De poëzie van de natuur

herman de vries_MesaIn 2009 maakte ik voor het eerst, in ieder geval bewust, kennis met het werk van herman de vries. Het was in het Kröller-Müller Museum. Ik kan me het huidige gemor naar aanleiding van de keus om zijn werk te kiezen als Nederlandse inzending voor de Biënnale van Venetië in 2015 dan ook levendig voorstellen. Want laat ik eerlijk zijn: ik voelde me bekocht.

 

Ik zag een kleedje met daarop een verzameling objecten: Mesa (zie afb.). Natuurobjecten, keurig gerangschikt. Het stelde naar mijn idee in de dubbele betekenis van het woord niets voor. Mocht misschien ook niets méér voorstellen dan de tot subject verklaarde objecten. Of, zoals de vries in een interview met Renate van der Zee  in Kunstbeeld (nr. 9/2014) zegt: ‘Mijn doel is mensen de ogen te openen voor de poëzie van de werkelijkheid. De natuur is al af, daar hoeft niets aan te worden toegevoegd’.

Ik stond erbij, keek ernaar en ergerde me er dus aan. En gelukkig heeft het volgens de kunstenaar in hetzelfde interview ‘ook een betekenis als mensen moeten nadenken over het waarom’. Dus: ja, waarom ergerde ik mij eigenlijk aan dit ‘objectieve werk, de neutrale weergave van de werkelijkheid’?

Het antwoord kwam op de tentoonstelling Curiosity. De kunst van het weten in de Appel arts centre in Amsterdam bij het zien van door de Franse surrealistische schrijver Roger Caillois verzamelde stenen, agaat, albast, kwarts en japis uit het Musée National d’histoire naturelle (Parijs).

De stenen lagen ook op zich mooi te wezen. Maar ze hadden niet het belerende vingertje erbij van de vries: kijk hoe mooi de natuur is, maar nodigden eerder uit tot een: kijk, wat je er zelf allemaal in kunt zien. Een landschap, een wolkenlucht, een zeegezicht, een vis. Het mysterie geeft zich niet zomaar prijs, op een presenteerblaadje (of een kleedje). Je moet je eigen fantasie erop loslaten.

Dat is een andere manier met je publiek omgaan als de vries doet. En die is me wel zo lief. Ik heb er ademloos naar staan kijken. En ergeren deed ik me al helemaal niet.

Vanaf 20 september 2014 is een grote overzichtstentoonstelling van het werk van herman de vries te zien in het Stedelijk Museum Schiedam.
Curiosity is t/m 14 september 2014 te zien in de Appel arts centre, Amsterdam.

Een kerk die eens af zal zijn

SagradaMet vijf mensen zitten we in de zaal te kijken naar de documentairefilm Sagrada – el misteri de la creació van de Zwitserse regisseur Stefan Haupt.
Een kaskraker zal het op deze manier niet worden, maar tekenend is het wel. En de opmerking van de mijnheer enkele stoelen van mij, dat het mooie beeldhouwwerk van de Japanner Etsuro Sotoo zo hoog vanaf de grond niet valt te                                                                               zien, is haast symbolisch.

Kosten nog moeite worden gespaard, maar onder de kerk door dreigt de hogesnelheidslijn tussen Parijs en Barcelona verzakkingen op te leveren. Dan weer filmt Haupt richting de lucht, omhoog, dan weer naar de grond, ijzingwekkend diep. Een tweespalt die de hele optiek van de film ‘kleurt’. Beeldhouwwerk in een post-Gaudístijl door Sotoo, beeldhouwwerk in een moderne stijl met hoeken die Gaudí zou hebben verafschuwd door agnost Josep Subirachs.

Het is misschien een geluk dat de meeste tekeningen van Antoní Gaudí bij de Spaanse burgeroorlog verloren zijn gegaan. Net zoals het volgens de Spaanse gambist en dirigent Jordi Savall een geluk is, dat we niet precies weten hoe Bachs Hohe Messe (de ‘filmmuziek’ bij Sagrada) destijds heeft geklonken. Dat houdt in, dat we blijven zoeken, open blijven staan voor mogelijke interpretaties, zoals Satoo en Subirachs dat op hun manier deden.

