Leren, vieren en dienen

De Protestantse Kerk Nederland (PKN) doet momenteel onderzoek naar wat de meest geliefde liederen zijn. Quadraatschrift, het toenmalige tijdschrift van het Centrum voor leren en vieren (CLV) in Amsterdam, had destijds een Liedrubriek waarin hetzelfde werd gevraagd. Als redactievoorzitter/eindredacteur heb ik die rubriek ook een keer mogen schrijven. Ik koos toen voor Lied 272 uit het (toen) nieuwe Liedboek: ‘Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here’. Ik herneem die bijdrage hier niet, maar doe het nog eens dunnetjes over en vraag me zo’n kleine twintig jaar later af, of wat ik toen zo mooi vond aan dat lied, dit nog steeds zo ervaar.

Het lied werd in 1901 geschreven door de Franse predikant en latere hoogleraar in Parijs Wilfred Monod (zie foto links, 1867-1943). Hij stichtte tevens een Franciscaner orde voor protestantse leken, Tiers Ordre Protestante des Veilleur. Hij wordt gekenschetst als een mystiek theoloog, wat hem denk ik tekort doet, want hij was een niet alleen in het hart maar in zijn totale mens-zijn bewogen. Bewogen door wat er politiek en maatschappelijk om hem heen en in de wereld gebeurde. Met ontferming bewogen, zou ik willen zeggen. De kerk zou daarbij volgens hem een grote rol moeten spelen. De theologische faculteit van Parijs was dit niet met hem eens, en ontsloeg hem in 1929. Hij was toen twintig jaar hoogleraar praktische theologie geweest.

‘Wij zoeken in uw huis uw aangezicht, o Here’ is een lied van Monod dat als Gezang 324 werd opgenomen in het ‘oude’ Liedboek en (gelukkig) doorschoof naar het ‘nieuwe’ Liedboek (Lied 272). Dit lied is te danken aan Jan Wit (1914-1980), die als predikant van de Waalse gemeente in Nijmegen bekend was met het Franse kerklied.
De hiervoor benoemde tweeslag die Monods theologie kenmerkt (mystieke inkeer en politieke en maatschappelijke betrokkenheid) komt er duidelijk in terug en reikt elkaar de hand.

Gods aangezicht
Het eerste couplet geeft uiting aan die mystieke inkeer, hier betrokken op Jezus van Nazareths stille innigheid, op Jezus ‘die op een berg klom’, alleen was met God ‘die geest en waarheid zijt’. Overigens staat in het origineel niet ‘berg’ (montagne) maar woestijn (désert).
Ik zal nooit vergeten dat, toen ik problemen kreeg binnen de kerkenraad van de kerkgemeente waarbij ik me had aangesloten, de toenmalige predikant tegen mij zei, dat het in een dienst niet om al dan niet goed- of kwaadwillende gemeenteleden gaat, maar om het zoeken van Gods aangezicht, om Góds aanwezigheid.
Die aanwezigheid heb ik ervaren toen ik, op vakantie in Israël, enkele momenten in de woestijn vertoefde. Ik voelde me te moe om nog een stap te verzetten, maar mijn kamergenote – die daar al eerder was geweest – zette me ertoe aan éven aan de woestijn (letterlijk de achtertuin van ons hotel) te ruiken. Ik ben er haar nog steeds dankbaar voor.
Het raakte me diep en troostte me net zoals dit eerste couplet dat in diezelfde kerk werd gezongen op de eerste zondag dat ik de kerk bezocht, de eerste van de vele jaren die zouden volgen tot de narigheid begon en ik vertrok. ‘Als welkom’, zoals de toenmalige (een andere) predikant na afloop tegen mij zei. Hij had mijn bijdrage aan Quadraatschrift gelezen en gaf er een prachtig gevolg aan.

Uitgeputte schapen
Het tweede couplet volgt de lijn van het zich terugtrekken naar een eenzame plaats (Marcus 6:30), maar verbindt deze met Mattheüs 9:36: ‘Toen hij [Jezus] de mensenmenigte zag, voelde hij medelijden met hen, omdat ze er uitgeput en hulpeloos uitzagen, als schapen zonder herder’.
Ik heb al eerder aangegeven dat ook voor mij de tweeslag van Monod, en van andere theologen – zoals Dorothee Sölle – leidinggevend is. Ik ben dat des te sterker gaan voelen, toen ik van de toenmalige hoofdredacteur van het blad Kerk in Mokum met grote regelmaat werd gevraagd om juist aan de rubriek Diaconie bijdragen te leveren. De ontmoetingen die ik toen had met mensen die je gerust uitgeput en hulpeloos, maar ook heel krachtig kunt noemen, maakte diepe indruk op mij. Tot op de dag van vandaag.

Kaïn en Abel
Het derde vers verwijst naar het verhaal over Kaïn en Abel (Genesis 4:1-16), dat ook centraal staat in de opera Die ersten Menschen van de Duitse componist Rudi Stephan (1887-1915) die in het kader van het Holland Festival 2021 werd opgevoerd en ook via stream valt terug te zien: Kajin en Chabel. Feitelijk zet Stephan Chabel net zo vergeestelijkt neer als Monod wanneer deze spreekt van mystieke inkeer. Kajin is bij Stephan een man die ziek is van verlangen naar seksuele bevrediging. Bij Monod roept Abels bloed ‘nog steeds tot ons geweten,/ Wie ’t zingend overstemt is Kaïns deelgenoot’.

