In de palm van Zijn hand gegrift

Na Haarlem (Ph. Frankplein, 2012) en Heemstede (Vrijheidsdreef, 2016) heeft nu ook Bloemendaal, bij het bevrijdingsmonument (Hartenlustlaan) een door Patrick van der Vegt ontworpen namenmonument ter herinnering aan de 123 joden die uit het midden van Bloemendaal zijn weggevoerd en niet meer terugkwamen.
Ze vormen tezamen, en stuk voor stuk, een indrukwekkende herinnering waarin de hand van de maker valt te herkennen.

In het monument te Bloemendaal kun je naar believen denk ik primair een bima (de verhoogde plaats in de synagoge vanwaar uit de Tenach wordt gelezen) of een katheder herkennen. Bij het vooraanzicht lees je aan drie kanten de namen, aan de achterkant staat in het midden een afbeelding. Het geheel rust op een jodenster waarop de namen van de concentratie- en vernietigingskampen staan gebeiteld.

Het eerste beeld, dat van de bima c.q. katheder, vind ik mooi en raak gekozen. Net als het feit dat aan de achterzijde de zijkanten open zijn gehouden. Het is als een waarschuwing: de jodenvervolgingen kennen geen einde en we moeten ervoor waken en vechten dat ‘het’ niet nog eens gebeurt, én het is als een verbeelding van de toekomst: het móet een einde kennen, er mogen niet nóg meer namen bijkomen. Het is genoeg geweest.

Met de sokkel, de jodenster en de namen van de kampen, heb ik wat meer moeite. Natuurlijk, het is het teken dat de joden op hun kleding moesten naaien. Maar het vormt een deel van de joodse identiteit, waarbij ik denk aan de zogenaamde schijf van vijf van Ido Abram. Hierin heeft de sjoah en het antisemitisme, de vervolging (en voegt hij toe: overleving) natuurlijk een nadrukkelijke plaats, in het midden. Na de joodse religie, cultuur en traditie, na Israël (Zionsverlangen en zionisme) en voor iemands persoonlijke levensgeschiedenis en de Nederlandse cultuur en omgeving.

Je zou haast wensen dat de drie namenmonumenten van Van der Vegt qua beeldvorming in elkaar overvloeien, zoals dia’s dat kunnen doen. In mijn gedachten vervang ik de jodenster dan graag door het opengeslagen boek zoals dat in Heemstede vorm is gegeven. Geen beeld van de dood, maar als het boek des levens (Maleachi 3:16), waarin 123 namen van de weggevoerde inwoners van Bloemendaal zijn bijgeschreven, als in de palm van Zijn hand gegrift (Jesaja 49:16). Voor mijn gevoel doet dit het joodse denken meer recht. Wat nadrukkelijk niets afdoet aan het feit dat we altijd moeten blijven herinneren en gedenken.

Foto’s: Peter Folstar

Betrokken raken in een gesprek

Theo Witvliet heeft een prachtig essay geschreven over het humanisme van Martin Buber. Eigenlijk moet ik zeggen: Theo Witvliet heeft wéér een prachtig boek geschreven, na onder meer Het geheim van het lege midden (2004). Meteen aan het begin deelt hij al zijn inzicht op Buber met de lezer: ‘Wie op de een of andere manier geraakt wordt door wat de heilige geschriften te vertellen hebben, ontvangt geen kant en klare waarheid, maar raakt betrokken in een gesprek.’ Met God en als mensen onderling, in de wetenschap dat er voor Buber geen scheiding bestaat tussen ‘leven in de wereld’ en ‘leven in God’, tussen het leven van alledag en de cultus van religie. Een gewone gebeurtenis kan heel bijzonder zijn. ‘Het is de opdracht van de mens de breuken te helen tussen God en wereld, materie en geest, heilig en profaan, en ook tussen mensen en volken onderling.’

Niet dat er niets meer te wensen zou zijn. Wanneer Witvliet bijvoorbeeld vertelt over het bezoek dat Gershom Scholem, de grote kenner van de joodse mystiek, uitgerekend in 1943 aan Buber bracht, en zijn bezwaren uit tegen Bubers interpretatie van het chassidisme (Kafka zou dat ook doen), was Bubers antwoord dat het hem totaal niet interesseerde. Al dan niet in de voetsporen van Eric Kurlanders boek Hitler’s monsters: u supernatural history of the Third Reich had Buber dieper kunnen pijlen.

