‘As described in section six’

Ik ga nog even verder met Spinoza. Dit keer in verband met Samuel Beckett, in het bijzonder naar aanleiding van een vraag die Ron Hoffman stelde tijdens een HOVO-cursus over Beckett. Die vraag had betrekking op Becketts Murphy en luidde: ‘Werkt hoofdstuk 6 of niet? Het hoofdstuk werd al in hoofdstuk 1 aangekondigd’.

Murphy
Eerst even kort iets over Murphy (1938). Ik baseer me daarbij op Hoffman, die vindt dat je het voorwoord tot de door hem aanbevolen Faber and Faber-uitgave in de editie van J.C.C. Mays (2009) niet op voorhand moet lezen.
In Becketts eerste roman is sprake van een hoofdpersonage, Murphy, die op zoek is naar een soort verlossing.

In het eerste hoofdstuk is de vraag of Murphy nu vrij is of niet: lichamelijk en/of geestelijk. Het antwoord is, dat hij zichzelf vrij maakt: ‘For it was not until his body was appeased that he could come alive in his mind as described in section six’ (p. 4).

De ontknoping volgens Hoffman is, dat hoofdstuk 6 er zó uit zou kunnen. Waarschijnlijk, omdat hij ervan uitgaat, dat literatuur geen filosofie is, en filosofen die literatuur schrijven – zoals Sartre – volgens hem geen goede schrijvers zijn.

Spinoza
Het antwoord op de vraag over de verhouding tussen hoofdstuk 1 en 6 vond ik echter juist in het filosofische motto van het laatstgenoemde hoofdstuk:

            Amor intellectualis quo murphy se ipsum amat

‘Daar wil ik even niets over zeggen’, antwoordde Hoffman nadat ik de naam van Spinoza in dit verband had laten vallen. Dit geeft mij gelegenheid dat hier wél te doen. En er meteen bij te zeggen, dat hij er een les later wel op terugkwam en concludeerde dat Beckett de draak met Spinoza stak.

Om te beginnen zet dit citaat de lezer die wat van Spinoza weet, op het spoor van stelling 36 uit het vijfde deel van de Ethica over de Amor intellectualis Dei (de verstandelijke liefde tot God):

‘De verstandelijke liefde van de geest jegens God is de liefde voor God, waarmee God zichzelf liefheeft’ (vert. Henri Krop).

Natuurlijk, Beckett neemt er een loopje mee, maar we zijn hoofdstuk 6 in ieder geval met Spinoza binnengekomen, zoals Hoffman ons liet zien dat we elders op bijvoorbeeld Kant en Schopenhauer stuiten.

Beckett
Als Becket het in hoofdstuk 1 dan heeft over lichamelijke en/of geestelijke vrijheid, dan ben je in hoofdstuk 6 niet ver verwijderd van wat Spinoza over die verhouding schrijft, wat wel met een foutief woord ‘parallellisme’ wordt genoemd. Lichaam en geest zijn bij Spinoza – in tegenstelling tot bijvoorbeeld Descartes – één, hoewel ze op hun eigen wijze tot uitdrukking komen.

Spinoza heeft het in die stelling ook over de liefde van God voor zichzelf … Dus Beckett vertaalt dit alleen maar naar de situatie van Murphy, die zichzelf lief heeft!

Zeer Beckettiaans allemaal, maar zonder Spinoza was ik hier nooit op gekomen. En zonder Hoffman ook niet, die de kunst verstaat je zelf aan het denken te zetten.

Mooi boek met schoonheidsfoutjes

Er is lang gewacht op het boek van Frédéric Lenoir over Spinoza. Het werd eerst aangekondigd door Ten Have, maar ik uiteindelijk bij Uitgeverij Balans verschenen onder de titel Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud.
Het moet meteen gezegd: het is een mooie inleiding tot het werk van de filosoof. Met name diens Ethica wordt helder en toegankelijk over het voetlicht gebracht. Toch zijn er ook kleine kanttekeningen bij te plaatsen.

Eerst de loftuiting. Het raakte mij meteen, dat Lenoir – filosoof, socioloog en godsdiensthistoricus – begint met een vergelijking tussen Spinoza en Johannes Vermeer; van beider werk ben ik een liefhebber, al deel ik net zo min als de Franse auteur ‘noodzakelijkerwijs al zijn [i.c. Spinoza’s] ideeën’. Lenoir wijst op een ‘verrassende verwantschap: het licht. De kwaliteit van het licht in de binnenkamers van Vermeer vindt zijn echo in de heldere bewijzen van Spinoza’. Van de Ethica gaat volgens Lenoir een ‘kalmerende, troostende kracht uit’ – en dat geldt wat mij betreft ook voor Vermeer.

Als gezegd vormen de gedeelten over Spinoza’s Ethica een sterk onderdeel van dit boek. Het altijd moeilijke onderscheid tussen Natura naturans en Natura naturata wordt bijvoorbeeld helder uiteen gezet, net als het verschil tussen inadequate en adequate ideeën en begrippen als ‘conatus’ en ‘eeuwigheid’.