Een gastheer van Eye fluistert mij voor het begin van de film in, dat hij me na afloop het geheimpje zal verklappen dat de regisseur bij een eerdere vertoning na de film aan zijn publiek vertelde. Ik heb hem niet meer gezien, dus ik weet niet wat het was: wordt de route van de hogesnelheidslijn verlegd, worden de twee grote flatgebouwen die het uitzicht op de Glorie Facade belemmeren, neergehaald? Ik wil het eigenlijk ook niet weten.

De strijd tussen de aan de natuur ontleende organische vormen van Gaudí en de moderne van Subirachs is al spannend, en symbolisch genoeg. Symbool voor traditie en toekomst, kerk en wereld. Of zou er een middenweg bestaan, waarop Sotoo, een tot het rooms-katholicisme bekeerde boeddhist doelt: een kerk die, wanneer hij af is, niet alleen op kunstzinnig gebied, maar überhaupt de dialoog met andere wereldgodsdiensten aangaat.

Wie zal over zo’n dertig jaar de kerk inzegenen? Ik ben bang dat dit toch weer een eenmansactie van de paus zal zijn, zoals Benedictus XVI de kerk, van binnen inmiddels af (zie afb.) inzegende. Dat is jammer, maar weemoediger stemt het misschien nog dat de kerk eens ‘af’ zál zijn en niet langer symbool zal staan voor een wereld die blijft werken aan zin en samenhang.

Sjoerd de Vries (2)

Sjoerd de Vries_2Kunstenaar Sjoerd de Vries, hoorden en zagen wij tijdens een televisie-uitzending van zo’n tien jaar geleden alweer, bewerkt zijn portretten met een strijkbout aan de achterkant, waardoor de beenderlijm loslaat. En met een mes aan de voorkant, waarmee hij de verf lostrekt. Op die manier ontstaat een soortgelijk gehavend gelaat als dat van de Zwarte Madonna, het icoon dat door Hussieten werd verminkt.

Sjoerd de Vries ging tijdens de uitzending in op een moeilijk leven, waarvan hij het lijden daaraan een tijd lang heeft onderdrukt met alcohol, en een slechte gezondheid ten gevolge van diabetes. Hij schildert tegen alle klippen op, zoals de Jezusfiguur op het schilderij Het Laatste Oordeel van Hiëronymus Bosch, gekruisigd op een harp (Groeningemuseum, Brugge), zingt tegen het donker in.
In die losgetrokken verfstreken kan hij wonen als in een fragiele mensenschelp van de Belgische keramist Piet Stockmans, ‘platgedrukt en beschadigd (…), verloren gelegd op de grond.’

De schelp die mij ook voor ogen komt, is die waarmee Jezus in het zand schreef:

Hij bukte zich en schreef in ’t zand, wij weten
niet wat Hij schreef. Hij was het zelf vergeten,
verzonken in de woorden van Zijn hand.

Waarbij ik in plaats van ‘woorden’ in deze strofe van Gerrit Achterberg (1947) bijna wonden (stigmata) had getypt. En voor lief neem dat Achterberg Jezus met een vinger liet schrijven. Het is zoals Guillaume van der Graft dichtte, in datzelfde jaar als Achterberg:

Hij schreef zichzelf in ’t zand.

Zoals De Vries zichzelf schildert. Niet met een penseel, maar met een mes.

Van 16 augustus t/m 9 november 2014 zijn in het Museum Belvédère (Westvleugel) in Heerenveen zelfportretten van Sjoerd de Vries te zien.

Ken Hem in al uw wegen

SpinozaWim Kayzer zegt in het tv-programma Boeken van Wim Brands voor de VPRO (herhaling, 23 augustus 2014) over zijn roman De laatste tafel op een gegeven moment dat bij de vier keer dat de dood hem werd aangezegd, na de paniek op een gegeven moment kalmte over hem kwam. En dan, vervolgt hij, ‘kom je iemand tegen die je zelf niet kent’. Hij bedoelt, als atheïst, iemand als zichzelf. Ik herken die kalmte, maar die Iemand is bij mij toch een Ander dan mijzelf.