Witvliet heeft overigens wel gelijk wanneer hij zegt dat Bubers denken ‘meer is dan een spiegeling van twee wereldoorlogen, van de Shoah en van het gevecht om de staat Israël.’ Dat heeft volgens hem te maken met drie inspiratiebronnen:

  1. Het chassidisme
  2. De bevrijding uit de slavernij
  3. Het woord jichoed (eenheid), dat verwijst naar het Sjema Israël (Deut. 6:4).

Witvliet schrijft in verband met het laatste dat hij ‘echte gemeenschap niet vaak heeft meegemaakt. Maar de enkele keer dat ik echt iets van gemeenschap voelde, waren juist momenten waar mensen van verschillende achtergronden en culturen bij elkaar waren.’ Zo licht een stukje van het rijke leven van de theoloog Witvliet op, in contact met anderen en daarmee ook het dialogische aspect dat kenmerkend is voor Martin Buber doordenkend. Een mooi boek, dat is het.


Theo Witvliet: Kwaliteit van leven. Het humanisme van Martin Buber (uitg. Skandalon, 2017). ISBN 978-94-92183-39-2, € 19,95

Ons jodendom – Dick Houwaart (red.)

Ons Jodendom / Dick Houwaart (red.). – Elburg : Uitgeverij Ipenburg, [2017]. – 292 pagina’s : illustraties ; 21 × 21 cm ISBN 978-90-70105-28-0

Postuum verschenen bundel artikelen die journalist Dick Houwaart (1927-2016) redigeerde. In feite een vervolg op zijn Mijn jodendom (1980), waarbij het verschil in de titels opvalt: mijn tegenover ons. In wezen zijn het persoonlijke verhalen van negentien min of meer bekende, na-oorlogse joden die al dan niet over gedeelde
onderwerpen gaan. Tot de schrijvers behoren Menno ten Brink, Lody van der Kamp, Leo Mock, Marianne van Praag, Emile Schrijver en Hanna Luden. De al dan niet gedeelde thema’s die voorbij komen zijn onder meer: Israël, sabbat, ritueel slachten en besnijdenis, de hoge feesten, joods Nederland, vader-joden, de Tweede Wereldoorlog en antisemitisme. Sommige auteurs gaan ook in op het gedachtegoed van Dick Houwaart. De artikelen geven zowel herkenning als nieuwe inzichten in bijvoorbeeld een stroming als het reconstructionisme, die probeert het jodendom opnieuw vorm te geven op grond van tradities. Op mooi papier gedrukte tegenhanger van Ontroerende onzin (2016) van Ronit Palache, waarin minder bekende, ook oudere joden worden geïnterviewd. Met verklarende woordenlijst, personalia en paginagrote portretten van de auteurs.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Samen vieren?

Gisteren, maandag 24 april, vond in de Amsterdamse Thomaskerk een studiemiddag plaats met vijf protestantse en vijf rooms-katholieke theologen over Eucharistie en Avondmaal. De vraag was: is samen vieren mogelijk? Wat geloven we precies en hoe beleven we dat sacrament? De uiteindelijke vraag was: welke beletselen staan (nog) in de weg voor een gezamenlijke viering?

Leeuwarden
Jaren en jaren geleden was er gedonder tussen de (toen nog) Nederlands Hervormde Gemeente en de rooms-katholieke parochie in de wijk Bilgaard in Leeuwarden, waar zij gezamenlijk een kerkgebouw (nu wijkcentrum) gebruikten. Hoe de vork precies in de steel zat, weet ik niet meer. Wel dat de pastoor het veld moest ruimen, en dat op een zondag er een gezamenlijke dienst was, inclusief Eucharistie/Avondmaal. Beide voorgangers, de predikant en de pastoor, deelden brood en wijn uit. Ik stemde met mijn voeten voor de pastoor en tegen het beleid, en ging bij hem – die als ik mij goed herinner door alle ellende kort daarna een hartaanval of beroerte kreeg – ter tafel. Iets dat in ieder geval door de synode sinds de jaren zestig van de vorige eeuw werd gebillijkt.

