Fundament van ons menszijn

In een interview door Vrouwkje Tuinman met Wende (Snijders) in het programmaboekje voor de uitvoering van Die sieben Todsünden van Kurt Weill door Wende, Frommermann en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO) onder leiding van de Roemeense dirigent Cristian Măcelaru  (18 en 19 oktober 2018) zegt Wende op een gegeven moment: ‘Ik heb niet de pretentie dat kunst de wereld kan veranderen. Maar door de zwarte kant van de wereld te laten zien (…), geef je toeschouwers een kans te zien wie ze zelf zijn. Dat we als mens een keuze hebben, om met nuance en mededogen naar elkaar te kijken. Om ons hart te openen’.

Het was een rake omschrijving van de drie werken die werden uitgevoerd. Om te beginnen de Nederlandse première van de schitterende Lamentations on the Disasters of War (2006) van Karim Al-Zand en – voor het eerst op de lessenaars van het KCO – de Suite uit De neus van Sjostakovitsj. En dan na de pauze het al genoemde werk van Weill, ook in een eerste uitvoering door het KCO.

De omschrijving van Wende, die net als de andere uitvoerenden met een stormachtig applaus door een verre van gevulde zaal werd bedankt, bracht mij naar het al even schitterende boekje Thuis in muziek. Een oefening in menselijkheid van de van origine Poolse, nu in België wonende filosofe Alicja Gescinska. Zij buigt zich over de vraag of muziek de wereld kan verbeteren, wat nog iets anders is dan veranderen. Ze vraagt het aan de Poolse componist Penderecki, en die zegt stellig ‘Nee’. Ze gaat te rade bij de filosoof Scheler, die de vraag bevestigend heeft beantwoord.

Gescinska benadert de vraag net als Wende via empathie (begrip, betrokkenheid), zelfontdekking en –ontplooiing. Ze noemt verschillende voorbeelden om dit te staven, waarvan twee die ik volmondig kan beamen. Ten eerste de muziek van Chopin. ‘In zijn Inleiding tot de sociologie van de muziek zegt Adorno dat iemand al verstopte oren moet hebben om (…) niet te begrijpen dat Chopin ons in zijn Fantasie in f klein vertelt dat Polen nog niet verloren is en als een feniks uit zijn as zal herrijzen (…). De heimwee, de nostalgie, ja Polen zelf’ vervolgt Gescinska ‘in Chopins werk horen, is geen kwestie van Hineininterpretierung, maar van begrip en betekenis.’

Ik kan, als gezegd, dit beamen. Ik had eigenlijk weinig met Chopin, tot ik op een zaterdagochtend eens op de radio een pianostuk van hem hoorde dat insloeg als een bom. Wat het was en wie het speelde (een Poolse pianiste, dat wel) weet ik niet meer, maar wel dat het ten tijde van Solidarność die in de jaren zeventig van de vorige eeuw stakingen organiseerde op de werf  van onder meer Gdánsk, een lieu de mémoire waar ik later eens zou staan. Ik begreep de betekenis die het werk, voelde de heimwee en de nostalgie.

Het tweede voorbeeld dat ik kan beamen, is het klaaglied Muss der Tod denn auch entbinden van Dietrich (tegenwoordig zeggen we Dieterich) Buxtehude, de tekst van Mit Fried und Freud, BuxWV 76. Hij componeerde het na de dood van zijn vader. Wanneer je dit weet, schrijft Gescinska, ‘dan verkrijgen die verklankte tranen voor ons de diepgang van elk groot kunstwerk dat ons troost in tristesse doet vinden’. Ik weet niet of mijn vader en ik die achtergrond wisten, toen we het niet lang na het overlijden van mijn moeder hoorden tijdens het Festival Oude Muziek in Utrecht, gezongen door Emma Kirkby, maar ook zonder dat kwam het van de eerste tot de laatste noot bij ons binnen.

Gescinska eindigt haar boek met de constatering dat mensen muziek maken, maar dat muziek ook mensen maakt. ‘We zouden opnieuw moeten aanknopen bij het besef dat muziek geen ornament, maar een fundament van ons menszijn is, waardoor inzicht in de muziek ook inzicht in ons bestaan verschaft. Muziek is naast een bron van ontspanning en uitleving ook een vruchtbare vorm van inspanning en inleving. De vrucht daarvan is begrip; zowel van onszelf als van de wereld rondom.’