Nederland in de tijd van Spinoza
Je zou verwachten, dat Lenoir door zijn eerder genoemde verwijzing naar Vermeer meer werk heeft gemaakt van het Nederland in de tijd van Spinoza. Dat is niet het geval. Hij wijst er wel op, dat Spinoza ‘vloeiend Vlaams, Portugees en Spaans sprak, Italiaans, Duits en Frans kon lezen en vier klassieke talen beheerste: het Hebreeuws van de Bijbel, het Aramees, het Grieks en het Latijn’. Nog afgezien van het feit dat Vlaams mij vreemd voorkomt, wordt niet genoemd dat Spinoza het Nederlands niet machtig was. Ook Lenoirs lof op het ‘tolerante land’ waar de familie zich vestigde, wordt de laatste tijd terecht wat genuanceerd.
Het contact met de mennonieten waar Lenoir in verband met Rijnsburg en de nabijheid van Leiden op wijst, bestond al in Amsterdam, waar het alleen in algemene zin wordt benoemd als ‘liberale christenen’. En tenslotte: de gedenksteen achter de Nieuwe Kerk in Den Haag staat niet ‘op de begraafplaats waar Spinoza ter aarde werd besteld’ (p. 87).

Dat geeft meteen al aan, dat Lenoir niet zoveel melding maakt van recentere ontdekkingen. Bijvoorbeeld die van Odille Vlessing aangaande het verband dat Spinoza de erfenis en zware schulden van zijn ouders niet aanvaardde (en dus geen eerbied voor zijn ouders had, conform de Tien Woorden) en de ban die over hem wordt uitgesproken. De mythe dat Spinoza een aanval met een dolk wist te ontwijken, wordt nog gewoon als vaststaand feit opgevoerd.

Ronduit in de fout gaat Lenoir, wanneer hij stelt dat het ‘optimistische denken van Montaigne wortelt in zijn lichamelijke kracht en levensvreugde’. Het laatste misschien, maar het eerste zeker niet; als iemand een zwakke gezondheid had, en daar ook over berichtte, dan was het wel Montaigne.

Tijdgebonden én voorloper
Vreemd is ook, dat Lenoir op pagina 13 schrijft dat Spinoza’s ‘boodschap niets heeft te vrezen van de tand des tijds of van tijdgebonden kenmerken’, en in de Conclusie dat wijst op wat in de wandeling de ‘zwarte pagina’s’ worden genoemd: Spinoza’s opvatting over vrouwen die je zowel tijdgebonden als, op z’n zachtst gezegd, zeer vrouwonvriendelijk kunt noemen. Overigens trapt Lenoir in zekere zin toch ook nog in deze val, wanneer hij boud vaststelt, ‘dat er in het denken van de grote filosofen oorverdovend wordt gezwegen over hun eigen lichamelijke sensibiliteit’. Correcter was wellicht geweest, als hij had geschreven: ‘in het denken van de grote mannelijke filosofen’.

Je kunt Spinoza niet ‘als de grondlegger van de Bijbelexegese’ in het algemeen beschouwen, wel van de historisch-kritische methode.
Er zou ook best meer aandacht geweest mogen zijn voor het feit dat bepaalde woorden, zoals ‘democratie’, in de tijd van Spinoza iets totaal anders betekenden dan in onze tijd, zonder dat hij daarin zo ver gaat als Victor Kal in een recent boek over Spinoza (De List van Spinoza) en het – volgens uitgever Prometheus – ‘in feite [heeft over] een staatsideologie, om het volk daarin met list en bedrog op te sluiten’.

Soms vraag je je af of Lenoir bepaalde foute woorden bezigde, of dat de vertalers (Marga Blankestijn en Alexander van Kesteren) bezig zijn geweest. Clara-Maria van den Enden speelde zeker geen piano, het Nieuwe Testament is niet in het Latijn geschreven maar vertaald (Vulgaat). Tenslotte schemert duidelijk door de tekst heen dat Lenoir een rooms-katholieke achtergrond heeft. Op een gegeven moment is er zelfs sprake van ‘katholieke, christelijke’ autoriteiten en van een pastoor in een protestantse kerk.

Dit zijn voornamelijk (schoonheids)foutjes die verder geen al te grote afbreuk doen aan dit boek waar lang op is gewacht en dat zeker dienst zal kunnen doen voor mensen die meer van Spinoza’s denkwereld, met name diens hoofdwerk, de Ethica, te weten willen komen.

 

Frédéric Lenoir: Spinoza en de weg naar het geluk. Een filosofie van de eenvoud
Uitgeverij Balans, 2020
ISBN 978 94 638 2108 7
Prijs: € 19,99

Voor waar houden

Ook het tweede hoorcollege van de module Jodendom van de Universiteit van Amsterdam, die ik via ZOOM (en de Illustere School) volg, geeft aanleiding tot overdenking en een blog. Ik kreeg zomaar ‘een beurt’, en toen dorst ik even later ook wel een vraag te stellen … Over de rol van de Bijbel in de Talmoed, want daar had ik in dit college, over onder meer die Talmoed, nog niets over gehoord. De docent, dr. Bart Wallet, antwoordde dat Talmoedisten niet de Bijbel bestuderen, maar de Talmoed. ‘De Bijbel’, zei hij, ‘is gewoon deel van de discussie’. Dat mag zo zijn, toch was ik niet helemaal overtuigd. Het antwoord kwam deels uit onverwachte, indirecte hoek: in een artikel van Udo Doedens over Pieter Bruegel de Oude (in: In de Waagschaal, 19 september 2020).

Eerst nog even terug naar het college en wat Wallet, in aanvulling op het studieboek Introducing Judaism van Eliezer Segal zei: de twee stromingen binnen het Talmoedische denken, de Palestijnse en de Babylonische, ontwikkelden zich als in een soort dialectiek: Talmoed Jerushalmi en Talmoed Bavli. In de dialectische manier van denken valt later de invloed te bespeuren van de islam, aldus Wallet. Rabbijn a zegt dit, rabbijn b meent iets anders. So far so good.