Band tussen Christus en de Kerk is fundamenteel:
Christus als oersacrament
Kerk als grondsacrament, als plaats waar Gods heil wordt gehoord en zichtbaar gemaakt.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

De Slangenburg
Ik was eens een midweek in de Slangenburg en vierde een deel van een viering mee. Een deel – want wij werden weliswaar genodigd, zonder onderscheid. Ik wilde voor het delen van brood en wijn naar voren gaan, maar werd door degene die naast mij zat min of meer tegengehouden: dit mag je níet doen. Ik voelde me buitengesloten en verdrietig, ik die niet aan avondmaalsmijding deed, zoals ik me nog van mijn moeder herinnerde. Dat gevoel herkende ik helemaal in wat Henk Meulink (voorzitter van de Raad van Kerken in Amsterdam) vertelde in het mislukte tafelgesprek tussen maar liefst negen mannen en één vrouw (!), deels ook nog eens met de rug naar het publiek, na de twee inleidingen – door mgr. dr. De Korte en dr. Karel Blei – : in zorginstellingen bestaan gemeenschappelijke vieringen. Of liever gezegd: tot nu, want onlangs werd hij genood én geweigerd. De arm van het kerkelijk gezag van Rome reikt ver, en omsluit – zoals de armen, de zuilengalerij voor de St. Pieter op het St. Pietersplein – alléén rooms-katholieken.

Er bestaat een nauwe relatie tussen Eucharistische gemeenschap en kerkelijke gemeenschap.
Maaltijd van de kerkelijke eenheid: eenheid in geloven is nodig voor deelname aan de Eucharistie.
Vergelijk met het Eucharistie gebed: gebed voor paus; bisschoppen; onze doden.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

Israël
In Israël heb ik het voorrecht gehad in een kibboets op sjabbat aan de maaltijd te hebben aangezeten. Iedereen voelde zich welkom, hoewel het overduidelijk was dat er niet-joden aanwezig waren. De christelijke mannen hadden hun hoofd bedekt, zoals te doen gebruikelijk. Met een keppeltje of een servet. Het was niemands bedoeling dat de joden zich tot het christendom zouden ‘bekeren’ noch dat de christenen jood zouden worden. Ieder beleefde de maaltijd op zijn/haar manier, in verbondenheid, eerbied en respect voor elkaar.

Niet al vierende naar de eenheid toegroeien maar de gezamenlijke Eucharistie als afronding van het proces van eenwording van alle christenen (‘De Maaltijd wordt uitgesteld’).

(Mgr. Dr. Gerard De Korte)

Is er sacrament omdat er kerk is, of is er kerk omdat er (o.a.) sacrament is? Katholieken zijn geneigd tot het eerste, protestanten tot het tweede. Maar beide aspecten hebben hun waarde.

(Dr. Karel Blei)

Antwerpen
Enkele jaren geleden was ik in een koosjer restaurant in Antwerpen, waar joden en christenen gezamenlijk de lunch gebruikten. Degene met wie ik samen reisde, twijfelde bij de ingang van het restaurant even of ze haar handen ritueel zou reinigen in de bekkens met water die daar stonden opgesteld. Uiteindelijk deed zij dit niet, omdat ze het niet gepast vond. Daarin had ze, vond ik gelijk, en ik volgde haar voorbeeld. Want in tegenstelling tot de Slangenburg, ervoer ik dit op dat moment als zodanig: dit is niet voor mij bestemd.

Leren en vieren
De nadruk lag tijdens deze studiemiddag op het leren – op met name het rooms-katholieke leergezag, dat de protestanten deels achter zich hebben gelaten door het lezen van het didactische tafelformulier te vervangen door een tafelgebed waarin meer nadruk ligt op het vieren van het Avondmaal, dat soms ook Maaltijd van de Heer wordt genoemd.

Andere, nieuw naar voren gekomen aspecten zijn: gemeenschapsbeleving, toekomstverwachting, diaconale gerichtheid (breken en delen in de samenleving).

(Dr. Karel Blei)

Wat zal ik doen als ik weer eens, zoals in Leeuwarden of de Slangenburg voor de keuze zal komen te staan: meevieren of blijven zitten? Het eerste, denk ik. En dan is een leerhuisbijeenkomst als deze, zoals Wilken Veen, voorzitter van het tafelgesprek zei, ‘een voorfase tot gezamenlijk vieren.’ Laten we het daar op houden.


