Buskes en Kroon – twee dwarsliggers

Uit de nalatenschap van Rie de Kater-Engel, die ik primair kende van ‘mijn’ muziekclubje in het verzorgingshuis waar zij woonde, verkreeg ik de feestbundel voor de vijfenzeventigste verjaardag van ds. J.J. Buskes: Dwarsliggers (uitg. Zomer & Keuning, 1974). Aan hem bewaar ik twee dierbare herinneringen. Op een dag liepen mijn moeder en ik langs een huis dat vol stond met boekenkasten. Mijn moeder liep achteruit om het naambordje te lezen. Buskes dus. De tweede keer was een dienst van de Alle-Dag-kerk in Amsterdam. Een kleine man met een witte haardos en – zag ik later – een slecht gebit stond onder het orgel de kerk in te kijken. Buskes dus.

Het kan niet anders of zo’n boek als dit en de herinneringen aan mevrouw De Kater en mijn wat eerder geboren en gestorven ouders doen je wat. Herinneringen die op een of andere manier verhevigd terugkomen, terwijl ik het boek las, en soms ook in elkaar over lijken te gaan.

Dwarsliggers
Ik zou ze allemaal na kunnen lopen: om te beginnen het hoofdstuk over dr. H.F. Kohlbrugge, die ds. Thijs van Meijeren noemde tijdens de presentatie van mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek in de Amsterdamse Thomaskerk. De man die – zo lees ik – met één woord sprak: ‘de rechtvaardiging van de goddeloze’ – het woord dat Henk Vreekamp, over wie mijn boekje gaat, van hem heeft overgenomen.
Zo zou ik kunnen doorgaan, maar ik kies ervoor enkele hoofdstukken te nemen waarin de naam van ds. K.H. Kroon (zie foto rechts) voor komt. Ook zijn naam werd tijdens bovengenoemde presentatie genoemd. Mijn vader, zo meende de middagvoorzitter, zou bij hem in de kerkenraadscommissie Tenach & Evangelie hebben gezeten. Niets is minder waar; hij had zacht gezegd niets met hem en was penningmeester ten tijde van ds. René Venema. Al lezend in het boekje van mevrouw De Kater kom ik er gaandeweg achter waarom mijn vader waarschijnlijk niet zoveel met Kroon op had.

K.H. Kroon
Ik begin met het artikel dat K.H. Kroon schreef over Martin Buber. Ik proef daarin helaas iets van de wat verongelijkte man die ik eens trof. Het woord ‘aanvechtbaar’ valt nogal eens. Hij heeft kritiek op een niet nader genoemde vrijzinnig hervormde theoloog [dat is: professor Pieter Smits] en uit zijn teleurstelling over Buskes’ antwoord. Pijnlijk, voor een feestbundel zou ik zeggen.

Hoe anders van toon is de bijdrage van pater Van Kilsdonk over Kleijs Kroon. Ik snap waarschijnlijk opeens mijn vader, wanneer Van Kilsdonk schrijft: ‘Kroon is een man niet van het schrijft maar van het woord: in die zin ook niet van de Schriften, maar van de Mikrá (het Hebreeuwse werkwoord kara = roepen, denk aan: korán). Dat betekent: hij leest de tekst niet naar binnen toe maar roept hem uit, met mompelende, peinzende, soms ineens lichtgevende stem’.

Ik denk dat het één niet zonder het ander kan; dat heb ik van ds. Sytze de Vries geleerd: ‘Als een mens zich zijn vreugde niet meer uit kan zingen, zich Gods liefde niet meer te binnen kan zingen, heeft hij één van zijn grootste uitingsvormen verloren’ [vet EvS]. Misschien zit daar ook de crux waarom mijn vader geen affiniteit met Kroon had. Het een kan niet zonder het ander, vond deze ‘Psalmenmens’ zoals diezelfde middagvoorzitter hem eens raak omschreef.

Kwaad buiten én in ons

Het was herkenbaar: de tweedeling die ds. Klaas Holwerda tijdens een kerkdienst gisteren aanbracht in het kwaad: het kwaad van buiten en het kwaad binnenin ons. Het deed me denken aan de tweedeling die de filosofe Susan Neiman onderscheidt in haar studie Het kwaad denken – ik blogde er al eerder over, omdat ik erop afstudeerde –: natuurlijk en moreel kwaad. Het gaat bij haar om een analyse en ze snapt dat ‘anderen zich geroepen zullen voelen om het hier geboden raamwerk te verfijnen’.

Die anderen kunnen theologen zijn, denk ik met Sjef Laenen tijdens een cursus over joodse mystiek in mei dit jaar; in de universitaire wereld gaat het immers louter om de gemene deler waarbij geloof buiten de deur wordt gehouden. Je bestudeert de ideeën van, zeg, Susan Neiman, maar het gaat er niet om op grond daarvan het kwaad buiten de deur te houden of te transformeren. Laenen noemde zoiets ‘methodisch atheïsme’, waarbij het er niet om draait jezelf te verbeteren en de wereld beter te maken, om ‘vreedzaam te vechten’, om de titel van een boek van Hans Achterhuis en Nico Koning aan te halen – op grond van ‘het kwaad denken’, van argumenten, met anderen én met jezelf.

Dat vraagt om een positiebepaling, om minder ‘waardenvrije wetenschap’, om een andere methodologie. Dat vraagt ook om een grond onder de tweedeling natuurlijk en moreel kwaad, kwaad buiten en kwaad binnen ons, maar dat niet alleen. Het vraagt tevens om het erkennen van het feit dat het kwaad van buiten naar binnen kan slaan, aldus Klaas Holwerda, naar wie ik weer terugkeer. Dat vereist moed en de-compertamentalisering, om het slechten van de dichotomie van Neiman c.s. en hokjesdenken.

Holwerda legde aan de hand van het vaak gewraakte slot van Psalm 139 uit hoe dat in elkaar zit. Dat slot levert namelijk problemen op:

God, breng de zondaars om,
– weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten –
ze spreken kwaadaardig over u,
uw vijanden misbruiken uw naam.

Zou ik niet haten wie u haten, Heer,
niet verachten wie tegen u opstaan?
Ik haat hen, zo fel als ik haten kan,
ze zijn mijn vijand geworden.

