‘De man die vuur geeft’

We schrijven 2002 en ik ontmoette hem voor het eerst in de tuin van het geboortehuis (nu museum) van Guido Gezelle in Brugge. Ik was meteen verliefd op hem, maar vroeg me af wat hij in die tuin deed. Hij stond daar rustig, het hoofd diep weggedoken in zijn jas. In mijn geheugen hield hij de kraag van die jas om zijn hoofd op, ter bescherming van een vlammetje waarmee hij een sigaret aan wilde steken. Het is de kunstenaar zelf, de veelzijdige Vlaming Jan Fabre (1958) die zichzelf zo neerzette.

Op Art Zuid (2019) liep ik de sigarettenroker weer tegen het lijf (zie foto, EvS). Hij stond daar voor een rijtje deftige huizen, nog steeds onaangedaan en met dat vuurtje. Maar nu pas zag ik dat hij niet zelf een sigaret aan wilde steken, maar het vlammetje in de aanslag hield voor het gezicht van de beschouwer. Tevens ontdekte ik, dat er verschillende afgietsels van dit beeld bestaan dat door het leven gaat als ‘De man die vuur geeft’.

Het was een fijn weerzien, maar ik snapte nog steeds niet wat die inmiddels overal in de publieke ruimte opduikende man in de tuin van het Gezellemuseum deed. Totdat ik een afbeelding zag van zogenaamde pleurants, treurende figuren in monnikspij. Ze staan onder meer op het praalgraf van hertog Jean de Berry in Bourges, of liever: stonden. Want zoals zoveel kunst kwamen ze terecht in de collectie van Russische tsaren. Onlangs waren ze te zien op een tentoonstelling in de Hermitage Amsterdam. Ook dit zijn zowel ingetogen als expressieve, nu kleine beelden (ca. 37 cm. hoog) van een man die zijn hoofd verstopt in de kap van in dit geval zijn pij.

Oké, de vormen van ‘De man die vuur geeft’ en die van de rouwklagers doen aan elkaar denken, maar Fabre voegt inhoudelijk iets aan die pleurants toe. Hij treurt niet openlijk om een gestorvene, Guido Gezelle wellicht, maar maakt duidelijk dat Gezelle en vele anderen ons over de dood heen nog steeds vuur geven door middel van in dit geval gedichten.
Ik word in die opvatting gesterkt door een gedicht dat Fabre in 2003 zelf schreef:

Ik brand heviger dan mag en voorzien
Ik brand er niet alleen voor mezelf
maar ook om anderen vuur en licht te geven
Op diezelfde manier
heb ik vuur en licht van anderen gekregen

Dat laatste is misschien nu hij als F. in een rechtszaak vanwege een #MeeToo-drama bij zijn theatergezelschap Trobleyn is betrokken wat dubbelzinnig, maar dát deed hij in ieder geval wel in die tuin in Brugge, in die laan in Amsterdam-Zuid: het vuur dat hij van anderen (zoals wellicht zijn landgenoot Gezelle) ontving doorgeven.

Deze blog verscheen eerder in Drieluik, gezamenlijke uitgave van de Protestantse Wijkgemeente Amsterdam-Noord (oktober 2021, p. 10).

Kijken, lezen en luisteren (II)

Zo tegen het eind van het jaar is het weer tijd voor oudejaarslijstjes. Bij mij zijn dat jaarthema’s, een thema waar ik me een jaar lang extra in heb verdiept.
Vandaag deel twee van het jaarthema 2021: Indonesië.

6.
Tijdens het Holland Festival zag ik via een internetverbinding een opvoering van Ine Aya. Over vijanden aan de rand van de wereld, die komen om het volk en de bossen van Kalimantan te vernietigen. Het zijn de ‘krijgers van de horizon’.
Van een wijdvertakte boom, de hoge boom die tot aan de hemel reikte, is ook niets meer over. Hij is naar de rand van de wereld geworpen. De wereld heeft haar wijsheid verloren. Het dansen gebeurt aan de rand van het toneel, maar dan licht de hemel weer op. Een nieuwe dag. Er groeit een boom naast een oude bron. Dieren schuilen er en mensen vinden er rust.

7.
In 2020 overleed Winnie Willigen, de moeder van theatermaker Eric de Vroedt. Voor Het Nationaal Theater schreef en regisseerde hij een voorstelling over haar, De eeuw van mijn moeder. Deze voorstelling werd in drie delen op de televisie uitgezonden en maakte veel indruk.
In dezelfde tijd zond de NTR op 11 augustus in ‘Het uur van de wolf’ een documentaire over De Vroedt uit. Over een schrijver en regisseur die – zoals Lotte Goos, kostuummaakster zegt – ‘zijn moeder wilde reanimeren’, wat zo herkenbaar is. Pas als het doek is gevallen, moet hij echt afscheid van haar nemen.

8.
In dagblad Trouw stond op 2 november 2021 op één pagina het laatste gedeelte van een artikel ov er het depot van Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, en een artikel over het Slavernijmuseum dat er moet komen.
De directie van Boijmans heeft het over de ‘achterkant’ van het museum tegenover de ‘esthetische kant’ van het museum zelf, dat zeker tot 2028 is gesloten. Het woord ‘achterkant’ tegenover ‘esthetische kant’ resoneren mee in het artikel over het Slavernijmuseum. Daarin zal het ook niet primair gaan over esthetiek, over schoonheid, maar over de achterkant van het getoonde, dat we lang niet hebben gezien of willen zien (zie in de vorige blog nummer 5, over het beeld van Lotta Blokker voor de kerk in Barneveld): ‘een onderbelicht deel van onze geschiedenis dat naar het nu moet worden gebracht om de bewustwording te vergroten’.