Het leed dat van de aarde schreit
In het laatste couplet lijkt Monod een samenvatting te geven van de eerste drie: de ‘Heiland op de berg, alleen met God zijn Vader’ en ‘’t leed dat van de aarde schreit’. Daaraan koppelt hij dan een oproep die tegelijk een bede is: ‘Maak uw kerk tot hoorder en tot dader’. In één Bijbels woord samengevat: dabar. Het is een verwijzing naar Jakobus 1:22-24, het Bijbelboek dat ik in diezelfde grote stadsgemeente in het leerhuis en als doorgaande lezing op zondag heb leren kennen en op waarde schatten. Leren, vieren én dienen. Deze drie.

De melodie
De melodie waarop dit lied is gezet, is van de Franse theoloog en componist Emmanuel Haien (zie foto rechts, 1896-1968). Hij schreef onder meer een studie over de gregoriaanse oorsprong van de Geneefse psalmwijzen. Een lijn die je nog verder terug door kunt trekken, naar joodse melodieën.
Haiens melodie gaat hand in hand met het ingetogen karakter van de tekst. Oorspronkelijk stond de melodie (zie het ‘oude’ Liedboek) in e kl.t., wat dit nog benadrukt en (o toeval) tevens mijn lievelingstoonsoort is, maar nu is hij een toon lager gezet (d kl.t.), wat het accent wellicht meer legt op de maatschappelijke betrokkenheid van de tekst, wat ook nog eens wordt benadrukt door de 4/4 in plaats van 2/4-maat.
Kenmerkend zijn voorts de gepuncteerde noten (melodieregels 2 en 4), waar tekst en melodie als het ware even pauzeren, even inhouden. Het doet denken aan de onvergetelijke manier waarop Frans Brüggen wel eens inhield in Bachcantates waar tekst en muziek van een ingetogenheid uiten (bijvoorbeeld BWV 8). Op deze manier is de eenheid van Monod ook in de muziek terug te vinden.
Het is een lied dat gaandeweg je leven steeds meer gaat zeggen. Een lied om nog steeds lief te hebben, zoveel jaren na mijn eerste stukje hierover in Quadraatschrift.

 

Link naar tekst, melodie en gezang: https://www.youtube.com/watch?v=wO7THYgEMdg

Bij het overlijden van Anne van der Meiden

Uit de nalatenschap van een vriendin verwierf ik de streekroman Spoel en spade van Anne van der Meiden (Enschede 1929-Hellendoorn 2021). Het speelt in ‘zijn’ Twente van rond 1834 en verhaalt van de eenbenige Peutke die dagelijks met zijn negosie op een kar erop uit trekt en daarnaast ook nog huwelijksmakelaar is, zoals Van der Meiden zowel theoloog als hoogleraar massacommunicatie en public relations was. Om Peutke heen veranderen de boeren van vak en worden wever; scheef en wat voorovergebogen, rode randen om de ogen, een diepe en rauwe hoest. Peutke ‘wil er zo graag iets aan doen en niet berusten’ (p. 24).

Philip Krijger
Het is interessant om de fases die auteur Philip Krijger, die ik eens eerder in een culturele bijdrage aan Wervelingen uit diens boek De tragiek van de schepping oppikte (winternummer 2006/2007), naast het boek van Van der Meiden en een discussie naar aanleiding hiervan te leggen. Ik deed dat in een andere bijdrage aan datzelfde blad van de Vereniging van scoliosepatiënten (winternummer 2011/2012) en herplaats dat hier met toestemming en in een iets uitgebreidere vorm naar aanleiding van het overlijden van Anne van der Meiden op 2 juni jl..

Ervaringsdeskundige Krijger begint met het harmoniemodel, de grond van waaruit hij met alle beperkingen wat zicht en gehoor betreft leeft en waarin hij vrijheid en vreugde (h)erkent.
Dat doet Peutke in zijn lofzang op de natuur aan het begin van het boek ook, al heeft hij soms een sombere bui. Dit laatste zou Krijger het tragische model noemen, waarin sprake is van frustratie om het lot dat hem trof. Peutke weet zijn eigen narigheid positief om te buigen en zet zich van daaruit met vol verstand en uiteindelijk ook hart in voor een beter leven van de (thuis)wevers in Twente. Krijger noemt dit het confrontatiemodel.

Leerhuis
Het boek van Van der Meiden lezend, kwamen de modellen van Krijger opeens weer boven. En ze kwamen me van pas bij een discussie die ik met een (inmiddels emeritus) predikant voerde naar aanleiding van een leerhuis.[1] In diens mailtje was sprake van een volgende trits: ‘Je constant tegen ziek-zijn verzetten is vaak geen leven, terwijl met ziek-zijn leren leven vaak veel wijsheid oplevert. Waar het mij [ER] om gaat is, dat aan de ene kant verzet begint met aanvaarden, niet met ontkenning, en aan de andere kant aanvaarding niet moet ontaarden in berusting, uitgeblustheid, maar altijd aanleiding blijft voor de vraag, hoe het anders, beter kan.’ Kortweg draaide hij de volgorde van Krijger om:

  • confrontatiemodel (niet neerleggen)
  • tragische model (je constant verzetten is geen leven)
  • harmoniemodel (verandering begint met aanvaarding)

Elisabeth Kübler-Ross
Deze volgorde riep bij mij associaties op met de fasen van rouw volgens Elisabeth Kübler-Ross:

  • ontkenning
  • protest (of boosheid)
  • onderhandelen en vechten
  • depressie
  • aanvaarding