Het doorlopen van je leven, waarvan men zegt dat je dat pal voor de dood doet, is zoiets als in het kort een soortgelijke weg afleggen zoals Dante in zijn Divina Commedia beschreef.

Dante verdwaalt in een woud, waar een leeuw, trots en hoogmoedig, hem de pas afsnijdt. Maar dan spreekt Vergilius, gezegend met een gezond verstand, tot hem. Beatrice, de goddelijke liefde, begeleidt hem op zijn weg.
Op de louteringsberg aangekomen, omgordt Vergilius Dante met een bies, met deemoed, omdat hij moet leren in nederigheid te zien; horende doof en ziende blind zijn is één van de ergste zonden die je bij jezelf kunt ontdekken. Zeven hoofdzonden moet Dante uitboeten op de zeven omgangen van de berg. De deuren ertoe worden geopend met een zilveren sleutel (inzicht) en een gouden sleutel (het ontsluiten van het hart voor de liefde).
Samen met Beatrice beweegt Dante zich door de hemelsferen en wordt bewogen door de Liefde, de barmhartigheid, het meeste van alles, zoals Co ’t Hart dichtte:

Maar wie in liefde hoedt en weidt
en met verdrukten medelijdt
en niet om eer zal vragen,

die acht zich als Gods eigen knecht heel klein,
die wil alleen maar dienstbaar zijn
en groeit in kracht door dragen.

De uitweg uit die zeven omgangen vind je ook in de manier waarop Spinoza (zie afb.) in zijn Ethica ‘kennis’ omschreef. Eerst als ratio, de eerste sleutel van Dante: inzicht. Dan in het intuïtieve weten. En uiteindelijk in het kennen van God, in de betekenis van liefde (de gouden sleutel van Dante), omgang hebben met (jada in het Hebreeuws). Het gaat erom niet jezelf, maar om Hem te kennen in al je wegen, want Hij je paden recht maken (Spreuken 3:6). Dan wordt het mogelijk ‘uit de eigen spelonk’ te stappen, over de ‘eigen schaduw heen’ (Sytze de Vries), waardoor je je gekend weet door Iemand, door God.

Dichter bij Schwitters

merzbild-rossfett-1919En nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.
Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.

(M. Nijhoff: Awater)

Altijd ben ik al gegrepen geweest door collages in het algemeen en die van Kurt Schwitters (1887-1948) in het bijzonder (zie afb.). Geen wonder dat ik blij ben met het thema van Uitgelicht van Kunstbeeld, het tijdschrift over kunst van nu (nr. 9/2014): de (foto)collage. En geen wonder dat ik destijds, in 2000 uitzag naar een overzichtstentoonstelling met werk van Schwitters in het Stedelijk in Amsterdam.

De liefde is begonnen toen ik als kind longontsteking had en mijn vader ter afleiding thuis kwam met nagenoeg de complete Encyclopedie voor jongeren. Een oorspronkelijk Italiaanse serie, voor Nederland bewerkt door W.A.C. Whitlau, die onder andere bekend werd door zijn publicaties over de joodse traditie.

Wat in het eerste deeltje, Schilderen, tekenen, beeldhouwen stond over de collages van Kurt Schwitters, is mij altijd bijgebleven: ‘De collage is een echte moderne kunstvorm. Zo min als er in de moderne wereld nog onderscheid gemaakt wordt tussen hoog en laag en rijk of arm, zo maken de kunstenaars geen onderscheid meer tussen de edele materialen (marmer, goud e.d.) en de alledaagse (papiertjes, blik e.d.). Elk materiaal heeft zo zijn bijzondere eigenschappen en met elk materiaal is dus iets bijzonders te maken, evengoed als uit elk mens, hoog of laag, rijk of arm, een bijzonder mens kan groeien’ (Zeist, De Haan, 1965, p. 143).
Modern dient hier te worden opgevat als ‘modernisme’, in de zin van dubbelzinnig, door de tegenstellingen tussen de verheven metaforische en de triviale betekenis die materialen in de werkelijkheid hebben, zoals ook bij het taalgebruik van Martinus Nijhoff in Awater.

