Projecties van christelijke en witte mensen – een drieluik

Al een poosje heb ik geen drieluik meer geschreven, dus het wordt naar mijn gevoel wel weer eens tijd. Dit keer over wat er gebeurde tijdens een zondagse eredienst in mijn wijkgemeente, de laatste ochtend van een Bijbelkring over het boek Esther in dezelfde gemeente en het lezen van een prachtig artikel over Nelson Mandela in De Groene Amsterdammer. Een drieluik, omdat ze alle drie op één of andere manier met elkaar in verband staan.

1.
Eerst dan de dienst van zondag 24 februari jl. met een gastpredikant en een koor. Gelezen werd Lucas 6: 27-38 (‘De wet der liefde’). Het slot hiervan luidt aldus:

36Weest barmhartig, gelijk uw Vader barmhartig is. 37En oordeelt niet en gij zult niet geoordeeld worden. En veroordeelt niet en gij zult niet veroordeeld worden; laat los en gij zult losgelaten worden. 38Geeft en u zal gegeven worden: een goede, gedrukte, geschudde, overlopende maat zal men in uw schoot geven. Want met de maat, waarmede gij meet, zal u wedergemeten worden.

Het koor zong onder meer – een beetje vreemd, maar oké – John Brown’s body. De dirigent verstond het, om pal daarvoor nog even te reflecteren op de preek over bovengenoemde tekst en 1 Korinthiërs 15:35-49. Hij had het over John Brown (1800-1859, foto links), een ‘militante strijder tegen de slavernij die een vrijheidsbeweging startte over de Afro-Amerikanen, in 1859 gevangen werd genomen door de manschappen van generaal Robert E. Lee, berecht, schuldig bevonden en veroordeeld tot de galg’. Dat was terecht, vond hij, want hij had niets van het Evangelie begrepen.
Ik kon niet anders dan concluderen, dat ik dan toch echt een andere preek had gehoord, over niet oordelen (naar aanleiding van vers 37). En ik moest denken aan het mooie boek We hadden liefde, we hadden wapens van Christine Otten, dat ik voor literairnederland.nl recenseerde. ‘Een intense en prachtige triomf van de empathische verbeelding’, aldus Antjie Krog.

2.
In de week hierna lazen we op donderdagochtend de twee laatste hoofdstukken uit het kleine Bijbelboek Esther. We laten:

5De Joden nu sloegen op al hun vijanden, met den slag des zwaards, en der doding, en der verderving; en zij deden met hun haters naar hun welbehagen. 6En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen. 7En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata, 8En Poratha, en Adalia, en Aridatha, 9En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha, 10De tien zonen van Haman, den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hun handen niet aan den roof.

Voordat het gesprek weer een obligate richting in zwenkte (de wraakzuchtige joden uit het Oude tegenover de vredelievende christenen uit het Nieuwe Testament), probeerde ik de nog steeds boven de groep hangende vraag waarom de naam van God in dit Bijbelboekje niet voorkomt, te duiden. Misschien omdat hij Zijn gezicht afwendt bij zoveel kwaad? Bovendien gaat aan het Poerimfeest een vastendag vooraf. ‘Juich niet als je vijand valt’, leerde het joodse volk van de rabbijnen. Uit een lezing die Nechamah Mayer-Hirsch eens hield voor Kerk en Synagoge in Amsterdam-Buitenveldert, jaren en jaren geleden, citeer ik in dit verband het volgende: ‘Het beeld paste niet in het ontwerp zoals de kerk de Jood wilde hebben: de bange, laffe, sjlemielige Jood die het aan eigen gedrag te danken heeft dat hij door zijn omgeving zo gehaat wordt. Die rond hoort te gaan met de jodenlap, de jodenhoed en de jodenster, maar zeker niet met een wapen in zijn hand.’

3.
Iets soortgelijks lees ik in het mooie artikel, de ingekorte versie van de Nelson Mandela-lezing in februari jl., dat de schrijver en activist Sisonke Msimang schreef c.q. hield over Nelson Mandela (De Groene Amsterdammer 28 februari 2019, foto rechts): ‘Madiba is meer dan een totem. Laat Nelson Mandela geen heilige worden.’ Zij schrijft erover hoe Mandela’s nalatenschap wordt versimpeld en afgezwakt, wat ‘hem tot een pion maakt in de projecties van angstige witte mensen, met als doel ons te doen vergeten dat hij ook een vrijheidsstrijder en een intellectuele reus was’. Voorts was ‘de dreiging eerder van wit dan zwart geweld’, zoals we ook in het boek van Christine Otten kunnen lezen. ‘Het waren de witten die de militaire macht in handen hadden, het waren de witten die boos waren over het verlies van hun macht en die een geschiedenis hadden van wreed en gewelddadig optreden tegen zwarten.’  

Deze analyse geldt niet alleen voor witte mensen, maar ook voor christenen die zich een oordeel aanmeten over zwarte vrijheidsstrijders en over joden die wreed en gewelddadig optreden. In beide gevallen zijn het projecties. Van angst wellicht.