Johan Noorloos
Maar na deze constatering van mijn kant viel de gedachtewisseling stil.
Ik maak hem nu af en begin – alsof het nog niet genoeg is – met er nóg een rijtje aan toe te voegen. Van Johan Noorloos, auteur van bekende boeken als Hoe yoga je leven kan veranderen en 12 goeroes 13 ongelukken. In het blad Leef! (aug./sept./okt. 2011) stond de volgende trits:

  • stilte opzoeken (even je gedachten stilzetten)
  • de vraag of je de werkelijkheid accepteert zoals die is of je ertegen vecht
  • het visualiseren van je authentieke verlangen
  • het realiseren van je verlangen (grenzen verleggen)
  • inspireren: inspireer anderen

Iedereen die tijdens de jubileumdag van genoemde Vereniging, op 8 oktober 2012 in de ReeHorst in Ede meedeed aan de workshop De beweging van de geest, zal wel één en ander herkennen en kan zijn/haar ervaringen ‘op een rijtje zetten’. Want dat kun en mag je alleen zelf doen. Pas dan wordt het – om iemand van de Vereniging tijdens een andere workshop te parafraseren – ‘een manier van leven.’

Anne van der Meiden
Zoals Van der Meiden leefde, in alle vrijheid, openheid, met oog voor vernieuwing en zonder net als Peutke te berusten, zonder al teveel naar grenzen en wellicht ook afgebakende modellen à la Krijger of Noorloos te kijken. Zelf veranderde hij van orthodox gelovige in een vrijzinnige. Hij was lid van zowel de Nederlandse Protestanten Bond, de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden én de Protestantse Kerk Nederland. Hij had het over ‘verinnerlijking van communicatie’, zoals al die modellen misschien uiteindelijk leiden tot verinnerlijking of – zoals bij Noorloos – inspiratie van anderen, zoals ik dat ook een keer heb mogen zijn voor iemand tijdens een reis door Noorwegen. Ik denk – en hoop – dat wij dit allebei niet zijn vergeten.

Niet alleen heb ik Van der Meidens streekroman destijds met veel plezier gelezen (er is nog een vervolg op verschenen, Schering en inslag, dat ik nog wil lezen) wat mij aanzette tot het schrijven een paar columns/blogs (zie ook: https://elsvanswol.nl/zwijgen-bij-volle-maan/), maar ook mocht ik hem graag horen, wanneer hij voorging in de Alle-Dag-Kerk in Amsterdam. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

[1] Ds. Eddy Reefhuis, 12 augustus 2011 e.v.

De afscheidsviering is op 9 juni 2021 in de kerk van de Protestantse Gemeente van Usselo om 14.30 uur. Deze valt via live streaming te volgen: https://kerkdienstgemist.nl/stations/2304-Protestantse-Gemeente-Usselo/events/event/15708162-202106091100

Karl Jaspers bij HOVO Amsterdam (IV, slot)

Een van de manieren waarop de filosoof Karl Jaspers (1883-1969) transcendentie omschreef, is met het begrip ‘chiffren’. Dat wil zeggen – zoals Jozef Waanders het in zijn boek Sporen van transcendentie omschreef – ‘geheimtekens van transcendentie, waarin ervaringen van het zijn voor de existentie mogelijk wordt in (en haaks op) de voorwerpelijkheid van de immanentie’ (p. 73). Kunst kan bijvoorbeeld tot chiffre worden. Het is – wat eenvoudiger gezegd – iets dat eenmalig inbreuk doet in het concrete leven, ‘Senkrecht von Oben’ zou Karl Barth zeggen.

Tijdens een HOVO-cursus over Jaspers werden ervaringen besproken en vroegen wij ons af of je bepaalde dingen een chiffre zou kunnen noemen. Ik moest denken aan wat mijn wijkpredikant, ds. Paula de Jong, vertelde in de dienst op vierde Adventszondag verleden jaar. Een persoonlijk verhaal.

Ze vertelde dat ze theologie studeerde en woonde in het Dominicanenklooster in Zwolle. Zij mocht daar een keer een preek houden, naar aanleiding van II Samuel 7:4-6, over – zo staat er boven mijn Bijbelvertaling – de ‘belofte aangaande Salomo’s tempelbouw’. Deze tekst werd op vierde Adventszondag ook gelezen.
Na afloop van de dienst in Zwolle liep ze de trap op naar de vertrekken, en in een flits zag zij de weg die ze moest gaan: het predikantschap. Een flits die je zou kunnen vergelijken met de roeping van Maria. En, dunkt mij, met een chiffre.

Ik zag toen ze dit zei een prachtig beeld voor me: van de Finse schilderes Helene Schjerfbeck (1862-1946). Of eigenlijk twee. Er is een overeenkomst tussen de twee schilderijen die ik bedoel: het licht, de ‘crack in everything’ om een song van Leonard Cohen aan te halen. Op een overzichtstentoonstelling in 2007 in wat nu het Kunstmuseum Den Haag heet, vormde De deur (oude kloosterhal, afb. links) een van de hoogtepunten. Het schilderij heeft veel weg van de lezende Maria, die ze vele jaren later schilderde (afb. rechts). Beide doeken hangen in de Finnish National Gallery in Helsinki.

Je kan er een heel verhaal omheen weven. Over de leegte, over het licht dat de onderwerpen (de deur en Maria) zélf uitstralen, maar eigenlijk moet je dat niet doen. Het zijn schilderijen om in je hart en op je netvlies te koesteren, zoals de ontboezeming van ds. Paula de Jong. Als een roeping, chiffre of hoe je het ook wil noemen.

