Bruckner als kathedralenbouwer

Bruckner_Ferry Bératon

Op 17 augustus speelt het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Daniel Harding in het kader van de Robeco Summernights de Vijfde symfonie in Bes van Anton Bruckner (zie afb.). Volgens de Agenda van het Concertgebouw een ‘gedragen en spiritueel’ werk. ‘Aan het eind van Bruckners monumentale tunnel is een straaltje licht.’
T.g.v. deze uitvoering plaats ik hier een gedeelte van een ongepubliceerd artikel dat ik in 1974 schreef.

 

Gigantische kathedralen met illusionistische zuilen en houten beelden – het is volgens André Malraux allemaal ‘propaganda voor de hemel.’ Want in die kathedralen – Augustinus zei: ‘het Rijk Gods op aarde’ – voelde de gotische mens zich opgenomen in een andere, transcendentale werkelijkheid.

Als het waar is, dat kathedralen bemiddelaars naar God zijn, zoals Simone Weil beweerde, dan moet Anton Bruckner ongeveer dezelfde gevoelens hebben gehad als mensen uit de middeleeuwen en de gotiek. Na een grote klankontlading geeft hij de grootst mogelijke intensiteit aan een generale pauze, een moment van algehele stilte die dwingend is. In zo’n stilte moet voor de componist het begrip van een bovenwereldlijke werkelijkheid mogelijk zijn geworden.
Hij had gevonden, waar Gustav Mahler in zijn pogingen om díe stilte te bereiken waarin volgens de pantheïstische mens het transcendentale voelbaar zou moeten worden, faalde. Want ‘Bruckner had God gevonden; Mahler zocht z’n hele leven naar Hem’ (Bruno Walter).

Anton Bruckner had de stilte nodig, zoals hij een op volle toeren spelend symfonieorkest nodig had om zich afhankelijk en klein te voelen, gelijk de kathedralenbezoeker die beschroomd rondloopt in een gebouw dat halfdonker des te mystieker aandoet.
Mystiek niet in de zin van Angelus Silesius (1625-1677), maar eerder in de trant van een beschouwende instelling à la Eckhart, die uiting gaf aan het soort afhankelijkheidsgevoel dat Rudolf Otto ‘creatuurgevoel’ noemde. Dat wil zeggen: het gevoel zelf erg klein te zijn, de behoefte zich weg te cijferen. Iets dat bij Bruckner samenging met de mogelijkheid het het gevoel verantwoordelijkheid te verliezen door zich individualistisch uit de wereld terug te trekken in de natuur. Beide kanten, die van de God-zoekende in de stilte en die van de zich verkleinende mens van stof en as, komen duidelijk in Bruckners werk naar voren.

De verklaring voor Bruckners grote orkesten wordt vaak – overigens niet geheel ten onrechte – gezocht in zijn veel genoemde kinderlijke karakter. Van de behoefte aan schaalvergroting bij kinderlijke mensen bestaan immers genoeg voorbeelden: van het volwassenen declinerende Madurodam tot de reuzenklomp in St. Oedenrode, van Hitlers bekende verlangen een Muttersönchen te mogen blijven tot Richard Wagners zelfbevrijding, en van de oorverdovende klankmassa’s in disco’s tot het volumineuze geluid van heavy metal.

Dit komt mij in verband met Bruckner echter als een simplificatie voor; de verklaring voor zijn zucht naar grootsheid moet eerder worden gezocht in het verlengde van zijn religieuze gevoelens: een klein mens in een grote kathedraal, luisterend naar majestueuze, volgens de componist het treurige in de wereld verklankende koralen.
Een mens ook die zijn God in de natuur dacht te vinden, en dientengevolge veel – gecultiveerde – Ländler-achtige scherzi schreef. Bij Bruckner geen tegenstrijdigheid, maar een eenheid als een tak en een boom. Bruckners missen zijn immers gecamoufleerde symfonieën en de grondstemming van zijn symfonieën die van een mis, zelfs met letterlijke citaten, zoals in het Adagio uit de Tweede symfonie, waarin wordt geciteerd uit het Benedictus uit de Mis in f.

Vanuit die middeleeuws aandoende eenheidsconceptie moet Bruckners muziek worden beluisterd. En vandaar uit kan hij worden gezien als één der laatste middeleeuwers, zoals Kokoschka zich, al dan niet terecht, als één der laatste barokkunstenaars beschouwde.

 

De spiritualiteit van Paul Cézanne

Cezanne_Flessen en perziken

Ik houd van vierkante vormen
romaanse structuren
en Mondriaan
evenwicht tussen
het spirituele en het materiële.

