt de basis in typologieën die kerkvaders en middeleeuwse navolgers in de Bijbel vonden. Kaïn en Abel is een voorbeeld. Ambrosius zag in Kaïn de voorafbeelding van Annas en Kajafas, Judas en de joden, en in Abel de voorafschaduwing Jezus van Nazareth, de goede herder die onschuldig ter dood wordt gebracht. Bij deze, en andere voorbeelden is de ‘goede’ kant steeds de kerk en staat de ‘slechte’ voor de synagoge. Het is in de middeleeuwse kunst uitzonderlijk, wanneer ze min of meer gelijkwaardig worden afgebeeld. Bijvoorbeeld als os en ezel bij de geboorte van Jezus.

Concordia
Een andere opvatting vinden we terug in de zogenaamde Concordia Veteri et Novi Testamenti, oftewel de harmonie tussen Oude- en Nieuwe Testament. Hierin wordt uitgegaan van het feit dat beide boeken ten diepste dezelfde boodschap brengen. De synagoge wordt gezien als de draagster van Tenach, en Ecclesia als een volgende fase in het heilsplan dat God met de wereld heeft.
Maar er bestaat ook een andere invulling van, die onder meer tot uiting komt in het geschrift Altercatio Ecclesiae et Synagogae (ca. 500?). Hierin wordt een twistgesprek beschreven tussen Synagoga en Ecclesia. Ze worden beide voorgesteld als vrouw, en de Synagoga eist haar eigenheid terug van de Ecclesia. Maar ze krijgt die niet en wordt beschuldigd van liegen en blindheid.

Afbeeldingen
Dit laatste gegeven, de blinde Synagoga, leidt rechtstreeks naar de manier waarop de vrouw later wordt afgebeeld. Eerst is het vaak overigens nog een man, zoals Mozes op een miniatuur in de bijbel van Moutier-Grandval (ca. 840). Hij staat voor Tenach en heeft een sluier voor de ogen, die wordt weggetrokken door één van de apostelen. Dat wil zeggen: hem is het heil nog verborgen en moet worden onthuld door de Ecclesia.
Later werden kerk en synagoge gepersonifieerd als twee vrouwen: aan de ene kant de dochter Sions, soms met niet alleen een blinddoek voor maar ook nog eens met een kroon die van haar hoofd valt, wetstafelen die uit haar handen vallen en een lans die is gebroken, en aan de andere kant een fier rechtop staande kerk, met gekroond hoofd, een miskelk en een kruisstaf. Beide typologieën gaan ook hier terug tot de Bijbel: respectievelijk Klaagliederen 1:1 en 5:15-17 en Efeze 5:25-33. Beide vrouwen kijken omhoog, vanwaar hun verlossing zou moeten komen: Jezus aan het kruis.
Dergelijke afbeeldingen of uitbeeldingen vinden we niet alleen in miniaturen en dergelijke, maar vooral als beelden aan de portalen van grote kathedralen: Straatsburg, Metz, Bamberg, Worms en andere.

Twee lijnen
In het vervolg van de kunstgeschiedenis tekenen zich twee hoofdstromen af wat betreft het uitbeelden van kerk en synagoge. In de eerste plaats is er de stroming die de blindheid van de synagoge als onherroepelijk voorstelt en iets dat uitloopt op eeuwige verdoeming in de hel. In de tweede plaats is er een visie op de synagoge, waarin de sluier aan het eind der tijden wordt afgenomen en beide zusters zich verzoenen. Een voorbeeld van dit laatste is te zien op een gebrandschilderd raam in Saint Denis. Hierop staat Jezus van Nazareth tussen kerk en synagoge in. Met Zijn ene hand kroont Hij de kerk, en met Zijn andere trekt hij de sluier van de ogen van de synagoge. In deze visie heeft Christus dus beide, kerk en synagoge, met elkaar verzoend.