Nieuwe collectiepresentaties en meer

Voor de website 8weekly.nl heb ik onlangs twee nieuwe collectiepresentaties bezocht en besproken, in Boijmans Van Beuningen te Rotterdam (door Carel Blotkamp) en in het Stedelijk Museum te Amsterdam (door Margriet Schavemaker naar een idee van Beatrix Ruf): http://8weekly.nl/special/collecties-opnieuw-etalage-gezet/
De eerste wil je vooral goed laten kijken, dwars door de tijd heen, en de tweede bestaat uit leermomenten en is chronologisch van opzet. Daar waar Rotterdam een grote tijd omspant (van 1300 tot nu), beperkt Amsterdam zich tot de periode vanaf 1880 tot nu. Op die manier sluiten beide presentaties onbedoeld op elkaar aan.

Het zijn niet de enige Nederlandse musea die niet lang na elkaar met nieuwe collectiepresentaties komen; voor 8weekly zal ik binnenkort de nieuwe presentaties in ‘Hof’ en ‘Hal’ (tezamen het Frans Halsmuseum in Haarlem: de centrale museumvestiging en De Hallen bij de Grote Kerk) bekijken en bespreken.
Deze afspraak is vers van de pers, of er rolt alweer een aankondiging van een nieuwe collectiepresentatie in mijn e-mailbox: van Rijksmuseum Twenthe in Enschede, ‘Ars Longa, Vita Brevis; het menselijk leven in negen episodes.’ Daar gaat men (Josien Beltman) weer anders te werk in vergelijking tot Rotterdam en Amsterdam – meer, krijg ik de indruk, een beetje zoals in Haarlem. Al staat daar uiteraard de kunst van Frans Hals en reacties daarop van hedendaagse kunstenaars centraal, en zijn het in Enschede negen kunstenaars die reageren op de totale collectie van het Rijksmuseum Twenthe, die loopt van de Gouden Eeuw tot nu.
In Twenthe gaat het – lees ik in een persbericht –‘niet om de autonomie van de kunst, maar om de betekenis van de kunst voor mensen. Rijksmuseum Twenthe is het “Museum van de Verbeelding”, want het is de verbeelding waarmee wij vorm en betekenis geven aan de wereld om ons heen.’

Een van de kunstwerken, Die Treppe van Peter Zegveld, is geplaatst tegenover het 16de eeuwse doek De toren van Babel van Hendrik van Cleve. Volgens het persbericht gaat de installatie van Zegveld (foto G.J. van Rooij, links boven) ‘over de wilskracht maar ook het onvermogen van de mens (…). De trap in dit werk reikt hoog, naar de hemel, maar de menselijke figuur die Zegveld erop projecteert zit gevangen in zijn val.’

De verbeelding gaat met mij aan de haal. En wel aan de hand van een nieuwsbrief die enkele dagen eerder tussen mijn e-mails zat. Daarin stond een afbeelding van een zwarte inkttekening van Mathilde de Vriese (zie afbeelding rechts boven), die binnenkort in het Dorpshuis van Badhoevedorp exposeert (http://www.dezamenhof.nl/agenda/expositie-in-het-dorpshuis-duivendrecht). Wat we zien is een menselijke figuur die fier boven op een hoge golf staat. Het is tegelijk een boom, met vogels op de takken.
De tekening vormt voor mij het contrapunt van de installatie van Zegveld – en doet me denken – al is De Vriese boeddhist – aan Psalm 8: 5-9:

5 Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en de zoon des mensen, dat Gij hem bezoekt? Indien gij niet wordt als de kinderen
6 En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond?
7 Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
8 Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
9 Het gevogelte des hemels, en de vissen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt.
10 O HEERE, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de ganse aarde!

De mens kan diep vallen (vs. 5), al is hij aan de andere kant ook niet minder dan een engel (vs. 6) – het is een chiasme (X, kruisvorm). Of, zoals ik lees in het eerder genoemde persbericht: ‘Het mysterie en het verlies daarvan, vrijheid en verbondenheid, de wilskracht en het onvermogen: onze realiteit wordt doorsneden door contradicties. De wereld waarin wij leven is fundamenteel tweeslachtig en de verdeeldheid die wij ervaren is onophefbaar.’

Chiasma luidt ook de titel van een orkestwerk van de Oostenrijkse Thomas Larcher dat het Gewandhausorchester Leipzig o.l.v. Andris Nelsons gisteren voor het eerst in Nederland, in het Amsterdamse Concertgebouw speelde. Hij schreef in een toelichting, geciteerd in Preludium, onder meer dat het chiasme voor hem een methode is om ‘in de muziek heterogene elementen tegenover elkaar te stellen, ze in relatie te brengen, ze daardoor telkens te veranderen en in sommige gevallen ook tot een vorm samen te voegen.’ Wat we hoorden is ‘EEN hele wereld in zijn onverenigbaarheid, met zijn moorddadige veranderlijkheid, met zijn tederheid en schoonheid, zijn wreedheid en zinloosheid.’ Wat bij mij beklijfde was het uitdovende slot, met alleen een accordeon te midden van het grote orkest. Als die ene boom, die ene mens.