Sterker nog: je bent je eigen vijand geworden! Of, zoals Gert Bremer in zijn nageschreven Psalmen, Laat mij maar zingen – waar ik al eerder over blogde – zegt:

Gij, Ene,
zie mijn haat en mijn boosheid,
mijn onmacht tegen alle kwaad.
Van buiten en van binnen [vet EvS]
ken Jij mij tot in ook daar:
mijn diepste donker.
Dat het zich niet tegen mij keert
en ik er voor bezwijk.
Dat ik mij niet tegen keer
en Jou in mij verspeel [vet EvS]
Ene, Gij,
daarom liever in Jou alleen gericht
dan met velen en versnipperd [vet EvS].

Rest dan, aldus Holwerda, de bede waarmee de Psalm besluit, zoals het begin ervan, maar dan in de vorm van een gebed:

Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.

Binnenkort zal ik in een blog ingaan op het naar binnen lezen van een Bijbeltekst versus het uitroepen ervan. Of is dat net zo goed een kunstmatige dichotomie en gaat het zowel om van buiten (uiten) én te binnen lezen of zingen?

‘Muziek als mimiek van God’

Ik wist al dat de filosoof Jos Kessels (1948) van muziek hield en die ook praktiseerde; in de tijd dat ik secretaris was van het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB), bezochten de toenmalige voorzitter en ik hem thuis om hem over te halen een deel van een studiedag te verzorgen. Als ik het me goed herinner, deed hij zijn kralenspel met ons. Wat ik niet wist, was dat dit is gebaseerd op de tien sefirot van de Boom des Levens uit de Kabbala. Dat las ik in zijn dit jaar bij Boom verschenen Het welgetemperde gemoed (p. 83).

Jo Van Cauter
Volgens de achterflap vraagt Kessels zich in dit boek af, of je Bachs Das Wohltemperierte Klavier kunt zien ‘als een verzameling essays, zoals die van Montaigne? Als woordloze bespiegelingen over de tempering van het gemoed?’ Die zinnen vind je haast letterlijk terug in het boek (p. 64). Toen ik ze las, moest ik echter eerder aan Spinoza denken met diens ‘kennis van de passies als medicijn voor gemoedsrust’, om de titel van een essay van Jo Van Cauter aan te halen (in: Ethiek & Maatschappij, jrg. 12 nr. 4, p. 17-32). Een essay dat ik hier naast het boek van Kessels leg.

Kennisleer van Spinoza
Om te beginnen moet worden aangetekend, dat Kessels Spinoza nergens noemt en als uitgangspunt dan ook niet diens kennisleer neemt met de drie soorten kennis (verbeelding, ratio, intuïtie), maar een drieslag uit het Griekse denken: het ware, goede en schone (p. 127). In deze volgorde. Toch doet waar hij gaandeweg op uitkomt mij wel degelijk aan Spinoza denken. Niet alleen aan de soorten kennis zoals hij die in zijn Ethica beschrijft, maar ook aan de Ethica als geheel.

Das Wohltemperierte Klavier
Eerst de gang die Kessels door Das Wohltemperierte Klavier maakt. Hij ervaart ‘muziek primair als communicatie, een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’ (p. 63) en de bundel van Bach als ‘de ontwikkeling van een getemperd gemoed’ (p. 64), ‘enerzijds puur zintuiglijk, anderzijds diepzinnig en van een wiskundige schoonheid’ (p. 84) als beschreef hij de Ethica. Raak is een omschrijving als: ‘Muziek is geen expressie maar expositie; zij geeft niet de gemoedstoestand van een componist weer, maar zijn kennis ervan, zijn inzicht erin’ (p. 124-125).

Zo gaat het van prelude en fuga naar prelude en fuga, vierentwintig keer opnieuw, steeds verder en dieper. Of, zoals Kessels het op een gegeven moment benoemt: ‘In eerste instantie overstelpt door sensaties (…). Daarna (…) ontstond er een beeld van de structuur’ en tenslotte werd in de kern ‘het enige volledige leven blootgelegd’ (p. 193). Ik herken er de drie hiervoor genoemde kennissoorten van Spinoza in: verbeelding, ratio en intuïtie.

Zelfkennis
Zowel bij Spinoza als Kessels (en volgens hem ook Bach) draait het om zelfkennis, om een mensbeeld waarin wordt gezocht naar vrijheid en gemoedsrust (p. 20). Wanneer je, zoals Kessels, muziek als een vorm van communicatie ziet, als ‘een interactie tussen componist, spelers en luisteraars’, dan heb je de scheidslijn tussen passieve affecten of passies en actieve affecten zoals Spinoza die onderscheidt al overschreden.

De ‘actieve affecten – ook wel handelingen van de geest genoemd – spelen bij Spinoza een belangrijke rol in het streven van de mens naar zoveel mogelijk autonomie, vrijheid en geluk’ (Van Cauter, p. 25). Via de adequate ideeën komt Spinoza bij ‘ware voorstellingen van onszelf en de wereld rondom ons’ (p. 26).

Het mysterie van overgave
Op het eind van het boek komt de auteur, die het rooms-katholieke geloof vaarwel zei, niet uit bij ‘de God van de filosofen en geleerden, maar op (…) het mysterie van overgave aan de bron’ (p. 232). Hij vraagt zich af, of dit ‘zoiets onpersoonlijks als de natuur is of eerder de hand van Iemand wiens beeld en gelijkenis ik draag?’ (p. 233). Hij, en wij zien in, dat dit ‘een fundamenteel verschil is’. De God of Natuur van Spinoza is niet een persoon, niet een Iemand. Toch blijkt waar Kessels uitkomt op waar Spinoza in zijn vijfde deel van de Ethica op uitkomt: geestkracht (stelling 1 t/m 13), God (stelling 14 t/m 20), de Geest (stelling 21 t/m 23) en tenslotte De Gelukzaligheid als Deugd zelf (stelling 42).

Conclusie
Ik ben dan ook benieuwd of Kessels hier ook zou zijn uitgekomen als hij de weg van Spinoza was afgelopen in plaats van die van het ware, goede en schone. Misschien bij wat emeritus-hoogleraar Akke van der Kooi in haar essay ‘Uit de nacht’ in een feestbundel voor collega Rinse Reeling Brouwer, die immers ook over Spinoza publiceerde, omschrijft als voorbij het onderscheid tussen Spinoza’s ‘God-substantie en de God van Abraham’ (Messiaanse exegese, uitg. KokBoekencentrum, 2019, p. 34). Wie zal het zeggen.

De Passacaglia van Pico della Mirandola

Ik blogde er al eerder (14 juli jl.) over – het groepje mensen dat zich aan de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden bij dr. Erno Eskens een weekje onderdompelde in de Filosofie in de Lage Landen en unaniem gecharmeerd was door de filosofie van Nicolaas van Cusa oftewel Cusanus (1401-1464, afb. links).