 

 

 

Woorden van oud-museumdirecteur Willem Sandberg die, op een tekstpaneel gedrukt, de bezoekers van de tentoonstelling Era Sandberg (1992 in het Amsterdamse Stedelijk Museum) ter introductie werden meegegeven.

Wie vervolgens in de eerste zaal een door Sandberg gekocht doek van Mondriaan dacht aan te treffen, kwam echter bedrogen uit. Het eerste schilderij was één van de mooiste stillevens van Paul Cézanne: Flessen en perziken (zie afb.) – mooier dan de hele ‘galerie van Cézanne’ uit het Time/Life-boek De wereld van Cézanne (p. 134-135) bij elkaar, maar verwant aan de recente vondst van een onaffe aquarel in het Barnes Foundation museum van Philadelphia, die van 10 april tot 18 mei tentoongesteld zal worden, samen met een onaffe houtskooltekening.

Flessen en perziken is een schilderij dat – met excuus aan Mondriaan – althans voor mij de woorden van Sandberg niet beter kan uitdrukken. Was de mooiste recensie na de tegenvallende tentoonstelling The spiritual in art (Haags Gemeentemuseum, 1987) niet de verzuchting: ‘Wat is er nu spiritueler dan een appel van Cézanne’? Maar die appels en peren waren in Den Haag niet te zien geweest. In tegenstelling tot zeventien doeken van Mondriaan, grotendeels uit de eigen collectie.

Het spirituele en materiële gaan met name in de sterkste scheppingsperiode van Cézanne (1883-1895), waarin op het eind ook Flessen en perziken ontstond, op een evenwichtige manier samen die je later misschien alleen nog bij de Italiaanse schilder Giogrio Morandi aantreft. Het ingetogen, spirituele zit in de verhouding tussen de aan elkaar gerelateerde kleuren en vormen van de flessen en perziken. De materie is niet opgeheven, zoals in gotische kathedralen die – als ze over hun hoogtepunt heen zijn – lijken te zweven (Troyes!), maar is geworteld in het hier en nu als bij romaanse kerken. Tussen twee haakjes een reden voor sommige bevrijdingstheologen om zich meer verwant te voelen aan het romaans dan aan de gotiek.

Het in 1951 door Sandberg aangekochte doek bewijst eens te meer dat de bron vaak daar ontspringt waar je het op voorhand niet zou verwachten. Zelfs op de achterkant van een werk, zoals de aanschaf van Barnes in Philadelphia bewijst.

Gebaseerd op een oorspronkelijk in In formatie, voor en uit de Hervormde wijkgemeente rondom de Weerenkapel (april 1992) verschenen stuk over Cézanne.

Maya-expositie in Assen

Maya'sHet Drents Museum bereidt een bijzondere archeologische tentoonstelling voor: een grote Maya-expositie van maart tot september 2016.
Circa 150 objecten uit Midden-Amerika zullen te zien zijn in Assen, dus niet uit collecties van Europese musea, maar van de bron (Mexico en Guatamala) zelf. Bijna alles wat in 2016 in Assen te zien zal zijn, is niet eerder in Europa te zien geweest.
Ter gelegenheid hiervan herplaats ik hier een artikel over de Maya’s dat ik schreef voor In formatie (juli/augustus 1998).

Van 24 september-24 december 1993 was in de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis te Brussel de expositie ‘Maya-Metropolen’ te zien. Een schitterende én schokkende tentoonstelling tegelijk.
Schitterend was vooral het pottenbakkerswerk uit de laat-klassieke periode (ca. 1000 na Chr.). Dit werk raakte het wezen – was een Ding an Sich op de manier zoals ik dr. Chana Safrai dat eens heb horen omschrijven: als iets dat kleur geeft aan het bestaan.

Schokkend waren vooral de vele beeldjes van verminkte mensen, mensen met voorhoofden die vanaf de geboorte, als het voorhoofd nog week is, waren ingedrukt. ‘De Maya’s waren wreder dan wij denken’, meldde een televisiedocumentaire die in de tentoonstellingsperiode door de BBC werd uitgezonden.
Maar het waren niet alleen de verminkte voorhoofden die aan het denken zetten. Het waren ook de beeldjes van mismaakte mensen die, op een andere manier dan het pottenbakkerswerk, indruk maakten.

Het is natuurlijk makkelijk om ‘de rijke verbeelding en creatieve vrijheid’ uit de klassieke Maya-periode te vergelijken met ‘het Westers naturalisme’ uit de gotiek en renaissance, zoals in de TELEAC-cursus ‘Op zoek naar de bronnen van onze beschaving’ werd gedaan. Van daaruit kun je de lijn doortrekken naar de talloze mismaakten die in dezelfde periode aan de westerse hoven tot vermaak dienden.