9.
En dan de tentoonstelling over Kirchner en Nolde in relatie tot nationalisme en kolonialisme in het Amsterdamse Stedelijk Museum.
Tegen het eind van deze expositie ging het over de portretten die Nolde maakte van mensen uit Papoea-Nieuw Guinea. Hij maakte er een expeditie naartoe in het kielzog van artsen die de rasseneigenschappen van de bevolking onderzochten. Terwijl zij dat deden en daarbij op verschillen in huidskleuren en haartypes letten, tekende Nolde. Op een tekstbordje in de tentoonstelling wordt gevraagd ‘hoe dit voor de geportretteerden was en hoe zij de kunstenaar zagen’. Dat is niet meer te achterhalen. Wat Nolde zocht, was de mens in harmonie met de natuur, zoals hij dat later als nationaalsocialist voort zou zetten. In een recensie van de tentoonstelling vraagt de recensent zich af: wat zou je op een ansichtkaart van zo’n afbeelding zetten? Weet ik het, na negen stukjes bewustwording?

10.
Nummer 10: een tentoonstelling in de Philipsvleugel van het Rijksmuseum (11 februari-6 juni 2022) over – zoals de website zegt – ‘het vurig najagen van een vrij Indonesië na een lange tijd van koloniale overheersing’. Hierin zal worden ingezoomd ‘op persoonlijke verhalen van mensen die het meemaakten in de jaren 1945-1949’ waardoor ‘duidelijk wordt dat deze geschiedenis vele gezichten en stemmen heeft’.
Onder de namen van mensen die meewerkten, treffen we onder meer die van Sadiah Boonstra aan, die we ook in de eerste van de twee blogs tegenkwamen. Hij is ook een van de auteurs van het boek Revolusi! Indonesië onafhankelijk dat het Rijksmuseum samen met Uitgeverij Atlas Contact uit zal brengen. Zo werkt dit thema volgend jaar door, al hoop ik (daarnaast) een ander jaarthema bij de kop te pakken.

Toegift
Ik ben nu, op de valreep van ’21 bezig in het boek Wissel op de toekomst, brieven die Soetan Sjahrir schreef aan zijn Hollandse geliefde Maria Duchâteau (Uitgeverij Van Oorschot), dat ik ter recensie aangeboden kreeg voor Literair Nederland. Toeval bestaat niet.

Kijken, lezen en luisteren (I)

Zo tegen het eind van het jaar is het weer tijd voor oudejaarslijstjes. Bij mij zijn dat jaarthema’s, een thema waar ik me een jaar lang extra in heb verdiept. In 2018 waren dat de oude Grieken, in 2019 de negentiende-eeuwse Nederlandse literatuur, vorig jaar de middeleeuwen en dit jaar is het Indonesië. Samengevoegd tot een ‘Top-10’ in twee delen. Vandaag deel 1.

Mijn grootvader van vaderskant was een groot fantast. Zo zou hij tijdens de Watersnoodramp (1916) in Waterland burgemeester van Nieuwendam zijn geweest; maar al bij een klein archiefonderzoek bleek mij, dat dit H.J. Calkoen was. Ook zou Christoffel van Swol (1663-1718), gouverneur generaal van de VOC in Nederlands Indië, een voorvader van ons zijn geweest. Het zou kunnen, maar wat belangrijker is: ik vond bij dat onderzoekje wél een foto van mijn grootvader, – hellebaardier bij het Entrepotdok in Amsterdam -, die in een bootje mensen in veiligheid bracht. Heel wat meer om trots op te zijn!

 

Om het thema Indonesië heb ik altijd een beetje heen gedraaid. Dat kan na het verschijnen van Revolusi van nota bene een Vlaamse auteur niet meer. Daarom besloot ik als jaarthema voor 2021 Indonesië te kiezen, waarbij ik meteen aanteken dat ik – net als iedereen – niet helemáál een onbeschreven blad ben wat dit betreft. Ik had op de middelbare school een geschiedenisdocent, J. de Rek (1911-1976) die de geschiedenis van Indonesië uitgebreid behandelde aan de hand van de bekende boekjes van H. van Galen Last.
En begin jaren tachtig van de vorige eeuw maakte ik een reis naar Engeland, waarbij ’s avonds een mevrouw uit het gezelschap haar herinneringen aan een Jappenkamp met ons deelde, avond aan avond, wat – hoewel niet iedereen het daar mee eens was – op mij een overweldigende indruk maakte. Tot op de dag van vandaag.

1.
Ik kreeg het boek Revolusi van David Van Reybrouck van vrienden voor kerst 2020 – het startsein voor mijn jaarthema. Twee weken voor kerst organiseerden Framer Framed, Read My World en Beyond Walls een online programma rond dit boek, dat de moderator een ‘verrijking van kennis’ noemde. Er werd op een uitgave als dit gewacht. Soms is de tijd er rijp voor, waarbij niet mag worden vergeten dat het hier om wereldgeschiedenis (dekolonisatie) ging.
Er waren verschillende sprekers, naast Van Reybrouck zelf. Zoals Goenawan Mohamad, een van de grote wetenschappers uit Indonesië, tevens dichter en letterkundige, Sadiah Boonstra, een historicus uit Leiden die nu in Jakarta woont, en Amanda Pinatih, curator van onder meer het Amsterdamse Stedelijk Museum, waar ik in de volgende blog over dit jaarthema op terug kom.