Weer thuis vroeg ik bij mijn bibliotheekfiliaal een boek over hem uit de Centrale aan: De leek over de geest (uitg. DAMON, 2001). Hieruit bleek dat al mijn liefdes een beetje in elkaar haken: Cusanus had invloed op Pico della Mirandola, kan al dan niet worden gezien als een voorloper van Kant, zocht toenadering tot de Hussieten en werd beïnvloed door Boethius. Wat wil een mens nog meer!

Pico della Mirandola
In mijn gedachten ging ik terug naar die keren dat ik in Italië was, vergezeld door een boek waarin Pico della Mirandola (1463-1494, afb. rechts) een hoofdrol speelde. De eerste keer was De herinnering aan Abraham van Marek Halter (uitg. De Prom, 1985), de tweede keer De Phoenix – een bijnaam van Pico – van Paul Claes (uitg. De Bezige Bij, 1998).
Ik schreef er een stukje over in In-formatie, voor en uit de Hervormde gemeentekern rondom de Weerenkapel (maart 2000) dat ik hier iets aangevuld herneem.

Beide boeken geven een heel verschillend beeld van de graaf uit het landelijke plaatsje bij Bologna. Aan Halter heb ik een warme herinnering overgehouden, terwijl de Vlaamse schrijver Paul Claes Pico vooral als een zelfverzekerde, belezen en koele geleerde portretteert, met – leek het eerst – een sjabloon-achtig kenmerk van dien: dat Pico della Mirandola bijziend was wordt in het begin haast tot vervelends toe herhaald.

Eeuwige waarheid
Toch draait het in beide romans om één thema: volgens Pico is de waarheid eeuwig, één en ondeelbaar. Een hot item waar de geleerden het overigens nog steeds niet eens zijn. Volgens de één is de waarheid niet eeuwig en is er een breuk in de geschiedenis geweest waarachter we niet terug kunnen. Volgens de ander is de waarheid eeuwig en moeten we terug naar Augustinus.
Misschien hebben de geleerden uit beide stromingen gelijk en moet je de waarheid vergelijken met een Passacaglia voor orgel, zoals ik er gistermiddag in de Nieuwe Kerk in Amsterdam die van Dieterich Buxtehude hoorde, gespeeld door Véronique van den Engh, organist van de Kathedrale Basiliek van Sint-Jan in ’s-Hertogenbosch. Een passacaglia met een doorgaande melodie in de bas (het passacaglia-thema) met daarboven steeds veranderingen van dat thema; de waarheid (het thema) blijft hetzelfde, maar wij kijken er aldoor anders tegen aan, nemen gaandeweg een ander perspectief in. Zeker na een onmiskenbare breuk als Auschwitz.

Aan de voeten van
Pico della Mirandola zat in Padua en Perugia aan de voeten van Elia del Medigo om Hebreeuws te leren, en in Florence aan die van Flavio Mitridate, die hem Aramees en Arabisch onderwees. ‘Pico droomde toen al van een filosofische vrede waarin christendom, jodendom en islam met elkaar verzoend zouden worden’ (Claes, blz. 52), zoals Cusanus dat overigens al voor hem deed en zoals prof. dr. Anton Wessels – bij wie ik komend seizoen weer een cursus bij het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie hoop te volgen – droomt van één uitgave van de Heilige Schriften, waarin Tenach, het Tweede Testament en de Koran in één band zijn samengevoegd en op elkaar worden betrokken. Als vormen zij een kristal waarvan de verschillende kanten kunnen oplichten. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen, dat Pico’s studie van het Arabisch volgens sommige geleerden, zoals H. van den Bergh, was bedoeld ‘om de muzelmannen te bekeren’.

Verzoening?
Misschien moeten we vooralsnog concluderen dat Pico della Mirandola ofwel in zijn opzet niet helemaal is geslaagd, zoals Claes in een interview in NRC Handelsblad (7 mei 1999) zei, ofwel dat diens omgeving, waar de inquisitie hoogtij vierde, nog niet rijp was voor zijn ideeën; Pico’s slechte ogen bleken achteraf overigens geen aanduiding voor zijn eventuele tekortkoming, maar een aanduiding voor de zich langzaam voltrekkende vergiftiging waaraan hij uiteindelijk is gestorven.

Wellicht is een verzoening teveel gevraagd omdat er daarvoor teveel is gebeurd. Misschien kan een verzoening beter op zich laten wachten tot ‘die dag [dat] God de enige zal zijn en Zijn Naam de enige’ (Zacharia 14:9) en moeten we het ondertussen zoeken in het verbeteren van de wereld, tikoe ha-olam, zodat joden, moslims en christenen vreedzaam met elkaar samen kunnen wonen én bij elkaar in de leer kunnen gaan. Daarin is Pico della Mirandola ons voorgegaan. En Cusanus.

Op zijn plaats vallen

In het laatst verschenen nummer van Filosofie Magazine (juli/augustus 2019, zie foto rechts) staat een interessant interview met emeritus-hoogleraar kunst en techniek Petran Kockelkoren over mythen en techniek. Ik las dat met bijzondere aandacht, omdat ik me daar de laatste tijd voor mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek (zie foto links) over Henk Vreekamp ook mee heb beziggehouden. Met name met Noordse en Germaanse mythen.

Eigenlijk zou je mythisch denken met de onlangs overleden Hongaarse filosofe Ágnes Heller (1929-2019) een ‘antropologische grondhouding’ kunnen noemen. Er is immers sprake van voorouders, taal, streek en religie als startpunten. Al dan niet geconstrueerd, als een invented tradition, zoals soms bij Vreekamp, die haast als een antropoloog keek naar de vele landen en volken die hij samen met zijn vrouw Marjo bezocht.
Zo keek hij ook naar de Veluwe. Ik beschreef dat als een pars pro toto; Ede stond bij hem zeg maar voor Eden.

Hun oudste zoon, Leonhard, mailde mij pal voor de presentatie van het boekje in Amsterdam een andere invalshoek die dit aanvult: ‘Ik zoek (…) een reden waarom hij [zijn vader, EvS] de Veluwe nodig heeft gehad om te overleven en structuur aan te brengen in zijn gedachten en roeping. Zonder de Veluwe viel het niet op zijn plaats. Was het te groot om onder woorden te brengen.’