Doedens schrijft over het schilderij De strijd tussen Vasten en Vastenavond (1559) van Bruegel (zie afb.), dat de tegenstellingen die hierop worden getoond, de veelvraten aan de ene kant en de mageren aan de andere kant, ‘samen de inwendige en uitwendige strijd van de mensheid verbeelden’, maar: ‘Er moet nog een derde element bijkomen om orde op zaken te stellen’ (p. 19). Dat derde element is volgens hem de wijsheid ‘die in Christus op aarde was gekomen’ (p. 20).

Maar waar putte Christus die wijsheid uit? Op het midden van het schilderij staat immers een put. Juist, uit Tenach, de joodse Bijbel.
Ik blader wat terug in de aantekeningen die ik maakte tijdens het laatste jaar (2017-2018) dat ik met een groepje onder leiding van een joodse leermeester gedeelten uit de Talmoed bestudeerde. Ik stuit op deze aantekening: ‘Een enkele keer lukt het niet om een tegenstelling op te heffen (teku = moet blijven staan)’. En ik vul aan: tot de Messias komt. Tot zo lang is het derde element de Bijbel om uit te putten. Niet vanuit de idee these – antithese – synthese, niet als ‘gewoon’ een onderdeel van de discussie, maar als de grond eronder die als een palimpsest schemert door de discussies tussen rabbijn a en rabbijn b. Daar waar God aanwezig is, lees ik in mijn aantekeningen. Zó wil ik het voor waar houden.

De balans vinden

Het is altijd leuk als je colleges volgt en je de geleerde stof meteen kunt toepassen.
Op dit moment schuif ik (via ZOOM) aan bij een module over jodendom van de Universiteit van Amsterdam (UvA). Dat wil zeggen bij de hoorcolleges daarvan door dr. Bart Wallet; de interactieve werkcolleges door prof. dr. Jan Willem van Henten en prof. dr. Irene Zwiep laat ik – los van het feit of dit de bedoeling is of niet – aan mij voorbijgaan. De schriftelijke proeven van bekwaamheid en wat dies meer zij hoef en mag ik in ieder geval niet maken. Wat niet wegneemt, dat ik de verplichte leesstof, in casu het goede, maar ook wat  te gedetailleerde boek van Eliezer Segal (Introducing Judaism, uitg. Routledge, 2009) intensief bestudeer. By the way gekocht bij Athenaeum op het Amsterdamse Spui, dat nu helaas in zulk zwaar weer verkeert.

Terug naar de module van de UvA, met name het eerste college op 8 augustus jl.. Wallet had het over de geschiedenis van het jodendom, dat in een dialectische verhouding staat tot de joodse identiteit. Over het vinden van een balans tussen de heftige geschiedenis door de eeuwen heen, het denken vanuit de Sjoah, het finalistische denken dat begint en eindigt met de Tweede Wereldoorlog en het teleologische denken vanuit de staat Israël. In beide gevallen sluit je, aldus Wallet, de rijkdom van de joodse geschiedenis op een of andere manier uit.

Een soortgelijk concept meende ik tegen te komen in twee bundelingen van columns die Roel Abraham schreef voor onder andere de Joodse Omroep, het Nieuw Israëlitisch Weekblad en Volzin: Wederwaardigheden en Wederwaardigheden 2. Ik kreeg ze ter recensie toegestuurd en wist er op het eerste gezicht niet zo goed raad mee. Deel 1 (2006-2015) was vooral humoristisch van toon, een enkele keer zelfs wat over de top. Het tweede deel, tot en met onze coronatijd, bevat serieuze(re) stukken, over zaken als de aanslagen in Parijs en Antwerpen bijvoorbeeld. Je zou ze dus eigenlijk – de redenatie van Wallet volgend – in combinatie met elkaar moeten lezen. Dan pas ervaar je zowel de humor als de rijkdom in Abrahams columns.

Terug naar Wallet. Hij had het op een gegeven moment over verschillende definities die mogelijk zijn voor het begrip ‘jood’. Bij zijn definitie beriep hij zich op een model van de filosoof Wittgenstein: Familienähnlichkeit; joodse gemeenschappen (meervoud), die overeenkomsten en verschillen hebben. Er bestaat een taalveld, een discursieve gemeenschap. Dat komt de onderlinge dialoog ten goede.
Abraham schrijft daar mooi over: ‘We staan ondanks al onze verschillende opvattingen, verschillende manieren van religieuze beleving, verschillende kijk op de halacha, schouder aan schouder. Dat moeten we nooit vergeten. Hou vertrouwen en blijf de verbinding zoeken’ (deel 2, p. 55).

Bij Abraham vind ik ook een mooi voorbeeld van de spanning tussen autoriteit (de rabbijnse traditie) en zelfidentificatie, zoals Wallet het noemt. Het gaat over Pesach (deel 2, p. 71 e.v.). ‘Elk jaar is het (…) opnieuw pesach, we doorlopen met elkaar al duizenden jaren dezelfde cyclus van Joodse feestdagen en dat doen we al bijna net zolang op dezelfde manier (…). Mooier is het – mijns inziens – als je elke keer opnieuw naar jezelf in combinatie met de Joodse feestdag van dat moment kijkt (…). Wat zegt pesach jou, op dit moment in je leven, dit jaar? (…) We hebben allemaal ons eigen verhaal.’
Op die manier, zegt Wallet, contextualiseer je telkens het begrip ‘jodendom’. En dat is in wezen flexibel. En toen viel de internetverbinding weg, want Wallets kinderen waren beneden bezig met een spelletje, maar de boodschap was al wel duidelijk geworden.
Met die recensies, of liever: aanschafinformaties voor NBD Biblion,  is het ook goed gekomen. Die valt over enige tijd op deze blog te lezen.