2.
Dan, na dit online programma, het boek zelf.  De auteur luisterde, net als ik in het Engelse hotel, naar de mensen zelf, wiens/wier verhalen hem mateloos interesseerden. ‘Ze vertelden een universeel verhaal van hoop, angst en hunkering’, schrijft hij.

In het eerste deel van de documentaireserie naar dit boek, Revolutie in Indonesië (januari-februari 2021) legt één van de ondervraagden, Purbo S. Suwando uit, dat Europeanen Japanners als een minder-waardig volk zag, met korte en kromme benen. Het was niet nodig om bang voor ze te zijn. Of, zoals Felix Jans in het boek zegt: ‘Wij weten alles beter, wij doen alles beter. (…) Onze fout is onze suprematie. En onze vergeetachtigheid; wat de Indonesische verzetsstrijders deden, is ‘uit het nationale geheugen geschrapt’.
Het boek werd in recensies ruimschoots geprezen, maar er zijn uitzonderingen. Zo heeft Alfred Birney het in een longread over ‘Kuifje op Java’ (www.de-lage-landen.com, 16 februari 2021).

3.
Birney dus op drie. Het zijn soms tot nadenken stemmende opmerkingen die schrijnen. Neem de brandweerman in het verhaal ‘Drie benen’ van Birney (in de bundel De fenomenale meerval), die de jongen ‘zijn littekens liet zien. Uit de oorlog in Nederlands-Indië’, zegt hij. ‘Het maakt niet uit of hij een Indische Nederlander of een Nederlander is; in beide gevallen is het een uiting van trots. Ongepaste trots. Neem alleen al het woordje “oorlog” – geen “politionele acties” of andere verbloemende taal, nee: oorlog. Zoals Pa in Judith Koelemeijers Het zwijgen van Maria Zachea het ‘een beetje helpen van de politie’ noemt …

Misschien zou Birney zich met Simon Ririhena, die rector was van het Moluks Seminarie, een ‘grensbewaker’ noemen: ‘Als de grens fluïde is, heb je geen grens. En ook geen houvast, dan weet je niet waar het begin en het einde is’. Dit is een uitspraak van hem die werd geciteerd op de website Nieuw Wij (11 januari 2021).
Ik heb me altijd meer verwant gevoeld met juist die fluïditeit, en eerder met grensgangers dan met grensbewakers. Misschien heel goed verwoord door Stephen Enter in zijn roman Pastorale, dat speelt in twee naast elkaar gelegen wijken in Breverdal (Barneveld): een gereformeerde en een Molukse. De spanning zit in dit boek wellicht niet zozeer in zo’n zinnetje als bij Birney, maar in ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen. Allebei schudden ze je wakker. Barneveld komt even verderop in deze blog overigens ook nog terug.

4.
De zondag begint bij mij meestal met het kijken naar het interviewprogramma De verwondering van Annemiek Schrijver op NPO2. Op 31 januari 2021 was dichteres Ellen Deckwitz te gast. In 2019 had ik al haar bundel Hogere natuurkunde gekocht, gebaseerd op het levensverhaal van haar Indische grootmoeder.
Ze vertelt dat ze heel verdrietig was toen deze overleed, maar dat het niets was vergeleken met de depressies waar ze zelf doorheen ging, want toen waren alle vonkjes weg. Totale lethargie. ‘Is depressie ook trouw  aan je grootmoeder? Mag je gelukkig zijn?’ vraagt Schrijver. Het is een wrede vraag, omdat er een verband is, zegt Deckwitz. Het zet je in een bankschroef.

5.
Het moet toch niet gekker worden: ik heb het monument van drie mannen, dat staat voor de kerk in Barneveld, altijd versleten als een beeld van drie verzetshelden. Heb ik dan nooit de tekst erop gelezen? Natuurlijk, Lotta Blokker – Kunstenaar van het jaar 2022 – sloot met haar ‘Oh Molukkers’ aan bij de stijl van de beelden die we zo goed kennen, maar toch … Het is een manier van kijken, die senior conservator Eveline Sint Nicolaas van het Rijksmuseum benoemt, terwijl ze voor de ‘Schutters van Wijk VIII’ van Van der Helst staat (in de documentaire Nieuw licht van Ida Does, 18 mei 2021 op 2Doc van de NTR): ‘Een heel raar iets, dat je iets niet kunt zien, en je nu eigenlijk niet meer kan stellen dat dat zo is’: de Zwarte jongen die op genoemd schilderij wegvalt in plaats van opvalt voor met name witte kijkers. Zoiets moet het zijn, terwijl ik langs dat beeld liep.

Zeventig jaar nadat de eerste Molukkers onder valse voorwendselen in 1951 voet aan Nederlandse wal zetten, is het tijd om hier ook wat meer van aan de weet te komen dan de anekdotes die ik op kan dissen. Over een achterneef en -nicht die de pers over de vloer hadden, omdat ze een goed uitzicht hadden op de school die de Molukkers in 1977 in Amsterdam hadden gegijzeld. Over de straaljager die ik vanaf vliegbasis Leeuwarden, waar ik pal bij woonde, hoorde vertrekken richting De Punt. Over de gekaapte trein waarin een oud-docent aan de Frederik Muller Academie zat, en een collega niet, omdat ze de trein had gemist.