Of, zoals Kockelkoren het in het genoemde interview met Maurice van Turnhout zegt: ‘Het mythische wereldbeeld helpt je om de wereld bewoonbaar te maken’.
Mythen zijn dan niet iets om in te geloven, dat wist Vreekamp als theoloog als geen ander. Ze zijn haast om te doen, vindt Kockelkoren. Hierbij moest ik denken aan een van de andere kinderen Vreekamp, Cunera, die bij de presentatie van zijn boek Als Freyja zich laat zien (31 oktober 2013 in de Grote Kerk van Epe) als Freyja verkleed de kerk binnenkwam.

Kockelkoren kijkt met een mythische blik naar techniek, Vreekamp ging door de mythen heen richting mysterie en mystiek, met de mysterie in het midden, als middelpunt. Niet iedereen kan daarin meegaan en dat hoeft ook niet. Maar ‘ongelooflijk rijk en interessant’ (Kockelkoren) is het wél. Dat valt niet te ontkennen.

 

https://www.de-veluwenaar.nl/2016/10/15/hier-willen-staan/

Onweer en ander natuurgeweld

Op 24 september a.s. organiseert Spui25 in het gelijknamige onderkomen in Amsterdam een evenement over de vraag hoe mensen reageren op de gevolgen van natuurgeweld. Van oudsher werden bijvoorbeeld donder en bliksem gezien als Gods straf(werktuigen). Met de uitvinding van de bliksemafleider veranderde dit, en werd onweer ook als iets moois en indrukwekkends gepercipieerd.
Aanleiding is het verschijnen van een studie van Jan Wim Buisman over de mens en het onweer in weten-schappelijk, religieus en artistiek opzicht (uitgeverij Vantilt).

In mijn MA-scriptie over Susan Neimans Het kwaad denken heb ik mij ook met deze vraag in ruimere zin beziggehouden. Hieronder een stukje daaruit over onder meer de bliksemschicht die Alfonso de Wijze trof dat ik hier plaats n.a.v. de middag bij Spui25, al ligt de nadruk in Buismans boek op een latere periode.

Neiman onderscheidt in haar uit 2002 daterende studie twee uitingen van kwaad: natuurlijk en moreel kwaad en twee denkrichtingen hierover. Natuurlijk kwaad staat voor natuurgeweld, zoals onweer en ernstige ziekten, moreel kwaad voor het door mensen verrichte kwaad. De eerste denkrichting omvat het denken van Rousseau (1712-1778) tot Hannah Arendt (1906-1975), de tweede lijn die van Voltaire (1694-1778) tot Jean Améry (1912-1978). De eerste lijn behelst een poging om het kwaad te begrijpen, in de tweede wordt gesteld dat men het kwaad vanuit de moraliteit juist niet moet proberen te begrijpen.

Neiman begint haar boek met de reacties op de bliksemschicht die Alfonso de Wijze trof. De vraag is, of dit een waarschuwing of een straf van God was om hem tot berouw aan te zetten voor zijn goddeloze daden en godslastering. De ideeën hierover verschoven in de loop der tijd, zoals Neiman in het eerste en tweede hoofdstuk van haar boek laat zien. De conclusie van de pogingen om het kwaad te begrijpen (hoofdstuk 1) en de verwerping van het idee dat het mogelijk is om het kwaad ooit te kunnen begrijpen of tot een hogere orde te herleiden (hoofdstuk 2) is, dat de vraag waar het in wezen om draait niet scepsis over het geloof in God is, maar scepsis over de menselijke rede.
In het derde hoofdstuk van haar studie behandelt Neiman onder meer het denken van Friedrich Nietzsche (1844-1900), die noch in de ene noch in de andere genoemde denklijn past. Hij vroeg zich af of het wel God is die moet worden veroordeeld, of eerder het leven zelf.
In het vierde en laatste hoofdstuk gaat Neiman verder in op het onderscheid tussen natuurlijk en moreel kwaad. Voor het eerste staat de aardbeving in 1755 in Lissabon symbool, voor het tweede Auschwitz.

Lissabon veroorzaakte een intellectuele crisis. De vraag was of God al dan niet in Zijn schepping ingrijpt. Ook hier werd de aardbeving, net als de bliksemschicht die Alfonso de Wijze trof, door sommige denkers gezien als een boodschap, een straf van God voor de zonden van de mens. Andere denkers, zoals Immanuel Kant (1724-1804), zagen de aardbeving niet als een bovennatuurlijk verschijnsel, maar als het gevolg van breuklijnen. Een natuurramp als Lissabon betekende een keerpunt in het denken over het kwaad, waardoor deze geen morele betekenis meer heeft. Of, in de visie van Neiman, geen enkele betekenis meer heeft.
Ten aanzien van Auschwitz betoogt Neiman dat geen enkele vorm van rationaliteit nog bruikbaar lijkt om over dit onbeschrijfelijke kwaad na te denken of het ook maar in de verste verte te kunnen begrijpen. Er bestaat geen enkel verband meer tussen ‘kwaad’ en ‘intentie’ zoals dat nog werd beschreven door Kant. Natuurlijk kwaad is teruggebracht tot pech en moreel kwaad tot grenzen die moeten worden gerespecteerd.

In zijn boek over het onweer gaat Buisman ook in op de esthetische kant van het onweer zoals die in de kunst vanaf eind achttiende, begin negentiende eeuw tot uitdrukking kwam. De periode van de Verlichting, die Neiman zo’n warm hart toedraagt. Zo grijpt één en ander in elkaar.

https://www.spui25.nl/gedeelde-content/evenementen/evenementen/2019/09/onweer-een-kleine-cultuurgeschiedenis.html

Het hart van denkend Nederland

Mijn denkvakantieweekje bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden dit jaar, over de Filosofie in de Lage Landen, werd omkranst door twee citaten. Eén las ik aan het begin en één aan het eind van de week.

Het begon met een uitlating van Arnon Grunberg in Wordt Vervolgd (juli 2019, p. 9) van Amnesty International: ‘Een groep heeft misschien een gemeenschappelijke geschiedenis, een cultuur [waaronder filosofie, EvS], maar individuen hebben een verhaal.’ Dat verhaal zal ons oordeel nuanceren. Het klonk alsof Grunberg met het scheermes van William van Ockham al het overbodige had weggesneden en alleen het nodige, het individuele verhaal in dit geval, overbleef.

Individuele verhalen, die kwamen in deze cursus van hoofddocent dr. Erno Eskens en twee gastdocenten (de derde lag helaas in het ziekenhuis) langs. Om te beginnen die van theologen (patristiek, scholastiek, via antiqua, via moderni, mystici) die als filosofen werden behandeld, omdat ze twijfelden en naar nieuwe wegen zochten. De ene groep denkers zette zich af tegen de volgende. Soms met een grote heftigheid; Geert Groote kwam voor mij daardoor in een ander daglicht te staan. Hij had, bleek, niet voor niets de bijnaam ‘Ketterhamer’.