 

Een deel van deze blog verscheen eerder in Drieluik, een gezamenlijke uitgave van de Protestantse Wijkgemeente in Amsterdam-Noord, maart 2021. Wordt hier – in het kader van de inmiddels afgesloten cursus over Karl Jaspers aan de HOVO Amsterdam – in iets uitgebreidere vorm en met toestemming overgenomen.  

Een leerzaam 2021!

Je mag een gegeven paard niet in de bek kijken. Ik weet het, maar omdat wat doorgaat als een kerstgroet eigenlijk een jaarverslag in miniformaat (6’30”) is, én omdat wat wordt gezegd (en getoond in een overigens prachtige vormgeving) mij zo aan het hart gaat, ga ik hier toch op enkele achtergronden in. Immers: ik ken het boodschappende leerhuis van binnenuit, onder meer door in de tijd van ds. René Venema jarenlang lid te zijn geweest van de originele versie, de kerkenraadscommissie Tenach en Evangelie van de Hervormde Gemeente Amsterdam, alsmede redacteur van Bekirbénoe (Hebreeuws voor ‘In ons midden’), het blaadje dat zij uitgaven.[i] En als je iets van binnenuit kent, mag je kritiek leveren. Dat leren we uit de Bijbel al. Zowel die commissie als het blaadje zijn opgericht door ds. Kleijs Kroon, en niet Kleist (!) Kroon. Daar gaat het in de boodschap al fout.

1.
Na deze schuiver, wordt door Adriaan Deurloo (voorzitter van LATE, Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie, een opvolger van genoemde kerkenraadscommissie) stellig beweerd dat dit huidige leerhuis ‘in omvang en kwaliteit’ is gegroeid. In omvang wellicht, maar in kwaliteit? Kijk naar het huidige programma (zie link onderaan). En naar de oorspronkelijke sprekers van naam, waarvoor zo’n opmerking een steek in de rug is: F.H. Breukelman, M. van Loopik, Hilde Burger, Chana Safrai, Erik Borgman, om slechts enkele bekende namen te noemen. Nu zijn dinsdagavonden en zaterdagochtenden gevuld met lezingen (wat iets anders is dan het joodse lernen en lehren, om de wortels van het leerhuis er maar meteen bij te pakken) door oudere heren. Geen één jongere, en geen één dame. En dat anno 2020! Elk jaar weer wordt op dezelfde trom geslagen. Kwalitatief goed, dat zal ik als regelmatige bezoeker zeker niet ontkennen, maar in dit opzicht gegroeid? Nee, dat zou ik niet willen zeggen. En dat is jammer.

2.
Zoals het ook jammer is, dat in het vervolg de Protestantse Kerk Amsterdam een sneer krijgt. De PKA ‘meent op dit moment geen financiële middelen (…) te kunnen vrijmaken’ voor de aanstelling van een predikant als opvolger van ds. Wilken Veen. ‘Dat stemt ons droevig’, aldus de voorzitter over de hoofden van de ontvangers van de kerstgroet heen, die de discussie tussen LATE en PKA niet hebben gevolgd en dus ook niet kunnen weten dat het iets genuanceerder ligt. Zelfkritiek zou hier passen.

3.
De volgende (mis)stap. Eerst vraagt Deurloo zich af of ‘het bestaan van het joodse volk de millennia door geen bewijs [is] van de kracht die van het leren uitgaat?’ Of de redenatie helemaal opgaat, weet ik niet, maar ik moest wel meteen denken aan rabbijn Leo Baeck, die in Terezín (Theresienstadt) medegevangenen om zich heen verzamelde om samen mee te leren. Hij gaf er ook lezingen, over Plato, over Kant, die per keer door zevenhonderd mensen werden bijgewoond. Voor hen, en ook sommige christenen in het ‘modelkamp’ was hij ongetwijfeld een menachem, een trooster.
Maar dan komt het: ‘Zij [de joden, EvS] laten zien dat wie leest en leert, blijft leven’. Dat is een onhandige uitlating die, om de eerder aangehaalde woorden van Deurloo aan te halen, droevig stemt, want wie aan de vele vermoorde joden tijdens, voor en na de Tweede Wereldoorlog denkt, zal dit niet zo in de mond durven nemen. Hoe hard ze ook leerden. Wat wel blijft, zijn de geschriften die zij ons hebben nagelaten: de Torah, Talmoed en ga zo maar door.

4.
Kreeg eerst de PKA de zwartepiet toegespeeld, vervolgens is corona de boosdoener. ‘Door Corona’, zegt Deurloo, ‘heeft onze programmering ernstige schade opgelopen. Maandenlang konden we niets doen’. O nee? Daar gingen heel wat andere leerhuizen voor(op) door middagen/avonden via Zoom aan te bieden, zoals bijvoorbeeld Pardes, ook in Amsterdam.
Binnen de commissie waren er best roependen in de woestijn die wel aandacht hadden voor digitale ontwikkelingen, zoals Rob Versélewel (Robertus Cornelius Versélewel de Witt Hamer), die onlangs na een kort ziekbed overleed.

Ik hoop natuurlijk met LATE dat alles in 2021 weer doorgang kan vinden, nadat al definitief met de leerdiensten is gestopt. Maar dan wel op een wat modernere leest geschoeid, met onder meer jongere en vrouwelijke, interessante sprekers. Moge deze videoboodschap althans qua vorm daar een opmaat toe zijn.