Het theodiceeprobleem voorbij

Onlangs las ik het boek Van zichzelf bevrijd van Renée van Riessen (uitg. Sjibbolet, 2019). Een indrukwekkende studie over Emmanuel Levinas (zie afb.), transcendentie en nabijheid. Een boek dat is genomineerd voor de Hypatia-prijs 2020, de tweejaarlijkse prijs voor het beste en meest prikkelende filosofieboek geschreven door een vrouw.

Iets uit dit boek resoneerde mee tijdens een korte presentatie die Beatrice de Graaf gaf tijdens een webinar over ‘Religie, wetenschap en politiek in tijden van corona’ van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen op 4 september jl. De titel van haar lezing luidde: ‘Coronavirus en de hand van God/de goden: is theodicee revisited?’
Ook Van Riessen heeft het in het derde hoofdstuk van haar boek over het theodiceeprobleem, over de vraag naar het waarom van het kwaad en de aan- of afwezigheid van God.

De Graaf opende de archieven met betrekking tot het denken over het kwaad, vanaf Augustinus tot Ernst Bloch, die zij overigens consequent Marc Bloch noemde, maar dat was een Frans historicus. Augustinus zei dat het kwaad niet het einde is en de mens een opdracht heeft: een Godsstad op aarde bouwen.

Blochs Das Prinzip Hoffnung kent ook een opdracht: mee te lijden met de onderdrukten op deze aarde. Bloch staat daarin niet alleen, zegt De Graaf en ze verwees naar het recente boekje God and the Pandemic van Tom Wright.

Gaandeweg kwam bij mij het bij Van Riessen gelezene over Levinas boven. Ook Levinas heeft het over de archieven van het denken, een aan De Graaf door religiewetenschapper Birgit Meyer ingegeven uitspraak eerder op de avond. Maar bij Levinas gaat het om de archieven van de ‘heilige geschiedenis’ (Van Riessen, p. 98). ‘Een geschiedenis die telkens opnieuw een beroep doet op de bronnen van compassie’ (ibid.).

De Graaf zou het zomaar met Van Riessen en Levinas eens kunnen zijn, want ze menen allemaal dat ‘de aandacht verschuift (…) van de vraag naar het waarom en de zin van het lijden naar het menselijke vermogen tot medelijden of compassie’ (ibid.).

Met Wright zouden we kunnen wijzen op de vroege kerk, waarin iets nieuws werd gedaan: er werden hospitalen gebouwd en armenzorg opgezet. God werd door hun handen in de wereld present gesteld. Het theodiceeprobleem voorbij. Toen al.

Drieluik – De dochter van Jefta

Het is weer eens tijd voor een drieluik – eentje die me de afgelopen weken zomaar toeviel.

Eerst een kerkdienst waarin het verhaal over Jefta en zijn dochter (Richteren 11) centraal stond, toen op woensdagavond 2 september een uitvoering van het oratorium Historia di Jephte van Giacomo Carissimi (1605-1674, zie afb.) op NPO Radio4, een herhaling van een concert in het kader van het Festival Oude Muziek (FOMU) 2011, en tenslotte de historische roman Jefta (1980) van Irene Van Kerckhoven (1928-1996) die ik las.
Van Kerckhoven omschrijft Jefta op een gegeven moment als volgt: ‘Man van Ketura. Vader van Jajella. Ongezalfde richter van Mizpa. Jefta, jongste zoon. Jefta. Lievelingszoon van zijn vader.’

1.
Het begon als gezegd met een kerkdienst (23 augustus jl.) waarin voorganger Alexander Noordijk had gekozen voor het verhaal van Jefta, en in het bijzonder diens gelofte aan God om het eerste wat hem uit zijn huis tegemoet zou komen na zijn overwinning op de Ammonieten te laten doden. Een moeilijke tekst, die hij had gekozen omdat zijn leermeester, professor Spronk, hem had gevraagd of hij ook een struikeltekst zou kunnen uitleggen. En dat kon hij.
Hij had het uiteraard over het geweld in dit verhaal, dat ons een les moet zijn: doe het zo níet. Hij sprak over God die in dit verhaal zwijgt en afwezig is, als had Hij Zijn hoofd afgewend van zoveel ellende. Coen Wessel voegt daar op zijn website aan toe, dat God ‘misschien ook wel zwijgt omdat Jefta zichzelf niet blootgeeft, niet zichzelf inzet maar een ander. Hij gaat het gevecht niet zelf aan, dit is geen man tegen man, zoals bij Jacob, maar Jefta zet zijn dochter in.’

2.
Vervolgens het oratorium van Carissimi, die wel de vader van het oratorium wordt genoemd. Volgens de presentator op Radio 4, Ab Nieuwdorp, sloot Jefta een overmoedige deal met God, in de hoop dat Hij meer naar hem zou willen luisteren.
In het vuistdikke programmaboek van het festival in 2011 schreef Jolande van der Klis, dat het de bedoeling van een oratorium is om stichtelijke lessen te leren. Iets anders dan de les die Noordijk eruit had getrokken, maar toch.