Slechts een enkeling probeerde het denken uit verschillende stromingen (via antiqua, mystiek) met elkaar te verbinden. Ons groepje, slechts zes man-vrouw sterk, was bijvoorbeeld unaniem gecharmeerd van Nicolaas van Cusa (1401-1464, zie afb.). Hij sprak over coincidentia oppositorum (samenvallen van tegendelen) en zag religie als één geloof met verschillende varianten (una religio in rituum varietate). Hierbij zou het natuurlijk best zo kunnen zijn, dat hij daarmee veronderstelde dat iedereen in de moederschoot moet terugkeren …
Mij deden de verschillende stappen van kennis van Van Cusa of Cusanus (zintuigen, ratio, intellect en intuïtie) denken aan de drie soorten kennis die Spinoza onderscheidt (verbeelding, ratio en intuïtie), een denker waar Eskens overigens duidelijk niet veel mee had.
Binnenkort verschijnt bij uitgeverij Sjibbolet Cusanus’ De blik op God (zie afb.) – voor op het verlanglijstje, om te kijken of de liefde op het eerste gezicht stand houdt.

In ieder geval zegt dit getriggerd-zijn door juist deze, voor mij onbekende theoloog/filosoof in tegenstelling tot bijvoorbeeld Coornhert of Spinoza, net zoveel over mijzelf en mijn aandacht voor these-antithese-synthese, als Eskens keuze voor bepaalde denkers en accenten, zoals zijn aandacht voor filosofen die net als hij wat hebben met dieren(rechten).

Dan kom ik bij het tweede citaat dat mij deze denkweek vergezelde, het slot van het artikel ‘Een selfie van Nederland – zonder filter?’ van Tamar de Waal in de Groene Amsterdammer (4 juli 2019, p. 13). Een citaat dat gaat over tegenstellingen (weer die dialectiek!) die ‘vaak de motor van de democratie is’. De Waal constateert dat polarisatie (religieus, vanuit tradities) ‘het hart hadden kunnen vormen van Denkend aan Nederland [rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau, EvS], maar dat in plaats daarvan het SCP de hete aardappel [en de] kritische duiding doorschuift aan anderen’.
De filosofie bijvoorbeeld.

Ik moet daarbij denken aan de gastcolleges van Florian Jacobs en Marthe Kerkwijk op de voorlaatste dag en het slotcollege van Eskens.
Jacobs had het over de aanloop tot de ISVW (1916). Meteen al tijdens de oprichtingsvergadering kwam het tot een controverse tot de volgelingen van Frederik van Eeden en Daniel Reiman. ‘Het is’, aldus Jacobs, ‘aan zulke types als Van Eeden en het verzet daartegen te danken, dat de ISVW bestaat’.
Kerkwijk sprak over Clara Wichmann en haar visie op het feit dat ‘ongehoorzamen iets losmaken waar de ontwikkeling van de maatschappij baat bij heeft. Dat wil zeggen zij die zich niet conformeren aan de heersende wetten, de vastgelegde dominante moraal’. Hier kon opvallend genoeg weer niet iedereen uit ons groepje mee instemmen.

Eskens had het tenslotte over enkele Denkers des Vaderlands: René Gude (vooral eerst een meedenker) en Hans Achterhuis (een tegendenker). Misschien vormde de een de these en de ander de antithese en moeten wij, cursisten van de ISVW en andere in filosofie en cultuur in het algemeen geïnteresseerden (Grunberg) anno 2019 voor de synthese zorgen.
Misschien is dat kenmerkend voor Filosofie in de Lage Landen nu en zelfs voor de huidige stand van de filosofie wereldwijd. Vanaf Cusanus telkens een stapje verder. Op z’n Popperiaans haast.

Mythe, mysterie, mystiek

Onlangs verscheen mijn boekje over Henk Vreekamp, Mythe mysterie mystiek (uitg. KokBoekencentrum). Tijdens de presentatie daarvan, op 14 juni in de Amsterdamse Thomaskerk (Thomastheater), sprak ds. Thijs van Meijeren (Hoevelaken) enkele mooie woorden. Onder meer over de drieslag die in de titel tot uitdrukking komt:

‘De mythe. Overleven op de rand van angst en duisternis, de dood. De mystiek. Vlucht uit de werkelijkheid. De ziel met God alleen. Versmelten. De liefde, minstens zo sterk als de dood. Het mysterie. Het heilige midden. Als een kiertje licht, een weinigje hoop, stem en tegenstem van Israëls God, de teksten van de heilige Schrift, waardoor de andere twee panelen, mythe en mystiek, op hun plek vallen.’

Alles wat ik na 14 juni las, las ik door de ogen van Vreekamp, met de bril van Van Meijeren. Met name twee artikelen: ‘Verlangen naar mythes’ van Arnon Grunberg in Wordt Vervolgd (juni 2019, p. 9) en ‘De weg van de Stilte’ van Margreet Hogeterp over het gelijknamige boek van Jan de Jongh (uitg. Narratio) in Vredesspiraal (juni 2019, p. 14).

Mythe
Ik begin met het linker paneel: de mythe. Grunberg citeert uit een 4mei-lezing van Caroline de Gruyter, correspondent en columnist met aandacht voor Europese zaken: ‘De prijs die we voor dit systeem betalen, is dat Europa geen helden heeft, geen mythes, winnaars of verliezers’. Terecht, stelt Grunberg, benadrukt zij ‘het verlies van mythes, en dat is een groter verlies dan velen van ons lang hebben aangenomen (…). Het gaat niet om zelfonderzoek of onderzoek naar hoe het verleden echt was [invention of tradition noem ik dat in mijn boekje over Vreekamp, EvS], maar om het vinden van betekenis, en betekenis heeft de eigenaardige onhebbelijkheid de gedaante aan te nemen van een verhaal.’ Grunberg concludeert dat ‘wij met zijn allen de mythes hebben verwaarloosd, hebben gedacht dat vrede zonder mythes kan, en in dat gat is (…) extreemrechts gesprongen met heel specifieke en mijns inziens schadelijke mythes (…). Nu komt het erop aan ons verlangen naar mythes, oftewel betekenis, serieus te nemen.’
Vreekamp heeft ons voorgedaan hoe je dat kunt doen, en daarin is hij niet altijd begrepen. De mens is van den beginne verbonden met de aarde onder zijn voeten. Om dat te voelen liep hij blootsvoets over de heide, een woord waarin niet voor niets het woord ‘heiden’ mee resoneert: ‘de heiden in de oorspronkelijke zin: mens van de heide, het platteland, levend op het ritme van de seizoenen en vergroeid met de natuur’.
Vreekamp herontdekte de mythen van de aarde in Noord-Europa. ‘Midden in de nieuwe wereld begon ik de oude wereld wakker te lezen’, die van de Edda en de Heliand, die ‘Christus als de machtige Held, sterker schildert dan Wodan of Thor’.