Komt daarmee de wereld van de Maya’s dichterbij? Op het eerste gezicht niet, want het blijft een vreemde wereld. En bovendien: ontdoe je met zulke en andere vergelijkingen, zoals met de pyramides van Egypte, de cultuur van de Maya’s niet van haar eigen waarde? Wat iets anders is dan cultureel relativisten doen: het zover gaan dat walgelijke praktijken uit een andere cultuur, of het nu gaat om voorhoofd- of clitorisverminking, boven elke veroordeling verheven worden geacht.

Maar in tweede instantie brengt zo’n vergelijking ons die vreemde wereld toch dichterbij. Was ook iemand als Donatello, de grote beeldhouwer uit de vroeg-renaissance, er niet op uit om mensen naturalistisch weer te geven, zoals de oude mannenkop in de Nasjonalgallerie van Oslo? Niet ‘mooi’, volgens onze door de Griekse beeldhouwkunst beïnvloede kijk op het menselijk lichaam, maar in alle waarachtigheid.

Misschien was dat het wel dat bij de Maya-kunst indruk maakte: mismaakte mensen als wezen-in-zichzelf, als Mensch en niet als mislukte afgeleiden. Wie zal het zeggen. Over ruim een jaar krijgen we in Assen een herkansing om onze geest te scherpen.

Naschrift                                                                   

In Assen (zie foto Ati de Zeeuw, rechts) speelt,
nadrukkelijker dan ik me van Brussel kan her-
inneren, maïs een grote rol, ook in de bijzondere
vormgeving van de tentoonstelling. Verminkte
mensen komen er niet of nauwelijks in voor,
of het zouden penisverminkingen moeten zijn
en de rol van het bloed dat daarbij vloeit. En
onthoofdingen die verliezers van een bepaald
balspel ten deel vielen. Van dwergen (kleine
mensen) wordt de haast goddelijke status
vermeld. Wat rest is een voor alles esthetische
indruk.

Het licht romantisch?

Peter Neefs_Kathedraal AntwerpenHet summum aan spiritualiteit in de middeleeuwen is volgens de documentaire Les cathédrales dévollées, over het ontstaan van de gotiek in Frankrijk (uitgezonden door TV5 Monde, 2 december 2014) het licht. In de tijd van advent bij uitstek een item om stil bij te staan. Dat doe ik door herplaatsing van een artikel uit Quadraatschrft (maart 1998).

Ik was van mijn stuk gebracht toen ik dr. M.P. Pranger (Universiteit van Amsterdam) eens in een lezing hoorde zeggen, dat de Franse schrijver Georges Duby absoluut geen gelijk had met zijn verheerlijking van het licht in de Franse kathedralen. Wie wel eens in een donkere Franse kerk is geweest, moet volgens Pranger toch kunnen beamen dat dit allemaal maar romantisch is.

Aan de ene kant kwam het mij bekend voor; twee keer had ik met donker weer de Notre-Dame in Parijs gezien en twee keer met al even slecht weer de kathedraal van Reims: geen mooie gebrandschilderde ramen in al hun glorie, maar donkerte alom.
Toch had ik ook twee andere indrukken opgedaan: in de overweldigend lichte kathedralen van Troyes en Antwerpen. Hier – al is volgens kunsthistorici de gotiek hier over haar hoogtepunt heen – heb ik wel iets ervaren van wat Duby in de voetsporen van Dionysius de Areopagiet moet hebben bedoeld met het idee dat God licht is (in: De kathedralenbouwers).

Ik kan me daarom helemaal voorstellen dat – hoewel anderen daaraan twijfelen – de kunsthistoricus H. Jantzen meent dat de kathedraal op het schilderij Kerkinterieur bij nacht (Boedapest, Szépmüvészeti Museum) van Peter Neefs (ca. 1578-na 1656, zie afb.) uitgerekend de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen is. En niet alleen omdat de Vlaming deze kerk vaker heeft afgebeeld.

Ook hier zitten twee kanten aan het verhaal: dit schilderij heet niet voor niets Kerkinterieur bij nacht; het is er overwegend donker, net als bij slecht weer. Behalve op de plaats die destijds ook zo’n indruk op mij maakte: onder de achthoekige vieringskoepel. Daar staat een processie van mensen met fakkels. De fakkels verspreiden een helder licht, zoals je dat overdag op deze plaats ook zonder fakkels gewaar kunt worden.

Neefs dorst aan waar Duby volgens Pranger bang voor was: hij toonde niet alleen het licht, maar ook de duisternis. Zo krijgt op dit schilderij ook de duisternis op een indrukwekkende manier haar plaats:

de nacht licht als de dag,
de duisternis is als het licht
(Psalm 139).