Het werk vieren

Terwijl ik op zaterdag 12 november 2022 in de Dom van Utrecht de Utrechtse première bijwoonde van de indrukwekkende Sonate ‘Da pacem Domine’ (1913) van Hendrik Andriessen, gespeeld door Jan Hage, vond in het Conservatorium van Amsterdam (Bernard Haitinkzaal) de tweede editie plaats van het festival Forbidden Music Regained. Er werden werken gespeeld van Henriette Bosmans (foto rechts), Hans Lachman, Bob Hanf (foto links), Leo Smit (in een arr. van Bob Zimmerman), James Simon (een wereldpremière), Rosy Wertheim en Géza Frid.

NVMB Netwerkdag: Joodse muziek rond WOII
Gelukkig heb ik enkele dagen eerder in datzelfde Conservatorium (Sweelinckzaal) een netwerkdag van de NVMB, landelijk platform voor muziekcollecties bij kunnen wonen onder de noemer Joodse muziek rond WOII. Enkele stukken die zaterdag gespeeld gingen worden, kregen hier al hun sneak preview, zoals het onvoltooide strijkkwartet van Leo Smit, in aanwezigheid van arrangeur Bob Zimmerman, die het voor saxofoonkwartet zette. Het ging, zoals Philomeen Lelieveldt (Nederlands Muziekinstituut) zei om ‘het werk te vieren van hen wiens leven verloren is gegaan. En dat levert een dubbel gevoel op’. Dat is ook zo.

Wat primair centraal stond deze dag, waren emigratieverhalen van in de jaren dertig van de vorige eeuw vooral uit Duitsland gevluchte joodse musici en componisten. Individuen dus; op dit accent kom ik straks terug. Ellen van der Grijn Santen (Meertens Instituut) stelde zich ten doel vier vragen te beantwoorden: hoe was de ontvangst van hun muziek in Nederland? Vonden ze makkelijk werk? Vermengden zij zich of bleef het een aparte groep? Hadden ze blijvend invloed op het Nederlandse muziekleven?
Haar antwoorden waren nog steeds actueel. Willy Rosen (1894-1944) bijvoorbeeld, die in 1933 was gevlucht, had het net als anderen, zoals Rudolf Nelson (1878-1960) moeilijk om werk te vinden. Dat kwam omdat de Nederlandse Toonkunstenaarsbond (Ntb) pal stond voor Nederlandse musici en meende dat de nieuwkomers hen verdrongen op de arbeidersmarkt. Leuk was te horen, dat Wim Sonneveld niet onder stoelen of banken heeft gestoken, dat hij door Rosens cabaret is beïnvloed.

Exposities in de OBA Oosterdok
Voor mij werd deze interessante dag mede gekleurd door twee tentoonstellingen die ik ervoor bezocht in de Openbare Bibliotheek Amsterdam (OBA Oosterdok), de buurman van het Conservatorium.
Bij de entree was dat een kleurrijk altaar ter ere van de tiende sterfdag van Carlos Fuentes, een Mexicaans schrijver. De dood was hier aanwezig, maar ook een manier van het leven vieren. Anders dan Philomeen Lelieveldt bedoelde en onvergelijkbaar, maar toch.

In de expositiezaal was een tentoonstelling te zien van emigranten – als individu, maar vooral als groep die op weg geholpen moet worden. Muziek kwam zijdelings aan de orde, bijvoorbeeld in de gitaar bij de Molukkers. En als je het dan over een blijvende invloed op het Nederlandse muziekleven hebt, dan denk ik aan Indiepop en -rock.

Tenslotte was er de fototentoonstelling New Voices. Een (verkoop)expositie met werk van gevluchte fotografen. Hier was de verrekijker omgekeerd en keken de nieuwkomers naar ons. De tentoonstelling gaat over de kennismaking met de Nederlandse cultuur en welke invloed die dat op de acht gevluchte fotografen en fotojournalisten heeft. Het is tweerichtingsverkeer. Ook met die insteek bleken de gevoelens – net als Philomeen Lelieveldt verwoordde – dubbel.

Forbidden Music Regained
Daarom is het ook goed dat niet alleen de individuele namen van componisten en andere kunstenaars, zoals fotografen, genoemd blijven worden, maar dat hun werk ook wordt uitgevoerd en getoond. Dat is mede het doel van de onvermoeibare Leo Smit Stichting en van Forbidden Music Regained. Er worden steeds meer partituren gepubliceerd en dat is een goede zaak (www.donemus.nl). Ondertussen hopen we er ook op, dat in de op stapel staande proefschriften, bijvoorbeeld over Sim Gokkes (1897-1943, zie foto links) aan zoveel mogelijk aspecten die ik hiervoor noemde in het kielzog van de lezingen op de NVMB-netwerkdag en de tentoonstellingen in OBA Oosterdok recht zal worden gedaan.