In die week waarop het zeventig jaar geleden was dat de Molukkers aankwamen, waren er op televisie enkele documentaires te zien. Op zondag 21 maart 2021 een van de NOS, waarin de film De Oost werd aangekondigd, waarin verschillende perspectieven zullen worden getoond zodat wellicht een completer beeld ontstaat.
Er was ook een monument te zien. In Westerbork: een installatie met fragmenten van een barak in Schattenberg. Een keukenraam, een kist waaruit lang werd geleefd met het idee: ‘We gaan toch snel weer terug naar een vrij Molukken’. Heb ik me gerealiseerd, toen ik in Westerbork was, dat dit na de oorlog wéér een kamp werd, een opvangkamp dit keer (Schattenberg) voor Molukkers (1951-1971)? Zoals er ook een kamp was in Friesland: Wyldemerk, voor een moslimminderheid onder de Molukkers. Anne van Slageren maakte er voor Fryslân dok een documentaire over, die op 4 december 2021 werd uitgezonden op NPO2. Maar eerst gaan we in de tweede blog rond dit jaarthema nog terug in 2021.

‘Mensen met een rugprobleem’

Op 19 mei 2011 woonde ik een bijeenkomst bij van het Platform Particuliere Archieven (PPA) in de aula van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Een mooie aanleiding om eindelijk eens het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD), de benedenburen in hetzelfde gebouw te bezoeken. Ik moet er weer aan terugdenken, nu het Rijksmuseum in Amsterdam opteert voor het schilderij De Vaandeldrager van Rembrandt; (afb. links); de vaandeldrager heeft namelijk eenzelfde pose als De lachende Cavelier van Frans Hals (afb. rechts) waarvan ik bij de RKD een afbeelding tegenkwam die daarop was gebaseerd. Hoe zit dat?

Het toeval bestond er tijdens dit bezoek in, dat ik zojuist in Kunstschrift nr. 2 van 2011 een artikel van Ann-Sophie Lehmann was tegengekomen onder de titel ‘De gevleugelde achterkant, een kleine iconografie van de rugfiguur’.
Op het eerste gezicht dacht ik er niet veel mee te kunnen: een beschrijving van mensen op de rug, die ‘de blik het tafereel inleiden’ en er een subjectief element aan meegeven. Maar dan komt een zinsnede die bij mij het kwartje deed vallen: ‘Alleen wanneer men een engel van achteren schildert komen zijn hoofdattributen [de vleugels, vS] mooi uit de verf’.

Ik liep de kopieën die ik had gemaakt van de afbeeldingen die mevrouw drs. Constance Scholten van het RKD al voor me had klaargelegd nog eens daarop na (map 31A 41.6 en 31A 41.7). Wat mij opviel was dat de meeste kunstenaars de afgebeelde kleine mensen, vedelaars en wat dies meer zij allemaal opzij hadden geportretteerd, waardoor hún ‘hoofdattribuut’ (de gibbus) ‘mooi uit de verf’ kwam.
Er was één uitzondering: een Portret van een gebochelde man, naar dat schilderij van Frans Hals in het Kaiser-Friedrich Museum van Berlijn. Een man met een prachtige kop die eerder dan zijn rug duidelijk in het oog springt.

Ik moest bij het zien van dat portret denken aan een ander portret – naar ik me herinner van de hand van Paul Cézanne – van een al even knappe man met een weelderig bos haar en – naar ik meende – duidelijk ‘een rugprobleem’ (omschrijving van Constance Scholten). Bij nazoeken bleek het om een portret van Achille Emperaire (ca. 1868) van inderdaad Cézanne te gaan. Een al dan niet aanwezig rugprobleem is niet te zien, wel duidelijk dat het om een kleine man gaat. Het bijschrift luidde: ‘Een krachtig uitgewerkt portret.’

Terug naar het portret in Berlijn, geschilderd door Jacob Jordaens (1593-1678). Hij heeft als origineel Hals’ beroemde Lachende Cavalier (Wallace Collections) uit 1624 genomen. Daar staat een verre van gebochelde cavalier op afgebeeld, met een trotse kop, de linker hand in de zij als op het portret van de vaandeldrager van Rembrandt. De gebochelde man op de kopie, schilder Jan Fyt, heeft een aanzienlijk fijnzinniger gezicht à la Cézanne en de hand van een naar het lijkt korte arm eveneens in de zij, op de karakteristieke manier waarop ook mensen met een gibbus dit kunnen doen. Daarmee heeft hij het schilderij van Hals op prachtige wijze gesublimeerd, zoals het de maker van een kopie volgens de regelen der kunst ook eigenlijk betaamt: imitatio en aemulatio, waarbij de kunstenaar in het laatste geval het voorbeeld overtreft.

De Vaandeldrager van Rembrandt heeft geen ‘rugprobleem’. Dat kan ook niet, want hij moet een zwaar vaandel dragen. En bovendien gaat het om een zelfportret; het is Rembrandt zelf.
[Het ging mij hier om de pose. Wat de discussie over de aankoop betreft, schaar ik mij achter de indieners van dit amendement]:

Deze blog verscheen eerder, in iets uitgebreidere vorm en hier aangevuld met De Vaandeldrager van Rembrandt als culturele column in Wervelingen (herfst 2011) en wordt hier met toestemming overgenomen.

‘Een bezoeking’

‘Hoe meer we onszelf zijn en ons bewust zijn van onszelf en onze omgeving, hoe meer we ons kunnen openstellen voor de ander’. Dat zei de Deense kunstenaar Jeppe Hein (1947) in een interview met Robbert Roos, directeur van de Kunsthal KAdE (Amersfoort) in Kunstschrift (december 2020/januari 2021).

Van Hein was een intrigerend werk te zien op de tentoonstelling Mirror. Mirror in KAdE: Mobile. Mobile. Als een mobile van Calder bewogen de spiegels rustig op de luchtstroom, of heftiger wanneer iemand ze via het trapmechaniek van een fiets en een katrol aan het plafond in beweging zette.