Johan Tahon
Waar staat de tweeling van de Vlaamse kunstenaar Johan Tahon in dit geheel?
Al in een interview in De Morgen (18 december 2010) zegt de kunstenaar zowel dat het Christendom steeds belangrijker voor hem wordt, als dat het hem in zijn werk vooral gaat over het contact tussen mensen. Het is niet voor het eerst dat hij een tweeling neerzet. In het geval van de twee beelden in Hannover draait het om het contact tussen de tweeling joden- en christendom.
In een artikel van Wim van Mulders, op de website van Tahon, zegt Van Mulders dat de beelden van Tahon lijken te gaan over gelijkgestemdheid. Dat lijkt bij het beeld in Hannover zeker op zijn plaats. Beide figuren, mannen of vrouwengestalten, dat is niet duidelijk, leunen ergens tegenaan: Tenach bij de ene figuur, het Evangelie bij de andere? Beide lijken ook aangedaan en gewond, zoals bijna alle beelden van Tahon. De één kijkt je aan, de ander lijkt in gedachten verzonken. Als ze de positie aanhouden van de oude kerk en synagoge-beelden aan de kathedralen, dan is degene die kijkt de kerk en degene die in gedachten is de synagoge. Maar ze stijgen boven de sjablonen van deze beelden uit. Het meest lijken ze nog in het verlengde te liggen van de verbeelding van de harmonie tussen Oude- en Nieuwe Testament. Maar of ze de vraag van de Zwitserse vriendin van mijn vader oplossen of deels open laten? Dat is het soort vraag waar een ieder die langs de kerk loopt over na kan denken. Want dat is wat de beelden doen: ze stellen ons een vraag, over de eeuwen heen in het hier-en-nu. Waarbij de toekomst open blijft en niet aan ons is om in te vullen.


Verschijnt ook in
GM Gast-huismagazine nr. 104 (mei 2017).

http://www.johantahon.be

[1] Ik ontleen enkele gegevens aan een lezing die dr. U.H. Kollaard hield voor het Leerhuis op dinsdagavond van het Centrum voor Leren en Vieren (thans: Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie) op 19 januari 1999, waar ik het gesprek na de pauze mocht voorzitten.

 

The Covenant

The covenant : the story of my people / written, composed, directed and produced by Elizabeth & Robert Muren ; narrator Jonathan Settel. – [Barneveld] : Neema, [2016]. – 1 dvd-video (ongeveer 90 min.) : kleur, geluid, breedbeeld ; 12 cm. – Engels en Hebreeuws gesproken, Nederlands ondertiteld. – Omslag vermeldt: Geschiedenis van het Joodse volk van Abraham tot nu. – Videoversie van de musical: Israël : Covenant Productions Ltd, © 2009. ISBN 978-94-921893-0-1

Zaalopname uit Jeruzalem van een opvoering van een musical die de geschiedenis van het Joodse volk vertelt, bezingt en dansend uitbeeldt, vanaf Abraham tot en met de oprichting van de staat Israël. Tekst en muziek zijn geschreven door Elizabeth en Robert Muren. Het doel is de Joden in de staat Israël een hart onder de riem te steken. De stijl doet denken aan muziek en dans zoals die wel in kiboetsiem wordt aangetroffen, vaak in de vorm van een antifoon: tussen de Bijbelse figuren die ten tonele verschijnen enerzijds en het volk Israël anderzijds. Enkele teksten keren telkens terug, zoals het Sjema Israël (Deut. 6:4-9) en Psalm 23. Voordat in het verhaal de overstap wordt
gemaakt naar de diaspora en de Tweede Wereldoorlog, verschijnt kort Jezus van
Nazareth ten tonele. De boodschap is duidelijk: Hij is het die het volk Israël vrij kan
maken. Een smakeloze toevoeging aan een enthousiaste opvoering van niet altijd even
constant niveau. Voor een publiek dat uit onder meer evangelisch-christelijke hoek
belangstelling heeft voor het op deze wijze over het voetlicht brengen van de
geschiedenis van het Jodendom.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Rachid Ouramdane L’A TORDRE

Annie HanauerOp 6 juli a.s. laten, zoals het programma-overzicht van Juli Dans (International Festival for Contemporary Dance) het zegt, ‘twee danseresssen zien hoe je van een zwakte je grootste kracht maakt.’ De één is Lora Juodkaite die sinds haar kindertijd een onbedwingbare aandrang heeft rond haar as te draaien om tot rust te komen. De Raimund Hogheander is Annie Hanauer (zie foto), die een prothese-arm heeft en zich ‘niet laat tegenhouden om toch een leven als danseres te kiezen.’ Zij dansen deze avond samen een duet van Rachid Ouramdane.
Deze aankondiging riep bij bij de herinnering op aan een Culturele column die ik over Raimund Hoghe schreef (Wervel
ingen, winter 2002). Met toestemming herplaats ik deze hier.