De dominantie van een m/Meester

Het gebeurde gisteravond aan het slot van de eerste van twee Spinoza lezingen door prof. Catherine Malabou (foto rechts) over het thema ‘Philisophy and Anarchy’. En dan doel ik niet op een student die zich afvroeg of dominantie niet ook een positieve betekenis kan hebben, waarbij hij wees op het boek Geschiedenis van de seksualiteit van Michel Foucault, onlangs in een Nederlandse vertaling van Jeanne Holierhoek uitgekomen bij Boom. Nog afgezien van het feit of die student Foucault wel goed had begrepen (zie het artikel van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 21 februari jl., met name par. 1), ontlokte hij aan Malabou een diepe zucht en de opmerking dat zij ‘dit pad niet volgt’.

Nee, ik doel op de laatste vragensteller (‘opponent’, verbeterde de partner van een kennis mij). Zijn vraag volgde op een opmerking van Malabou dat ‘filosofie de dominantie van een meester’ is. Hij verwees naar het dialogische discours vanaf Plato. Malabou reageerde met twee opmerkingen:

  1. Plato is gedurende zijn leven van mening veranderd
  2. Je moet de dominantie (h)erkennen en je ervan bevrijden

De eerste pleit denk ik niet voor Plato, de tweede bleef bij mij hangen.
Natuurlijk kun je er, om te beginnen, ook kanttekeningen bij plaatsen: de meester, de alwetende leraar is iets dat uit de tijd is. Dat geldt denk ik ook voor de dominee, de dokter enz. Op hetzelfde moment dat ik op weg was naar de Aula aan het Amsterdamse Spui, spraken in De Wereld draait door een arts en een ethicus die aangaven ook van hun patiënt te kunnen leren. Tot zover is het duidelijk.

Maar dan lees ik in het boek Leven in de waagschaal van Wessel ten Boom enkele opmerkingen die de uitlating van Malabou (het was doodstil toen zij ze uitsprak) in misschien het juiste kader zetten. Ze staan in de hoofdstukken ‘De infantilisering van de kerk’ en ‘Van vader naar broeder’ (veel verder ben ik nog niet). Eigenlijk zeggen die titels al genoeg: een kerk die geen m/Meester of l/Leraar meer erkent, vervalt tot liturgisch bloemschikken, maar die leraar (Karl Barth in dit geval) kan ook je broeder worden, dichterbij, naast je komen, wanneer je je deels van zijn invloed bevrijdt maar je toch nog door hem/haar laat gezeggen.

In het eerste hoofdstuk gaat het, vrij vertaald, over de dominantie van de Leraar: ‘Waar het Woord opengaat en zijn genadig licht over ons doet schijnen, daar treden wij terug in onze aspiraties, die zucht naar sterrendom, en worden dankbaar stil, vervuld van een innige liefde.’ Ten Boom heeft het, schrijft hij in het tweede hiervoor genoemde hoofdstuk één keer meegemaakt (p. 54). Hij vraagt zich even verderop af: ‘Heeft een ander ons nog iets te zeggen dat ons als waarheid overtuigt?’ Ten Boom heeft niet de illusie ‘hierin ook maar enigszins vrij te zijn’. Dat idee houdt voor hem in dat je geen ander meer naast je duldt ‘die jou de waarheid zegt, omdat je zélf je leven wilt bepalen’.

Ten Boom erkent dat ‘wijsbegeerte een troost is’. Godsdienst soms ook. Daarom sta ik met het ene been in het eerste en bezoek lezingen als deze en met het andere in het tweede en lees een boek als dit, dat als een stomp in je maag binnenkomt. ‘Ik denk dus ik ben’ (Descartes) en: ‘Ik bid dus ik ben’ (Hoedemaker). Volgende keer (14 maart a.s.) verder.

Link naar de opname van de lezing van prof. Malabou: https://webcolleges.uva.nl/Mediasite/Play/a277e0e2dc03499e931532e08f9c15781d

Boksen is eigenlijk een denksport

Des te ouder je wordt, lijkt het wel, des te meer je bepaalde voorliefdes van je ouders gaat begrijpen. Eén liefde van mijn vader, die voor boksen, probeer ik al lange tijd te doorgronden. Hoe kon iemand die zó vredelievend was en – in spreekwoordelijke zin – nog geen vlieg kwaad deed, van boksen houden? Midden in de nacht stond hij, als hij de slaap niet kon vatten, soms op om op de televisie naar een bokswedstrijd te kijken. Waarvan hij dan de volgende ochtend aan het ontbijt verslag deed. Huh?

Ik herken me om te beginnen niet in een omschrijving van Thomas Heerma van Voss, vandaag in De Groene Amsterdammer. Hij schrijft dat boksen ‘een manier is om alles uit jezelf te halen’, zoals in de filmcyclus Creed. ‘Boksen als middel om jezelf fysiek zo veel mogelijk uit te dagen. Als strohalm voor mensen die niets meer te verliezen hebben, een laatste middel waarmee achtergestelden en onzichtbaren zich alsnog kunnen laten gelden’.