De Oude Kerkgemeente en het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie organiseert op dinsdag 16, 23 en 30 mei a.s. in de Van Limmikhof (Nieuwe Keizersgracht 1a te Amsterdam) een leerhuis o.d.t.
De maaltijd van de Heer met prof. dr. Rinse Reeling Brouwer (Protestantse Theologische Universiteit), één van de tien deelnemers aan wat een tafelgesprek had moeten worden.

Ronit Palache – Ontroerende onzin

Ontroerende onzin : de joodse identiteit in het Nederland van nu / Ronit Palache. – Amsterdam : Prometheus, 2016. – 311 pagina’s ; 20 cm
ISBN 978-90-446-3155-5

In de periode 2013-2016 sprak Ronit Palache zo’n tweehonderd mensen voor de rubriek ‘Mensch’ in het Nieuw Israëlitisch Weekblad (NIW). Dit boek biedt een greep uit de gesprekken die de journaliste en hoofd publiciteit en rechtenmanager bij uitgeverij Prometheus voerde. Gesprekken over joodse identiteit die cirkelen rond thema’s als het al dan niet geloven in God, wel of geen kritiek hebben op Israël, de Sjoah, antisemitisme en het al dan niet uitsluiten van vaderjoden. Het zijn merendeels geen bekende joden die Palache interviewde, maar allemaal mannen en vrouwen, jong en oud, orthodox of ongelovig, die nadenken over hun identiteit. Daardoor is de ondertitel van het boek misleidend; er is geen sprake van ‘de’ joodse identiteit. Het wachten is op soortgelijke interviews met andere minderheden in Nederland. Met een voorwoord van Abram de Swaan en een verklarende woordenlijst.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Idealen – Jozef en zijn broers (IV)

Ter voorbereiding op – en inmiddels: tijdens – de cursus Thomas Mann: Jozef en zijn broers ben ik begonnen deze vierdelige romancyclus te lezen. Gelukkig bestaat er van dit magnum opus van 1328 pagina’s, geschreven tussen 1933-1943, inmiddels een Nederlandse vertaling van Thijs Pollmann. ‘Het is een project’ om dit te lezen, zoals degene zei die mij in 2006 op het spoor van de Duitse grootmeester zette; het jaar waarin ik maar meteen Manns woning in Lübeck bezocht. Telkens wanneer ik een deel uit de cyclus uit heb, zal ik in een blog één element eruit weergeven dat mij in het bijzonder heeft geraakt. Hierbij de vierde en laatste, naar aanleiding van Jozef de voorziener.

Ik lees: ‘Wat zit je nu in zak en as – als ik me mag bedienen van jullie aan het armzalige Syrisch ontleende manier van spreken, die wij zonder nadenken van je hebben overgenomen – bij Chonsu, we zullen voortaan niets meer van je overnemen, geen hond zal van jou nog een stuk brood aanpakken, zoals je daar ligt! En waarom? Allemaal lichtzinnigheid en ontucht. De grote meneer spelen, hè, in zo’n huis! (…) Nou, nu heb je behoorlijk over je eigen voeten gemorst, zodat ze stijf staan en plakkerig zullen worden – lieve help! Ik wist toch dat je op den duur het dienblad niet meer kon houden. En waarom kon je dat niet? Omdat je een barbaar bent! Omdat je niet meer dan een zandhaas bent met je bandeloosheid van het ellendige Zahi, zonder enig gevoel voor verhoudingen, zonder de levenswijsheid van het land van de mensen.’ (p. 952).

Dit vierde deel van de romancyclus werd in 1943 gedrukt, midden in de Tweede Wereldoorlog. Het is duidelijk dat de auteur ernaar verwijst: de verwijzing naar Marcus 7, waarin sprake is van honden die onder de tafel de kruimels opeten die de kinderen hebben laten vallen. Ik heb het wel eens horen uitleggen als: de honden zijn de heidenen, de kinderen staan voor Israël en de kruimels brood zijn inclusief voor Israël en de wereld. De Syro-Fenicische had begrepen, wat de discipelen in dit verhaal niet door hadden.
En dat wordt dan middel in de Tweede Wereldoorlog, met zijn vreemdelingen- en jodenhaat geschreven. Als een aanklacht.