In een serie televisiefilms naar de toneelstukken van Samuel Beckett was onlangs uiteraard ook zijn beroemdste stuk te zien: Wachten op Godot. Michael Linsday-Hoggs, de film-regisseur, was in een opvatting van de figuur Lucky, de drager van zijn meester Pozzo, verder gegaan dan Beckett in zijn tekst aangeeft. Daarin buigt Lucky zich telkens voorover om iets voor zijn meester op te rapen, maar niets wijst erop dat hij, zoals in de regie van Lindsay-Hoggs, krom is gegroeid en constant voorover loopt. Lindsay-Hoggs laat Lucky alleen rechtop staan op het moment dat hij van Pozzo mag ‘denken’. Een ander kunstje dat hij voor twee hoofdpersonen, Estragon en Vladimir, moet opvoeren, is dansen. Dat bestaat er in de regie van Lindsay-Hoggs hieruit, dat Lucky probeert rechtop te komen. Maar het lukt hem niet. Volgens Pozzo omdat ‘hij gelooft dat hij in een net gevangen is.’

Volgens sommige kenners van het werk van Beckett is Lucky gebaseerd op de figuur van Jezus van Nazareth. Volgens hardnekkige geruchten zou uit oude Romeinse archieven, die bewaard zijn gebleven in het Historisch Museum te Rome, blijken dat Jezus bijna kaal was, een bochel had en slechts 1,47 meter was. Het archief bestaat overigens niet …

Hoe dan ook: het omgekeerde van wat Lindsay-Hoggs toont, komt ook voor: denkers die krom liepen (Georg Chr. Lichtenberg, Moses Mendelssohn, Kierkegaard). En wat heet: een danser met scoliose! Zijn naam is Raimund Hoghe (zie foto). In 1995 trad hij in Nederland op met zijn solovoorstelling Meinwärts en werd ter gelegenheid daarvan uitgebreid geïnterviewd door Marian Buijs voor de Volkskrant. De kop van dit interview luidde: ‘Ons gevoel voor esthetiek is beperkt’ en de ondertitel: ‘Theatermaker Raimund Hoghe laat publiek moed putten uit zijn eigen gebrek.’

Uit het interview blijkt, dat Hoghe jarenlang als dramaturg heeft gewerkt bij het beroemde danstheater van Pina Bausch en op een gegeven moment dingen in het theater aandurfde die hij daarbuiten nog steeds niet zal doen. ‘Op het strand kleed ik mij niet uit. Maar waarom is het eigenlijk zo’n sensatie als ik mijn lichaam ontbloot? Ons gevoel voor esthetiek is zo beperkt. Ieder mens heeft toch zijn eigen schoonheid? Kijk naar de dansers van Pina, die zijn dikker dan gangbaar is in de danswereld. Langer, ouder, ze dragen een bril en hebben geen geschoren oksels. Daar sprak men in Amerika schande van. Maar de manier waarop ze zich tonen is juist prachtig’, aldus Hoghe in het interview. ‘Ik ga van mezelf uit’, vervolgt hij. ‘Het feit dat ik daar sta, geeft veel mensen moed. Een ander is dik of dun. Het gaat erom zo te zijn als je bent en je lichaam te laten zien. Zo persoonlijk kun je in het theater alleen zijn als de vorm heel sterk is, dat heb ik van Pina geleerd. Ik kots mijn privé-gevoel niet uit. Ik heb een metafoor gevonden, heel simpel, om een beetje tolerantie en sensibiliteit op te roepen.’ En dat is iets dat in deze wereld hard nodig is.

God in Nederland

God in Nederland

De Bron_Amsterdam

Gisteren woonde ik een dankdienst bij voor het leven van een achternicht die op 98-jarige leeftijd is overleden. En als zo vaak werd ik heen-en-weer geslingerd in het weten: ja, daarom ga ik (nog, als je het rapport God in Nederland mag geloven) naar de kerk. En een: wáárom ga ik nog naar de kerk als er zulke taal wordt gebezigd?

Ja, daarom!
De dochter van de overledene vertelde mij na afloop dat ze via de overdenking de bijeen gekomen familie, vrienden en bekenden wat mee had willen geven. En dat is haar gelukt. Haar moeder had – net als mijn moeder – tot vlak voor haar dood telkens om water gevraagd. Op een gegeven moment (zij vatte dit letterlijk op) tot haar doordrong, dat haar moeder eigenlijk en misschien wel meer vroeg om Bijbels water.
Op dat inzicht waren enkele liederen in de dienst uitgezocht: De Heer is mijn Herder en: U kennen, uit en tot u leven:

Gij zijt het water ons ten leven;
de bronnen van de eeuwigheid
zijn ons ter lafenis gegeven,
zijn doorgebroken in de tijd.
O Gij die als een bron ontspringt
in elk die tot U komt en drinkt.