Maar soms komt er een (andere) film of een interview voorbij, waarin iets oplicht: strategisch inzicht was zo’n opmerking die ik op die manier eens opving en onthield. Ja, dat kan wel kloppen – dat had mijn vader zeker. Maar een van de knipplakgedichten van  Vicky Franken die je vanaf vandaag als alternatief poëzieweekgeschenk (Blauw is tweekleurig) bij sommige boekhandels gratis krijgt bij aankoop van een bepaald bedrag aan poëzie, kwam tot nu toe het dichtste bij (zie afb.). Het dichtste bij, omdat het dat strategische in zich draagt en klopt: mijn vader was een groot liefhebber van denksporten: schaken, dammen, puzzelen. En boksen dus.

Ja, dat bundeltje wil ik (ook) graag hebben! Niets ten nadele van het reguliere poëzieweekgeschenk van Tom Lanoye natuurlijk!

http://www.uitgeverijcru.nl/bundels/blauw-is-tweekleurig/

 

Loek Zonneveld en William Shakespeare

De afgelopen week overleden theaterrecensent, auteur, docent en dramaturg Loek Zonneveld schreef veel over Shakespeare. Als het een toneelopvoering betrof, die ik zelf ook heb gezien, omdat ik al een kaartje had of er naar aanleiding van zijn recensie alsnog kocht, heb ik de voorbeschouwingen en/of recensies bewaard.

Het eerste is een achtergrondartikel over Driekoningenavond (de Groene Amsterdammer, 5 augustus 2005). Een mooie, klassiek opgebouwde bespreking. Eerst gaat het over de ‘scheur in het werk van William Shakespeare’ en de rol die de nar daarbinnen speelt: grappig en, na 1600, droevig. Dan over Twelfth Night zelf, ‘een donkere komedie over de liefde’, en tenslotte over de opvoeringsgeschiedenis van de laatste tijd in Nederland.
Leve de Groene die Zonneveld naast dit twee pagina’s omvattende stuk ook apart nog ruimte bood voor zijn recensie van één van de opvoeringen: die in Diever. (Ik zag die van de Theatercompagnie, april 2006 en had toen waarschijnlijk nog geen abonnement op de Groene, want het is een kopie van het artikel dat ik heb bewaard).

We springen zomaar vier jaar verder; ik heb waarschijnlijk inmiddels een abonnement. Naar Romeo en Julia. In zijn recensie in de Groene van 13 februari 2009 vergelijkt Zonneveld twee producties: door Rik Engelkes en van Het Nationaal Toneel, die ik zag. In deze recensie toont hij zich tegendraads, afwijkend van doorsnee opvattingen: ‘Geen dichtgemetselde visie op het stuk (zoals hier en daar wel is gesuggereerd) maar het resultaat van een intelligente en frisse herlezing van de tekst door Zandwijk en haar spelers’ van het RO Theater. Om te concluderen dat zij Shakespeares ‘toneelpoëzie dichter bij een breed publiek brengt’. En ook daar is volgens Zonneveld niets mis mee.

De opvoering van Rosencrantz and Guildenstern are dead in mei 2010 kreeg zelfs in de Groene een recensie in twee delen: 29 april en 6 mei. In het eerste deel schetst Zonneveld, net als bij Diekoningenavond, eerst de achtergrond, in het tweede gaat hij dieper in op het stuk van Tom Stoppard over de twee nevenfiguren uit Hamlet en de opvoering door zijn (en mijn) geliefde ’t Barre Land.

Heerlijk is weer zo’n overzichtsartikel over verschillende opvoeringen van Hamlet in het seizoen 2010-2011 (de Groene, 14 oktober 2010). Hierin constateert Zonneveld dat ‘Hamlet als twijfelaar – een klassieke, goethiaans-romantische visie op de tekst – al geruime tijd geleden bij het grof vuil is gezet’, al haalde een oud-collega van mij hem nog in 1995 van stal in haar scriptie over de receptie van Sjostakovitsj, wat aanleiding gat tot een duelletje tussen ons.
Zonneveld kent zijn klassieken en citeert Jan Kott, terwijl hij er tevens – en wel vaker – op wijst dat Shakespeare Montaigne las. Hij weet deze kennis echter zó in zijn artikelen te verweven, dat het past als een handschoen en niet overkomt als een omgevallen boekenkast.
‘Dé ultieme Hamlet’, schrijft Zonneveld in zijn recensie van de opvoering door Toneelgroep Oostpool (2 december 2010) bestaat niet. Daarom kun je hem telkens en telkens weer zien.

Dat geldt overigens voor de meeste Shakespearestukken. De volgende in het rijtje was de onvergetelijke opvoering van De storm door de Toneelmakerij. Een voorstelling die je ‘vooral en absoluut’ niet mag missen, zoals hij aanstekelijk schrijft. Klopte helemaal!
Het was, memoreerde Zonneveld in de Groene van 23 juni 2011, ‘het seizoen van vóór de Grote Afbraak, dat begon met de reprise van Shakespeares De storm, in de versie van Liesbeth Colthof en Rieks Swarte’. Om dan uit te roepen: ‘Allemaal verdwenen, allemaal weg!’ Achter deze noodkreet stak ik een brief van de directeur van de Koninklijke Schouwburg, dat de internationale productie van Hamlet door Schauspiel Graz in de regie van Theu Boermans, waarvoor ik een kaartje had gekocht, is geannuleerd ‘wegens financiële redenen’…

Een enkele keer besprak Zonneveld ook een boek. Op 22 september 2011 was dat Het Boek 1996-2008. De Paardenkathedraal, en 23 september stond ik in de boekwinkel om het te kopen, mede omdat er een registratie bij was gevoegd van Dirk Tanghe’s onvergetelijke opvoering van de Midsummernightsdream die ik in Utrecht zag en nooit zal vergeten.