De bedoeling van Hein is niet alleen dat we kijken naar het spiegelbeeld van onszelf en andere bezoekers, de ander en onszelf, maar ons ook afvragen ‘wat we voelen en ervaren’, zoals hij tegen Roos zei. Het is een kunstwerk dat vrolijk maakt. Het is een vorm van ‘speelse interactie, maar ook (…) een buitengewone ervaring van de omgeving’, aldus Hein.

Een andere verbeelding, in een ander mooi museum in Amersfoort (Musiom) doemt op: De verzoeking van de monnik van Poen de Wijs (1948-2014). Een monnik en een meisje, allebei met de ogen open en – in de verdubbeling van het beeld – de ogen geloken, naar binnen gekeerd (zie foto bovenaan, EvS).
‘Ken uzelf’, lijkt De Wijs tegen de Grieks aandoende achtergrond van zijn doek Plato en Socrates na te zeggen. Of Augustinus: ‘Quaestio mishi factus sum’ (Ik ben mijzelf tot een vraag geworden). Augustinus kende de verzoeking van De Wijs immers ook.

Of moeten we – concluderend – zeggen dat dit kunstwerk een ‘bezoeking’ is? Ik leen zowel bovenstaande ideeën van Plato, Socrates en Augustinus als dit woord aan respectievelijk een cursus bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, onder de rook van Amersfoort, en aan een boekje naar aanleiding van een andere tentoonstelling waar ik hier verder niet op inga. Daarin stond een fraai essay van de docent van genoemde cursus, prof. dr. Laurens ten Kate. Ik kreeg het van hem en het essay als geheel, dit woord in het bijzonder heeft mede stof gegeven tot deze blog.1)

1) ‘Wij zijn de bezoekers van de plek van bezoeking.’ Laurens ten Kate in zijn essay onder de titel ‘De afgestane Christus’ in: Veronica. Robert Zandvliet & Harry Haarsma. Uitg. De KetelFactory, Schiedam, 2011. ISBN 9789490360153

Exposities nu

Een groot mysterie

Ik wilde naar het Drents Museum om de Helmantels te zien, maar het liep anders. Op 10 juli jl. konden wij thuis de online opening van de tentoonstelling Beyond Belief van Deborah Poynton in Assen volgen (nog t/m 3 oktober). De keus was snel gemaakt: even ruiken aan de Helmantelexpositie en me verder onderdompelen in die van deze kunstenares. En wel zó, dat ik ter voorbereiding een boek las van de Ier John Banville, door wie ze zei beïnvloed te zijn. In casu: De blauwe gitaar. Dat leek me namelijk wel een goede keus uit diens oeuvre: een roman over een kunstschilder, in het boek Oliver Orme genaamd, en over kunst en diefstal.

Aan dat laatste doet de Zuid-Afrikaanse Poynton op haar manier ook een beetje. Misschien komt het uiteindelijk zelfs overeen; Orme zegt dat zijn ‘oogmerk met de kunst van het stelen (…) het absorberen van de wereld in het zelf [is], zoals dat ook de bedoeling was met de schilderkunst. Het gepikte voorwerp wordt niet alleen van mij, het wordt ook mij, en krijgt daarmee een nieuw leven, een leven dat ik het geef’. Met dit verschil natuurlijk, dat Orme niet wil dat de oorspronkelijke eigenaar van het gegapte weet dat hij het heeft gedaan, en Poynton Bijbelse en andere symbolen (zoals de slang op Little Girl Lost 2) en figuren (Adam en Eva op het titelwerk van de expositie, zie afb.) uit hun context tilt.

Banville laat op verschillende plaatsen Orme zijn eigen schilderijen beschrijven: ‘Sterk naar binnen gericht’ en toch ‘alles nodig wat buiten was: de lucht en de wolken, de aarde zelf en de kleine figuurtjes die op zijn korst heen en weer stappen. Patroon en ritme, dat waren de organiserende principes’. Bij Poynton is het vaak andersom: grote figuren en kleine dingen, zoals de grote man in een kleine badkuip (Bath 2) met een knipoog naar Jacques-Louis Davids doek De dood van Marat.

Even verder schrijft Banville: ‘Langs alle dingen heen [kijken]  in een poging om tot de kern te komen, waarvan ik wist dat die er was, diep verborgen maar niet ontoegankelijk voor iemand die vastberaden en scherpzinnig genoeg is om erin door te dringen’. Niet dat hij ‘naar geest, ideale vormen of geometrische lijnen zocht’. Zijn werk is semi-figuratief, net als dat van Poynton. Als willen beiden ‘de wereld evenaren, en zichzelf opnemen en een metamorfose laten ondergaan, er iets nieuws van maken, iets levendigs en vitaals’.

De beschrijvingen die Omre geeft, doen soms inderdaad denken aan de schilderijen van Poynton. Neem bijvoorbeeld deze: ‘Ondanks de alledaagse aanblik van alles zal er echter sprake zijn van een groot mysterie (…). Ik doe niet naadloos mee, helemaal niet zelfs. Ik ben een vreemdeling in deze omgeving waar ik in verstrikt ben geraakt’. En even verder: ‘Ik wrijf concepten tegen elkaar om verlichtende vonken te maken’. Omre stelt, in ‘een poging om door het oppervlak heen te breken, om stukken uit de muur van de wereld te rukken en mijn oog tegen de gaten te drukken om te zien wat erachter verborgen zat’, zoals een poes of een klein kind achter een spiegel kijkt, zo is Poyntons werk volgens Mads Damsbo in een artikel in de catalogus bij de tentoonstelling ‘een verontrustende weerkaatsing van de werkelijkheid waarin we ons bevinden’. Of, zoals Banville Omres laatste doek beschrijft: ‘Met een tot voldoening stemmend gekletter en gekraak, als het geluid van brekende botten’. Zoiets.