Links:
https://www.youtube.com/watch?v=3s0CzSq2MSE&feature=youtu.be http://www.kleijskroon.nl/
http://leerhuisamsterdam.org

[i] Zie: Veertig jaar ‘Tenach en Evangelie’. Deel 1 in de serie Radix, leren en vieren met een Amsterdams accent. Uitgeverij Eburon, Delft.

‘Het breidt zich alleen maar uit’

De tweede en laatste blog naar aanleiding van een middag (9 december jl.) in het Amsterdamse Spui25 rond het nieuwe boek De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) van P.C. Hooftprijswinnaar Maxim Februari.

Deze keer blijf ik stil staan bij zijn opmerking, dat een roman niet valt samen te vatten, in tegenstelling tot een filosofieboek; zijn vriend René Gude (beiden filosoof) vond het omgekeerde. ‘Het breidt zich alleen maar uit’. Een opvatting die ik tussen twee haakjes tijdens een weekend over joodse filosofie bij de Internationale School voor Wijsbegeerte, geleid door Rico Sneller, ook meende op te maken als zijnde de visie van Derrida: literatuur, filosofie en theologie vormen ‘in den beginne’ een herhaling met andere woorden.
Uit de zaal volgde naadloos hierop aansluitend dan ook de vraag of interpretaties dan altijd nodig blijven. Ja, kwam uit in verschillende bewoordingen uit diverse monden.

In dezelfde week als de Spui25-bijeenkomst las ik in het tijdschrift In de waagschaal een ‘Exegetische miniatuur’ van emeritus predikant Wout van der Spek over Psalm 2 die hieraan raakt. Het is, schrijft Van der Spek, als je ervan uitgaat dat Psalm 1 later is toegevoegd, eigenlijk de eerste Psalm die ook nog eens begint met: ‘Waarom’.
De auteur schrijft van Tom Naastepad te hebben geleerd, dat het vervolg van een verhaal of een boek een herlezing ervan is. Dat is mooi, maar Van der Spek had ook dichter bij huis kunnen blijven: de Talmoed (wij zaten nota bene enkele jaren samen aan de voeten van een joodse leraar Talmoed te lernen) is de uitbreiding ervan, om Maxim Februari te parafraseren.

Mijn hart sprong dan ook op, toen ik tijdens een Bijbelcursus in mijn eigen wijkkerk de predikant Paula de Jong hoorde zeggen, dat de (Psalm)citaten in de Evangeliën meestal net niet letterlijk zijn; een soort kleine Talmoedfragmenten dus: kleine uitbreidingen, herhalingen in net andere bewoordingen, interpretaties. Derrida (zie link onder aan deze blog) zou het haar hebben kunnen nazeggen.

Zo zou je, tenslotte, Marcus 4:25 volgens haar ook kunnen lezen:

Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.

Niet in materiële zin, maar als sommetjes: 1+1=2, 1-1=0. De rijke wordt rijker, aan Bijbelkennis die hij/zij als rijkdom met zich draagt en die zich steeds uitbreidt. Interpretatie op interpretatie.

 

https://www.dbnl.org/tekst/_voo013201501_01/_voo013201501_01_0036.php

 

Zingen als in Bethlehem

Paasmorgen in de Dom in Utrecht. Predikant: ds. Sytze de Vries, organist: Jan Hage.
Na de preek zongen we als tafellied Gij, in ’t hemels licht verheven op tekst van Sytze de Vries (naar Philipp Brooks) en een Engelse melodie (uit: Het liefste lied van overzee I). We zongen vers 1, 2, 4 en 5 en organist Jan Hage speelde het derde vers. Hiervan luidt de tekst:

Gij zocht heil in het geringe,
gaf aan kleine mensen stem.
Hoor de engelen, zij zingen
nu als toen in Bethlehem.
Halleluja,
met de hemel ingestemd!

En wat deed Hage? Hij weefde door zijn solo een Kerstliedje. Mensen keken verrast op en om, anderen die het wellicht was ontgaan hierop attenderend. Hage’s vondst verhoogde de feestvreugde van Pasen.

Maar er zat nog een laag onder, ingegeven door de tekst. Ik moest denken aan een preek die Sytze de Vries in 2011 hield in de Oranjekapel, ook in Utrecht; ik had toen een abonnement op zijn preken, want in de Oranjekapel was ik toen op Kerstmorgen 2011 niet.
Ik citeer:

Hij zal hangen aan een boomstam,
als Gods goede vrucht aan de levensboom,
het kruis, dat – zo wil een heel oude traditie –
van hetzelfde hout gemaakt is als de krib, de voederbak.

In gedachten hoorde ik ook het koraal Wie soll ich dich empfangen uit de eerste cantate uit Bachs Weihnachtsoratorium meeklinken. Op de melodie die we herkennen als O Haupt voll Blut und Wunden. Ook zoiets wonderlijks.

Een predikant heeft iets meer woorden nodig dan een dichter. Een organist als Jan Hage en een componist als Joh. Seb. Bach kunnen de notie zelfs tegelijk laten klinken. Prachtig toch!

Het einde van het kwaad

Beatrice de Graaf, hoogleraar Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen in Utrecht, doet ik haar essay Heilige strijd een beetje hetzelfde als ik in mijn MA-scriptie Het kwaad het hoofd bieden deed: verdergaan waar de wetenschap stopt. In mijn geval: waar Het kwaad denken van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman (die al bij De Graaf op pagina 15 opduikt) ophoudt en de literatuur van Philippe Claudel (Het verslag van Brodeck) begint. In het geval van De Graaf: waar betekenisgeving begint.