Dan komen er enkele seizoenen (2012-2016) waarin ik veel Shakespeare-voorstellingen zag, die Zonneveld niet recenseerde. En dan is er opeens een kritische bespreking van Het verzameld werk van William Shakespeare (ingekort) door Het Nationaal Theater (de Groene, 12 oktober 2017): je krijgt er niets in mee van de veranderende, verrijkte, spitsere, intelligentere, vindingrijker en geestiger omvang met het werk van de Bard, noch met hoe rappers, collectieven (’t Barre Land!) en mensen als Tom Lanoye ‘onze verhouding tot Shakespeare in de voorbije dertig jaar beslissend hebben verbouwd en verspijkerd’.

Dat geldt ook voor de manier waarop tal van niet-westerse en oost-Europese  gezelschappen tegen Shakespeare aankijken; ik zag er heel wat van, Zonneveld (recenseerde) er wat minder van – maar had opeens wel een uitgebreid artikel (de Groene 24 augustus 2017) over de regie van Daria Bukvic van Othello.

Hierna houdt mijn verzameling knipsels over Shakespeare door Zonneveld in de Groene Amsterdammer op, maar gaat verder in William, het magazine voor Shakespeareliefhebbers van het Shakespeare Theater Diever dat ik telkens los koop (een abonnement is onmogelijk): een artikel van zes pagina’s over De getemde feeks (zomer 2017/nr. 10, p. 4-9) onder de kop ‘Ruig’ en een bijna even lang stuk met ‘gedachten bij twee scènes uit King Lear’ (voorjaar 2018/nr. 11, p. 4-7).  Met als afsluiting: ‘Wordt vervolgd’.

Dat laatste zal niet meer gebeuren. Het eerste stuk van Shakespeare dat ik komend seizoen zal zien, is uitgerekend King Lear door Toneelgroep Maastricht (buiten Amsterdam overigens, vreemd genoeg). Het zal ook het eerste zijn waarbij ik niet meer hoef uit te kijken naar een voorbeschouwing of recensie van Loek Zonneveld. Verdrietig maar waar. Daarom zal ik tegen die tijd zijn stuk in William herlezen en proberen met zijn ogen naar deze opvoering te kijken. Wordt vervolgd.

Drieluik

Gisteren stond in dagblad Trouw een mooie blog van Nico de Fijter over een kunstwerk in Münster. Boven een deur van de St. Paulus Dom (foto links) stond in neonlicht ‘een rijtje sierlijke, witte letters’. Er stond: As-salamu alaikum (Vrede zij met u) – ‘een islamitische tekst boven de toegang tot een christelijke kerk’. Even verderop stond boven het LWL-Museum für Kunst und Kultur, recht tegenover de Dom waarnaast  ik verleden jaar samen met een vriendin op een terrasje een kop koffie dronk, ‘Wege zum Frieden’  boven de ingang. En nog weer verder stond de Hebreeuwse versie van deze wens (Shalom aleichem) boven de deur van de Marokkaanse Attawba Moskee.
Het bleek om een project te gaan van de Duitse kunstenaar Fridolin Mestwerdt, die er de ‘wederzijdse waardering en erkenning tussen de drie Abrahamitische godsdiensten’ mee tot uitdrukking wilde brengen.

Ik moest opeens denken aan de drie dozen of kistjes die figureren in Shakespeare’s De koopman van Venetië. Bassanio moet eruit kiezen, wil hij met Portia mogen trouwen. De drie doosjes hebben tot veel interpretaties aanleiding gegeven, maar ik kon voor dit moment in het gouden, zilveren en loden doosje niets anders zien dan het jodendom, het christendom en de islam – de boom, de stam, de takken, en de blaadjes en de bloemen, zoals rabbijn Marianne van Praag ze noemde in de tweede van een serie televisie-uitzendingen onder de titel ‘Kijken in de ziel’ van Coen Verbraak.

Dominee Han Dijk had het in de kerkdienst waar ik vanmorgen was, over drie sleutels om het geheim van Marcus 6:45-52 open te kunnen maken; we moeten Jezus (en God, en Mohammed) volgens hem juist niet in een doosje willen doen, niet willen opsluiten. Maar we moeten wél door een deur de teksten binnengaan.
Hij zag in de onderhavige Evangelietekst drie sleutelmomenten:

  1. Jezus wilde de discipelen voorbij gaan (vs. 48) – zoals God aan Mozes voor(bij) ging, die Hem op de rug zag en volgde.
  2. ‘Ik ben het’, riep Jezus (vs. 51) en daarin weerklinkt de Naam van God: Ik ben die Ik ben.
  3. ‘En zij waren innerlijk bovenmate ontsteld’ (vs. 52) is de derde en laatste sleutel.