Nee, waarom?
Dergelijke mooie gedachten moesten het in de overdenking van een rooms-katholieke pastor die de overledene had gekend als bewoonster van het huis waar zij geestelijk verzorgster is, opnemen tegen ideeën die ze blijkbaar kwijt moest, al hebben ze voor zover ik weet niets te maken met het gedachtegoed van mijn achternicht.
De pastor bracht de vluchtelingencrisis ter sprake. Deze werd in verband gebracht met het ‘Eigen volk eerst’, wat in één adem (een slechte adem, zou ik zeggen) werd doorgetrokken naar “de” Israëliërs en “de” Palestijnen. En ja, Jezus had dit natuurlijk doorbroken. De jood Jezus, was Hij eerder genoemd. Een fijne nuance nietwaar.
Als je op internet gaat zoeken, vind je het verband met ‘Eigen volk eerst’ vaker. Op antizionistische en antisemitische sites wel te verstaan. Dat dergelijke ideeën nog steeds, en door het conflict in het Midden-Oosten steeds sterker de kerk in sijpelen, zou tot een weerwoord moeten oproepen. Ik heb dat gisteren niet gedaan, want de gelegenheid vroeg daar niet om.
Maar het slotlied, Wat de toekomst brenge mogen, heb ik daardoor wel met een gemengd gevoel meegezongen.

Bachs Actus tragicus

Johann_Sebastian_Bach

Op de website allofbach van de Nederlandse Bachvereniging staat sinds vandaag een super uitvoering van Bachs Actus tragicus. Ter gelegenheid hiervan, en ter herinnering aan Henk Vreekamp die vandaag in Epe wordt herdacht en met wie ik – zoals hij als opdracht in zijn laatste boek schreef – ‘verbonden’ ben in onze liefde voor muziek en het joodse denken, plaats ik hier een tekst die ik in 2010 in opdracht schreef in het kader van mijn studie aan de Open Universiteit Nederland.
http://allofbach.com/nl/bwv/bwv-106/

 

1. De kerkcantates van Joh. Seb. Bach
Al op het omslag van het recente boek De wereld van de Bach Cantates blijkt dat het allemaal niet zo eenvoudig is. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen: geestelijke, wereldlijke en kerkelijke cantates (van het Italiaanse woord cantata = zangstuk). In het eerste geval gaat het om cantates waarvan ofwel de liturgische bestemming onduidelijk is ofwel de tekst onafhankelijk is van toepassing binnen het kerkelijk jaar. Kerkelijke cantates zijn geschreven voor gebruik binnen een liturgische context, in het geval van Bach de Lutherse. De tekst bestaat in beide gevallen uit Bijbelteksten (recitatieven), koraalstrofes en vrij dichtwerk. Het laatste in de vorm van aria’s en (een tussenvorm) ariosi. Qua vocale bezetting en instrumentale begeleiding van deze zangstukken komen alle mogelijke combinaties voor. Johann Sebastian Bach (1685-1750, zie afb.) componeerde zo’n 300 geestelijke en kerkcantates, waarvan er circa 200 bewaard zijn gebleven.
Tot de vroegste behoort de geestelijke cantate Gottes Zeit is die allerbeste Zeit, ook bekend als ‘Actus Tragicus.’ Tot deze cantate (casus) beperk ik mij, hetgeen hieronder, na een korte omschrijving van deze cantate, wordt verantwoord.

2. Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit
Het jaar van ontstaan van Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit is niet exact bekend. Op verschillende gronden, zowel stilistische als mogelijk biografische, wordt als ‘geboortejaar’ circa 1707 aangehouden, toen Bach organist in Mühlhausen was. Hij was toen 22 jaar. Wellicht is het werk geschreven voor een begrafenisdienst van een verwant(e) van de componist. De tekst is al dan niet door Bach zelf samengesteld op basis van de Bijbel (Oude en Nieuwe, Eerste en Tweede Testament, inclusief een apocrief boek, Jesus Sirach), gebeden uit Joh. Olearius’ Christlichen Bet-Schule en kerkliederen. De bezetting bestaat uit: twee altblokfluiten, twee viola da gamba’s, basso continuo, solisten en 4 stemmig koor. De opbouw en tekst luidt aldus:

1. Sonatina

106-1

2. (Coro)
Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit.
In ihm leben, weben und sind wir,
solange er will.
In ihm sterben wir zur rechten Zeit,
wenn er will. Sonatina

Acte 1
Coro
Gods tijd is de allerbeste tijd.
In hem leven wij, bewegen wij ons en zijn wij, zolang Hij wil.
In hem sterven wij te rechter tijd,
wanneer Hij wil.