En … om niet te vergeten: de lof zij gezongen aan muziekbibliothecarissen zoals Do Reeser uit Haarlem. Ik heb destijds mijn stage bij haar gelopen; Ed Spanjaard memoreerde haar naam terecht in zijn openingswoord, en aan (onder)zoekers zoals Jort Fokkens, die de briljant gespeelde sonate van Andriessen terugvond in een archief in Amerika, waar het was beland en niet gecatalogiseerd.

Allerzielen 2022

Over bomen gaat het dit keer. Drie bomen: een eenzame in een park in Kassel en een tweetal op een graf op de begraafplaats in Woerden.

Die eenzame boom zag ik tijdens de documenta 13 in 2012 in Kassel. Hij is van de Italiaanse beeldhouwer Giuseppe Penone, wiens werk t/m 29 januari 2023 te zien valt in Museum Voorlinden. De boom in Kassel lijkt wel een boom na een ramp. Hij heeft geen bladeren en de takken lijken afgekapt. Boven in de kruin ligt een steen, die als een meteoriet lijkt het wel is opgevangen. ‘Idee van steen’ heet de boom.
In Museum Voorlinden staat een aantal bomen van Penone waarin hij op zoek heet te zijn gegaan naar de jongste boom. Hij heeft alle jaarringen tot de kern afgeschaafd en gevijld met een stuk glas. Tot hij bij de kern kwam.

Op de begraafplaats in Woerden staat als gezegd een monument van twee bomen, naar elkaar toe geneigd. Het doet me denken aan de bekende liedtekst (naar een uitspraak van Paulus in de Brief aan de Galaten¸ 14:7-8): ‘Niemand van ons leeft voor zichzelf en niemand sterft voor zichzelf, want ons leven is voor de Here en ook ons sterven is voor de Here. Wij zijn van Hem, in leven en dood.’ En ook aan oude schilderijen waarop Maria en Jezus, die van het kruis is genomen, hun hoofd naar elkaar neigen.
Er hangt slechts een blaadje aan de boom, waarop de naam van de overledene staat, Cornelis Treffers. Een steen bij Penone, een blaadje bij de twee bomen op het graf. Ja, misschien is het wel dat ene olijftakje van hoop dat de duif in z’n bek had: ‘En de duif kwam naar hem toe tegen de avond; en zie, er was een afgebroken olijfblad in haar snavel’ (Genesis 8:11a).

Misschien hebben de eenzame boom en die twee bomen meer met elkaar gemeen dan je op het eerste gezicht zou zeggen. Leven en dood, dat zeker. Want werd het kruis waaraan Jezus werd gespijkerd volgens de traditie niet opgetrokken uit het hout van de kribbe waarin Hij na Zijn geboorte lag? Maar met de weg van geboorte tot de dood is het niet afgelopen. We schaven en vijlen tot we op de jongste boom zijn, tot de jongste dag is aangebroken. Tussentijds planten we een boom. Want zelfs ‘als ik wist dat morgen de wereld zou vergaan, dan zou ik vandaag een appelboompje planten.’[1]

 

[1] Een uitspraak die Luther ontleende aan de Talmoed.

De Vlaamse primitieven en Dick Ket

Er stond één boek in de kast van mijn ouders dat ik lang niet heb kunnen plaatsen; ik blogde er in 2017 al over en ga er hier verder op door, omdat er wéér een kwartje is gevallen. Het ging in eerste instantie over de catalogus bij een tentoonstelling in het Amsterdamse Rijksmuseum: Bourgondische pracht (28 juli -1 oktober 1951). Wat hadden ze met de Vlaamse primitieven ten tijde van Philips de Stoute tot Philips de Schone? En hoe kwamen ze erop zo’n dure catalogus te kopen, terwijl ze het toen niet breed hadden? De kunst moet ze iets wezenlijks hebben gezegd.

Vlaamse primitieven
Ik keek in die eerdere blog met de ogen van mijn moeder en zocht naar de overeenkomsten tussen haar manier van kijken en die van de Bourgondische kunstenaars. Dan weer verstild, dan weer extatisch en soms ook wreed als het werk van Dieric Bouts (cat. nr. 36).

Dick Ket
Maar ze hield ook van het werk van Dick Ket (1902-1940). Als we naar het Museum voor Moderne Kunst in Arnhem gingen (nu: Museum Arnhem), waar ze veel werk van hem in de collectie hebben (dat na de verbouwing nu weer valt te zien), stonden we altijd stil, verstild bij diens schilderijen. Ik lees in een essay van Ype Koopmans over hem – in een andere catalogus, De serene blik. Vier realisten (uitg. WBooks, z.j.) -, over de overeenkomsten tussen uitgerekend die Vlaamse primitieven en de schilderkunst vóór Rafaël met die van Dick Ket; wéér een kwartje dat als gezegd viel.