Drie wijzen van geloven, drie kistjes, drie sleutels – dat is wat geloof (jodendom, christendom en islam), kunst (in Münster) en toneel (Shakespeare) ons brengen. Of zoals we met een kinderlied (Lied 218 uit het Liedboek) zongen:

Dank U voor vrienden en voor vreemden
die ik tegenkom.

Mystery guest

Catalogiseren en Collectioneren zijn binnen het bibliotheekwerk Heilige Bezigheden. Juist dáárover kan ik me vanaf de bibliotheekopleiding af aan discussies herinneren. Als vakgenoot (in spe). En die discussies gaan nog steeds door, met dit verschil dat bibliothecarissen nu meer als mystery guests in de schoenen van hun klanten proberen te gaan staan, wat een hele verbetering is.

Dat blijkt uit een artikel van Bert Breed, bibliothecaris te Katwijk in Bibliotheekblad, waar Marc van Oostendorp, hoogleraar Nederlands en Academische Communicatie aan de Radboud Universiteit in Nijmegen, vandaag in een tweet op wees. Op de website van Bibliotheekblad vind je ook alle commentaren daarop. Een ervan luidt: ‘Zie hier de achterhoede spreekt (…). De analoge tijd is afgelopen, tijden veranderen.’ Dat kan ik me aantrekken, want ik heb (nog?) geen E-reader – dus hieronder spreekt ook iemand uit de achterhoede.

En om mijn verhaal meteen nog wat ingewikkelder te maken: ik heb binnen mijn bibliotheeknetwerk in Amsterdam een reservering staan voor De Bijbel van Doré, een roman van Torgny Lindgren. Ik had er een recensie over bewaard die in De Groene Amsterdammer (3 februari 2011) was verschenen en wilde dat boek graag gaan lezen.
Op internet wilde ik even checken of het ook als e-book verkrijgbaar is. Dat is niet het geval. Sterker nog: het is helemáál niet meer te verkrijgen, alleen via een site als boekwinkeltjes.nl (stand vandaag: zes exemplaren). Leve de bibliotheek die het niet heeft afgeschreven omdat het te weinig werd uitgeleend bijvoorbeeld, zodat ik het via een reservering kan aanvragen. Of ‘mijn’ filiaal het ooit heeft gehad, weet ik niet, maar voor
€ 0,50 kan ik het komende dagen daar wel ophalen.

Zo hoort het ook en zo heb ik een heel stapeltje recensies bewaard van boeken die ‘mijn’ filiaal niet heeft, maar die wel wonderbaarlijk genoeg allemaal bij een en hetzelfde, ander filiaal in de collectie aanwezig zijn. Je kunt je overigens wel afvragen, hoe het collectiebeleid van de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA) in dezen is: wordt er centraal aangeschaft en staat ’mijn’ filiaal als minder literair te boek dan dat op – in dit geval – het Javaplein?

Gelukkig gaat mijn literaire voorkeur niet zover, dat ik buiten wat in de OBA aanwezig is, zou willen lezen. Dat gold enige tijd geleden wel voor vakliteratuur die ik in het kader van mijn Masterscriptie moest lezen. Ik had op Worldcat gezien in welke bibliotheken het aanwezig was, en een medewerkster van – alweer – ‘mijn’ filiaal controleerde dat even in de catalogus, daarbij verwoed de naam van de auteur als titel intypend, of omgekeerd, dat weet ik niet meer. Haar advies luidde: ‘Dat moet u zelf aanvragen’. Uh? Of zou ik lid moeten worden van Adamnet? Die mogelijkheid vermeldde ze er niet bij, en zelf kwam ik daar pas later op. Het is overigens goed gekomen met die wetenschappelijke literatuur; ik heb ze via mijn universiteit aan kunnen vragen voor toen nog iets van zes euro (nu € 7,50).

Allemaal oplossingen voor wat in bovengenoemd artikel deels aan de orde wordt gesteld. Blijft natuurlijk dat er hier en daar van alles kan haperen: in de collectie zelf, in de kennis van de bibliothecaris. Maar daar schijnen bibliotheekleden zonder bibliotheekopleiding zelf toch minder zwaar aan te tillen, blijkens de uitkomsten van het BiebPanel, waar ik ook jarenlang lid van ben geweest tot ik werd ‘afgeschreven’ omdat men wel eens een andere stem wilde horen.
‘Collectie en informatiefunctie’ is enige tijd geleden een item geweest dat het panel onder hun leden onderzocht. 45% van de ondervraagden vond literaire romans een belangrijk onderdeel van de bibliotheekcollectie; ik zal daar zeker deel van hebben uitgemaakt. En over de actualiteit daarvan is 68% tevreden. Of ik toen ook tot die categorie behoorde, weet ik niet meer.
(Wel dat ik niet heb meegedaan aan dat vreemde onderzoek over Medewerkers. Kom zeg).

Ik weet wel dat ik afgelopen week een exemplaar van de roman Alles is verlicht van Jonathan Safran Foer uit de dozen met afgeschreven boeken in ‘mijn’ filiaal viste. Volgens de catalogus is het boek momenteel uitgeleend (?), maar al zou dit een foutje zijn (ik kan me niet voorstellen dat ze twee exemplaren in de collectie hebben of hadden) – er zijn genoeg filialen die het boek ook hebben, zodat ook hier aanvragen tot de mogelijkheid had behoord.