(Arioso Tenor)
Ach, Herr, lehre uns bedenken, daβ wir sterben müssen, auf daβ wir klug werden.
(Aria Bas)
Bestelle dein Haus; denn du wirst sterben und nicht lebendig bleiben.
(Coro)
Es ist der alte Bund: Mensch, du musst sterben!
(Sopran)
Ja, komm, Herr Jesu, komm!

Arioso T
Ach, Heer, leer ons bedenken dat wij eens sterven moeten, opdat wij wijs worden.
Aria B
Tref beschikkingen voor uw huis,
want gij zult sterven en niet leven.
Coro
Het is het oude Verbond: Mens, gij moet sterven!
Sopraan
Ja, kom, Heer Jezus, kom!

3. (Aria Alt)
In deine Hände befehl ich meinen Geist; du hast mich erlöset, Herr, du getreuer Gott.

(Arioso Bas & Choral Alt)
Heute wirst du mit mir im Paradies sein.
Mit Fried und Freud ich fahr dahin
In Gottes Willen,
Getrost ist mir mein Herz und Sinn,
Sanft und stille.
Wie Gott mir verheißen hat:
Der Tod ist mein Schlaf geworden. Acte 2
Aria A
In uw hand beveel ik mijn geest;
Gij verlost mij, Heere, getrouwe God.

Arioso B
Heden zult gij met mij in het paradijs zijn
Choral A
Vol vrede en vreugde ga ik heen
geborgen in Gods wil,
Mijn hart heeft deze troost verstaan
zo zacht en stil.
Het is zoals God heeft beloofd:
De dood is mij een slaap geworden.

4. (Coro)
Glorie, Lob, Ehr und Herrlichkeit
Sei dir, Gott Vater und Sohn bereit,
Dem heilgen Geist mit Namen!
Die göttlich Kraft
Mach uns sieghaft
Durch Jesum Christum, Amen.

Slotkoor
Glorie, lof, eer en heerlijkheid
Zij u, God, Vader en Zoon, bereid;
De heilige Geest met name!
Goddelijke kracht
Doe ons triomferen
door Jezus Christus, Amen.

Het gaat mij hier vooral om de middelste sectie. Hierin zingen om te beginnen alten, tenoren en bassen (dus lage(re) stemmen) forte een tekst uit Jesus Sirach (14:18): ‘Mensch, du musst sterben’, terwijl de solosopraan (hoge stem) daar op een vrije manier de woorden uit Openbaring 22:20: ‘Komm, Herr Jesu komm’ doorheen weeft. De altblokfluiten spelen ondertussen de melodie van het stervenskoraal ‘Ich hab’ mein Sach Gott heimgestellt.’ Uiteindelijk vallen alle instrumenten stil en blijft de sopraan, pianissimo, over.
Het compositorische schema dat Bach hier gebruikte is dat van het tegenover elkaar plaatsen van wat in de literatuur veelal respectievelijk ‘Wet’ en ‘Evangelie’ wordt genoemd – uitgaande van een foutieve en enge vertaling van het Hebreeuwse ‘Torah’ (תור = aanwijzing hoe te leven).
Vorm en inhoud bevestigen hier elkaar: de ‘Wet’ wordt streng fugatisch getoonzet, de stem van het ‘Evangelie’ is een arioso.
Alfred Dürr heeft in zijn tweedelige boek Die Kantaten von Johann Sebastian Bach de wijze waarop Bach het Oude en Nieuwe, het Eerste en Tweede Testament, ‘Wet’ (Gesetz) en ‘Evangelie’ (Evangelium) heeft getoonzet, in een schema naast, of tegenover elkaar gezet.
In een artikel in het tijdschrift Mens en melodie heb ik dit schema destijds tot uitgangspunt genomen bij de behandeling van de vraag of de kerkmuziek van Bach anti-judaïstisch te noemen is en waarin zich dit dan binnen de context van het Lutherse denken uit.

3. Probleemstelling
De probleemstelling is: hoe is de receptie op het vermeende anti-judaïsme (tegen het religieuze jodendom) in na 1980 verschenen Nederlandstalige literatuur over met name de cantate Gottes Zeit ist die allerbeste Zeit? De methode die ik daarbij bezig is literatuuronderzoek en een hermeneutische duiding daarvan. Het ijkpunt is een manier van denken die inmiddels als ‘christelijke theologie na Auschwitz’ (naar het gelijknamige boek van Hans Jansen) bekend staat.