Koopmans, aan wiens colleges aan de Open Universiteit ik helaas geen goede herinneringen bewaar, maar die met dit essay heel wat goed maakt, schrijft:

‘Kets voorkeur voor een neorealistische benadering was niet in de eerste plaats een kwestie van stijl- of materiaalkeuze, maar van een andere, meer liefdevolle houding tegenover de dingen en van een bijna mystieke sensatie van kunst als uitdrukking van het universele. Hij heeft er nooit met iemand over gesproken. Wel heeft hij deze gewaarwording éénmaal in een brief aan zijn vriendin Nel Schilt aangeduid, omdat zij al in 1932 had laten blijken hoe gelovig zij was: “Dat je evenals ik aanvoelt dat er meer is tusschen hemel en aarde dan de dingen alleen (ik denk hier zo dikwijls aan als ik een stilleven schilder). Juist in deze doode voorwerpen voel ik de aanwezigheid van dit alom-vertegenwoordigde en ik betrap me erop dat ik met liefde over deze doode voorwerpen kan denken en ze behandelde”.’

Waarvan akte. Met dank aan een zich ‘revancherende’ Koopmans, maar vooral aan de Vlaamse primitieven en Dick Ket. En natuurlijk allereerst mijn ouders die mij kennis lieten maken met kunst. Wat zouden ze – net als ik – het tussen twee haakjes jammer hebben gevonden dat die verstilde zaal met dat grote raam en uitzicht over de Rijn in de nieuwe vleugel van het museum in Arnhem is opgeofferd ten gunste van een paar relatief kleine ramen. ‘Een keuze van de architect’, werd ons verteld …

Afbeeldingen: Dick Ket – Stilleven met piëta (links) en: Gerard David – Piëta (ca. 1510-1520, rechts)

Vakantieblog (II) – Oslo

De Amerikaanse filosofe Martha Nussbaum heeft een nieuw boek geschreven: De kosmopolitische traditie (uitg. Querido). Ivana Ivkovic publiceerde er een recensie over in Filosofie Magazine (nr. 9/2022, p. 72-73).

Het interessante is, dat Nussbaums denken zich vaak laat combineren met de schone kunsten. Meestal is dat literatuur of muziek, waarvoor ze een grote (voor)liefde heeft, maar dit keer valt een link te leggen naar architectuur. Dat wil zeggen dat ik in deze blog daar een poging toe doe. Na een recent bezoek aan Oslo en na lezing van genoemde recensie van Ivkovic. De conclusie is dan, dat ik het zomaar een keer niet met Nussbaum eens ben.

Drie gebouwen op een rijtje
In Oslo staan aan de haven drie nieuwe gebouwen op een rijtje die – om met een muziekterm te spreken – een contrapuntisch geheel vormen [foto EvS]. Van links naar rechts zijn dat de Deichmanbibliotheek, het Opera- en ballethuis en het Munchmuseum. Het eerste, de centrale openbare bibliotheek van Oslo, is ontworpen door Lundhagen Architecten en Atelier Oslo (2020), het tweede door het Noorse architectenbureau Snøhetta (2007), en het derde door de Spaanse architect Juan Herreros (2021).

Alle drie hebben de gebouwen zeg maar de kosmopolitische trekken die de hedendaagse architectuur kenmerken, en toch zouden ze nergens anders kunnen staan dan juist op die plek, aan de haven van het Noorse Oslo. In Amsterdam zou de individualiteit van de gebouwen worden opgeheven ten gunste van het ensemble, zoals aan een gracht, op het Oosterdokseiland (ODE) of de Zuidas.

Alle drie bekeken
Het is in Oslo zoals de Deense kunstenaar Jeppe Hein eens in een interview zei: ‘Hoe meer we onszelf zijn en ons bewust zijn van onszelf en onze omgeving, hoe meer we ons kunnen openstellen voor de ander’ (in: Kunstschrift, dec. 2020/jan. 2021). Dát is wat er gebeurt in Oslo.
Laten we de drie gebouwen lezen als een westerse tekst, van links naar rechts. De Deichmanbibliotheek staat aan de overkant van de straat, zodat de ruimte tot de Opera groter lijkt dan die tussen de Opera en het Munchmuseum.