Conclusie: als oud-bibliothecaris zonder E-reader die nu, als frequent lener en gebruiker van de diensten van de bibliotheek aan de andere kant van de streep staat, tel ik mijn zegeningen. Verbeteren valt er natuurlijk altijd wel iets. Ik zal de laatste zijn om dit te ontkennen. Daarin ben ik het met alle schrijvers in Bibliotheekblad eens.

Vorm en inhoud als constructies

Niemand minder dan de Japankenner, naast veel meer, Ian Buruma liet in het televisieprogramma Buitenhof van 25 maart jl. zijn licht schijnen op de tentoonstelling Van Gogh en Japan in het Amsterdamse Van Goghmuseum (t/m 24 juni 2018). Het begon volgens hem rond 1880. De fotografie kwam op en de kunst hoefde niet meer realistisch te zijn. Kunstenaars zochten naar een andere vorm van kleurgebruik en dergelijke en de Japanse prent was een bron van inspiratie. Op volgens Buruma een van Van Goghs mooiste schilderijen, De slaapkamer (1853-1890, afb. links) kun je zien hoe de schilder de Japanse invloed in zich heeft opgenomen, verwerkt en tot iets heel nieuws heeft gebracht: kleurvlakken die haast eendimensionaal op het doek zijn gezet, zoals op een Japanse prent.

Ik liep afgelopen zaterdag met deze uitspraken in mijn achterhoofd over de tentoonstelling The American Dream in het Drents Museum in Assen (t/m 27 mei a.s.): realistische schilderijen van na de Tweede Wereldoorlog die als een reactie op het abstract expressionisme weer herkenbaar wilden zijn. Soms met een vleugje magisch realisme, ironie (Warhol) of maatschappijkritiek (Wiley).

Voorafgaand aan de expositie woonden wij in de Statenzaal een lezing bij over de dubbeltentoonstelling in Assen en Embden (het vervolg) door Sophie van Steenderen (Vrije Academie). Wat mij opviel, was dat zij op een gegeven moment de omschrijving ‘constructies van de werkelijkheid’ bezigde.
In de trein terug las ik in De Groene Amsterdammer (5 april jl.) de recensie van Koen Kleijn over de Van Goghtentoonstelling. Ook hij uitte zich in soortgelijke bewoordingen: ‘Van Goghs Japan was [volgens Cornelia Homburg in de catalogus, die hij citeert, EvS] “een constructie van een idee die beantwoordde aan zijn [Van Goghs, EvS] behoeften en die was geïnspireerd op allerlei bronnen, waaronder Japanse houtsneden, een breed scala van publicaties over Japan en Japanse kunst, en het werk en de ideeën van zijn tijdgenoten”.’

Ik denk dat Van Steenderen en Kleijn het geheim van zowel Van Gogh en Japan en The American Dream dichter zijn genaderd dan – met alle respect – Buruma. Dat komt niet alleen door de omschrijving ‘constructies van de werkelijkheid’ en ‘constructie van een idee’ maar ook door de helderder definiëring van wat realisme eigenlijk is door Van Steenderen: het heeft niet alleen betrekking op de vorm, al dan niet beïnvloed door de fotografie, maar ook op de inhoud, de werkelijkheid waarin de kunstenaar leeft, met of zonder maatschappijkritiek. En die tijd was voor Van Gogh een andere dan voor bijvoorbeeld Will Barnet, die net als Van Gogh schilderde in haast eendimensionale vlakken. De een beïnvloed door de Japanse prentkunst, de ander – in zijn Woman reading (1965, afb. rechts) – door het minimalisme. Vorm en inhoud – weer kunnen ze niet zonder elkaar, in leven en werken.

‘Een echte Thomas Verbogt’

Thomas Verbogt kan sneller schrijven dan ik kan lezen. Of liever: in de week dat zijn nieuwste roman verschijnt, Hoe alles moest beginnen, kom ik er eindelijk toe zijn vorige roman, Als de winter voorbij is te lezen. Als liefhebber van zijn werk, had ik enkele recensies van beide boeken bewaard. En van de inhoud schrok ik nogal. Maar niet getreurd: op de een of andere manier lijkt het alsof Verbogt zelf in zijn vorige boek zijn critici al voor was! Lees maar.

Op 17 september 2015 verscheen in De Groene Amsterdammer een recensie van Verbogts Als de winter voorbij is door Kees ’t Hart. ‘Bij Verbogt weet je wat je krijgt’, schrijft hij. Verderop heet het: ‘precieze en ingehouden stijl’ die ‘iets gekunstelds heeft.’ Verbogt weet, lijkt het, zelf ook dat dit zo is: ‘Ze is tot het einde toe helder gebleven. Ze heeft zelf de dood laten komen’ wordt bij wijze van spreken van commentaar voorzien: ‘Zo heb ik het nog nooit gehoord: de dood laten komen (…). Het zijn alleen maar woorden.’