4. Literatuuronderzoek
Martin Petzoldt wijst er in zijn bijdrage over de ‘Liturgische en theologische aspecten’ van de vroege cantates aan het eerder genoemde De wereld van de Bach Cantates op dat het hierin ‘vaak gaat (…) om een nieuwe tekst- (en ook muzikale) symmetrie, een manier van werken die de theologische toegankelijkheid van de teksten vergroot.’ Hij omschrijft de middelste sectie van de cantate BWV 106 als ‘een interessante dialoog’ , zonder daar verder op in te gaan.
Daniël R. Melamed gaat in zijn bijdrage over de ‘Cantatekoren en koralen’ weliswaar in op de fugatische stukken in de vroege cantates, zonder dat hij deze uitwerkt op de hiervoor in schema (onder ‘Gesetz’) weergegeven wijze van Dürr. Melamed stelt weliswaar dat ‘elk van de drie teksten (de koraaltekst inbegrepen) becommentarieert en reageert op de ander,’ maar niet wat dit inhoudt. Hij houdt het bij de conclusie dat ‘deze interactie van teksten Bachs combinatie van muzikale vormen evenaart.’
Ulrich Leisingen concludeert in zijn bijdrage ‘Affect, retoriek en muzikale uitdrukking’ dat er door de ordening ’een theologische eenheid ontstaat: ons leven ligt evenals onze dood in Gods handen. Het oude verbond, dat God ooit met Mozes heeft gesloten, verkondigt dat alle mensen sterfelijk zijn; maar het verbond dat Christus door zijn offerdood heeft vernieuwd, verzekert ons van het eeuwige leven.’
Mar van der Velden bezigt in zijn boekje dezelfde soort woordkeus, alleen zet hij ze subtiel tussen haakjes: ‘Het stuk kent (…) vier bouwstenen: a. de verwijzing naar het “oude verbond”, b. de vaststelling: Mens, jij moet sterven, c. het lied van verlangen van de sopraan, en d. onvoorwaardelijke overgave, zoals verklankt in het koraal.’
Gert Oost tenslotte brengt een iets andere nuancering aan, die in onderstaande conclusie een grote rol speelt. Hij heeft het over ‘het Oude Verbond (testament) [dat] door het Nieuwe Testament een nieuwe “kleur” [heeft] gekregen: God is liefde.’ Uiteindelijk concludeert hij dat in de cantate ‘de kille dogmatiek vom alten Bund terrein verliest, steeds luider en vaker klinkt de roep van de liefde.’

5. Conclusie
Als ik bovenstaande literatuur concluderend langs loop, valt om te beginnen op dat Petzoldt de middelste sectie van BWV 106 als ‘een interessante dialoog’ omschrijft. Dit is een woord dat in de theologie na 1980 eveneens wordt gebruikt voor het gesprek jodendom-christendom; in 1981 werd daarvoor bijvoorbeeld hier te lande het OJEC (Overlegorgaan van Joden en Christenen in Nederland) opgericht. Een gesprek dat de woordkeus van Leisingen aanwijsbaar heeft beïnvloed; hij gebruikt het woord ‘vernieuwd’ en niet, zoals lang, in het kielzog van de substitutieleer, waarin het Christendom de plaats van het jodendom heet te hebben ingenomen, het woord ‘vervangen’ (Latijnse woord substitutio = plaatsvervanging). Het woordje ‘maar’ bij Leisingen roept overigens bij mij althans toch nog wel reminiscenties op aan een Nieuwtestamentische frase als: ‘Zo heeft Mozes gezegd: …’, ‘Maar ik [Jezus van Nazareth] zeg jullie’. Volgens recente opvattingen staan hier echter de Schriften (Torah) tegenover de doorgaande, mondelinge traditie.
Wanneer Oost tenslotte het Oude Verbond op één lijn stelt met ‘kille dogmatiek’ en het Nieuwe met liefde, komt hij in de buurt van de steeds weer opduikende opvatting waarin de God van het Oude of Eerste Testament als een strenge, wrekende God wordt gekenschetst en die van het Nieuwe of Tweede Testament als een God van liefde. Alsof er twee Goden zouden bestaan!
Samenvattend: hoewel de literatuur over deze vroege Bachcantate nog steeds anti-judaïstisch is gekleurd, zijn er in hermeneutische zin wel nuanceringen te bespeuren die zijn ontleend aan de dialoog met het jodendom.