Schwitters was getekend door zowel de Eerste als de Tweede Wereldoorlog, zoals Nijhoffs gedicht ondenkbaar is zonder de context van de crisisjaren erbij te betrekken.
In de eerste zaal van het Stedelijk Museum hing Merzbild Ib (1919) met als bijschrift een tekst van Schwitters zelf: ‘Alles was toch al kapot en het was nodig om uit de scherven iets nieuws te bouwen’, zoals Nijhoff de puinhopen van de crisisjaren gebruikte om iets nieuws mee te maken.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog, lazen we op een tekstpaneel in de laatste zaal, werkte Schwitters door aan ‘zijn droom om een nieuwe wereld te scheppen.’ Een van de sculpturen die hij dan maakt, heeft geen titel – maar wel een veelzeggende ondertitel: Kathedraal (1941-’42). De omgekeerde vorm van de toren komt als een pijl die inbreuk in het leven doet zoals in Ovaal uit hetzelfde jaar. Op deze collage zien we ook een veertje.

Ik denk dan ook niet dat de folder bij de tentoonstelling helemaal gelijk had, wanneer wordt gezegd dat Schwitters zich niet al te veel afvroeg ‘of combinaties inhoudelijk of stilistisch wel bij elkaar passen’ en dat ‘het belang van betekenissen in zijn collages (…) door alle onderdelen gelijkwaardig te maken’ eerder wordt gerelativeerd. Eerder het omgekeerde. Natuurlijk, op zich is ironie één van de kenmerken van het modernisme en bovendien, als we een biografie over Nelly van Doesburg, waar Schwitters veelvuldig in opduikt, mogen geloven ook een karaktertrek van Schwitters. Maar toch.

Eerder verschenen, en hier in iets gewijzigde en aangevulde vorm opnieuw geplaatst, in: Quadraatschrift maandblad van het Centrum voor Leren en Vieren (juni 2000, p. 6).

Uiterlijk en innerlijk

PaganiniOp de radio hoorde ik een schitterend stukje muziek dat ik absoluut niet thuis kon brengen: een zangerige vioolsolo boven een rustige pianobegeleiding. Na afloop zei de omroeper dat het was gegaan om het Cantabile opus 17 van Nicolò Paganani (zie afb.). Wat een verrassing, want ik kende deze componist eigenlijk alleen van halsbrekend virtuoze vioolmuziek waardoor hij in eerste instantie ook beroemd is geworden. Kortom: wil de echte Paganini nú opstaan…

De Belgische acteur/zanger Bert Van Lierde heeft beide kanten van de componist uitgewerkt in zijn debuutroman Violist van de duivel. Dit boek is gebaseerd op zowel het leven van vioolvirtuoos/componist Nicolò Paganini als dat van pianovirtuoos/componist Franz Liszt. Violist van de duivel, ja, zo werd Paganini tijdens zijn leven beschouwd. Door een genetische afwijking had hij uitzonderlijk lange pezen, waardoor hij op de snaren duivels moeilijke toeren uit kon halen. Maar Van Lierde schetst óók dat de hoofdpersoon uit zijn boek, János Szapinsky, door zijn vader voor een optreden werd gesommeerd: ‘Rug krom, schouders naar voren en naar de grond kijken’ (p. 23). Waaraan het wonderkind vrijelijk, maar volgens zijn vader achteraf wat overdreven, kwijlen toevoegde…
Het publiek kwam volgens Szapinsky echter niet om zich te verlustigen aan zijn mismaaktheden (te korte armen, te grote handen, te lange vingers, ingevallen oogkassen, scheefgetrokken mond en als ‘extra’ een gefingeerd kromme rug en naar voren staande schouders), en ook niet vanwege zijn duistere gave, maar ‘de zaal zat vol’ omdat hij uiteindelijk zijn ‘talent op menselijke maat’ wist te presenteren (p. 97). Op die manier had Szapinsky zijn acteren, ofwel het uitbuiten van zijn mismaaktheden uiteindelijk achter zich gelaten en zijn ware identiteit gevonden.
De ware Paganini ligt dan ook wellicht in diens Cantabile, zoals zingen ‘het enige, het absolute’ is voor de hoofdpersoon uit David Grossmans roman De stem van Tamar: ‘haar stem was haar plek op de wereld. Haar thuis, de plaats waar ze vandaan vertrok en waar ze weer terugkwam, waar ze helemaal zichzelf kon zijn, waar ze kon hopen dat ze van haar zouden houden om alles wat ze was en ondanks alles wat ze was’ (p. 192).