Carissimi begint zijn oratorium in medias res, met de gelofte van Jefta, die werd gezongen met een emotionele haal naar boven op het woord ‘holocaustem’ (brandoffer). Carissimi kende zijn compositorische technieken; de strijd van Jefta met de Ammonieten zette hij bijvoorbeeld in een fugavorm, terwijl de bas – en later het koor – zingen over ‘Vlucht!’ (Fugite!).
Dat geldt ook voor de emotie die hij wist uit te drukken door het gebruik van kleine toonafstanden op het moment dat er bijvoorbeeld sprake is van de huilende Ammonieten, die door de Israëlieten worden vernederd. Schitterend is ook het quilisma (een uit de joodse muziek afkomstige versieringstechniek) op het woord ‘lachrimis’ (huilend scheurde hij zijn kleren) en het ‘Ecco ego’ (Hier ben ik, hineini) dat in halve tonen omhoog klom.
Carissimi wist met andere woorden heel goed wat hij deed, en het was al met al – zoals Nieuwdorp zei – ‘aangrijpend en emotioneel’, nadat de laatste tonen van een breed uitgezongen en uitgesponnen slot waren weggestorven (‘Ween, Israëlieten en alle maagden, om Jefta’s eniggeboren dochter in een smartelijk lied’).

Dit alles kwam mede op het conto van de uitvoerenden: Les Talens Lyriques onder leiding van klavecinist/organist Christophe Rousset, daar in 2011 in de Utrechtse Dom. En dat, zoals de directeur van het FOMU zei, ze eerst hun twijfels hadden geuit over de waarde van Carissimi en diens oratoria. Dat was, bleek dus, volledig ongegrond.

3.
Irene Van Kerckhoven was een Vlaamse schrijfster, pseudoniem van Irene Verbraeken. Ik kende haar werk tot nu toe niet, maar heb – zoals ik wel eerder op deze blog heb geschreven – altijd een voorliefde voor Belgische auteurs gehad, zodat het niet vreemd is dat ik in dit kader juist voor haar historische roman over Jefta koos.
Van Kerckhoven volgt het verhaal trouw en vult het in. Het gegeven dat Jefta zelf niet het gevecht aangaat, legt zij psychologisch vanuit zijn afkomst uit: hij is de zoon van Gilead en een Ammonitische bijvrouw en zou liever voor een vreedzaam samenleven met dit ook Semitische volk hebben willen kiezen. Zo is in haar verhaal Jefta ook niet bang dat zijn dochter – die Van Kerckhoven een naam geeft: Jajella – hem tegemoet zal komen, omdat ze gewond was geraakt doordat haar voet in een wolvenklem terecht was gekomen. Maar de Israëlieten wilden hem verrassen. ‘Jajella was genezen en men had hem ook die vreugde willen gunnen en haar voorop gestuurd.’ Dansend en wel.
Terecht kreeg de dochter van Jefta in haar roman een naam, want zij behoort tot de sterke vrouwen uit Tenach.

Zowel het Bijbelverhaal, het oratorium als deze roman eindigen niet met Jefta, maar bij degene die uiteindelijk het slachtoffer is: zijn dochter. En geeft de vrouwen die om haar wenen een lied op de lippen. Zo houden ze de gedachtenis aan de kinderloze Jajella levend.

Op uitnodiging – Psalm 87

Mijn ouders kochten op advies van de orthopeed een duur bed met een lattenbodem voor me. Op een gegeven moment, toen ik eens ziek in dat bed lag, ging mijn moeder op de rand ervan zitten en zegen wij langzaam naar de grond. Wat bleek: een poot was weggedraaid. Ik heb het bed nog steeds en nog steeds moet ik met enige regelmaat de poten vastdraaien.

Ik moest aan dit beeld denken, toen ik de ‘Exegetische miniatuur’ las van Wout van der Spek, in het laatste nummer van In de Waagschaal  (22 augustus 2020). Elke miniatuur, die een A5-pagina beslaat, kiest hij voor een Bijbelse psalm. Dit keer was Psalm 87 aan de beurt, in een eigen vertaling.

De lattenbodem lijkt aan het begin stevig. De Psalm begint in Van der Speks vertaling met de basis van JHWH, op heilige bergen en poorten die Hij liefheeft. ‘Vervolgens’, schrijft hij, ‘worden alle volken in Sion geboren. Zeer bijzonder. De dichter ziet het al voor zich en laat hen aan het slot in vers 7 dansen met de thora, zo lijkt het wel, wat joden tot op de dag van vandaag één maal per jaar op Simchat Thora doen.’
De hoofdredactie (Peter Verbaan en Niels den Hartog) schrijven in hun ‘Van de redactie’, of ‘dat beeld vastgehouden kan worden, is ondertussen nog maar de vraag’. Hierop kom ik later terug.

Hierna heldert Wout van der Spek, in zijn eigen, woorden, ‘nog een paar dingen op’. Zoals over de volkerenwereld die in de Psalm wordt genoemd: Rachab (Egypte), Babel, Filistea, Tyrus en Nubië, wat hij politiek lijkt me niet helemaal correct vertaalt met ‘Moor’.
Daar gaat het al een beetje schuren, maar als klap op de vuurpijl constateert de auteur dat ‘als zo de toenmalige wereld wordt bedacht, dan horen wij er ook bij. Amazing Grace!’.

Daar is het helemaal mis gegaan – de poot waarop mijn bed met lattenbodem rust, is weggedraaid en het geheel is naar de grond gezakt. Dat wil zeggen: Van der Spek is door de bodem gezakt waarop hij stond als predikant, en later gastpredikant van Tenach en Evangelie, eerst kerkenraadscommissie later leerhuis (LATE).

De ironie van het lot wil, dat een andere predikant die deze Psalm eens zo mooi uitlegde, Henk Vreekamp (op 31 december 2015 in de Grote Kerk van Epe) de ‘basis’ zoals Van der Spek vertaalde, vertaalde met gronding, ‘de grond waar je doorheen zakt’. Ironie, omdat Van der Spek in de laatste LATE-dienst waar ik hem hoorde, opeens, ins Blaue hinein de theologie van Vreekamp aanviel. Over de hoofden van de minjan, het tiental (want meer zijn het meestal niet) toehoorders heen, maar mij raakte het als auteur van een boekje over Vreekamp des te meer: waarom in Godsnaam?