Ton Hoenselaars – Shakespeare Forever!

Dat was smullen: Shakespeare Forever! van Ton Hoenselaars, hoogleraar vroegmoderne Engelse letterkunde in Utrecht en groot Shakespearekenner. 428 pagina’s over – zoals de ondertitel luidt – ‘leven en mythe, werk en erfenis’ van mijn geliefde Bard.

Toch gebeurt er als lezer ook iets vreemds met je. Natuurlijk: het is in leesbare stijl geschreven, met een leuk soort (taal)humor als: ‘Fictie, dus, in feite.’ En ik ben het helemaal met Hoenselaars’ bewondering voor bijvoorbeeld Ola Mafaalani eens. En met zijn nuancering van de rede door de literatuur, die hofnar Yorick in Hamlet in staat stelt ‘om de werkelijkheid anders voor te stellen dan de rede (…) doorgaans doet.’ Ook Hoenselaars’ kritiek op ‘regisseurs, dramaturgen of hele theatergezelschappen in Nederland’ die ‘steeds vaker denken zelf een goed bekkende speeltekst te kunnen produceren’ kan ik deels onderschrijven. En Hoenselaars’ bewondering voor diens leermeester Bachrach zette me er meteen toe aan díens boekje over Shakespeare, Naar het hem leek …., aan te schaffen.

Maar door de enorme overload aan kennis, ga je opeens dingen missen (!). Misschien was de deadline voor het manuscript al verstreken, maar waar is de replica van de Globe in Diever tussen alle internationale reconstructies? En de kleine zaal van het Concertgebouw in Brugge, gebouwd naar het Swan Theatre? de krakelingen en vissersbenodigdheden die respectievelijk Hamlet en Shakespeare heten? Natuurlijk: dat Mandela op Robbeneiland Shakespeare las weet ik ook pas sinds een recente tentoonstelling in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. En misschien vraag je nu het onmogelijke, en is het relevanter om je af te vragen waarom de auteur de opvatting van filosoof Ludwig Wittgenstein dat de verhaallijnen van Shakespeare asymmetrisch zijn onweersproken laat, terwijl hij elders zulke opvattingen wel recht zet en het ook (mijns inziens terecht) elders over ‘een zekere symmetrie’ bij Shakespeare heeft?

Daar staat het prachtige, relativerende slot weer tegenover: ‘Wij moeten Shakespeare niet op een voetstuk plaatsen, niet bestempelen als ons goddelijke voorbeeld en niet definiëren als het summum waartoe de mens in staat is. Hij is deel van een grotere wereld waarin wij zelf moeten nadenken, handelen en onze eigen verantwoordelijkheden nemen. Zoals Susan Sontag het formuleerde in de Paris Review: “Met Mozart, Pascal, de booleaanse algebra, Shakespeare, de parlementaire democratie, barokkerken, Newton, de emancipatie van de vrouw, Kant, Marx, de balletten van Balanchine en ga zo maar door valt niet goed te praten wat onze beschaving de wereld heeft aangedaan.’
Met schaamrood op de kaken denk ik terug aan een bezoek in 2002 aan het Museum Czartoryskich in Polen. Daar staat een stoel van Shakespeare, aangekocht door Izabela Czartoryska. Een vriendin temperde mijn enthousiasme met een opmerking dat ik de dag daarvoor Majdanek had bezocht, en dat ze had gehoopt dat er een ander soort stoel voor de daders klaar had gestaan …

En dan tenslotte het extra cadeautje met samenvattingen van de toneelstukken en gedichten. Daarom wil ik uiteindelijk, met alle kleine puntjes die er altijd zullen zijn en blijven, alleen maar herhalen: het was smullen!
En ook daarom is het nog altijd eeuwig zonde dat het Shakespeare-Genootschap van Nederland en Vlaanderen, waarvan Hoenselaars voorzitter was, een zachte dood lijkt te zijn gestorven. Er valt, ook na dit kloeke werk, nog zóveel van hem te leren! En te genieten.

 

Ton Hoenselaars – Shakespeare Forever! (Uitg. Wereldbibliotheek, ISBN 978 90 284 2664 1) € 24,99

Betrokken raken in een gesprek

Theo Witvliet heeft een prachtig essay geschreven over het humanisme van Martin Buber. Eigenlijk moet ik zeggen: Theo Witvliet heeft wéér een prachtig boek geschreven, na onder meer Het geheim van het lege midden (2004). Meteen aan het begin deelt hij al zijn inzicht op Buber met de lezer: ‘Wie op de een of andere manier geraakt wordt door wat de heilige geschriften te vertellen hebben, ontvangt geen kant en klare waarheid, maar raakt betrokken in een gesprek.’ Met God en als mensen onderling, in de wetenschap dat er voor Buber geen scheiding bestaat tussen ‘leven in de wereld’ en ‘leven in God’, tussen het leven van alledag en de cultus van religie. Een gewone gebeurtenis kan heel bijzonder zijn. ‘Het is de opdracht van de mens de breuken te helen tussen God en wereld, materie en geest, heilig en profaan, en ook tussen mensen en volken onderling.’