De Graaf geeft meteen aan het begin haar kaarten weg, waar ik na een omweg, via de wijsgerige theologie van Dalferth (bij haar oftewel foutief oftewel familiair een keertje Ingo i.p.v. Ingolf genoemd) en Jean-Claude Wolf: hoop (en liefde), dat is wat een letterkundig werk als Het verslag van Brodeck van Claudel, en de Bijbel, aan het filosofische en ander wetenschappelijk denken onder meer kan toevoegen.

De titel van De Graafs boek slaat op de navolging van Christus’ heilige strijd. ‘Dat gevecht’, schrijft ze, ‘is gericht tegen het kwaad in ons en om ons heen.’ Het eerste is een aspect dat ik een beetje miste in het denken van Neiman en daar, in navolging van onder meer Colet van der Ven, aan heb toegevoegd. Ook in het boek van Claudel speelt het een voorname, niet te miskennen rol.

Net zomin als Neiman vindt ook De Graaf ‘het kwaad’ een te analyseren categorie. De Graaf hekelt de ‘politici, publicisten en zelfs een enkele predikant die het wel publiekelijk aandurven om het kwaad te benoemen en de oorzaken aan te wijzen: het is de islam, het zijn de vluchtelingen, de EU, de liberale elites, de “wegkijkers” die dat gezwel hebben laten voortzweten.’
Neiman brengt een tweedeling aan: natuurlijk kwaad (aardbevingen e.d.) en moreel kwaad (dat wat de mens een ander aandoet) en beschrijft hoe het in het denken van het een (God als oorzaak aanwijzen) tot het ander (de mens als oorzaak zien) is gekomen. Daarbij schenkt zij, evenmin als De Graaf, weinig aandacht aan instituties, Bijbelse en seculiere geboden die er een halt aan proberen te roepen.

Een ander punt is de vraag of je met de titel van Neimans studie het kwaad wel kunt denken: is de rede niet, zoals De Graaf stelt en ik ook uitwerk, na de Tweede Wereldoorlog niet gestruikeld? De Graaf meent terecht dat Neimans denken in deze ‘te dun’ is, omdat je in feite dan ‘“het kwaad” religieus en intellectueel onweersproken laat staan.’ Hoop, stelt De Graaf (en, als gezegd Claudel, op een heel andere, seculiere manier) belooft ‘meer dan Neimans geloof in “sufficient reason”.’

De Graaf wijst op een proefschrift van Petruschka Schaafsma, Reconsidering evil, die naast Immanuel Kants denken over het kwaad (de leermeester van Neiman) tevens dat van Paul Ricoeur en Karl Barth zet. Deze twee namen ontbreken bij Neiman, iets waar in recensies ook op is gewezen als zijnde een gemis, zeker wat het de eerst genoemde betreft, immers een filosoof die ook over het kwaad nadacht.
Kant laat het transcendente en metafysische – waar ik uitvoerig op inga, een beetje tot verdriet van mijn scriptiebegeleider – buiten beschouwing. Ricoeur komt – net als Claudel – met categorieën als vergeving en boete. Beiden geven zo een mooie aanvulling.

De Graaf zet hier nog iets naast: ‘Er moet (…) een radicale oplossing komen voor dit kwaad (…). Dat einde van het kwaad (…) moet door God worden gerealiseerd.’ Daar kun je je in vinden, of niet (helemaal). Ik zou zeggen: door God en mensen sámen. In ieder geval is dit denken, net als de literatuur, een weg die doorloopt waar de filosofie van Neiman stopt, omdat wordt erkend dat je met louter denken niet verder komt. Dat is een ding dat zeker is.

Beatrice de Graaf: Heilige strijd. Het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad. Uitg. Boekencentrum, 2017 (ISBN 978 90 5059 2) € 12,99

Omslag van mijn scriptie (rechtsboven) Yve du Bois.

Samen vieren?

Gisteren, maandag 24 april, vond in de Amsterdamse Thomaskerk een studiemiddag plaats met vijf protestantse en vijf rooms-katholieke theologen over Eucharistie en Avondmaal. De vraag was: is samen vieren mogelijk? Wat geloven we precies en hoe beleven we dat sacrament? De uiteindelijke vraag was: welke beletselen staan (nog) in de weg voor een gezamenlijke viering?

Leeuwarden
Jaren en jaren geleden was er gedonder tussen de (toen nog) Nederlands Hervormde Gemeente en de rooms-katholieke parochie in de wijk Bilgaard in Leeuwarden, waar zij gezamenlijk een kerkgebouw (nu wijkcentrum) gebruikten. Hoe de vork precies in de steel zat, weet ik niet meer. Wel dat de pastoor het veld moest ruimen, en dat op een zondag er een gezamenlijke dienst was, inclusief Eucharistie/Avondmaal. Beide voorgangers, de predikant en de pastoor, deelden brood en wijn uit. Ik stemde met mijn voeten voor de pastoor en tegen het beleid, en ging bij hem – die als ik mij goed herinner door alle ellende kort daarna een hartaanval of beroerte kreeg – ter tafel. Iets dat in ieder geval door de synode sinds de jaren zestig van de vorige eeuw werd gebillijkt.