Iets soortgelijks gebeurt met ’t Harts opvatting dat Verbogt toegaf ‘aan bespiegelingen die het niveau van vage praatjes en kitsch-achtige sententies niet weten te overstijgen.’ Zelf heeft de auteur het op een gegeven moment over ‘dronken pathetiek.’
Blijft – concludeert ’t Hart gelukkig – ‘een echte Thomas Verbogt, vol van de dromerigheid en ingekeerdheid die kenmerkend is voor zijn werk.’

Daarom was de recensie van zijn nieuweling, door Sebastiaan Kort (in NRC Handelsblad, 8 september 2017) dan weer even schrikken. Maar gelukkig kan hetzelfde procédé worden toegepast: Verbogt geeft als het ware commentaar of antwoorden op ook deze recensent (‘recensist’ hoorde ik afgelopen week een vrijwilliger in een museum zeggen).

Verbogt schrijft aldus Kort ‘lege, weekmakende levenslessen’ waarin ‘zijig wordt gerefereerd aan zaken als “het leven”, “geluk” of “momenten van”.’ Verbogt lijkt ermee te spelen, wanneer hij schrift: ‘”Zullen we iets drinken”, stelde ik voor. “Hier in je oude buurt of de nieuwe?” Die keuze! “In de nieuwe”, zeg ik. En ik wil eraan toevoegen: “in de nieuwe tijd”, maar Aimee vindt dat soort uitspraken meestal “van die uitspraken”.’

‘Je krijgt met deze Verbogt’ schrijft Kort à la ’t Hart ‘de vertrouwde Verbogt-elementen: het gaat over tijd, over glibberigheid van geluk, en natuurlijk over de liefde (…). Als schrijven te maken heeft met het scheppen van een atmosfeer (…), dan zit je bij Verbogt geramd.’ Of zoals hij zelf schrijft: ‘Zij wil het licht houden. Ik ook.’

Gelukkig is er ook nog een andere recensie van Hoe alles moest beginnen, van Rob Schouten (in Trouw, 9 september 2017). Enkele citaten hieruit: ‘Thomas Verbogt is de meester van herinneringen en weemoed (…). Het zijn warme, liefdevolle teksten (…). Niets in Verbogts verhaal (…) is spectaculair, bedoeld om aandacht te trekken (…). Met zijn eenvoudige, oprechte stijl zonder versieringen en relativeringen, richt hij zich direct tot het hart van de lezer (…). Geen sublimering, geen hoge woorden, maar mensentaal voor mensengevoelens (…). Het is een gevoelige wereld die hij schetst, die van de pure aanvechtingen: je kunt er makkelijk cynisch over doen, het wegzetten als sentimentalistische kitsch maar de waarheid is dat Verbogt je met zijn zoektocht naar de kern van gevoelens werkelijk weet te ontroeren (…). Met zo nu en dan een golf van pure extase.’

Ik ben weer thuis. En zie een documentaire over Verbogt in Het uur van de wolf (21 september 2017). Of eigenlijk: een poëtisch filmportret, waarin de schrijver de voice over is en slechts een enkele keer zelf in beeld komt. ‘Het is niet om aan te zien, het is potsierlijk’ meent hij op een gegeven moment. ‘Al dat gedroom, zo is het leven niet. Zo is het leven wél, ik leef toch.’

Een manifest

‘Haar blik ging van links naar rechts, niet op de “oneerlijke Richard Nixon”-manier.’ Zo omschrijft Harlan Cobben een getuige in zijn thriller Geleende tijd. En even verderop laat hij de hoofdpersoon, Paul Copeland denken: ‘Ik geloofde dat als je in de strijd ten onder moest gaan, je dat wel moest doen terwijl je de waarheid trouw bleef.’

De filosofe Susan Neiman (zie foto) zou hier ongetwijfeld mee instemmen, als je haar recent verschenen manifest Widerstand der Vernunft naast deze thriller legt. Neiman benadrukt dat de alternatieve feiten van de regering Trump oude papieren hebben. Vanaf Nixon en uit de tijd dat de Amerikanen Sadam Hoessein ervan beschuldigde massavernietigingswapens te hebben.
John Farrell geeft vandaag in een interview met Menno de Galan in NRC Handelsblad ook een tekenend voorbeeld: ‘Kijk naar het gedrag van Trump! Tijdens zijn reis naar Europa duwde hij op een bijeenkomst de leider van Motenegro aan de kant. Dat lijkt een zeer zwakke echo van Nixon in Vietnam, maar het gaat om de houding: “Leer ze een lesje in nederigheid. Laat zien wie de baas is. Hard optreden tegen buitenlanders, want die hebben jarenlang een loopje met ons genomen.” Amerika hoort nog steeds te winnen’ aldus de auteur van een biografie over Nixon (Richard Nixon: The Life).

Ken uw geschiedenis, zeggen Farrell en Neiman. En trek daar, lijkt Jan van der Putten in zijn Buitenlandcolumn in de Groene Amsterdammer van deze en volgende week aan toe te voegen, er conclusies uit ten aanzien van Kim-Jong un en de Noord-Koreaanse kernmacht. Doe aan waarheidsvinding, zoals in Zuid-Afrika is gedaan, schrijft Neiman. Waarheid en gerechtigheid, daar gaat het om, en daarin toont ze zich een joods denker (chesed ve emet).