Het is op zich een levenservaring die meer kunstenaars – die vaak een gevecht met de materie leveren – en mensen die lichamelijk anders zijn – en zo vaak een gevecht met hun lichaam voeren – bekend voor zal komen. Ontwikkelde de romanpersonage Lucia in Een schitterend gebrek van Arthur Japin zich bijvoorbeeld niet op soortgelijke wijze? Om te beginnen schrok zij toen zij zichzelf in de spiegel zag. Mensen op straat deinsden voor haar geschonden gelaat terug omdat – volgens haar – Hollandse tolerantie het tegenovergestelde was van acceptatie. Door deze fysieke en culturele ervaring sloeg haar verdriet naar binnen. Tot ze leerde liefde te geven en de sluier die tot dan altijd haar gezicht had bedekt voorgoed afdeed.

Zo vallen uiteindelijk bij Paganini, Szapinsky, Tamar en Lucia innerlijk en uiterlijk, waarheid en zin samen. Dát is een genade voor de kunstenaars en een gave (Grossman) voor publiek en medemens in één.

http://vimeo.com/bubbleeyes/caprice4

Met toestemming overgenomen culturele bijdrage die eerder in Wervelingen (uitgave van de Vereniging van scoliosepatiënten) verscheen. Herplaatsing n.a.v. de opmerkingen dat de atlete Dafne Schippers door een natuurlijke stijfheid tot haar grootse prestaties zou komen, hetgeen door anderen wordt ontkend. En met toevoeging van een opname door Patricia Werner Leanse van een Caprice van Paganini.

Mozart anders bekeken

Pastor BurgosGisteravond overkwam mij hetzelfde als toen ik tijdens de Musikwochen 1991 in Luzern de laatste drie symfonieën van Mozart hoorde in een uitvoering door de Wiener Philharmoniker o.l.v. Lorin Maazel. Toen was het vooral de paukenist, nu hoboïste Miriam Pastor Burgos (zie afb.) die mij deden beseffen, dat Mozart vooral licht is. In de betekenis van een uitspraak van Schnitzler die ik voorin het ‘Portret van een muziekgenie’ van Wouter Paap schreef: ‘Tieffsinn hat nie ein Ding erhellt; Klarsinn schaut tiefer in die Welt.’

Niets ten nadele van de rest van het orkest, en van Vera Martinez (viool), Jürgen Kussmaul (altviool) en Stefan Metz (cello) die Pastor Burgos tijdens het concert in het kader van het Orlando Festival in de St. Janskerk in Maastricht begeleidden. Al mocht ik dat eerste van een collega bij het Oostenrijkse Muziek Informatie Centrum (MICA) in Wenen niet zeggen, want er zat geen één vrouw in het orkest en dat kon, vond hij, toch echt niet meer …

Die lichtheid viel meteen al in het begin van het Hobokwartet KV 370 op. Dat kwam niet alleen door de prachtige toon van Pastor Burgos, althoboïste van het Koninklijk Concertgebouworkest en in die hoedanigheid een verre opvolgster van mijn toenmalige hobodocent, Leo van der Lek. Maar ook door de wijze van articuleren die was zoals organist Kees van Eersel tijdens de studiedag Bach anders bekeken (24 mei 2014, St. Nicolaaskerk Purmerend) omschreef: ‘Articulatie mag je eigenlijk niet horen, maar moet je ervaren.’

Bij Pastor Burgos stond die articulatie volledig ten dienste aan de melodische opbouw van het stuk, met lichte en donkere accenten die ze erin aanbracht, prachtig kleurend met dan weer de viool en dan weer de altviool. Wat zeg ik: haar hele techniek, die fabelachtig is, stond in dienst van de muziek.
Hoe ze het voor elkaar speelde bij de beruchte hoge F (niet alleen de Koningin van de Nacht in de Zauberflöte ‘heeft’ er een!) weet ik niet, maar hij kwam er niet, zoals bij veel hoboïsten, ‘geperst’ uit, maar alsof ze een veertje wegblies. Zomaar, even, en ook dit magische moment was weer voorbij.