Ook nu heeft het gedeelte van deze vierde blog ons nog steeds veel te zeggen. Niet alleen vanuit de huidige politiek, waarin het populisme (weer) haast Salonfähig lijkt te zijn geworden met Thierry Baudet die zich het had over ‘homeopatische verdunning’ toen hij het over vermenging met andere volken had. Maar ook uitlatingen over ‘drank en vrouwen’ door Jeroen Dijsselbloem doen denken aan de ‘lichtzinnigheid en ontucht’ waar Thomas Mann het over heeft.

Maar er zijn ook mensen die hier in daad en woord dwars tegenin durven te gaan. Ik denk aan Johan Simons (zie foto rechts), die aanstaande zondag aan het woord komt in de laatste uitzending van de serie Made in Europe (NPO 2 en Canvas, 20.15-21.05 uur). Door – zoals in een interview met hem door Ilse van der Velden in de VPRO Gids van komende week – ‘acteurs zoals Pierre Bokma mee te nemen naar het buitenland’, waardoor hij ‘voor een kruisbestuiving tussen het Nederlandse, Vlaamse en Duitse toneelwezen’ zorgt.

Volgens Simons kom je ‘samen tot een hoger niveau. Maar het is pas echt helemaal goed als Hamlet wordt gespeeld door een Chinees, zijn moeder door een Duitse en zijn vader door een Canadees.’ Op het slot van het interview komt ook – hoe kan het haast anders – Thomas Mann ter sprake. Gerard Mortier wilde destijds De Toverberg ‘als een soort basismateriaal gebruiken, omdat het ten grondslag ligt aan de Europese gedachte. Die wordt daarin op een heel heldere manier geformuleerd. Dat Thomas Mann in zo’n vroeg stadium al het Europese denken heeft weten te verwoorden, ongelooflijk.’
Ik weet wel waarom ik op die prachtige HOVO-cursus intekende! Als tegenwicht tegen alle Jeroen Dijsselbloemen en Thierry Baudets. In de geest van alle Johan Simonsen en Pierre Bokma’s. Made in Europe. Jawel. En zelfs meer dan dat.

The Covenant

The covenant : the story of my people / written, composed, directed and produced by Elizabeth & Robert Muren ; narrator Jonathan Settel. – [Barneveld] : Neema, [2016]. – 1 dvd-video (ongeveer 90 min.) : kleur, geluid, breedbeeld ; 12 cm. – Engels en Hebreeuws gesproken, Nederlands ondertiteld. – Omslag vermeldt: Geschiedenis van het Joodse volk van Abraham tot nu. – Videoversie van de musical: Israël : Covenant Productions Ltd, © 2009. ISBN 978-94-921893-0-1

Zaalopname uit Jeruzalem van een opvoering van een musical die de geschiedenis van het Joodse volk vertelt, bezingt en dansend uitbeeldt, vanaf Abraham tot en met de oprichting van de staat Israël. Tekst en muziek zijn geschreven door Elizabeth en Robert Muren. Het doel is de Joden in de staat Israël een hart onder de riem te steken. De stijl doet denken aan muziek en dans zoals die wel in kiboetsiem wordt aangetroffen, vaak in de vorm van een antifoon: tussen de Bijbelse figuren die ten tonele verschijnen enerzijds en het volk Israël anderzijds. Enkele teksten keren telkens terug, zoals het Sjema Israël (Deut. 6:4-9) en Psalm 23. Voordat in het verhaal de overstap wordt
gemaakt naar de diaspora en de Tweede Wereldoorlog, verschijnt kort Jezus van
Nazareth ten tonele. De boodschap is duidelijk: Hij is het die het volk Israël vrij kan
maken. Een smakeloze toevoeging aan een enthousiaste opvoering van niet altijd even
constant niveau. Voor een publiek dat uit onder meer evangelisch-christelijke hoek
belangstelling heeft voor het op deze wijze over het voetlicht brengen van de
geschiedenis van het Jodendom.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

El Niño in ZaterdagMatinee

Al jaren heb ik de gewoonte om in de passietijd een stuk passiemuziek te beluisteren dat ik nog niet kende. Die gewoonte zou zich wel eens kunnen gaan uitbreiden richting Advent. In ieder geval was vandaag de ‘aftrap’ met El Niño van de Amerikaanse componist John Adams (zie foto). Het werd als oratoriumversie (zonder filmbeelden) uitgevoerd in de ZaterdagMatinee in het Amsterdamse Concertgebouw. Het was er al eens eerder te horen geweest, onder leiding van de componist, maar die uitvoering heb ik gemist. Die schade heb ik nu ingehaald.