De bibliotheek is een grijs, strak gebouw met een 20 meter uitstekende bovenverdieping. De Opera daarentegen is wit en golft en beweegt als het water van de zee. Het Munchmuseum is zwart en heeft een knik in de gevel, als een beeldhouwwerk van Jan Groth (1946-2014), de grote Noorse beeldhouwer. Daarom is het goed, dat de strakke gebouwen ter weerszijden van de Opera staan.

Je hebt zulke omschrijvingen nodig om de gebouwen te kunnen karakteriseren, maar in wezen gaat het bij kosmopolitisme over wat mensen en in dit geval gebouwen met elkaar delen.

Kenmerkend voor de Noorse architectuur
In de literatuur wordt dan vaak gewezen op de natuurlijke materialen zoals hout die kenmerkend zijn voor de Noorse architectuur, maar ik denk dat de natuur ook doorwerkt in de vormgeving. De Deichmanbibliotheek is zó gestructureerd, dat de gevel het zonlicht opvangt en weerkaatst als in het water. Dit doet denken aan de spiegels van Rjukan, die wanneer de zon achter de bergen schuil gaat, het zonlicht vangen en weerkaatsen. Het Opera- en ballethuis doet denken aan ijsschotsen, waar je als passant gelijk een ijsbeer overheen kunt lopen. En het Munchmuseum tenslotte neigt het hoofd naar het machtige water.

Het zijn mooie beelden, die een tegenstelling vormen tot wat Nussbaum onder het kosmopolitische verstaat. Volgens haar – ik citeer Ivkovic – gaat ‘het kosmopolitische ideaal (…) hand in hand met een minachting voor dieren en natuur’. Daar willen ze in Oslo niets van weten. En gelijk hebben ze.

Mediteren, nadenken én zingen over het kwaad

Geruime tijd geleden heb ik een keer per week in een ruimte samen met enkele anderen aan Zenmeditatie gedaan. Het was een sessie in de vroege ochtend die was gericht op het zoeken van vrede in jezelf die uitstraalt naar de wereld. Die combinatie sprak mij aan, maar na verloop van tijd ben ik om verschillende redenen met deze geleide meditatie opgehouden.

1.
Omdat ik dat toch ook wel weer jammer vond, daar het mij bij tijd en wijle veel heeft gebracht, was ik blij dat ik stuitte op een week meditatie rond de Psalmen. Elke ochtend mediteren rond een (deel van een) psalmtekst, een paar avonden via ZOOM met elkaar praten over wat het je bracht en een creatieve opdracht.
Toen de week voorbij was, wilde ik het ritme proberen vast te houden en begon met meditaties rond de 150 Psalmen, ook via ZOOM. Per psalm werden enkele verzen gekozen die tweemaal werden voorgelezen. Daarna werd je gevraagd enkele woorden in gedachten vast te houden, gevolgd door de eigenlijke meditatie, het in gesprek gaan met die woorden, – een gebed en stil worden en je openstellen voor de Sjechinah, Gods aanwezigheid; de klassieke lectio divina.

Al bij de derde psalm stuitte ik op een keuze van verzen die mij tegen de borst stuitte; vers 8 was weggelaten:

Sta op HEER, en red mij, God,
sla mijn vijanden in het gezicht,
breek de tanden van de wettelozen.

Waarom zou ik niet over dit vers mogen mediteren? Ik zou zelfs zeggen: juíst over dit vers? Want hier wordt nogal wat gezegd. Dan wordt de eerste oproep die ik zowel tijdens de Zenmeditatie als in de week mediteren over enkele Psalmen ter voorbereiding hoorde, namelijk je voeten goed op de grond te zetten, te aarden. Het doet me denken aan Exercises spirituels (Geestelijke oefeningen, maart 1959, zie foto EvS) van Sedje Hémon (1923-2011) die nog t/m 16 oktober a.s. op een overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum is te zien.
Vervolgens luister je naar wat buiten gebeurt, wat dan niet wordt beperkt tot: wat buiten je eigen huis, buiten op straat gebeurt, maar wat er in de (buiten)wereld gebeurt. Dan nader je de tekst volledig, van alle kanten op een manier die wellicht in verschillende vormen van joodse psalmmeditaties wel gebeurt.