Ik ben gaan zoeken of Vreekamp ooit iets over Psalm 87 heeft gezegd. En ja: dat heeft hij dus, twee maanden voor zijn dood (terug te vinden op zijn website onder Preken). Veel komt overeen met de miniatuur van Van der Spek, belangrijke accenten wijken af.
Ook Vreekamp vraagt zich, net zoals min of meer de redactie van In de Waagschaal af, of Sion nog steeds het spirituele centrum van de wereld is. Nee, antwoordt hij: het is de weerglans ervan.

Het belangrijkste is de constatering dat ‘Alle volken in Sion zijn uitgenodigd om het Loofhuttenfeest mee te vieren’. Uitgenodigd – dus niet: wij (alleen het woord al: wij – zij) horen er ook bij. Nee, we mógen erbij zijn. Op uitnodiging wel te verstaan. Want veel christenen hebben er in hun relatie tot het jodendom een potje van gemaakt, zodat – zoals een vriend van mij onlangs weer eens terecht zei – bescheidenheid past. Geen vooraanzitting, maar ook zeker geen annexatie van een Psalm.
Het is verdrietig, maar het moet blijkbaar toch steeds weer worden gezegd. Zoals ik die poot van mijn bed steeds moet aandraaien.

‘Zingevend, zoutgevend en riskant’

Eerder had ik het op deze blog over Hugo Mercier, op wiens spoor ik was gezet door Gerko Tempelman tijdens de cursus Fake-nieuws en de feiten van HOVO-Amsterdam.
Een andere denker die Tempelman noemde, en wiens spoor ik in deze blog volg, is de Amerikaan John D. Caputo (zie foto), sinds 1992 hoogleraar Filosofie aan de rooms-katholieke universiteit van Villanova (Pennsylvania, VS). In casu diens boek Religie (vert. Arend Smilde, uitg. Routhledge, 2002).

Een boek dat – het begint al goed – is opgedragen aan de Franse filosoof Jacques Derrida, die – zo schrijft Caputo – ‘mijn tong heeft losgemaakt’. Het begint niet alleen goed, het gaat ook zo verder (hoofdstuk één): over ‘De Liefde tot God’, de amor intellectualis Dei zou Spinoza zeggen. Al bekent Caputo zich niet tot hem, maar tot Augustinus. Ook fijn. En tot religie met of zonder religie. Een doordenkertje, hem aangereikt door Derrida.
De maatstaf is de liefde. Het is wat Typhon by heart citeerde in de eerste uitzending van Zomergasten in dit seizoen: ‘De liefde is geduldig en vriendelijk, niet opgeblazen of opschepperig, zij verdraagt alles, gelooft alles, hoopt alles, duldt alles’ (I Kor. 13).

God mag het weten
Het verschil tussen Spinoza en Augustinus zit er misschien in – Caputo interpreterend –, dat eerstgenoemde gelooft in een relatieve toekomst (vanuit de amor intellectualis) en Augustinus in een absolute toekomst, vanuit geloof, hoop en liefde. De één (Spinoza) beweegt zich binnen de ratio, de ander (Augustinus) binnen het domein van wat Caputo ‘God mag het weten’ noemt; niet Deus sive Natura, God of Natuur (Spinoza), maar de God van het onmogelijke dat mogelijk wordt (Derrida). Niet de orde van de natuur, maar die van de ervaring, ‘een religieuze structuur’ (Caputo) waarin ‘je kwetsbaar wordt, verwachtend, in beweging geraakt, in beweging bent, wordt bewogen’. Zo raakt het religieuze, stelt Caputo, aan kunst en politiek, ‘zingevend, zoutgevend en riskant’.
De orde van de Natuur is vervangen door de herschepping van de aarde (Psalm 104: 30), of misschien – een iets andere, door het joodse denken ingegeven afslag dan Caputo neemt – de voltooiing van de schepping.

Wegwijzers
Er wordt – we pakken de draad van Caputo weer op – ‘van ons verlangd dat we tot daden komen’. Volgens hem in onwetendheid (docta ignorantia) wat ik waag te betwijfelen, want we hebben de Tien Woorden, de tien geboden toch, die ons de weg wijzen? Tien leefregels hoe te handelen.
Dat is iets anders dan de stelling van Caputo, dat we ‘geen verbindingslijn naar een Transcendente Supermacht hebben die ons Het Geheim van De zin van het leven meedeelt, of van het heelal, of van goed en kwaad, en die dat zou doen op voorwaarde dat wij bidden en vasten en geen onreine gedachten hebben’.
Ik ben het met Caputo eens, dat het gaat om het doen van waarheid (daar is de link met de cursus van Gerko Tempelman!). En dat kan op grond van de Tien Woorden of de Noachitische geboden, zonder – en dat ben ik ook met Caputo eens – triomfalisme over het geloof of door anderen als ‘ongelovigen’ af te schilderen.

Liefhebben
Een stap verder denkend, deels in de voetsporen van Caputo en deels parallel daaraan, kun je je afvragen of het zo is, dat je in de liefde voor de Wet (Simcha Torah), eigenlijk niet God lief hebt. ‘Is liefde een manier om een voorbeeld van God te geven? Of is God een naam die we geven aan voorbeelden van liefde?’ En als er al een antwoord is, dan is het het ‘Hineini’, hier ben ik. Van Abraham en van Maria op de aankondiging van de geboorte (Annunciatie) door de engel Gabriël.