Mystiek
Het rechter paneel bestaat uit de mystiek. Hogeterp beschrijft de volgorde van de thema’s in het boek van Jan de Jongh, ‘de weg van verlangen naar de veelal verloren Stilte, die kan uitkomen bij de levensbron van mystieke ervaring’. Het is een andere weg dan die Vreekamp volgde. Voor hem kwam de weg ergens anders uit, waarover straks. Hogeterp citeert het slot van De Jonghs boek:

‘Laten we dat verschrikkelijke en onverklaarbare WAAROM van Jezus en al die andere gemartelden in onze dagen laten staan – en niet vluchten in een theorie over verzoening of iets dergelijks. Het antwoord op de vraag blijft in de mystieke stilte. Want nooit kom ik los van jou, mijn God’.

Vreekamp vond zo’n antwoord niet in de mystiek. Het bleef voor hem een geheim, een mysterie. Een woord dat ook in de bespreking van Hogeterp valt, wanneer ze Kick Bras, theoloog en oud-docent spiritualiteit aan de Protestantse Theologische Universiteit (Kampen) uit het voorwoord citeert: ‘Liturgie is voor De Jongh stil en aandachtig, ritueel en poëtisch omgaan met de levensraadsels en het daarin zich manifesterende goddelijke Mysterie’. De mystiek was voor Vreekamp geen antwoord, zoals bij De Jongh, maar een vermoeden. Een mysterie.

Mysterie
Het mysterie vormde voor Vreekamp het middelpunt, het hart van het drieluik, het wat ik in mijn boekje met H. Berkhof ‘het perspectivisch middelpunt’ noem. Het gegeven midden was voor hem Jeruzalem, het geloof der Vaderen. De liturgie waar De Jongh het over heeft, was voor hem iets ‘tussen mythe en mystiek [in]’, de preek ‘de verkondiging van het mysterie van de Messias’. Zoals God ‘in een tent wil wonen te midden onder zijn volk. Dichtbij de mensen, letterlijk in het midden’. Zó vallen, zoals Van Meijeren zei, ‘de andere twee panelen, mythe en mystiek, op hun plek’.

Lees hier de tekst van Thijs van Meijerens reactie op mijn boek, in twee delen:

Deel 1: https://www.theoblogie.nl/hernieuwde-ontmoeting-met-henk-vreekamp/
Deel 2: https://www.theoblogie.nl/de-drieslag-van-henk-vreekamp/

Mythe, mysterie, mystiek in de poëzie van Anton Ent

Tekst uitgesproken bij de presentatie van mijn boek over Henk Vreekamp,
14 juni 2019 in het Thomastheater (Thomaskerk) te Amsterdam

Toen emeritus-hoogleraar Martien Brinkman verleden jaar winter op deze plaats een inleiding verzorgde over het werk van de dichter Rutger Kopland, – waarover hij in een van zijn essaybundels, Dicht bij het onuitsprekelijke, had gepubliceerd -, begon hij met te zeggen dat het moeilijk was – een inleiding houden waarover je je ook al in boekvorm had geuit. Je moet niet te dícht bij die gepubliceerde tekst blijven, zei hij, want dan denkt iedereen: Dát had ik thuis ook wel kunnen lezen. Maar je moet er ook niet tevéél van afdwalen, want dan vraagt iedereen zich af wat hij/zij hier eigenlijk doet.
Iets soortgelijks voelde ik ook, en daarom heb ik gekozen voor een korte inleiding die weliswaar uitgaat van de centrale thematiek in het boek over Henk Vreekamp (mythe, mysterie, mystiek), maar dan bekeken vanuit de gedichten van zijn vriend en geestverwant Anton Ent (pseudoniem van Henk van der Ent). Specifieker: met name aan de hand van twee poëziebundels, Binnen de wildroosters (uit 2011) en De gele zweep (2019). Beide bundels verschenen bij Uitgeverij kleine Uil in Groningen. Laatstgenoemde ter gelegenheid van zijn vijftigjarig dichterschap.
In de eerste bundel staat ook een mooi gedicht over Vreekamp, Google earth, in het tweede een In memoriam, ‘Open velden’.

  1. Mythe, mysterie, mystiek in Binnen de wildrooster
    Om te beginnen kom ik er niet onderuit, te definiëren wat ik onder mythe, mysterie en mystiek versta. Daarbij blijf ik bij de tekst die op de achterflap van het boekje over Vreekamp staat; een beetje smokkelen dus ten aanzien van mijn uitgangspunt (‘Dat had ik thuis ook wel kunnen lezen’):

‘de mythe [is datgene] waarin het goddelijke en menselijke door elkaar lopen; het mysterie, de genade, [datgene] waarin hemel en aarde van elkaar onderscheiden worden; en de mystiek [datgene] waarin God en mens elkaar ontmoeten.’

Ook in het werk van Anton Ent vormt deze drieslag vanaf het begin van zijn dichterschap (hij publiceerde in 1969 zijn eerste bundel, Hagel en sneeuw) een constante. Ik werd dit gewaar, toen ik ter voorbereiding van deze inleiding het archief van de website literairnederland.nl raadpleegde; een website waarvoor ik overigens ook recenseer.

Ik zet de drie thema’s (mythe, mysterie, mystiek) eerst als gedachtebepaling achter elkaar, maar niet nadat ik er nog even op heb gewezen dat in de fuga van de Preludium en fuga in C gr.t. uit het eerste boek van Bachs Wohltemperierte Clavier dat Joanna Rotberg zojuist speelde, de componist ook een fraai staaltje hiervan liet horen; het thema van de fuga is namelijk gebaseerd op het bekende soldatenliedje L’homme armé, waarvan bekend is dat het ook tot basis van veel missen heeft gediend. Daarom wordt wel aangenomen dat Bach door het gebruik hiervan een saluut aan de oude Franco-Vlaamse scholen heeft gebracht. Maar omdat zo’n parodie ook elders bij Bach terugkomt, is het mijns inziens ook op te vatten als een ontmoeting tussen geestelijke en wereldlijke muziek, hemel en aarde. Waarvan akte. Terug naar ons eigenlijke thema, om te beginnen de mythe.