2.
In dezelfde tijd dat ik weer aan het mediteren sloeg en er van schrik ook weer (even) mee ophield, stuitte ik op een tekst van Neerlandica Yra van Dijk (op: De Lage Landen, 18 mei 2022) over Arnon Grunberg: De engel die pijn komt brengen: het confronterende oeuvre van Arnon Grunberg. Al even confronterend als de Psalmen.
Zij gaat daarin in op een editie van het boekenprogramma Brommer op zee. Hierin was de auteur op 1 mei 2022 te gast. De presentatoren, schrijft Van Dijk, spraken snel over zijn uitlatingen als ‘Doorleefde wanhoop’, Auschwitz-auteur Tadeus Borowski, concentratiekampen en zijn moeder heen. ‘Het moest wel gezellig blijven’ en gaan over zaken als ‘seks en ‘seksuele grensoverschrijding’. Ik moest onwillekeurig denken aan de psalmmeditatie: dat moeilijke vers laten we maar weg. Van Dijk eindigt haar artikel met een citaat van Grunberg (in Humo, 3 juni 2001): ‘Mensen hebben recht op pijn. Ik zie mezelf als een engel die de mensen dat moet geven waar ze recht op hebben’.

3.
Vervolgens kwam Israëlzondag, de eerste zondag van oktober. In mijn wijkgemeente is het dan traditie dat de twee koren van dezelfde kerk hun opwachting maken. Het een zingt kerkmuziek, het ander ook, maar dan in een lichter genre.
Het eerste koor zong onder meer twee piyutim (hymnen) op muziek van Dov Carmel (geb. 1932). Uit hun kelen kwam de volgende regel op tekst van Israël ben Moses Najara (ca. 1555-ca. 1625):

Vertrap mijn vijanden als stro en verhef mij boven hen.

Zo, die zit. Al zoekend naar betekenissen van Psalm 3 kwam ik terecht op een website waarop ook een verkondiging en uitleg stond van predikant Aart C. Veldhuizen (in de Oosterkerk van Sneek, 24 juli 2011). Hij betoogde daarin, dat je de psalm zou kunnen lezen met je verstand, maar dat je zingen nu eenmaal niet met je verstand doet. Al zingend – leerde ik ook al van ds. Sytze de Vries – kun je woorden in de mond nemen die je nooit zou zeggen. Zoals hier in mijn wijkkerk.
Waar ik naar snakte, was een uitleg en verkondiging in de vorm van een liedpreek, waarin de tekst van Israël ben Moses Najara werd uitgelegd. Dat zou niet alleen de liederen beter in de dienst hebben geïntegreerd, maar ongetwijfeld meer kerkgangers hebben geholpen.

In ieder geval ben ik het – als conclusie – roerend eens met een ingezonden brief van ds. Veldhuizen (in Trouw, 5 december 2006). Hierin schreef hij over het heilige dat wordt ‘versinterklaasd’. Dat is iets dat niet mag gebeuren. Daarom ga ik denk ik de verzen uit Psalm 3 en die van Israël ben Moses Najara maar én mediteren, én ze beargumenteren én tenslotte zingen. Alle goede dingen bestaan immers in drieën. Je moet immers het ene doen en het andere niet nalaten (Matth. 23:23).

 

Link naar de preek over Psalm 3: https://www.aartveldhuizen.nl/psalm-3/
Link naar een mooie podcast over Sedje Hémon: https://podcastluisteren.nl/ep/Nooit-van-gehoord-52-Sedje-Hemon-Nooit-van-gehoord

Vakantieblog (I) – Essen

In juli, op weg naar de documenta 15, de vijfjaarlijkse grote tentoonstelling in het Duitse Kassel, deden wij het Folkwang Museum in Essen aan. Ik werd geraakt door onder meer een olieverfschilderij op hout: Moeder met Eva (1935) van de kunstenaar Otto Dix (1891-1969, zie afb.). Dix beeldt hier zijn moeder af met het nichtje Eva op schoot.
Mijn aandacht werd vooral getrokken door de tak die Eva in haar hand houdt: kamperfoelie, dat in de christelijke iconografie symbool staat voor onder meer het goddelijke. Het is geen christelijk schilderij in de gangbare betekenis van het woord, maar Dix heeft ongetwijfeld weet gehad van die symboliek, net zoals de toeschouwer die kennis in huis kan hebben en zo een christelijke connotatie in dit schilderij legt. Zoals bijvoorbeeld ook in die van een Vlaamse tijdgenoot van Dix, Karel Van de Woestyne (1881-1947) die nu te zien zijn in het Noord-Brabants Museum in ’s-Hertogenbosch (t/m 9 oktober 2022).

De zondag na ons bezoek aan de documenta sprak ds. Gerson Gilhuis (10 juli 2022) in de Nieuwendammerkerk in Amsterdam over signalen van Gods Koninkrijk in de samenleving. Daar waar mensen het goed hebben met elkaar, waar mensen het goede doen is deze kwaliteit aanwezig. Ik dacht terug aan die tak op dat schilderij, als een teken dat het goddelijke in de wereld aanwezig en bezig is. Waar de wereld mooier wordt gemaakt. Seculiere kunst met een christelijke connotatie. Hoe mooi is dat.