Het was zoals een vriendin van mij, één van de bezoekers van het Orlando Festival van het eerste uur, zei: ‘Ze weten toch altijd goeie musici te vinden bij Orlando.’ En dat is in dit geval zwak uitgedrukt. Hier hoorden we één van ’s werelds beste hoboïsten. Dat staat buiten kijf.

Het nieuwe liedboek (IX)

Marc BijlOmdat we in de Amsterdamse Oude Kerk een – naar eigen zeggen – ‘eigenwijze’ kerkmusicus hebben, zongen we vanmorgen Lied 352 (Jezus, meester aller dingen) uit het nieuwe liedboek op de wijs van Adriaan Schuurman uit het Liedboek voor de kerken 1973. Ik mag dat wel. En ik snap het ook wel.

 

De melodie op de tekst van Tom Naastepad, die in het nieuwe liedboek de ondertitel ‘Jezus, Jona en het lot’ kreeg, is een 14e eeuwse melodie bij Valentin Trillers Quem pastores laudavere. Roept het daar associaties op met een kindeke Jezus dat wordt gewiegd, bij de tekst van Naastepad doemt bij dezelfde melodie een rustige zee met bij wijze (!) van spreken een scheepken onder Jezus hoede voor het geestesoog op.

Maar de psalm (Jona 2:1-11) die we lazen, spreekt daar helemáál niet van. Daar gaat het over roepen uit nood en benauwen, over een HEER die leert bidden (vs. 3). Over de diepte die trok en/of God die Jona de diepte in slingerde (vs. 4). Geen rieten mandje, maar riet dat zich om het hoofd van Jona windt (vs. 6), tot barstens toe. En een God die de vis ertoe aanzette Jona op het droge uit te spuwen (vs. 11).

Dáár past geen wiegende melodie bij, maar één die van de hoogste nood/noot afdaalt, een octaaf lager. En in de laatste zin daar nog een schepje bovenop doet, nog één trede hoger begint.
Daar is over nagedacht. Of liever: hier wordt de spanning voelbaar die Jacques Suurmond in een artikel in Interpretatie (juli 2014, p. 8-11) omschrijft als die ‘tussen redelijkheid [ratio] en mysterie, logica en liefde, vertrouwdheid en huiver’.
Dat artikel heet: ‘De kerk mist kippenvel’. Het nieuwe liedboek, merkten wij vanmorgen, soms ook. En dat is jammer.

Daarom is het goed dat in dezelfde kerkdienst werd gewezen op de obelisk van gebroken spiegels, een kunstwerk van Marc Bijl dat in het kader van de tentoonstelling SALON/Big Bang momenteel in de Oude Kerk staat (zie afb.). Wiskundige schoonheid, ratio? Ook – maar primair een openbaring als ‘een breuk, een scheur in ons bestaan’ (Suurmond).
Het is als een gedeelte uit een gedicht van M. Vasalis dat Suurmond citeert. Een liturgie,

een orde waar ruimte voor de chaos is,
en voel de vrijheid van een grote liefde,
die plaats voor wanhoop laat en twijfel en gemis.

Have faith!

Verhagen_Oude KerkLuister naar de oerknal waarmee het videoportret van de Duits-Amerikaanse componist Johanna Beyer (1888-1944) door Patricia Werner Leanse begint. Hoezo: een harmonieuze Music of the Spheres (1938)? Het lijkt er niet op!
(http://vimeo.com/102013965).

Kijk maar naar de figuur in een motorpak, een helm op het hoofd. Ze rent door een woest landschap, een maanlandschap lijkt het soms, en dan weer over een hunnebed. En toch! Is zij soms een ruimtevaarder die de grootsheid van de schepping ervaart, zoals Buzz Aldrin die bezong met Psalm 8? Met alle moois aan flora en fauna die de film toont.

Het blijft je achtervolgen, dat jachtige geren van de vrouw. Soms in zwart-wit. Is ze nieuwsgierig naar de wereld om haar heen? Of angstig om wat ervan is geworden. Een verlaten wereld, waarin verder geen mens valt te bekennen.