1.1 Mythe
In het werk van Anton Ent is grote aandacht voor mythische natuurbeelden. Hij heeft er een beeld, een symbool voor gevonden, – het beeld van het hert. De verleiding ligt op de loer, daarbij meteen aan het Bijbelse hert te denken. En dat klopt deels ook wel, als je het slot leest van het gedicht ‘Vrees’ uit de bundel Binnen de wildroosters, waarop ik mij nu eerst concentreer:

Water hijg ik. Ben ik dat hert?
Waar stroomt de beek? Waar
kan ik op mijn knieën slurpen?

Ook het gedicht dat luistert naar de titel ‘Hert’ heeft een christelijke connotatie. ‘Het is’, mailde Henk van der Ent mij, ‘het laatste van een viertal dat ieder op zich een paasgedicht is, een vers met een bevrijdend slot’. Het slot van ‘Hert’ stelt het burlen van een hert naast eten van het jonge groen en besluit met:

Dat was schreeuwen en dit is genot
Ik ontken de onrust niet, iemand huilde
van vreugde en een ander schreef totdat

Waarbij het open slot, met de mooie afwisseling tussen de klinkers ‘a’, ‘e’, ‘i’, ‘o’ en ‘u’, verwijst naar Pascal en Augustinus: ‘Totdat het rust vindt in U’.
Maar bij een zinsnede als

Was hij een hert, hij zou niet vluchten
bij het zien van de dode houthakker
aan de voet van de eik

in het gedicht ‘Wandelaar’ moet ik eerder denken aan Karel Eykman én aan het verhaal van de heiden Hubertus die op Goede Vrijdag ging jagen. Dit gedicht zou je kunnen beschouwen als een tegenzang bij deze legende, – dit mythische verhaal. Hubertus kwam het mooiste hert op het spoor dat hij ooit had gezien, maar het ontsnapte hem steeds weer, wat hem niet belette door te gaan. Op een gegeven moment draaide het hert zich om en in diens gewei verscheen een afbeelding van Jezus aan het kruis. Het hert zei: ‘Hubertus waarom vervolg je mij?’ Hubertus viel ter aarde neer en vanaf dat moment volgde hij Christus na, in tegenstelling tot de Noordse Freyja bij Henk Vreekamp, over wie vele mythen bestaan; háár doop bleef een visioen. De heiden is zo bij Vreekamp geen overwonnen positie. En die eik – ja, dat is misschien een van de veertig bronzen boomstronken van Marinus Boezems land art ‘Kathedraal 1999’ die tezamen de plattegrond van de kathedraal van Reims vormen en waarover Anton Ent in het slotgedicht van de bundel, ‘Boomstronkkathedraal’, dichtte:

en eiken bespotten de veertig eenvormige
stronken van brons, geen hert zal er knielen

1.2 Mysterie
Binnen het mysterie worden als gezegd mens en natuur, hemel en aarde, dood en leven van elkaar onderscheiden. In het gedicht ‘Zomer’ – nog steeds in de bundel Binnen de wildroosters – wordt het mythische natuurbeeld van het bos een mysterie, of – zoals Anton Ent waarschijnlijk liever zou zeggen: vindt het mythische zijn tegenpool in het mysterie:

Deze vijver noem ik moeders oog
omdat iemand van omhoog
zwijgend in de spiegel kijkt

Het bos is dé plek waar het mysterie zich voltrekt:

Niet iedere seconde maar wel elke minuut
dringt hij zich aan mij op in varens
en vallende eikels, de volkomen stilte

scheurt mijn trommelvliezen in stukken
Dan zie ik een kleurrijk duivenpaartje
uitgeroeid door de kroon der schepping

Waarbij aangetekend, dat de terugkerende a-klank (aan mij op dringende varens en vallende eikels) iets melancholieks uitdrukt, en de o-klank (volkomen stilte, scheurt mijn trommelvliezen) iets zwaars. In de slotregels (een kleurrijk duivenpaartje uitgeroeid door de kroon der schepping) komen de klanken samen.
Er is zelfs een gedicht in de bundel dat ‘Mysterie’ heet:

Het geheimenis blijft een geheim
een blauwe waas boven het korenveld
de stilte voor het vallen van een speld

Het overstijgt het horen en het zien
het overtreft het weten en geloven
en overschrijdt de grenzen van misschien

Het gloedt in diepten van het kennen
en bloeit in tuinen van de ziel
die elke onzekerheid ontkennen

 1.3 Mystiek
Dit gedicht staat naast het gedicht ‘Eenwording’, wat uiteraard duidt op mystiek als datgene waarin God en mens elkaar ontmoeten:

Ik slaap met het licht, sta ermee op
en baad me daarin, eet veelkleurig
gekleed een zonnestraal als ontbijt

Het ragfijne licht daagt mij uit
Ik streel en betast het, ik voel
hoe gretig het zich aan mij opdringt

Het ademt in mij, honger en eet
dorst en drinkt, spuwt, watert en zweet

Ik laat het geworden, dat onbreekbare licht
zodat ik één word, eenvoudig en heel

  1. De gele zweep
    De vraag is nu tenslotte, of en hoe we de drieslag mythe, mysterie, mystiek terugvinden in de laatst verschenen bundel van Anton Ent: De gele zweep.

2.1 Mythe
Onbenoemd, maar o zo aanwezig, komt het mythische naar voren in het eiland Kythira. Namelijk in de twee gedichten ‘De f van lief in Amersfoort’, op de gulden snede van de bundel. In het eerste heet het:

Uw oog sprak: je bent er, je mag zijn
wie je bent, ik ben open water voor jou
scheep je in en vaar naar het eiland

Kythira is sinds de oudheid het eiland waarop een tempel stond die gewijd was aan Aphrodite, de godin van de liefde die werd geboren uit het schuim (aphros) van de zee dat later in het gedicht voor komt. In de Franse poëzie duikt het eiland op als symbool voor de amoureuze liefde. Hier is het, blijkt, méér dan dat.

2.2 Mysterie
In het tweede gedicht ‘De f van lief in Amersfoort’ valt de symboliek van de amoureuze liefde samen met het mysterie en uiteindelijk ook de mystiek.
De ik-figuur is ook op een eiland en zijn geliefde, of is het God zelf, verbergt zich als in de Psalmen:

Op dit eiland weet ik niet waar u bent
Misschien verbergt u zich in mijn verlangen
naar uw stem. Door de koude die mij bijt
hoor ik uw warmte en geborgenheid

Het water dat het eiland omringt heeft veel reminiscenties. Hoor maar:

Grijs is de zee, ze komt me keer op keer
te na, binnen de golven van de loutering
speelt ze het spel van de vereniging
en wat ik mis biedt zij genadig aan

De meeuwen die boven de pier vliegen staan symbool voor de dood en geven geen antwoord als de ik-figuur vraagt ‘Waarom?’:

De pier is wit bespat met meeuwen, traag
opvliegend als ik nader, papieren in de lucht
geen antwoord schreeuwend als ik vraag:
waarom haar naam verscheuren op de vlucht?