Deze blog verscheen in iets uitgebreidere vorm eerder onder de titel ‘Signalen van het Koninkrijk Gods’ in Drieluik van de Protestantse Wijkgemeente Amsterdam-Noord (sept. 2002, p. 9) en wordt hier met toestemming overgenomen.

Bram Bogart en Immanuel Kant

Ik weet niet of beeldend kunstenaar Bram Bogart (1921-2012) is beïnvloed door het denken van de Verlichtingsfilosoof Immanuel Kant (1724-1804), maar je kunt Bogarts latere werk wél inzichtelijk maken met behulp van het late, abstracte werk – in een andere betekenis van het woord – van Kant.

Bram Bogart begon als figuratief materieschilder van stillevens en landschappen die hij in dikke verflagen neerzette, en eindigde met grote abstracte werken die haast een sculptuur naderen. Op de overzichtstentoonstelling Bram Bogart. Schilder van formaat in Museum Prinsenhof Delft hangt een van zijn laatste schilderijen alleen op een wand, met een bankje ervoor. Je kunt er, als je wilt, mediterend voor gaan zitten. Of in ieder geval: goed naar kijken.

Kant begon als een filosoof binnen de dogmatisch-rationalistische traditie à la Leibniz, maar zette zich daar onder invloed van David Hume al snel vanaf.[1] Uiteindelijk kostte het Kant ‘meer dan tien jaar lang om zijn nieuwe metafysica gestalte te geven’ (p. 22): de Kritik der reinen Vernunft, de Kritiek van de zuivere rede (1781).
Hume kwam uit bij een idee, – en niet zozeer bij een essentie, want het woord ‘essentie’ uit de titel van het boekje over Kant van Jabik Veenbaas is ingegeven door de reeks waarin het verschijnt, want Kant was geen essentialistisch denker. Voor Hume was ‘niet alleen de lichamelijke, ook de geestelijke substantie (…) een illusie’ (p. 35).

In verband met Bogart zou je het woord ‘substantie’ kunnen vervangen door ‘materie’. Uiteindelijk is het ook voor Bogart een open vraag, een leeg vlak; een leegte die gevuld kan worden, zoals een cursist in Leusden zei, waarschijnlijk met een verwijzing naar Kants agnosticisme of Hegels opvatting dat Kants categorische imperatief nog wat formeel, leeg is. Daarom is de foto die in het museum in Delft op de grond staat (zie hierboven, foto EvS]  tekenend: de schilder zit op een stoel en kijkt nadenkend naar het lege vlak voor hem. Is de materie nu maatgevend? Is liefde bijvoorbeeld alleen een kwestie van hormonen of toch méér dan dat?

Kant schoof verder op, richting het denken van Jean-Jacques Rousseau, die ‘met een volstrekt materieel geworden natuur geen genoegen kon nemen. Daarom mystificeerde en vergoddelijkte hij de natuur’ (p. 40). Zowel Rousseau en Kant probeerden voor de impasse ‘een remedie te vinden’ (p. 41).

Ook Bogart ging een stap verder dan de materiekunst van zijn stillevens en land-schappen. Zowel Kant als Bogart zochten ‘de basisvoorwaarden voor ons kennen van de natuur niet in de dingen buiten ons, maar in onszelf’ (p. 44). Ook dáárom is die foto in Delft zo tekenend.
Kant komt uit bij het transcendentale, dat wat vooraf gaat (a priori) aan de empirie, de ervaring. De ervaring van de natuur, de menselijke ziel en God. ‘Bovenaards’ noemt een tekstbordje in Delft het. Dat dekt in zoverre de lading, dat het woord aards er wel in bewaard moet blijven, want transcendentaal is niet transcendent. Misschien is het beter te spreken van ‘bovenzintuiglijk’ (p. 70 e.v.).

Voor zowel Kant als Bogart lijkt het alsof ‘de ziel een nieuwe betekenis [krijgt] als idee (…), als beginsel dat ons denken richting geeft’. De menselijke ziel en de ziel van een kunstwerk, die niet absoluut zijn, maar buiten de werkelijkheid toch kunnen bestaan.

Kant heeft het tenslotte over twee werelden Dit doet denken aan Bogarts respectievelijk figuratieve en abstracte kunst: zintuiglijke indrukken (uiterlijk) en een spiritueel niveau (innerlijk). Het bankje in Delft staat er niet voor niets! Dat late werk van Bogart én Kant plaatst beiden binnen een ‘innerlijke revolutie (…), morele bekering’ (p. 107) als cumulatiepunt van zowel de tentoonstelling als van het denken.