Niet dat er niets meer te wensen zou zijn. Wanneer Witvliet bijvoorbeeld vertelt over het bezoek dat Gershom Scholem, de grote kenner van de joodse mystiek, uitgerekend in 1943 aan Buber bracht, en zijn bezwaren uit tegen Bubers interpretatie van het chassidisme (Kafka zou dat ook doen), was Bubers antwoord dat het hem totaal niet interesseerde. Al dan niet in de voetsporen van Eric Kurlanders boek Hitler’s monsters: u supernatural history of the Third Reich had Buber dieper kunnen pijlen.

Witvliet heeft overigens wel gelijk wanneer hij zegt dat Bubers denken ‘meer is dan een spiegeling van twee wereldoorlogen, van de Shoah en van het gevecht om de staat Israël.’ Dat heeft volgens hem te maken met drie inspiratiebronnen:

  1. Het chassidisme
  2. De bevrijding uit de slavernij
  3. Het woord jichoed (eenheid), dat verwijst naar het Sjema Israël (Deut. 6:4).

Witvliet schrijft in verband met het laatste dat hij ‘echte gemeenschap niet vaak heeft meegemaakt. Maar de enkele keer dat ik echt iets van gemeenschap voelde, waren juist momenten waar mensen van verschillende achtergronden en culturen bij elkaar waren.’ Zo licht een stukje van het rijke leven van de theoloog Witvliet op, in contact met anderen en daarmee ook het dialogische aspect dat kenmerkend is voor Martin Buber doordenkend. Een mooi boek, dat is het.


Theo Witvliet: Kwaliteit van leven. Het humanisme van Martin Buber (uitg. Skandalon, 2017). ISBN 978-94-92183-39-2, € 19,95

Lege ruimte leeg laten

Afgelopen week vielen mij drie dingen toe die ik in deze blog in verband breng met elkaar:
1. Een artikel van Claartje Kruijff, de nieuwe Theoloog des Vaderlands, in Trouw (31 oktober)
2. De mededeling in het vakblad Nature dat er een lege ruimte is getraceerd in de Grote Piramide van Cheops.
3. Het Gedicht van de Week, dit keer een gedicht van Hester Knibbe, Delphi (uit: Oogsteen, een keuze uit de gedichten 1982-2008, Amsterdam 2009).

Ik begin met het laatste. Ja, het gaat over Delphi, en dus niet over het Egypte van de Grote Piramide. Maar er zit een kern in die daar wél aan raakt. Ik citeer een vers:

Restanten steen in slagorde van dood
wijzen ons bot terecht. Noch god, noch
muze zij geloofd, Apollo is verdwenen.
Men heeft een koord rond het gemis gelegd.

Lang, blond, gebronsd zo had ik hem gedacht
zeg ik. Je lacht, dwaalt af naar waar een
vage boog je in de oudheid mengt.

Apollo is verdwenen, net zoals Nefertiti wier laatste rustplaats een Britse archeoloog enkele jaren geleden meende te hebben ontdekt, in een kamer achter de tombe van Toetanchamon. Toch heeft zo’n leegte die nu is ontdekt volgens de archeologen in kwestie een functie gehad. Welke is nog onduidelijk: een gang wellicht, of een tombe, een schatkamer? Wie zal het zeggen. Vooralsnog is er een koord rond het gemis aan – in dit geval – kennis gelegd.

Maar is dat zo erg, dat die functie van de lege ruimte onbekend is, en misschien zelfs wel onbekend blijft? De stelligheid van de archeoloog van twee jaar geleden die de tombe van Nefertiti meende te hebben ontdekt kan opbreken. We zijn, volgens Claartje Kruijff, tegenwoordig immers ‘te stellig zijn. We vinden van alles van elkaar, luisteren vaak slecht naar elkaar en zetten onszelf en elkaar makkelijk vast in vastgeroeste veilige beelden van onszelf en elkaar.’ Ze verlangt naar heilige ruimte, ‘levensruimte waar iedereen welkom is, waar tijd en plaats is voor contemplatie en medemenselijkheid’, tussenruimte, ‘machtsvrije ruimte waarin we naast elkaar staan en ruimte maken voor de dieptedimensie in ons bestaan’, een ‘intermenselijke én goddelijke ruimte waarin we ons laten bevragen en nadenken over onze relatie tot onszelf, tot elkaar, tot de wereld en het grotere leven.’