Ik moet denken aan de tentoonstelling SALON/Big Bang in de Amsterdamse Oude Kerk. Met name aan de installatie GIB GNAB van Herman Verhagen in de Heilige Grafkapel. Een stel vaasachtigen op een voet, met een steel en een omgekeerde schaal van rode klei (terracotta) werpen donkere schaduwen op de zerken (zie afb.). Ze doen onmiskenbaar denken aan het omgekeerde van de Big Bang: de vernietiging van de aarde door een kernbom. De paddenstoelen van Hiroshima en Nagasaki staan nog op ons netvlies.

Dirigent Antal Dorati liet in 1983 vijf uitvoeringen van Haydns Die Schöpfung vooraf gaan door Threnos van Penderecki: chaos voor en na de schepping. Als een appèl aan de wereld.

Er bestaat onmiskenbaar een verband tussen schepping en chaos. De video laat het zien, de kunst in de Oude Kerk toont het, en Antal Dorati liet het horen. En toch: wachten die pluisjes in de film er niet op om te worden weggeblazen? Als een wens.

Essential is that you and I and all the others
Have faith, have faith in things to come,
In things that passed, and are.

In stille verbondenheid

ZadkineTijdens de zesdaagse oorlog in Israël, in 1967 – ik was toen veertien jaar – heb ik om mij nu onduidelijke redenen een plakboek gemaakt met knipsels uit allerlei kranten en weekbladen. Voorin ligt een afbeelding uit een krant van 14 mei 1970, die ik er dus later in moet hebben gelegd: De verwoeste stad, het beeld van Zadkine van een man zonder hart in het naoorlogse Rotterdam (zie afb.).

Ik stuit op een knipsel met de kop ‘A’dam demonstreert uit sympathie voor Israël’. Een stoet van 15.000 mensen liep vanaf het Frederiksplein, lees ik. ‘Een stem vroeg via de geluidswagen: Wat willen we? De massa antwoordde: Vrede. De stem: Waar? De massa: Israël.’ Als was het het openingskoor uit Bachs Matthäus Passion: Sehet – wen? Sehet – was? Sehet – wohin?

Even verderop in het plakboek zit een soortgelijk knipsel over een demonstratie in Groningen. Vijfduizend mensen luisterden er naar sprekers, waaronder rabbijn
J. Soetendorp die het regime van Nasser ‘in wezen een voortzetting noemde van de politiek van het nationaal-socialisme’. En dan gaat het verder met foto’s van de Gaza-strook, een artikel van David Nazarella over GAZA na de strijd.

Het laatste knipsel heeft als kop: ‘JERUZALEM een jaar later’ en komt uit het toenmalige Algemeen Handelsblad (24 juni 1968). GAZA met een hoofdletter, JERUZALEM met een hoofdletter; zo ging dat blijkbaar toen.

Ik zou zo verder kunnen gaan, zoveel jaar later. Met berichten over demonstraties, nu in Den Haag en Amsterdam. Wat willen we? De 180 graden gekantelde antwoorden vergeleken met 1967, de leuzen en gelijkstelling van nu Israël met het nationaal-socialisme kennen we. En de misselijk makende link naar joden in Nederland ook.

Maar het is zoals Arjan Plaisier, de scriba van de generale synode van de PKN schreef: ‘Wij accepteren geen land van ‘minder Marokkanen’. Wij accepteren geen land van minder Joden en al helemaal niet van ‘weg met de Joden’.” Noch het één noch het ander.

Er zat nog een klein knipseltje in die Multomap: ‘Ook in Utrecht’. In Utrecht is in 1967 door studenten een stille tocht gehouden, ‘om uiting te geven aan hun ongerustheid over de gebeurtenissen in het Nabije Oosten.’

Niet Eyless in Gaza, zoals de boektitel van Aldous Huxley luidt, of het moet het blinde recht zijn. Niet horende doof. Maar stil, opgekropt geschreeuw, zoals het beeld in Rotterdam. Omdat we het ook niet weten, maar uiting willen geven aan onze verbondenheid. Met het hele Midden Oosten. Met joden en Marokkanen in Nederland.