De vierregelige verzen gaan over in een drie- en tweeregelig vers, waarin de grens die we eerder tegenkwamen terugkeert; hier doet het ook denken aan Aphrodite die uit het schuim werd geboren:

De zee is woester aan mijn rechterhand
en draagt nu koppen schuim tot aan de horizon

De ik-figuur is bang dat God heult met Orpheus, en komt niet verder dan de grens die in veel beelden in dit gedicht aanwezig is; behalve horizon ook schemering en branding.
Er is weliswaar sprake van ‘genadig’ aanbieden, maar de genade zélf, het mysterie, blijft uit.
Het geloof blijkt een aanvechting, zoals Henk Vreekamp het soms ook kende. En toch: uiteindelijk klinkt Gods stem, boven waar de golven breken (de branding) uit, als vanuit het brandende braambos; één van de onderdelen uit de bundel De gele zweep heet niet voor niets ‘De struik die niet verteert’. Maar

nu uw stem boven de branding klinkt
sla ik verwaten uit: genade past
mij niet, dwang bent u en overlast

Verwaten is volgens Van Dale een oud-Nederlands woord voor aanmatigend, met ijdele hoogmoed.

2.3 Mystiek

Mystiek is tenslotte met name het laatste gedicht van de bundel, waarin sprake is van

Zandkorrels in het enkelvoud

Hierin resoneert heel veel mee: het middeleeuwse idee van de macrokosmos die wordt weerspiegeld in de microkosmos (de zandkorrel vertegenwoordigt het strand, – het strand is geheel in de kleine zandkorrel aanwezig) of het spinozistische besef dat een enkelvoudige modus deel uitmaakt van het oneindige en eeuwige subject dat Spinoza ‘God of Natuur’ noemt.

Waarbij moet worden aangetekend, dat je dit volgens sommige denkers overigens niet mystiek moet opvatten maar rationeel.
Je kunt je concluderend afvragen, of dit niet een keerzijde van dezelfde médaille is die je ook bij Vreekamp aantreft die zich uitte in een met Anton Ent gedeelde aandacht voor mythe, mysterie, mystiek. Of, zoals Anton Ent in zijn ‘Open velden, In memoriam Henk Vreekamp’ dichtte:

Elk woord zocht bij ons zijn tegenpool
water zand, vroeg en laat, vuur en ijs
jood en heiden, mythe en mystiek

Pinksteren 2019

‘Gods weer, maar niet het beste’ is, hoorde ik vanmorgen in mijn wijkkerk, een oude spreuk die in Noord-Amsterdam werd gebezigd. Het doet denken aan de opvatting, dat noodweer van God komt. Als waarschuwing of straf. Ik kwam het nogal eens tegen toen ik met mijn Masterscriptie over het kwaad in de filosofie (Susan Neiman) en literatuur (Philippe Claudel) bezig was. Dat dit zo is, geloven (de meesten van ons) al lang niet meer, maar het ontkent ook een beetje dat bijvoorbeeld een blikseminslag een momentum kan zijn, een symbolisch geladen iets.

Immers: het begon op de Sinaï, lazen veel kerkelijke gemeenten deze Pinkstermorgen, ‘te donderen en te bliksemen, er hing een dreigende wolk boven de berg, en zeer luid weerklonk het geschal van een ramshoorn. Iedereen in het kamp beefde’ (Genesis 19:16). Dit Bijbelgedeelte gaat vooraf aan de gift van de Tien Woorden (tien geboden, Genesis 20), die de joden met Sjavoeot (Wekenfeest) vieren.

Aan de kinderen – en tegelijk ook aan de grote mensen – werd aan de hand van een klein stukje dondersteen verteld, dat bliksem die in de aarde, bijvoorbeeld op de Veluwe, inslaat het water zoekt en daar een stuk(je), tot wel dertien meter, verschroeid met een hitte die warmer is dan het oppervlakte van de zon. De aarde smelt daar tot glas en de inslag laat een leegte achter, als ik het goed heb begrepen.

Ik moest denken aan een gedeelte uit het indrukwekkende boek ’t Hooge Nest van Roxane van Iperen (uitg. Lebowski Publishers, 2019). Het gaat over concentratiekamp Bergen-Belsen: ‘Vanaf januari 1945 sterven er gemiddeld meer dan tweeduizend mensen per week in het kamp. Iedere ochtend stapelen zich zo’n driehonderd nieuwe lijken buiten de barakken op en er valt met geen mogelijkheid tegenop te stoken. In het heidelandschap verschijnen kuilen zo groot als sportzwembaden, waarin de slachtoffers van het stuiptrekkende naziregime verdwijnen: hun graven anoniem maar hun nalatenschap voor altijd met de aarde van het Lüneburger natuurgebied verbonden’ (p. 332-333).

De bliksem zal vast ook wel eens in dat landschap inslaan. Wie het wel eens heeft gehoord: het geeft een enorme, stalige klap. Het is niet de stem van God, maar van de natuur die, wie weet, net als die van de ramshoorn in Genesis 19 meehuilt met het leed van hen die daar, in dat schuldige landschap in de aarde liggen en ons oproepen óók te huilen om de leegte die ze achterlieten. Of misschien sterker nog: ons oproept ons ertegen te verzetten dat meningen als die van Forum voor Democratie over joden die zich gewillig naar de slachtbank lieten leiden gemeengoed worden. Roxanne van Iperen leert wel iets anders!

De verbondenheid die Roxane van Iperen beschrijft, en die als diepere laag ook de boodschap van Pinksteren inhoudt, proef ik ook in de prachtige en indrukwekkende kunst van Roni Horn.Aan haar kunstwerk in Museum Voorlinden (zie linker foto), en aan dat in de tuin van Museum Arnhem (rechter foto). Kunst om bij stil te staan met de respectievelijke (onbewuste) reminiscentie aan de windingen van een (rams)hoorn, aan de beschermende werking voor het landschap. Ik hoop dat de Venustrechter na de ver- en nieuwbouw van Museum Arnhem (gereed in 2022) nog steeds of weer te zien zal zijn.