‘Restanten steen in slagorde van dood / wijzen ons bot terecht.’ Zou het niet beter zijn als we die lege ruimte in de Grote Piramide leeg laten, dat wil zeggen: oningevuld, een heilige ruimte, levensruimte tegen de doodverering, een tussenruimte, een intermenselijke én goddelijke ruimte waarin het idee dat Apollo ‘lang, blond, gebronsd’ of wat ook was vervliegt in een lach?

 

Hannah Arendt

Elke maand belicht Filosofie Magazine één grote filosoof wiens leven en werk van grote invloed zijn geweest. Deze maand is dat Hannah Arendt. De redactie van Filosofie Magazine selecteerde de belangrijkste boeken. Haar drie in het Nederlands vertaalde werken (Denken, Oordelen en Willen) besprak ik alle drie voor NBD Biblion (zie elders op deze blog). Voor de Open Universiteit Nederland schreef ik in 2013 een werkstuk over haar. De inleiding neem ik hieronder als blog over.

Het belangrijkste boek van Hannah Arendt is The human condition (De menselijke conditie, 1958). Oorspronkelijk had zij het Amor Mundi willen noemen, liefde voor de wereld. In dit boek werkt Arendt haar ideeën uit over een actief leven (vita activa) in de publieke sfeer. Dit leven plaatst zij tegenover de vita contemplativa, het beschouwende leven dat in de westerse filosofie vanaf Plato de boventoon voert. “Haar liefde voor de wereld was bijna een moreel appèl”, zegt de filosofe Susan Neiman in een televisie-interview, “om er op één of andere manier aan bij te dragen dat hij niet ontspoort, anders verraden we de volgende generatie.”[1]

Arendt onderscheidt in The human condition drie menselijke activiteiten: arbeid, werk en handelen. Het eerste behelst het leven an sich, het biologische proces van de wieg tot het graf alsmede de eerste levensbehoeften, en – volgens de uitleg van Heinz Paetzold (Universiteit van Kassel) – uiteindelijk de plaats van de mens in de consumptiemaatschappij.[2] Een maatschappij die onder kritiek wordt gesteld. Werken slaat op de wereld der dingen, producten van kunst en cultuur, en handelen voltrekt zich tussen mensen en is de conditie voor iedere vorm van politiek samenleven – woorden en daden ineen.

Wat hier ontbreekt, is dus het denken, de bron van alle waarheid die men meende te vinden in het Idee of “het transcendente Woord Gods.”[3] Denken maakte Arendt tot onderwerp van wat zij ooit “een soort tweede deel van De menselijke conditie” noemde: Thinking (Denken, 1971).[4] Dit denken “relateert ons aan de wereldse zaken in het heden zoals we daarmee geconfronteerd worden, en produceert via de verbeelding voorstellingen of ‘nabeschouwingen’ waar de andere geestvermogens mee kunnen werken.”[5]

Alle drie de geestesvermogens (denken, willen en oordelen) vallen niet los van elkaar te zien en zijn net als arbeid, werk en handelen op elkaar betrokken. Zonder dat het één ten dienste staat van het ander. Elke vorm van instrumentaliteit is vreemd aan het denken van Arendt. “Zij gaat er namelijk van uit dat het instrumentele handelen alles van zijn intrinsieke waardigheid berooft; het vernietigt elke permanente betekenis en leidt tot een ‘ontwaarding van alle waarden’; het ondermijnt aldus de objectiviteit, de duurzaamheid en de stabiliteit van de woonvorm, die [ze] wereld noemt.”[6]

Bovenstaande gedachtegang en het aansluitende citaat leiden regelrecht naar de uitspraak uit De crisis in de cultuur die mij aanzette tot het onderzoek:

Kathedralen werden gebouwd ad maiorem gloriam Dei (tot meerdere glorie van God); hoewel ze als bouwwerken zeker de noden van een gemeenschap dienden, kunnen deze behoeften hun verfijnde schoonheid nooit verklaren – ze konden evenzeer door een banaal bouwsel gediend worden. Hun schoonheid transcendeerde alle behoeften en maakte deze kathedralen door de eeuwen heen duurzaam. Maar terwijl de schoonheid, zowel de schoonheid van een kathedraal als deze van om het even welk seculier gebouw, noden en functies transcendeert, nooit overschrijdt zij de wereld, al is de inhoud van het werk toevallig religieus.[7]