6. Overzicht van gebruikte literatuur
Dürr, A., Die Kantaten van Johann Sebastian Bach (Kassel, 1975, 2e dr.)
Nieden, Hans-Jörg, Die frühen Kantaten von Johann Sebastian Bach (München/Salzburg, 2005).
Oost, Gert, Aan de hand van Bach: tekst en uitleg bij een jaargang Bachcantates (Den Haag, 2006).
Swol, Els van, Johann Sebastian Bach en het jodendom. In: ‘Mens en melodie’, jrg. 35, nr. 3/1980, p. 97-100.
Vedder, Ben, Wandelen met woorden, een weg van de filosofie naar de hermeneutische filosofie en terug (Budel, 2003, 2e dr.)
Velden, Mar van der, Een vaste burcht, en drie andere cantates van Johann Sebastian Bach (Nijkerk, 1992).
Wereld van de Bach Cantates, De, onder red. van Christoph Wolf (Abcoude, 2003, herz.
ed.).

De kerk krijgt het bootje dat ’t verdient

St. JamesSt. James_2

 

 

 

 

 

 

 

In Narbonensis strandde in het jaar 40 een bootje. Zonder roer, zeil en proviand. Het was de Middellandse Zee overgestoken, met acht zendelingen aan boord die Jezus van Nazareth nog gekend zouden hebben, waaronder Maria Magdalena. Een imitatie van het bootje hangt in de Notre-Dame-de-la-Mer in het Zuid-Franse Saintes-Maries-de-la-Mer. Tijdens processies wordt het bootje naar het strand gedragen. Eromheen staan ex voto’s.

In de Oude Kerk van Amsterdam hangen ook een paar miniatuurscheepjes. De kerk is ooit gesticht door vissers. De votiefschepen herinneren aan de periode dat de kerk dienst deed als kerk voor de vissers. Schippers en vissers baden er voor een behouden reis aan aankomst.

In de St. James in Londen hangt op het moment een boot die is geïncorporeerd in een installatie, een kunstwerk, Flight van Arabella Dorman (foto links, van Peter Folstar). Op deze boot kwamen 62 vluchtelingen heelhuids vanuit Turkije op Lesbos aan. Een aantal reddingsvesten is neergelegd op een deel van de kerststal, onder de boot (foto rechts, idem). Eén van die bootvluchtelingen zou zomaar Jezus uit Nazareth kunnen zijn geweest.

Het lijkt of de drie wijzen uit het oosten in plaats van naar een kindje in de kribbe verbaasd hun lichaam neigen naar die fel gekleurde reddingsvesten die leeg zijn achtergelaten. Ik kan me voorstellen wat voor indruk dit found footage-kunstwerk maakt. Meer dan de herhaalde vraag aan de kinderen in mijn kerk vanmorgen waarom de os in de kerststal had ontbroken (‘Omdat hij kwijt is’ zei een kind geïrriteerd). Gelukkig maar, zou ik haast zeggen, als je iets weet van de symboliek van de os en de ezel; Coen Wessel schreef erover (zie link onderaan deze blog). Belangrijker is dat er naar mijn gevoel in de kerk meer ontbrak. En dat waren de bootvluchtelingen zelf.

Met dank aan Peter Folstar en Brian André uit Londen.

http://www.sjp.org.uk
http://www.coenwessel.nl/De%20os%20en%20de%20ezel%20bij%20de%20kribbe.html

In tweeën

GroteKerkEpeEen bloemiste in de Hoofdstraat van Epe kijkt wat bevreemd als ik haar de weg vraag. Voorzichtig informeert ze wat ik daar dan denk te vinden. Ik vertel dat ik het boek Als Freyja zich laat zien van Henk Vreekamp nareis en dat op het kruispunt tussen Woesterweg en Laarstraat een grafheuvel zou moeten liggen. ‘Een grafheuvel’ zegt ze nadenkend en wat verbaasd.

‘Ik wil u niet teleurstellen, maar het is een asfaltweg zonder voetpad waar u langs loopt‘. Haar gezicht klaart echter op als ze zegt dat als ik tóch zo’n eind buiten het dorp wil gaan, ik beter op de fiets kan stappen naar Het Verscholen Dorp. Ik zeg dat ik dat ken en dat het erg indrukwekkend was. Ze zwijgt.

De grafheuvels heb ik die dag niet gezien, maar wel een andere verhoging in het land: een bunker. De oorlog lijkt soms meer voelbaar dichterbij dan het mysterie van Heuvel 137. Of deze nu echt nog te zien is, of in de verbeelding levend wordt gehouden, maakt me op dat moment met een blik op de straatmeubilair bij de bushaltes van Syntus eigenlijk niet eens zo veel uit: drie stenen als verwijzing naar de vele stenen (en grafheuvels) die je hier in het landschap aantreft. Volgens archeoloog Cor van Baarle – geciteerd in het boek van Vreekamp – hoef je daarvoor niet eens naar Stonehenge, en kun je in het Veluwse dorp blijven. Letterlijk in het dorp, zelfs bij een bushalte denk ik dan. Op die manier wordt in Epe het erfgoed van de streek levend gehouden. Misschien verbeeld ik het me, maar dat maakt het wat mij betreft wellicht nog mooier: leven met het verleden in het hier en nu, op een hedendaagse wijze. Zoals Freyja in Schaveren (plaats van schapen) geen schapen zag. Maar misschien wel vermoedde. Als bijbels beeld wellicht. Zoiets.