[1] Gegevens m.b.t. leven en denken van Kant ontleen ik zowel aan het boek De essentie van Kant (ISVW Uitgevers, 2022) als aan een cursus over hem bij de ISVW in Leusden (25- 29 juli 2022) van de hand van en door Jabik Veenbaas.
Een interview met hem, na afloop van deze cursus, valt te lezen op: https://8weekly.nl/special/aardse-hunkering/

Tweeluik (VI)

Marc Chagall:
Over the Town

 

 

 

 

Mohammed Al-Hawajri:
Above the City
(
documenta 15, Kassel)

 

Link naar mijn recensie van de roman Dromen over Anne Frank van Maha Hassan waarin ik aan het slot inga op met name het werk van Al-Hawajri in relatie tot de roman van Hassan: https://www.literairnederland.nl/recensie-maha-hassan-dromen-over-anne-frank/

Een wachter voor de mond

Dit jaar was het Fête de la musique in Ermelo door mijn neus geboord; wegens werkzaamheden zouden de treinpassagiers tussen Amersfoort en Zwolle in de hitte worden vervoerd met bussen. Dus geen blog dit keer over dit jaarlijkse muziekfestijn dat ik graag bezoek.
Toch verlangde ik ernaar weer een dagje naar Ermelo te gaan, mijn standaardroute te volgen die ik jaarlijks loop en waar – nog zoiets – corona even de klad in had gebracht: een kopje koffie bij Proeverij De Ontmoeting, een boek kopen bij Riemer en Walinga, langs korenmolen De Koe, naar het kerkhof achter de Zendingskerk waar mijn ouders begraven liggen, een hapje eten bij wat nu De Boterlap heet en weer terug door de Stationsstraat, aan het begin waarvan mijn ouders hebben gewoond. Meestal een ijsje etend halverwege. Dat de sprinters tussen Amersfoort en Zwolle maar eens in het uur gingen, mocht de pret niet drukken. En voor de stroomstoring ’s avonds was ik alweer, moe maar geheel voldaan, thuis.

StEK en Inspiration
Alsof Ermelo (of Ermeloo, zoals Riemer en Walinga het noemt) wat goed te maken had, kreeg ik dit keer zomaar twee fraaie vervangers van de gemiste concerten in het kader van het Fête de la musique: Dé Kunststek van Ermelo en een foto-expositie in de Zendingskerk. En vooral twee leuke ontmoetingen op beide plekken.
StEK, gevestigd in een ruim pand aan de Stationsstraat, is een collectief van ruim dertig kunstenaars. En in de kerkzaal van de Zendingskerk (zie tekening links) exposeerden leden van de fotoclub Inspiration eigen werk (nog t/m 20 augustus a.s. op zaterdagmiddag van 13.00-16.30 uur). Ik beperk mij tot het laatste evenement, georganiseerd door de Open Kerk Commissie.

Mystieke foto van Jan Mondria
Er hingen prachtige foto’s tussen. Bijvoorbeeld van de bossen en de hei, van oude boerderijen en een moderne vuurtoren die is omgetoverd tot appartementencomplex. Eén foto sprong eruit en werd afgedrukt bij de aankondiging op de site van de Zendingskerk en bij een artikel in Ermelo’s Weekblad (12 juli 2022). Deze foto neem ik bij deze blog over (hierboven).

Ik raakte erover aan de praat met de maker ervan, Jan Mondria, die op 23 juli toevallig aanwezig was. Hij vertelde dat fotograferen in de genen van zijn familie zit. Behalve hijzelf doet ook een broer het (ook lid van de fotoclub) en een neef. Bovendien rijdt hij op de buurtbus en gaf mij een gratis lesje fotografie. Hij bekende overigens ook de geëxposeerde foto op de computer wat te hebben bewerkt. Er wat mistigs aan toe te hebben gevoegd, aan dit bos dat bekend staat als het ‘bos van de dansende bomen’, bomen die in allerlei krommingen en bochten zijn gegroeid.

Voorzichtig probeerde ik te pulken aan de titel ervan: Mystieke foto Speulderbos, Sprielderweg tussen Drie en Speld. Ik realiseerde me later pas dat ik op die manier poogde het onderscheid erbij te betrekken tussen mythe (natuur), mysterie (genade) en mystiek (glorie) zoals ik dat had geleerd uit het werk van Henk Vreekamp en in mijn gelijknamige boekje (op de plank bij Riemer en Walinga!) over hem verwoordde. Het kwam niet helemaal uit de verf, en Mondria werd door iemand anders aangesproken die zijn aandacht vroeg en terecht ook kreeg. Daarom doe ik hier een poging helder te krijgen wat ik bedoelde.