De magistrale uitvoering was vandaag in handen van het Radio Filharmonisch Orkest, het Groot Omroepkoor (ingestudeerd door Peter Dijkstra) en het Nationaal Kinderkoor (ingestudeerd door Wilma ten Wolde) onder leiding van Markus Stenz. De zonder uitzondering sterke solistenbezetting bestond uit: Joélle Harvey (sopraan), Jennifer Cano (mezzosopraan), Aubrey Allock (bariton), Daniel Brubeck, Nathan Medley en Brian Cummings (countertenoren).

Adams vertelt het verhaal van het kindje (El Niño), en zijdelings ook de storm die naar die naam luistert, vanuit het perspectief van moeder Maria. Hij gebruikte hiervoor niet alleen de klassieke Bijbelteksten uit het Nieuwe Testament, aangevuld met enkele Oudtestamentische teksten, zoals die in één geval ook door Händel werd getoonzet in diens Messiah (‘For thus saith the Lord’), maar ook teksten uit apocriefe Bijbelverhalen en enkele hedendaagse Spaanstalige gedichten.
Daarmee tilt hij het verhaal van de geboorte van het kind Jezus naar een niveau van de geboorte van ‘een’ kind in het algemeen, dat hij als telkens weer een wonder omschrijft.

In de opbouw van het tweedelige werk, dat in 2000 in Parijs in première is gegaan, vielen mij om te beginnen de orkestrale inleidingen op de verschillende, in totaal veertien onderdelen op. Vaak gaat het om toonschilderingen, zoals wanneer sprake is van aartsengel Gabriel, die wordt aangekondigd door een soort nerveus vleugelgefladder in de strijkers. Of de revolutionaire Lofzang van Maria, die wordt ingeleid met wat wel een serie hamerslagen lijkt.

Maar hoe verder het werk vorderde, hoe meer viel mij op dat er, als een diepere laag, sprake is van een dialectische werking. Niet alleen qua instrumentatie, die ronduit geraffineerd is, en waarin zenuwachtigheid binnen een mum van tijd wordt afgewisseld door een lyrische lijn, maar door de tegenstellingen die ook in de tekst voor komen en worden uitgebuit. Heden en verleden staan zo tegenover elkaar (ook in de remiscenties aan bijvoorbeeld de koebellen bij Mahler), maar worden opgeheven met het oog op de toekomst. Bijvoorbeeld in het door vijfenveertig bloedmooi zingende meisjesstemmen gezongen slotkoor, zoals ik het maar zal noemen: het beroemde gedicht Een palmboom van Rosario Castellanos, de Mexicaanse dichteres en ambassadeur in Israël. Hierin buigt een palmboom door de wind en knielt zo om het kind te aanbidden, als in een gebaar van gebed voor de (komende) Messias. Prachtig!

Geweldloosheid als gedeeld doel

Fouad LarouiAnton Wessels

Afgelopen seizoen heb ik de cursus Apolyptiek in de Koran van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE) gevolgd. De inleider was Anton Wessels (zie foto rechts), van wie in dezelfde tijd het boek ’t Is een vreemdeling zeker werd gepubliceerd. De avond Historische oorzaken chaos Midden-Oosten: imperialisme of Arabische verdeeldheid? die gisteravond in de Openbare Bibliotheek Amsterdam in samenwerking met De Wereld Academie werd georganiseerd, leek me een mooie aanvulling hierop. Behalve dat de verschillende inleidingen (door Jielis van Baalen, Fouad Laroui en Carolien Roelants) een beetje koekoek eenzang waren, klopte dit achteraf wel.