[1] Susan Neiman in: Ikonhuis. De Nieuwe Wereld. Talkshow met Colet van der Ven (3 mei 2015).
[2] Heinz Paetzold, ‘Arendt en Kant. Politieke filosofie in cultuurfilosofisch kader’ in: Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa. Antoon Van den Braembussche en Maurice Weyembergh (red.) (Budel 2002) 64.
[3] Elisabeth Young-Bruehl, Het belang van Hannah Arendt (Amsterdam 2007) 84.
[4] Idem, 161.
[5] Idem, 185-186.
[6] Antoon Van den Braembussche, ‘De totalitaire verleiding. Hannah Arendt en de stilte van Heidegger’ in: Antoon Van den Braembussche en Maurice Weyembergh (red.) Hannah Arendt. Vita activa versus vita contemplativa (Budel 2002) 94.
[7] Arendt 1995, 49-50. Interessant is dat Arendt het hier ook over noden heeft. Ook dan gaat het om het overschrijden van dingen die ons overkomen. Daardoor kon transcendentie een sterke kracht ter overleving zijn in de concentratie- en vernietigingskampen, waar kunst voor sommige gevangenen troost bij uitstek was. Zie: Nico Rost, Goethe in Dachau. Literatuur en werkelijkheid. Dagboek 1944-1945 (De Bilt, 2015).

De wereld denken

Gescoord in de ramsj : twee gesprekken tussen filosoof Jean Baudrillard en architect Jean Nouvel: Unieke objecten (uitg. Klement/Pelckmans). De tweede architect dit jaar in wiens werk ik me, na Zaha Hadid, verdiep. En wát voor een architect!

Baudrillard stelt hem aan het begin een vraag die een beetje de leidraad van het gesprek wordt: ‘Is er een waarheid van de architectuur, in de zin dat er een boven-zinnelijke bestemming van de architectuur, van ruimte zou zijn?’ Even verderop geeft hij zelf ook een antwoord: er moet dualiteit, interactiviteit en context zijn wil een gebouw verleiden. Een gebouw moet niet over-esthetisch zijn, een pretentie aan betekenis uitdrukken, maar iets hebben wat de esthetiek overstijgt: een geheim. Er moet sprake zijn van een tussenruimte, een leegte, een niets.’
Nouvel gebruikt soortgelijke termen wanneer hij het heeft over ‘een esthetiek van de openbaring’, metafysica en premeditatieve arbeid. En tenslotte: ‘De stijl zou een singuliere manier moeten weerspiegelen om de wereld te denken.’

Wie zijn werk (een beetje) leert kennen, of al kent, herkent deze uitspraken er allemaal in terug. Nouvels stijl op zich en al zijn gebouwen in het bijzonder zijn singulier en vallen in geen enkel hokje onder te brengen. Iets wat overigens ook voor het werk van Hadid geldt. Nouvel paart high tech-ontwikkelingen aan prachtige kleuren en structuren die niet alleen verrassen (verleiden noemt Baudrillard het) maar ook aansluiten op de context, de omgeving.

In Nederland staat er tot nu toe een voorbeeld van: het nieuwe hoofdkantoor van het Europees Octrooibureau in Rijswijk, dat volgend jaar in gebruik wordt genomen. Wat Nouvel hier deed, is aansluiting vinden bij het Hollandse landschap. In de glazen gevel met zijn transparantie en weerkaatsing van het licht, vind je er iets van terug.
Ook in België valt een mooi voorbeeld van zijn werk te vinden: het hoofdkwartier van politie in Charleroi, in combinatie met een dansstudio. Het hoge gebouw (75 meter ten opzichte van 107 meter in Rijswijk) sluit op de begane grond haast naadloos aan op de omringende laagbouw. Dat was ook de bedoeling. De toren is niet van glas, maar van geglazuurd politie-blauwe bakstenen die contrasteren met de rode baksteen gebouwen aan de voet ervan.
Iets verder weg, in Parijs, staat het prachtige Institut du Monde Arabe, waarvan de gevel (zie afb. rechts) is geïnspireerd door de noucharabies uit de Islamitische architectuur.

Aan de overzijde van de Oceaan bouwde Nouvel het Minneapolis’s Guthrie theater, geïnspireerd door het industriële verleden, de Mississippi River en de St. Anthony Falls (zie afb. links). Het lijkt zo op afbeeldingen van een adembenemende schoonheid te zijn.
Aan de andere kant van de wereld verrijst het National Art Museum of China, een ontwerp waarmee hij Rem Koolhaas, Zaha Hadid en Frank Gehry de loef afstak. Het ontwerp is gebaseerd op een penseelstreek en verheft zich, boven-zinnelijk, van de aarde.