Hoe bereik je dat? Door, zegt ze, logisch te denken. Dat kunnen zowel de mensen van de wirwar aan alternatieve feiten als de plunderaars in de straten van Hamburg gedurende de G20 (ik heb het niet over de demonstranten) in hun zak steken; hersenloos noemde een passant ze in het Journaal, en Neiman zou hier meteen aan Hannah Arendt denken die iets soortgelijks zei over Adolf Eichmann. Die demonstranten hadden zo hun ideeën, en daar doet Neiman het voor.
Hoop en idealen, nog zo’n woordenpaar als waarheid en gerechtigheid: “Hoffnung zielt darauf, Tatsachen zu ändern. Hoffung als Ideal zu verstehen, bedeutet, dass sie nicht einfach gegeben ist, sonder errungen werden muss.”

Een fijn boekje, dat tot nadenken en verder denken stem. En zo hoort het te zijn.

Naschrift (18-7): Ook Nederland kent er wat van, blijkens een column van Phaedra Werkhoven vandaag in Trouw: ‘In Nederland is een politicus als Thierry Baudet in opkomst wiens meningen volgens hemzelf feiten zijn en die het bericht over deze Russische fabels [t.a.v. de MH17, EvS] durft te retweeten met de vraag erbij: fake of echt? Waarmee hij de hele rechtsgang van het proces en alles wat door het onderzoeksteam is onderzocht als bedorven voedsel voor het twijfelvolk in de arena werpt.’

Susan Neiman: Widerstand der Vernunft. Ein Manifest zu postfaktischen Zeiten. Uitg. Ecowin, 2017 (ISBN 978-3-7110-0154-2).

De intentie

In het Cobra Museum in Amstelveen is tot en met 24 september a.s. de tentoonstelling Radicale Sociale Animale Talen te zien. Koen Kleijn van De Groene Amsterdammer heeft er al een bezoek aan gebracht, en schrijft in het weekblad van 29 juni jl.: ‘Navid Nuur toont een stel onbestemde brokken keramiek’ (zie afb.). Hij vervolgt met: ‘De brokken zijn een “nulpunt”, een zoeken naar het “oer-DNA van keramiek”, die daarmee “op symbolische wijze bevrijd wordt van rituele, functionele of esthetische eisen”.’ Kleijn concludeert dat het daar mis gaat: ‘Dit is een schoolvoorbeeld van een verintellectualiseerd, verdroogd en steriel soort kunst, die eigenlijk alleen met zichzelf praat en alleen in het hermetische cirkeltje van de bijbehorende tekst relevant is. Het gaat alleen om het proces, niet om de expressie, en al helemaal niet om zoiets als levenskunst of engagement. Het is of je zelf een klarinet bouwt om er niet op te spelen.’

Au. En dat over een kunstenaar wiens werk ik altijd graag mag zien, en waarover ik hier al eerder blogde (https://elsvanswol.nl/?p=894). Laten we de kritiek van Kleijn leggen naast een middag van een Talmoedgroep in het Amsterdamse Gasthuis, de laatste keer van dit seizoen, en kijken waar we dan op uitkomen.

Centraal stond de inleiding en de eerste midrasj uit Avodah Zarah, een traktaat over afgodendienst dat ook voor niet-joden van belang is; het is het eerste van de zeven Noachidische geboden.
Het springende punt is, dat je van een afgodenbeeld geen voordeel mag hebben, er – met Nuur – geen rituele, functionele en esthetische eisen aan mag stellen. Ritueel: je mag het niet vereren, functioneel: als je het verbrandt mag je er geen warmte aan ontlenen, esthetisch: het is geen manifestatie van God.

We lernden aan de hand van Avodah Zarah nog iets anders. Wanneer een niet-jood wijn maakt, mag een jood dit niet drinken, omdat de intentie van een plengoffer aanwezig is. Het ‘oer-DNA’ moet er weer aan terug worden gegeven, om Nuur aan te halen, door het op symbolische wijze te bevrijden. Zomaar een stuk hout of in zijn geval een steen kan niet onrein worden, maar wél wanneer het proces het stadium van een lepel of een altaar heeft bereikt. Het springende moment is hier wanneer de maker van de lepel zegt dat het stuk hout af is, een lepel is en er bijvoorbeeld een dood beestje op valt: ‘En alles waarop zulk een dier valt, als het dood is, zal onrein zijn; elk houten vat of kledingstuk of vel of zak, elk gebruiksvoorwerp’ (Leviticus 11: 32 e.v.).

Gaat het dan, zoals Kleijn zegt, alleen om het voorwerp en niet om de expressie? Juist niet, zou de Talmoed zeggen: het gaat om de intentie, wat we bij Kant deontologie noemen. En dan zijn we eerder bij de ethiek dan bij de esthetiek aangekomen. De cirkel is rond. Hermetisch? Verdroogd? Steriel? Ik dacht het niet. Zo levend als wat.

http://www.nik.nl/2011/04/de-zeven-noachidische-voorschriften/