Mythe, mysterie, mystiek
Deze drieslag ontleende Vreekamp aan het denken van Gershom Scholem (1897-1982), die drie fasen onderscheidde in de ontwikkeling van een godsdienst: de mythe, ‘waarin het goddelijke en het menselijke spontaan door elkaar wandelen’ (niet: mét elkaar wandelen!), het mysterie ‘waarin hemel en aarde scherp van elkaar worden onderscheiden’ en ‘God en mens ieder hun onderscheiden rol spelen’ en tenslotte die van de mystiek, waarin ‘hemel en aarde (…) in een nieuwe eenheid samen komen’ en ‘God en mens elkaar ontmoeten’.

Met betrekking tot het Speulderbos valt bijvoorbeeld te denken aan de mythe van het Solse Gat: een gat waarin volgens de overlevering een klooster zou zijn verdwenen en waarvan je op z’n tijd de klokken nog zou kunnen horen luiden.
In de literatuur wordt het Speulderbos wel ‘mysterieus’ genoemd, maar dat is volgens bovenstaand onderscheid dus niet mogelijk.
En dan tenslotte de mystiek, de mystieke foto. Daar raken we aan de vraag of je God in de natuur kunt ontmoeten. Ik moet daarbij denken aan Augustinus (zie afb. links), die daar niet helemaal duidelijk over was. Er is zelfs een blog van Peter van Geest waarin wordt gezegd dat Augustinus dit wel degelijk vond. En wat staat daar als afbeelding bij? Het bos van de dansende bomen … Maar er is ook dat schitterende antwoord op de vraag wat je lief hebt als je God zegt lief te hebben. God is niet in de natuur, maar het is wel zoiets. Zoiets als de geur van – parafraseer ik – de bomen na een verfrissende regenbui. Maar dan gaat het om ‘een geur die niet op de wind verwaait’, maar waar Hij het licht dat tussen de boomstroken speelt Zelf is.

Toch is het goed dat ik daar allemaal niet mee kwam, toen ik Jan Mondria ontmoette. Soms is het beter boekenwijsheid niet meteen paraat te hebben, maar wel een wachter voor je mond (Ps. 141) te plaatsen. Om dingen niet kapot te maken, maar gewoon samen stil te kijken naar wat voor hém zó betoverend was, dat hij er nog een schepje bovenop deed om ook ons ervan te kunnen laten genieten en in mee te nemen.

www.kunststek.com
https://www.hervormd-ermelo.nl/zendingskerk/activiteiten/expositie-op-zaterdagmiddag

Vogel met schubben

Ik was al wat aan de late kant, en dan moet onderweg naar de Bijbelkring in de kosterij van de Nieuwendam-merkerk ook nog een toch tamelijk zeldzame zomertortel je pad kruisen! Daar kon ik niet zomaar aan voorbij lopen: hoewel het een vrij kleine duif is (zo’n 25 cm), maar dan wel een met een opvallend schubbenpatroon op de vleugels en een zwart/blauwe nek.

Toen we daar zaten, was hij daar opeens weer, die kenmerkende roep van de zomertortel: ‘roekoekoe roekoekoe’, alsof hij me onderweg van huis naar de kosterij was gevolgd en nu in de tuin of een boom op de begraafplaats zat.
Terug is hij me niet gevolgd, maar had ik genoeg tijd om al lopend over deze samenloop na te denken.

Ik  zag een ander beeld opdoemen: een vliegende vis van Marc Chagall: Time is a river without banks (Tijd is een rivier zonder oevers, 1930-1939). Een litho naar Ovidius, gemaakt tijdens de Grote Terreur van Stalin (1936-1938) en aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog die als een schaduw over Vitebsk (Belarus) hing.

Nee, het is bij Chagall geen zomertortel met een schubbenpatroon gelijk van een vis op de vleugels, maar ‘gewoon’ een vioolspelende vis. Volgens de literatuur over Chagall zou deze vis onder meer symbool staan voor de in 1920 overleden vader van de kunstenaar, die haringhandelaar was. Wilde hij zo zijn diens ziel verbeelden, die over de rivier (des doods?) vloog?

Wie weet, maar voor mij lagen die visschubben op de vleugels van de zomertortel en die vliegende vis geschilderd door een joodse beeldend kunstenaar in elkaars verlengde, als Tenach en Evangelie. Van de vredesduif, de duif na de zondvloed uit Tenach, en van de vis, de ichthus uit het Nieuwe Testament. Zomaar, opeens. Tijdens een mooie, zonnige morgen te midden van alle nieuws dat ons in de greep houdt.

Eerder verschenen in Drieluik, uitg. van de Protestantse Wijkgemeente Amsterdam-Noord, mei/juni 2022, jrg. 4 nr. 5, p. 6. Wordt hier met toestemming overgenomen.