Ik zie het al: verkende ik afgelopen zomer Londen in de voetsporen van Hadid, een volgende keer is Nouvel aan de beurt. Voor naar het One New Change complex, dat hij maakte als een contrapunt op de St. Paul’s Cathedral. Vanaf het terras schijn je ook nog een prachtig uitzicht over de stad te hebben. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de Torre Agba in Barcelona, of Le Philharmonie de Paris. Er valt nog zoveel te ontdekken …

http://www.architecturaldigest.com/gallery/jean-nouvel-architecture

 

Idealen – Jozef en zijn broers (IV)

Ter voorbereiding op – en inmiddels: tijdens – de cursus Thomas Mann: Jozef en zijn broers ben ik begonnen deze vierdelige romancyclus te lezen. Gelukkig bestaat er van dit magnum opus van 1328 pagina’s, geschreven tussen 1933-1943, inmiddels een Nederlandse vertaling van Thijs Pollmann. ‘Het is een project’ om dit te lezen, zoals degene zei die mij in 2006 op het spoor van de Duitse grootmeester zette; het jaar waarin ik maar meteen Manns woning in Lübeck bezocht. Telkens wanneer ik een deel uit de cyclus uit heb, zal ik in een blog één element eruit weergeven dat mij in het bijzonder heeft geraakt. Hierbij de vierde en laatste, naar aanleiding van Jozef de voorziener.

Ik lees: ‘Wat zit je nu in zak en as – als ik me mag bedienen van jullie aan het armzalige Syrisch ontleende manier van spreken, die wij zonder nadenken van je hebben overgenomen – bij Chonsu, we zullen voortaan niets meer van je overnemen, geen hond zal van jou nog een stuk brood aanpakken, zoals je daar ligt! En waarom? Allemaal lichtzinnigheid en ontucht. De grote meneer spelen, hè, in zo’n huis! (…) Nou, nu heb je behoorlijk over je eigen voeten gemorst, zodat ze stijf staan en plakkerig zullen worden – lieve help! Ik wist toch dat je op den duur het dienblad niet meer kon houden. En waarom kon je dat niet? Omdat je een barbaar bent! Omdat je niet meer dan een zandhaas bent met je bandeloosheid van het ellendige Zahi, zonder enig gevoel voor verhoudingen, zonder de levenswijsheid van het land van de mensen.’ (p. 952).

Dit vierde deel van de romancyclus werd in 1943 gedrukt, midden in de Tweede Wereldoorlog. Het is duidelijk dat de auteur ernaar verwijst: de verwijzing naar Marcus 7, waarin sprake is van honden die onder de tafel de kruimels opeten die de kinderen hebben laten vallen. Ik heb het wel eens horen uitleggen als: de honden zijn de heidenen, de kinderen staan voor Israël en de kruimels brood zijn inclusief voor Israël en de wereld. De Syro-Fenicische had begrepen, wat de discipelen in dit verhaal niet door hadden.
En dat wordt dan middel in de Tweede Wereldoorlog, met zijn vreemdelingen- en jodenhaat geschreven. Als een aanklacht.

Ook nu heeft het gedeelte van deze vierde blog ons nog steeds veel te zeggen. Niet alleen vanuit de huidige politiek, waarin het populisme (weer) haast Salonfähig lijkt te zijn geworden met Thierry Baudet die zich het had over ‘homeopatische verdunning’ toen hij het over vermenging met andere volken had. Maar ook uitlatingen over ‘drank en vrouwen’ door Jeroen Dijsselbloem doen denken aan de ‘lichtzinnigheid en ontucht’ waar Thomas Mann het over heeft.

Maar er zijn ook mensen die hier in daad en woord dwars tegenin durven te gaan. Ik denk aan Johan Simons (zie foto rechts), die aanstaande zondag aan het woord komt in de laatste uitzending van de serie Made in Europe (NPO 2 en Canvas, 20.15-21.05 uur). Door – zoals in een interview met hem door Ilse van der Velden in de VPRO Gids van komende week – ‘acteurs zoals Pierre Bokma mee te nemen naar het buitenland’, waardoor hij ‘voor een kruisbestuiving tussen het Nederlandse, Vlaamse en Duitse toneelwezen’ zorgt.

Volgens Simons kom je ‘samen tot een hoger niveau. Maar het is pas echt helemaal goed als Hamlet wordt gespeeld door een Chinees, zijn moeder door een Duitse en zijn vader door een Canadees.’ Op het slot van het interview komt ook – hoe kan het haast anders – Thomas Mann ter sprake. Gerard Mortier wilde destijds De Toverberg ‘als een soort basismateriaal gebruiken, omdat het ten grondslag ligt aan de Europese gedachte. Die wordt daarin op een heel heldere manier geformuleerd. Dat Thomas Mann in zo’n vroeg stadium al het Europese denken heeft weten te verwoorden, ongelooflijk.’
Ik weet wel waarom ik op die prachtige HOVO-cursus intekende! Als tegenwicht tegen alle Jeroen Dijsselbloemen en Thierry Baudets. In de geest van alle Johan Simonsen en Pierre Bokma’s. Made in Europe. Jawel. En zelfs meer dan dat.