https://drentsmuseum.nl/nl/tentoonstellingen/deborah-poynton

John Banville: De blauwe gitaar.
Em. Querido’s Uitgeverij, 2015
ISBN 978 90 214 0036 5
Prijs: € 19,99

Kunst en kerk

Ik heb wat met de verhouding tussen ‘Kunst en kerk’, om de titel van het themanummer van het tijdschrift In de Waagschaal (3 juli 2021, jrg. 50 nr. 7) aan te halen. Zo ben ik enkele jaren lid geweest van de kunstcommissie van de Oude Kerk in Amsterdam en heb als curator a.i. enkele tentoonstellingen samengesteld voor de Amsterdamse Thomaskerk (nu: De Thomas). Op dit moment denk ik nu af en toe mee aangaande kerk en kunst in de breedste zin van het woord (beeldende kunst, gedichten, muziek) met mijn wijkpredikant, ds. Paula de Jong van de Nieuwendammerkerk en schrijf af en toe een recensie over een boek of tentoonstelling op dit terrein. Reden te meer om het genoemde extra dikke zomernummer (48 pagina’s) met buitengewone interesse te lezen en erop in te gaan in deze al even extra lange blog.

Kunst en kerk
Om te beginnen het artikel van Jessa van der Vaart, vanaf 2016 verbonden aan diezelfde Oude Kerk (zie historische foto). Zij begint met te memoreren dat haar vader, de in 2000 overleden keramist Jan van der Vaart, zichzelf liever pottenbakker noemde, maker van gebruiksvoorwerpen. Het lijkt een statement, zo aan het begin van haar artikel dat de vraag oproept: is kunst in de kerk dan óók een gebruiksvoorwerp in plaats van een autonoom kunstwerk? Staat het dan ten dienste van de kerk? Denk bijvoorbeeld aan een Avondmaalsstel of een kruiswegstatie. Maar die weg bewandelt ze niet, zodat dat begin, afgezien van de schets van een persoonlijke context, mij inhoudelijk niet helemaal duidelijk is.

Van der Vaart memoreert dat de Oude Kerk zich ontwikkelde tot tentoonstellingsruimte van hedendaagse kunst die kunstwerken toont die specifiek voor de kerk zijn gemaakt. Ze heeft tot nu toe vier exposities meegemaakt – alle vier nadat ik uit de kunstcommissie was gestapt, zodat ik mijn handen vrij had die tentoonstellingen soms te recenseren voor de website 8WEEKLY.

Van der Vaart noemt met name ‘NA’ van de onlangs overleden kunstenaar Chr. Boltanski (2017-2018, zie link naar mijn recensie hieronder). Ze heeft het over een dienst, die niet werd voorbereid met de al dan niet toen nog bestaande kunstcommissie, maar met de toenmalige cantor Christiaan Winter en Marcel Barnard (zie hieronder). Tijdens de dienst werd er een dialoogpreek aangegaan met een niet met name genoemd gemeentelid.
Ze eindigt haar artikel met de constatering, dat kunst staat voor ‘condition humaine’ en de kerk daar iets aan toevoegt: ‘een ander, verrassend perspectief dat nu juist niet uit die “condition humaine” opkomt, maar uit een andere hoek, van een andere kant, met een andere stem’. Maar zou de kerk niet juist meer aandacht moeten hebben voor de ‘condition humaine’? Het is analytisch ongetwijfeld verhelderend, maar ook een beetje valse tegenstelling die wordt gecreëerd.

Kunst en geloof
Het volgende, wat omvangrijker artikel is van de hand van Marcel Barnard. Ook hij komt aan het eind van zijn stuk met de installatie van Boltanski en genoemde dienst, maar zijn insteek is een andere. Ook hij begint net als Van der Vaart met de persoonlijke context waarin zijn liefde voor kunst ontwaakte: zijn vader, die hem meenam naar een tentoonstelling in Museum Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Hier kreeg de jonge Barnard een numineuze ervaring bij het zien van werk van Peter Struycken. Hij schreef erover in Meditaties van de ziel (Amsterdam, 2020, p. 21 e.v.), waarover ik eerder blogde.

Eenzelfde soort sensatie overkwam hem bij het beleven van de liturgie in de Amsterdamse Oude Kerk. Hier dus geen al dan niet valse tegenstelling, maar een en dezelfde soort ervaring. Als wetenschapper heeft hij ook weet van een ‘keurige boedelscheiding’, maar ‘op de via directa, in de geloofservaring wentelen geloof en kunst, het esthetische en het religieuze (…) onlosmakelijk om elkaar heen’, aldus Barnard. Ik kan die bevinding (in de dubbele betekenis van het woord) alleen maar beamen. Ook ik kan evenzeer geraakt worden door een kunstwerk, om het even in welke vorm (beeldende kunst, gedichten, muziek) als door een preek of een lied waarin gevoel en ratio op eenzelfde manier samengaan en mij bewegen en in beweging zetten.

Even verder echter spreekt Barnard toch net als Van der Vaart en in de voetsporen van G. van der Leeuw (1890-1950) van ‘het “andere” van de kunsten [en] het “totaal andere” van God’ en ‘een gesprek tussen beide waarin ze soms samenstemmen en soms van elkaar verschillen’. Alleen, schrijft Barnard dan, ‘bij ware kunst en (…) diep geloof, komt het andere, de ander, de Ander ons in de verbeelding tegemoet’. Moge het zo zijn.