De hele bedoeling is te reageren, de waarheid te doen, waarheid te doen gebeuren, facere veritatem zoals Augustinus zei, gerechtigheid doen, het onmogelijke doen, de berg van zijn plaats doen komen, gaan waar ik niet gaan kan’.

En dan zijn we toch weer bij Spinoza, via Augustinus. ‘Een van de grote lessen’ uit Augustinus’ werk is volgens Caputo, ‘dat liefde aanspoort tot het zoeken naar kennis’. Eén van de lezers die voor mij het boek uit de Openbare Bibliotheek leende, heeft bij deze passage een streep voor de kantlijn gezet. En toch: geloof is geloof volgens Caputo en geen kennis. Hij blijft herhalen: ‘wat heb ik lief, wanneer ik mijn God liefheb?’ Hij voert de spanning op en zoekt het antwoord op de plek (de lege ruimte, zou ik met Theo Witvliet willen zeggen, of Makom met het joodse denken) tussen geloof en geloof zonder geloof. Misschien heeft Spinoza dit wel ten volle geleefd.

‘Moderne Kyrie eleisroeper’

15 augustus jl. was het honderd jaar geleden dat de dichter en theoloog Willem Barnard/Guillaume van der Graft werd geboren. Dit werd alom herdacht en zal medio 2021 resulteren in de uitgave van al zijn kerkliederen o.d.t. In wind en vuur bij Skandalon.
In maart 2000 verscheen mijn recensie van de Nederlandse vertaling en handelseditie van Maria Pfirrmanns oorspronkelijk Duitstalige dissertatie over Bijbel, liturgie en dichtkunst in het vroege werk van Barnard/Van der Graft (in:
Quadraatschrift).
T.g.v. zijn 100ste geboortedag herplaats ik die hier in een wat uitgebreidere vorm.

Denk mijn naam wanneer ik dood ben,
denk mijn naam maar roep mij niet,
ik ben vergeten hoe ik heet. 

En denk aan mij hoe dwars ik was,
hoe tuk op taal en onzeker
en dat ik van je hield met huid en ziel

Maar roep mij niet, lief, roep mij niet,
ik ben vergeten hoe ik heet.

Toen ik de ondertitel van Pfirrmanns boek las, schrok ik toch wel even; het was de schuine streep die het hem deed: de dominee Barnard en de dichter Van der Graft onder één noemer gebracht – is dat wel de bedoeling van een pseudoniem? Ook maar even verder doordenkend, corrigeerde ik mijzelf meteen: het gebruik heeft goede papieren, want de Verzamelde Liederen en Verzamelde Gedichten werden in 1982 immers al onder één naam, die van Guillaume van der Graft, gepubliceerd. Het was ook hieruit dat Gerrit Komrij vijf gedichten koos voor zijn De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten. Ook André Troost had in zijn dissertatie (1998) overigens voor dezelfde wijze van vermelden, met een schuine streep ertussen, gekozen. Uitgeverij Skandalon kiest voor een iets andere oplossing voor hun In wind en vuur: de naam van Willem Barnard staat groot op het omslag, en Guillaume van der Graft wat kleiner eronder.

Het uitgangspunt van Maria Pfirrmanns boek is, dat Van der Grafts gedichten liturgisch zijn gekleurd en Barnards kerkliederen voluit poëzie zijn. Iets wat je al gewaar wordt uit de keuze die Komrij maakte. De gedichten en de kerkliederen horen bij elkaar als een tak aan een boom; een grote boomstam en een kleinere tak, als bij In wind en vuur.
Voor de duidelijkheid is het boek opgebouwd uit twee gedeelten: een behandeling van zes vroege gedichten (‘Woorden van brood’) en een behandeling van dezelfde motieven zoals die in enkele kerkliederen voorkomen.

Het hemelse Jerusalem
Een thema dat in beide delen terugkeert, is bijvoorbeeld dat van de stad: het hemelse Jerusalem en de aardse werkelijkheid. Het thema komt voor in het gedicht ‘Eucharistie 2’ en Lied 173 uit het Liedboek voor de Kerken. In beide gevallen wijst Pfirrmann erop dat Barnard in Rotterdam is geboren en in Amsterdam heeft gewoond en gewerkt en daarom een stadsmens kan worden genoemd. De uiteindelijke conclusie is, dat ‘het hemels Jerusalem (…) als in een visioen [wordt] gezien als vervulling van lichamelijk-aardse verlangens’ (p. 122).

Het is een thema dat ook terugkomt in een mooi ‘Over Willem Barnard (1920-2010)’ van Wiel Kusters op de website Neerlandistiek (15 augustus jl.). Kusters schrijft dat Willem Barnard, alias Guillaume van der Graft, ‘een eigen – spirituele – dimensie gaf aan de materialistisch opgevatte “lichamelijkheid” uit de taal- en poëzieopvattingen van zijn experimentele generatiegenoten, de Vijftigers’.

Vooral theologie
De wijze waarop Maria Pfirrmann de thema’s uitwerkt, is zeer toegankelijk voor iedereen die van theologie en dichtkunst houdt. Mede de nadruk op het eerste, want al zegt zij verschillende keren dat vorm en inhoud in Barnards werk een eenheid vormen, echt uitgewerkt wordt dit niet. Hooguit als totaalbeeld (‘Eucharistie 2’ als een drieluik bijvoorbeeld), maar niet of nauwelijks op het terrein van metrum en andere technische zaken. En dat terwijl, zoals Ria Borkent in Liter (15 augustus jl.) schreef: ‘Willem Barnard was theoloog, maar vervreemd van de onmusisch geworden theologie. Hij voelde zich meer thuis in het huis van de poëzie en liturgie. De Heilige Schrift was allereerst (Bereshit – In den beginne, In beginsel, Van hoofde aan) geschreven door een dichter – God was een dichter en geen theoloog, want die laatste brengt, net als de ochtendkrant, je gedachten in de war.’