Alicja Gescinska – Allmensch

Allmensch : van middelmaat tot meesterschap / Alicja Gescinska. – Gent : Academia Press, [2016]. – 39 pagina’s ; 18 cm. – Met literatuuropgave. ISBN 978-90-382-2636-1

Als eerste in een nieuwe Vlaamse reeks boekjes over literatuur en filosofie in zakformaat, verschijnt een essay van de jonge filosofe Alicja Gescinska, die ook bekend werd door haar roman Een soort van liefde (2016). Het begrip ‘Allmensch’ is afkomstig
uit het denken van de Duitse filosoof Max Scheler en verdient volgens Gescinska een nieuw leven. Bedoeld wordt ‘een mens die zijn essentiële vermogens om goed te doen maximaliseert en dus de spanning tussen wat is en wat zou moeten zijn minimaliseert’. Voor zichzelf en voor de wereld. De Allmensch kijkt niet voldaan terug, maar vooruit onder het mom van wat blueslegende B.B. King omschreef als ‘You can always do better’, het adagium ‘plus est en vous’ van de jezuïeten en het Hebreeuwse begrip timshel (vrijheid, verantwoordelijkheid, bestemming van de mens). Een in heldere taal geschreven, betekenisvol pleidooi dat ieder weldenkend mens zou moeten aanspreken en aansporen het beste uit zichzelf te halen ten gunste van de samenleving.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Een ademtocht

Op zijn tijd krijg ik van een oud-collega een gedicht toegestuurd; ik heb mij destijds ingeschreven voor zijn Gedicht van de week. De ene keer spreekt me zo’n gedicht, uit alle windstreken en tijdsgewrichten, meer aan dan de andere keer. Dat is, zou ik zeggen, logisch. Afgelopen week werd mijn aandacht mateloos getrokken door onderstaand gedicht:  

OP EEN GEGEVEN MOMENT

Op een gegeven moment

ademden alle mensen en alle dieren wereldwijd onafgesproken tegelijkertijd in,
en er bleek precies genoeg zuurstof te zijn voor iedereen.

De atmosfeer wist niet wat hem overkwam:
het luchtruim zoog zich vacuüm, het was overal windstil.
Vogels en vliegtuigen verzakten in de lucht en
overal ter wereld doofden de brandjes.

De wereld hield zijn adem in, wist zich geen raad met de stilte.

Dit was het begin van de eerste wereldvrede
die precies één ademtocht zou duren.

Toen ademde men uit.

De vuurtjes werden aangewakkerd, gekibbel hervat.
Niemand had iets gemerkt.

MAAIKE HANEVELD (geb. 1986, zie foto)

Om te beginnen alleen de titel al: een moment dat ons gegeven is, zoals eens ons de adem werd gegeven en ingeblazen. Een oud-cursist van mij had wat met ‘momenten’ waarop alles kantelt. Op de één of andere manier spaarde hij ze. Hoe weet ik niet, maar hij liet er zich een keer in die zin over uit. En ik kan me er iets bij voorstellen.

Neem nu dit moment, waarop alle levende wezens, mensen en dieren, allemaal tegelijk inademen. Ik moet denken aan de tsimtsoem, de samentrekking van God om ruimte te maken voor de mens. Hij hield als het ware even zijn adem in, zodat wij in of op kunnen ademen. En het wonder was daar: alle levende wezens ademden uit één mond, als uit één lichaam en ziedaar:  er bleek precies genoeg zuurstof te zijn voor allemaal!

Het was windstil, en alle brandjes ter wereld doofden. Zoals het windstil is bij een zonsverduistering, en op het moment van de schepping, toen Gods geest over de wateren zweefde. Die windstilte, toen de wereld zijn adem inhield, was de aankondiging van de eerste wereldvrede. Maar het mocht maar een moment duren: precies die ene ademtocht.

Toen ademde iedereen weer uit. Of dat ook tegelijk gebeurde, vertelt de tekst niet. Ik denk het niet, eigenlijk; iedereen lijkt wel weer teruggevallen te zijn op zichzelf. Het effect was in ieder geval dat de vuurtjes door de luchtverplaatsing weer werden aangewakkerd en onenigheid weer verder ging waar het even was gestopt.

Niemand had het moment van wereldvrede opgemerkt. En toch was het, als een Messiaans moment, onder ons geweest. Zou het terugkomen als we nog een keer, op een gegeven moment, allemaal tegelijk in zouden inademen? Als uit een collectieve wereldgeest die iedereen die snakt naar vrede tegelijk bezielt? In een luchtruim dat zich vacuüm zoog. Of is de wereld daarvoor teveel uit elkaar gevallen? Dan rest de opdracht om hem heel te maken en dat moment dichterbij te brengen en te doen verkeren in een eeuwigdurend gebeuren.

 

http://www.maaikeheefteenwebsite.nl/