Fouad Laroui (foto links) had het op het slot van zijn lezing over het narratief van Israël. De Israëliërs vieren de geboorte van de staat, de Palestijnen treuren erover. Die twee uitingen zou je naast elkaar moeten kunnen laten staan, en – aldus Laroui – optillen ‘naar een algemeen verhaal.’

Thuisgekomen moest ik denken aan de inleiding van Anton Wessels op 12 maart van dit jaar. En aan het artikel dat Nadine Huiskes in De Linker Wang (maart 2016) over hem schreef, en dat hij rond liet gaan. Ik noteerde: ‘Hoop, vertrouwen en een gedeeld doel zijn volgens Wessels belangrijk voor het slagen van de dialoog.’

Even eerder had Wessels het over geweldloosheid gehad. Zou dat het algemene verhaal, het gedeelde doel zijn waar we naar moeten streven? En dan vat ik geweld op in de ruime betekenis van het woord. Ook het kleineren van moslims, dat als koekoek eenzang in de drie lezingen terugkwam. Of, zoals ik las op de website http://www.universele-beschaving.nl/Universele_beschaving__definit/body_universele_beschaving__definit.html: ‘Met geweld wordt over het algemeen de gewelddadige agressie bedoeld die voortkomt uit egocentrisme, onbewustheid, frustratie en respectloosheid.
Respectloosheid uit het ontbreken van het fundamentele besef dat de andere mens wezenlijk is als wijzelf; uit het ontbreken van empathie.’

Laroui verontschuldigde zich haast voor wat hij noemde een misschien wat naïeve opvatting. Maar voor mij was het een antwoord op een niet gestelde vraag – een antwoord waar we mee aan de slag moeten kunnen. Want dat gaat boven dialoog uit.

Nationaal Holocaust Museum i.o.

Majdanek (2009)

Majdanek (2009)

Hervormde Kweekschool

Het is niet de eerste keer dat het me overkomt. Het gebeurde al eerder, toen ik bij het voormalige concentratiekamp Madjanek uit de bus stapte. Een onbetwistbare brandgeur van een barbecue drong mijn neusgaten binnen. Maar het was iets anders: een synesthetische ervaring.

Ik zou wat ik bij een bezoek aan het Nationaal Holocaust Museum i.o. (foto rechts) niet zo willen noemen, maar wat ik hoorde en zag was er niet minder opvallend door. In één van de ruimtes hangt Adressen (2013) van Bart Domburg. Een met een fineliner opgeschreven straatnamen en huisnummers van plaatsen waar joden werden weggevoerd. Een indrukwekkend werk, dat op het moment dat ik ervoor stond door een medewerkster van het museum voorzichtig met een fijne borstel stofvrij werd gemaakt. De zorgvuldigheid waarmee ze het deed raakte me. Evenals een mevrouw die even daarvoor zich al naar de adressen toegebogen stond, en tegen iemand zei: ‘Het danst helemaal.’

Op dat moment schoven twee beelden bij mij over elkaar: dat van de dans waarop de joden in de kampen van de beulen moesten dansen, en die Sjostakovitsj in verschillende composities wrang verklankte. En dat van een hora die ik eens op een avond zag dansen door een moeder en een klein kind in een kibboets in Israël. Statig en naar elkaar toegewend. Uit de ene dans spreekt een ongehoorde droefheid, uit de andere een onuitblusbare hoop. Beide gevoelens bekruipen je als je het nieuwe museum in Amsterdam bezoekt. En dat is ook de bedoeling van de oprichters ervan.

In een andere ruimte hangen negen schilderijen die Jeroen Krabbé schilderde naar aanleiding van het levensverhaal van zijn vermoordde grootvader, Abraham Reiss. Op het laatste ervan is een groepje ganzen afgebeeld, wiens gegak – zoals Jules Schelvis berichtte – de noodkreten van de mensen in de gaskamer moest overstemmen. Ik stond pal voor een geblindeerd raam, waar opeens vogelgeluiden doorheen naar binnen drongen. Vogels uit Artis, dat immers om de hoek aan de overkant van de straat ligt. Het kwam opeens wel heel erg dichtbij en ontdaan ben ik stilletjes weggelopen.

http://www.jck.nl

http://bartdomburg.com/portfolio/adressen-detail/