Grensgebied van kunst en religie
De volgende bijdrage waar ik hier aandacht voor wil vragen, is van de kunsthistoricus en schrijver Anneke van Wolfswinkel, die betrokken is bij de Biënnale Kunst in de Heilige Driehoek, dit jaar van 10 juli t/m 15 augustus.
Zij heeft het niet over ‘kunst en kerk’ of ‘kunst en geloof’, maar over ‘het grensgebied van kunst en religie’. Zij heeft het over de ontmoeting tussen ‘hedendaagse kunst en eeuwenlange kloostertradities’. En met Barnard heeft ze het over verbeelden en het nieuwe betekenissen toekennen. Als kunsthistoricus zegt ze hetzelfde als Barnard met de via directa, de geloofservaring of bevinding, maar dan vanuit een ander perspectief: ‘Niet alleen de kunstenaar geeft betekenis, de kijker doet dat net zo goed’.

Als voorbeeld noemt ze het vierdelige kunstwerk Martyrs van Bill Viola en Kira Perov (zie afb.). Het is een kunstwerk dat ik (deels) op verschillende plaatsen heb gezien: in de Nieuwe Kerk in Amsterdam en in Kube, het kunstmuseum van Ålesund (Noorwegen). Ook daar blogde ik al eerder over. De betekenis die ik aan het werk hechtte, was niet anders in de kerk dan in het museum, omdat het kunstwerk zélf in alle gelaagdheid sprak.

Verhouding tussen kunst en kerk
In de bijdrage van predikant en schrijver Frans Willem Verbaas is sprake van de ‘verhouding tussen kunst en kerk’. Hij stelt dat we ‘kunst en kerk als concurrenten kunnen zien, maar ook als broer en zus’. Concurrenten omdat bijvoorbeeld een uitvoering van de Matthäus Passion van Bach meer mensen zal trekken dan een Goede Vrijdagdienst, allebei in de kerk. ‘Kerk en kunst zijn verwant’, schrijft Verbaas, ‘maar niet identiek’.

Beide zouden van elkaar kunnen leren: ‘Van de kunstwereld kan de kerk het belang van kwaliteit leren. Het is niet goed om maar wat aan te modderen met de liturgie of met kinderpraatjes en preken, die niet met werkelijke aandacht zijn voorbereid. Liturgie is geen onnozel maar een heilig spel. De lat mag hoog gelegd.’ Ik denk aan een predikant die de vrijere, cultureel gerichte omgang met een Psalmtekst door een kunstenaar als bevrijdend ervaarde. ‘Omgekeerd’, schrijft Verbaas, ‘kan de kunstwereld van de kerk leren dat het niet goed is om zich blind te staren op werelds applaus of om zich te verlagen tot het bieden van louter amusement’.

Verbaas meent tenslotte, dat ‘predikanten hun ambtswerk ook kunnen voortzetten met andere middelen: met schilderen, muziek, toneel, fotografie, dans, journalistiek, literatuur, bloggen, vloggen, of met bijbels tuinieren of koken’. Afgezien dat hier verschillende grootheden onder één noemer worden gebracht, wordt hij op zijn wenken bediend door twee andere artikelen in dit nummer: van theoloog en kunstenaar Ruud Bartlema en van judaïcus en beeldend kunstenaar Marcus van Loopik. Ook Werner Pieterse doet een duit in het zakje door te stellen, dat ‘het perspectief van de predikant als kunstenaar’ nog te vaak ontbreekt ‘als er weer eens een rapport verschijnt over het ambt’. Want ‘kunst kan ons zicht op het ambt verhelderen en ons uit de dorre vergadertaal halen’. U leest het goed: niet vergaderzaal maar vergadertaal.

Kunst als vernieuwer van de godsdienst
Ruud Bartlema meent dat kunst niet zozeer godsdienst kan vervangen, als wel dat ze ‘wel nieuwe openingen naar de beleving van godsdienst’ kan creëren. Wéér dat woord, dat we al bij Barnard tegenkwamen. Kunst als breekijzer voor gestolde liturgie zeg maar.
Naar Bartlema’s ‘diepste overtuiging zijn zowel godsdienst als kunst vormen of aspecten van wat ik religie noem. Voor mij betekent dat woord religie: verbinding maken (…) [en]  uitdrukking geven aan de ontmoeting met [het] Mysterie en het maken van een verbinding tussen het onbenoembare en het benoembare van dat Mysterie’. Kerk en kunst zijn geen concurrenten, zoals Verbaas meent, ‘maar in wezen verschillende vormen van dat zoeken naar de verhouding tot en de verbinding met dat grote Mysterie dat het leven is’.
In de kerk zouden we elkaar kunnen ontmoeten, in gesprek gaan en zoeken naar nieuwe rituelen ‘rondom bijvoorbeeld concerten, exposities, lezingen, workshops, beeldende kunsten, literatuur, levensbeschouwing en spiritualiteit’.

Onafscheidelijke bondgenoten
Voor Marcus van Loopik zijn kunst en religie ‘functionele bondgenoten van elkaar’. Kunst en religie mag je volgens hem niet tegen elkaar uitspelen. ‘Religie zonder kunst is ook ondenkbaar!’ stelt hij. Uitroepteken. Kunst stelt kritische vragen en hoort daarom ‘als een tweelingzuster bij religie’. Kunst hoort een zekere relevantie te bezitten en mag niet ‘volledig op zichzelf komen te staan en als doel op zich gaan fungeren’. Want dan verzandt ze in ‘pure esthetiek van kleuren en vormen’. Een opvallende opvatting, want juist de esthetiek van de kleuren en vormen van joodse kunstenaars als Rothko (zie afb., diens laatste schilderij) en Newman worden religieus beleefd.