Ik probeer er de volgende dag langs een andere weg, via Emst, nog net voor een optocht met praalwagens uit, te komen, wat lukt. Net zoals Freyja niet in één keer de kerk in Epe kon betreden, omdat ze eerst moest lernen was het mij niet gelukt in één keer de heilige grond van onze voorouders te betreden. Je moet er moeite voor doen. En wat mij betreft gaat het Freyja wel eens wat te gemakkelijk af. Zeker, ze stelt vragen. Maar worstelen met wat haar wordt aangezegd, lijkt ze niet te doen. Dat is te danken aan de op mij wat missionair overkomende insteek als grondhouding van wat Vreekamps boek ten diepste wil zeggen: het eeuwige leven beërven. Kijken, opkijken en doorzien, zoals hij het in zijn uitleg op de laatste zondag van mijn vakantie in de Grote Kerk op haast Spinozistisch wijze en in een ander verband verwoordde.

Heuvel 137 staat voor regel 12 van de Apostolische geloofsbelijdenis, ‘de code van het Christendom’ zoals de ondertitel van het boek luidt en tot leidraad ervan dient: ‘Hij [Jezus van Nazareth, EvS] was dood en begraven’. Freyja krijgt de tekst van de geloofsbelijdenis artikel voor artikel door één van de twaalf apostelen uitgelegd. Apostelen die niet van zwijgen lijken te weten op momenten dat het past, zoals de bloemiste in het dorp dat wel kon. Regel 12 zit op de helft van het boek, en op de helft van de vakantie waarin ik het boek zo goed en zo kwaad als het ging nareisde. Fysiek en geestelijk.
Op het moment ook dat ik struikel over sommige omschrijvingen. Zoals die van de zonde van joden en heidenen, vanouds de gesprekspartners van de theoloog Vreekamp. Die zonde verschilt, schrijft hij, maar ‘uit beide wijzen van zondigen bevrijdt Jezus’ (p. 171). Bij zulke passages snap ik de huiver die rabbijn Tamarah Benima beving bij het lezen van dit derde deel uit de Veluwetrilogie, waarvan ik het eerste al eerder nareisde en over schreef (http://elsvanswol.nl/?p=340). Benima sprak erover tijdens de presentatie van dit derde deel, op 31 oktober 2013 in de Grote Kerk van Epe, waar ik ook was.

Het boek begint in de Grote of Sint Maartenskerk van Epe (zie afb.), waar je vroeger meteen tegen het doopvont aanliep. Op een woensdagmiddag las ik er de eerste hoofdstukken van het boek, dat eindigt in de openlucht, in Oene waar Freyja ‘zich laat zien’ (lees: een visioen van de doop ontvangt) aan de IJssel. Voor mij eindigde het nareizen weer in de Grote Kerk, waar Henk Vreekamp als gezegd voorganger was. Op het leesrooster stond Marcus 8: 22-26, over de genezing van een blinde, een genezing in tweeën omdat het Jezus de eerste keer niet lukte. Een accent dat mij aansprak. Zo gemakkelijk moet het allemaal niet gaan. Nadenken, beschouwen, je te weer stellen.

Volgend jaar verschijnt er een zo’n honderd pagina’s tellend gidsje waarin de Veluwetrilogie wordt samengevat en waarin wandelingen aan de hand van de drie delen zijn opgenomen. Van harte aanbevolen!
Maar eerst verschijnt er nog een nieuw boek van Henk Vreekamp, naar aanleiding van De vier jaargetijden van priester en componist Antonio Vivaldi: Het jaar van Vivaldi. Hemel en aarde in onze seizoenen. Daarin laat hij de vier seizoenen in gesprek gaan met het kerkelijk jaar, zoals in Als Freyja zich laat zien heden, verleden en toekomst, gelijk in de roman Papegaai vloog over de IJssel, de andere kant van de IJssel, van Kader Abdolah, dat ik als contrapunt bij het boek van Vreekamp las. Ik zie uit naar Het jaar van Vivaldi.

http://www.vreekamp.nl/www.vreekamp.nl.php