Natuurlijk heeft dit veel te maken met Pfirrmanns theologische achtergrond. Want als er één ding duidelijk mag worden, dan is het wel mijn bewondering voor het feit dat ze, als Duitse die weliswaar onder meer in Amsterdam studeerde maar van huis uit toch niet vertrouwd was met de Nederlandse poëzie, toch dwarsverbanden – onder andere richting Nijhoff – wist te leggen die verhelderend werken. Dat zij daarbij omgekeerd in haar woordkeus hier en daar wat duidelijker terrein had mogen afbakenen, is ook een feit; een woord als ‘vitalistisch’ dat regelmatig valt, roept bij mij associaties op met de gelijknamige stroming in de Nederlandse literatuur (Marsman) die, meen ik uit de context van Pfirrmanns betoog te mogen opmaken, toch niet wordt bedoeld.

Dit zijn slechts enkele kanttekeningen bij een boek dat ik iedereen van harte aanraad te lezen, dankzij én ondanks de vertaling van Sytze de Vries die met name aan het begin werkt als een palimpsest waarbij door het Nederlands nog het originele Duits heen lijkt te schijnen. En zeker ondanks de hoeveelheid fouten die onder tijdsdruk zijn blijven staan. Maar vooral dankzij de inhoud is dit boek een aanrader. Honderd jaar na de geboortedag van deze ‘moderne Kyrie eleisroeper’, zoals Sytze de Vries hem afgelopen zondag in de Dom in Utrecht noemde.

 

Maria Pfirrmann: Uw naam is met wijn geschreven. Bijbel, liturgie en dichtkunst in het vroege werk van Willem Barnard/Guillaume van der Graft
Uitg. Boekmakerij Gert-Jan Buitink en Uitgeverij Boekencentrum, 1999
ISBN 90-239-0672-1

Link naar het artikel van Wiel Kusters: https://www.neerlandistiek.nl/2020/08/over-willem-barnard-1920-2010/
Link naar het artikel van Ria Borkent: https://www.leesliter.nl/blog-en-nieuws/1244-berijmde-psalmen-zijn-gezangen

Het Koninkrijk Gods

Bij uitgeverij Aspekt verscheen het boek De Grande Finale van Anton Wessels, over de Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran. Dit boek is gebaseerd, oftewel een uitwerking van een cursus die de theoloog Wessels in 2018 gaf voor het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Ik woonde deze cursus bij en heb er aantekeningen van gemaakt. De aantekeningen van één ochtend, 17 november 2018, de tweede over ‘Wie zeggen de joden, christenen en moslims dat ik ben?’, heb ik hieronder als blog uitgewerkt.

De eerste keer, op 3 november 2018, had Wessels het Evangelie van Marcus als uitgangspunt genomen; het is het enige evangelie dat de Koran ook als zodanig erkent. Eén van de bronnen die Wessels benoemde, is het boek Marcus als tegenevangelie van Egbert Rooze (uitg. Halewijn, 2012).
Twee weken later vervolgde Wessels zijn betoog met Marcus 8, dat begint met de notie van de Mensenzoon. Jezus is huiverig voor de titel ‘Messias’, want dat zou tegen Rome en Pilatus ingaan.[1] Mensen-zoon geeft een verhouding weer: die tussen mens en Zoon.

Deze notie dien je in de context van het Oudtestamentische boek Daniël te plaatsen, waar dit woord ook belangrijk is (Daniël 7:13). De Willibrordvertaling is in dit verband belangrijk. De Mensenzoon vertegenwoordigt de menselijke heerschappij ten opzichte van alle dieren die worden genoemd. De vier grote dieren zijn de vier koninkrijken die de aarde zullen beheersen (vs. 17).

Het Koninkrijk Gods is met kracht gekomen, lezen we in Marcus 9:1. Het zijn de zachte krachten die zullen winnen. Het is geen spektakelstuk. Maar wat dan wel?
Het Koninkrijk is gekomen met de dood van Jezus aan het kruis (verleden tijd!). Dat is een onthullend, openbarend moment en een appèl om Hem te volgen, het kruis op te nemen en anderen te redden.

Dit is een herverstaan, of een opnieuw verstaan van het Evangelie en de Koran. De komst van het Koninkrijk zet zich door op een niet-gewelddadige manier. Het proces gaat verder in de Koran, zoals Kronieken Koningen opnieuw probeert te lezen.
Het kernverhaal blijft echter Exodus, het op weg gaan naar een nieuwe aarde. Dan kunnen joden, christenen en moslims samen Pasen vieren.

Het zijn de teksten van Henriëtte Roland Holst (over de zachte krachten), het zijn liederen (van Mozes en Mirjam) en de poëzie van een Willem Barnard (‘Een mens te zijn op aarde’) die ons helpen de Schriften te verstaan: Tenach, Evangelie en Koran.

Anton Wessels: De Grande Finale
De Apocalyps in Tenach, Evangelie en Koran
Uitgerij Aspekt
ISBN 9789463388924
Prijs: € 35,–

 

Met dank aan Anne-Marie Visser die mij op deze uitgave attent maakte.

[1] Iets soortgelijks vertelde ds. Paula de Jong tijdens een Bijbelkring in de Nieuwendammerkerk te Amsterdam: zinsneden als ‘Zie, dat gij niemand iets zegt’ (Marcus 1:44) en: ‘En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken’ (Marcus 3:12) hebben ook met onder andere angst voor de Romeinen te maken.