Band tussen Christus en de Kerk is fundamenteel:
Christus als oersacrament
Kerk als grondsacrament, als plaats waar Gods heil wordt gehoord en zichtbaar gemaakt.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

De Slangenburg
Ik was eens een midweek in de Slangenburg en vierde een deel van een viering mee. Een deel – want wij werden weliswaar genodigd, zonder onderscheid. Ik wilde voor het delen van brood en wijn naar voren gaan, maar werd door degene die naast mij zat min of meer tegengehouden: dit mag je níet doen. Ik voelde me buitengesloten en verdrietig, ik die niet aan avondmaalsmijding deed, zoals ik me nog van mijn moeder herinnerde. Dat gevoel herkende ik helemaal in wat Henk Meulink (voorzitter van de Raad van Kerken in Amsterdam) vertelde in het mislukte tafelgesprek tussen maar liefst negen mannen en één vrouw (!), deels ook nog eens met de rug naar het publiek, na de twee inleidingen – door mgr. dr. De Korte en dr. Karel Blei – : in zorginstellingen bestaan gemeenschappelijke vieringen. Of liever gezegd: tot nu, want onlangs werd hij genood én geweigerd. De arm van het kerkelijk gezag van Rome reikt ver, en omsluit – zoals de armen, de zuilengalerij voor de St. Pieter op het St. Pietersplein – alléén rooms-katholieken.

Er bestaat een nauwe relatie tussen Eucharistische gemeenschap en kerkelijke gemeenschap.
Maaltijd van de kerkelijke eenheid: eenheid in geloven is nodig voor deelname aan de Eucharistie.
Vergelijk met het Eucharistie gebed: gebed voor paus; bisschoppen; onze doden.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

Israël
In Israël heb ik het voorrecht gehad in een kibboets op sjabbat aan de maaltijd te hebben aangezeten. Iedereen voelde zich welkom, hoewel het overduidelijk was dat er niet-joden aanwezig waren. De christelijke mannen hadden hun hoofd bedekt, zoals te doen gebruikelijk. Met een keppeltje of een servet. Het was niemands bedoeling dat de joden zich tot het christendom zouden ‘bekeren’ noch dat de christenen jood zouden worden. Ieder beleefde de maaltijd op zijn/haar manier, in verbondenheid, eerbied en respect voor elkaar.

Niet al vierende naar de eenheid toegroeien maar de gezamenlijke Eucharistie als afronding van het proces van eenwording van alle christenen (‘De Maaltijd wordt uitgesteld’).

(Mgr. Dr. Gerard De Korte)

Is er sacrament omdat er kerk is, of is er kerk omdat er (o.a.) sacrament is? Katholieken zijn geneigd tot het eerste, protestanten tot het tweede. Maar beide aspecten hebben hun waarde.

(Dr. Karel Blei)

Antwerpen
Enkele jaren geleden was ik in een koosjer restaurant in Antwerpen, waar joden en christenen gezamenlijk de lunch gebruikten. Degene met wie ik samen reisde, twijfelde bij de ingang van het restaurant even of ze haar handen ritueel zou reinigen in de bekkens met water die daar stonden opgesteld. Uiteindelijk deed zij dit niet, omdat ze het niet gepast vond. Daarin had ze, vond ik gelijk, en ik volgde haar voorbeeld. Want in tegenstelling tot de Slangenburg, ervoer ik dit op dat moment als zodanig: dit is niet voor mij bestemd.

Leren en vieren
De nadruk lag tijdens deze studiemiddag op het leren – op met name het rooms-katholieke leergezag, dat de protestanten deels achter zich hebben gelaten door het lezen van het didactische tafelformulier te vervangen door een tafelgebed waarin meer nadruk ligt op het vieren van het Avondmaal, dat soms ook Maaltijd van de Heer wordt genoemd.

Andere, nieuw naar voren gekomen aspecten zijn: gemeenschapsbeleving, toekomstverwachting, diaconale gerichtheid (breken en delen in de samenleving).

(Dr. Karel Blei)

Wat zal ik doen als ik weer eens, zoals in Leeuwarden of de Slangenburg voor de keuze zal komen te staan: meevieren of blijven zitten? Het eerste, denk ik. En dan is een leerhuisbijeenkomst als deze, zoals Wilken Veen, voorzitter van het tafelgesprek zei, ‘een voorfase tot gezamenlijk vieren.’ Laten we het daar op houden.


De Oude Kerkgemeente en het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie organiseert op dinsdag 16, 23 en 30 mei a.s. in de Van Limmikhof (Nieuwe Keizersgracht 1a te Amsterdam) een leerhuis o.d.t.
De maaltijd van de Heer met prof. dr. Rinse Reeling Brouwer (Protestantse Theologische Universiteit), één van de tien deelnemers aan wat een tafelgesprek had moeten worden.

‘Dan maak je maar zin!’

peter-henk-steenhuis_werk-verzettenchristien-brinkgreve_het-verlangen-naar-gezag

Op 30 november a.s. vindt bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden een René Gude-avond plaats. Hier wordt het boek Werk verZetten van Peter Henk Steenhuis gepresenteerd, waarin de auteur Gude’s ideeën over zingeving en werk onderzoekt. In de aanloop daarnaar interviewde Steenhuis voor dagblad Trouw de sociologe Christien Brinkgeve (25 november jl.), auteur van onder meer het boek Het verlangen naar gezag, die aan de Universiteit van Utrecht het gevoel kreeg ‘een afgedankte muntsoort te zijn.’ Veel van wat zij zegt is herkenbaar en omschrijf ik in deze blog over zingeving en werk onder de titel ‘Dan maak je maar zin!’, een uitspraak van René Gude.