Van Loopik zoekt ook de dialoog, maar dan een ‘binnen een multiculturele en multireligieuze samenleving. Joodse mystiek heeft mij geleerd om te streven naar jichoed, naar eenwording, om bovenal te zoeken naar wat mensen verbindt’. Dat ben ik met hem eens. Ook hij heeft het, net als Pieterse, over taal. Over beeldtaal in dit verband, die ‘geen (…) pasklare of dogmatische antwoorden heeft op de raadsels van het leven, maar roept bovenal authentieke menselijke vragen en verwondering op’. De ‘condition humaine’ van Van der Vaart.

Tot slot
Zo is de cirkel rond en rijst de vraag hoe ik mij na lezing van deze (en andere, niet genoemde artikelen in In de Waagschaal) zelf tussen de schuivende panelen beweeg: tussen kunst en kerk, kunst en geloof, op de grens daarvan.
Concluderend kan ik mij het meest vinden in wat Udo Doedens en Mirjam Elbers in de inleiding tot dit nummer schrijven over de visie van de Van der Leeuw Stichting: ‘de gedachte dat kunst en kerk bondgenoten zijn. Dit bondgenootschap ligt volgens hen niet zozeer in de ondersteunende functie van de kunst bij de verkondiging of in het vereren van de schoonheid maar in de kritische functie van zowel de kunst als de kerk (…). Wie iets doorkrijgt van de ontregelende en inspirerende werking van de kunsten, begrijpt ook beter de draagwijdte van bijbelteksten en – liederen. In die visie zijn kerk en kunst elkaars Geschwister en niet elkaars concurrenten.’

In twee volgende blogs zal ik dit in concreto nader uitwerken aan de hand van respectievelijk Lied 272 uit het Liedboek en mijn keuze van enkele orgelwerken tijdens de orgelzomer.

 

Link naar mijn recensie over ‘NA’ van Chr. Boltanski in de Oude Kerk in Amsterdam: https://8weekly.nl/recensie/a-place-to-think-about-life/

Het ademen van kunst

Je hoeft echt niet ver weg om de best denkbare kunst te zien. Bijvoorbeeld naar Utrecht (Catharijneconvent) voor afbeeldingen van Maria Magdalena. Hoewel ik dat zeker nog ga doen, zag ik al een mooie in de Breed Art Studios, nota bene zo’n beetje bij mij om de hoek. In het kader van de Amsterdamse editie van Il Respiro Dell’ Arte (Het ademen van kunst), van de curatoren Virginia Monteverde en Luca Rezzolla.

Maria Magdalena
Ik doel op Le cure di Maddalene (zie foto, EvS) van Marielle Bettineschi uit Bergamo: een beschilderd, met parels ingelegd plexiglas mondmasker met linten, ingezonden naar aanleiding van de vraag aan kunstenaars om hun visie te geven op ‘het symbool van de strijd tegen het virus’, zoals het in een persbericht staat omschreven.
De parels doen niet alleen denken aan de versiering van bijvoorbeeld een reliekschrijn, maar staan ook symbool voor zowel een zuiverende werking als voor tranen, zoals Maria Magdalena volgens het Bijbelverhaal in Lucas met haar tranen Jezus’ voeten natmaakte en daarna droogde met haar (lange) haren, bij Bettineschi weergegeven door linten. Wat een ge(s)laagd kunstwerk!

Gedichten
Gelaagde kunst treffen we ook aan in verschillende gedichten die in de catalogus zijn opgenomen. Sterker nog: sommige ervan gaan bij de lezer een gesprek aan met enkele kunstwerken die worden getoond.
In het gedicht Mascherrima (Mask-a-Rhyme) van de Italiaanse dichter Claudio Pozzani, waarvan ook een Engelse vertaling van Tania Haberland is weergegeven, wordt verwezen naar ‘naso adunco’ (hooked nose), waarvan je een soort van net hebt gezien ín de vorm van een Pinokkioneus: Periferias van de Spanjaard Nano Valdes. Des te meer hij liegt, des te langer wordt zijn neus.
Of lees een gedicht van de Australiër Les Wicks (Voila!), die mondmaskers vergelijkt met gasmaskers, maar erop wijst, dat ze nu iets totaal anders betekenen. Een gasmasker inspireerde ook de Italiaanse kunstenaar Mauro Ghiglione voor zijn installatie Immaginario senza immagini.

Film
Tenslotte komen we uit bij een film: Every breath I take I’m still dancing van Davide Francesca en Francesca Peduallà, gemaakt met medewerking van verschillende professionele dansers, van wie we alleen de onderkant van het lichaam zien. Zij tonen de beperkingen van de coronacrisis: dansen op een (te) klein oppervlak. Alles op de muziek van Monteverdi’s Gloria in excelsis Deo (uit: Selva morale e spirituale, 1640-’41).
Dit stuk wordt bij de montage op een heel muzikale wijze gevolgd, waarbij Ovazione (Ovatie) van de Italiaan Francesca Cinalli als een soort refrein dienst doet. Zoals mensen bij een concert die niet weten op welk moment ze eigenlijk moeten klappen.

Nog te zien op 15, 16 en 17 juli van 14.00-18.00 uur. Vergeet u zich niet (zoals ik!) eerst aan te melden: https://breedartstudios.net/il-respiro-dellarte/

Link naar de film: https://www.youtube.com/watch?v=YT6GmGMZzyk