‘Dat is toch wel zinvol’
Op een dag ontmoette ik bij mijn ouders hun wijkpredikant, ds. Th. C. Frederikse die als emeritus was neergestreken in Ermelo. Ik kende zijn boek Klare wijn, dat in 1967 als een rapport van de synode was verschenen, van mijn belijdeniscatechisatie in Amsterdam. Wij raakten aan de praat en ds. Frederikse vroeg wat ik voor mijn vak deed. Op mijn antwoord viel een doodse stilte, waarna hij uiteindelijk zei: ‘Dat is toch wel zinvol.’ Die stilte heeft lang en oorverdovend in mijn hoofd nageklonken.

In 2004 werd ik door iemand van de Oude Kerk in Amsterdam gevraagd om een praatje te houden over de vraag: ‘Waarom doe je dit werk eigenlijk?’ Op dat moment was ik afdelingshoofd bij wat toen Muziekgroep Nederland (MGN) heette. Ik hield een bevlogen praatje over moderne muziek en de essentiële waarde daarvan voor mensen van nu. Het paste ongetwijfeld in één of meer van de vier Z-ten van Gude: het zinnelijke, het zintuiglijke, het zinrijke en het zinvolle.

Hoe desastreus organisaties kunnen werken
Maar MGN was ook een voorbeeld van ‘hoe desastreus organisaties kunnen werken’, zoals Brinkgreve het tegen Steenhuis in algemene zin omschreef . ‘Er werd nauwelijks gekeken naar waar mensen goed in zijn’ was ook iets dat onder leiding van een interim-manager en diens opvolger ook voor MGN gold. Een interim-manager afkomstig van Berenschot en een opvolger die nu directeur is van wat zijn website noemt ‘hét adviesbureau voor bedrijfsvoeringsvraagstukken binnen het onderwijs.’

Muziekgroep Nederland werd een enkele directeur later Muziek Centrum Nederland (MCN), de zoveelste fusie in kunstenland die het OCW later mogelijk maakte om in één klap zo’n zeven instituten om zeep te helpen. Met echalons die waren gezakt (directeuren van de fusie-instellingen werden afdelingshoofd, afdelingshoofden senior medewerkers) en in mijn geval een afdelingshoofd dat niet bepaald – om Brinkgreve nogmaals aan te halen – ‘het gevoel gaf dat je leeft, dat je mag bestaan.’ In tegendeel. Brinkgreve moest thuis ‘eerst in een warm bad om weer tot leven te komen’, ik had een andere modus ontdekt, op weg náár het werk, maar de effecten bleven niet uit: hoge bloeddruk op die nooit meer weg is gegaan.

Staande blijven
Hoe blijf je dan staande? ‘Dankzij mijn opvoeding, dankzij mijn omgeving’ zegt Brinkgreve tegen Steenhuis. Dat gold voor mij ook, en met een ‘dubbelleven’ ernaast. Mijn werk aan de Muziekencyclopedie werd voor het afdelingshoofd – nu directeur van een kleine muziekinstelling waarvan de subsidie wordt gestopt – zonder enige vorm van communicatie daarover stop gezet, zonder dat letterlijk naar de inhoudelijke kwaliteit was gekeken van bijvoorbeeld een ‘entry’ over een orkest dat een afgekeurde door een gezaghebbend musicoloog zou kunnen vervangen. Dezelfde musicoloog waarvan een artikel over een al even gezaghebbend componist dat hij had geschreven voor het tijdschrift Mens en melodie was geweigerd. Enkele jaren later ontving diezelfde componist dat van mij met open armen. Het werd geplaatst in hetzelfde tijdschrift.
Zulke ervaringen houden je staande, want ‘wanneer je jezelf door de ogen van anderen gaat bekijken, begeef je je op een hellend vlak richting depressie.’ Die ogen van een ander kunnen echter ook helend werken. Dat gold voor Mens en melodie, maar in mijn geval ook voor mijn werk als secretaris en lid van de programmacommissie van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Documentatiecentra (NVMB) en – tot mijn chef daar een stokje voor stak – de International Association of Music Information Centres (IAMIC).

De vier Z-ten
Toch kan ik me een dag herinneren waarop ik, toen al bekend was dat MCN ten prooi was gevallen aan de kunst- en cultuurkaalslag die door Nederland waarde, met veel zin had gewerkt. Het was een rustige dag en ik zat met één collega op de werkkamer. Hij zat met zijn koptelefoon op te werken aan de Muziekencyclopedie, ik aan een zelfverzonnen klus waarvan ik op dat moment de waarde nog inzag. Een moment hebben we even pauze gehouden, toen vanuit de tuin een opmerkelijk vogelgezang de kamer binnendrong. We ondernamen een korte zoektocht over het web om te achterhalen welke vogel dit zou kunnen zijn. Toen gingen we allebei weer aan ’t werk. Een zeldzaam moment, een zeldzame dag waarop de vier Z-ten in volle harmonie over me kwamen.

Dát is wat René Gude, dat is wat Christien Brinkgreve werknemers gunt en waar nog zo weinig van terecht komt. Het is wachten op een vraag als: ‘Waarom doe je dit werk eigenlijk?’ En dan door je chef: ‘Hoe ervaar jij je werk? Wat heb jij nodig om goed te functioneren?’, aldus Brinkgreve. Daarvoor is een omslag nodig. Dan kunnen, volgens deze sociologe ‘de vier betekenissen van zin een waardevolle aanvulling zijn in het denken over depressie, burn-out.’ En hoge bloeddruk.

Het machtig voorjaar
Voor mij betekende de vogel die in de stadstuin in de Amsterdamse grachtengordel zong

… het machtig voorjaar dat alles weer in bloei dreef
(Pieter Boskma)

De vier Z-ten kan ik nu ten volle op laten bloeien in het vrijwilligerswerk dat ik doe, net als de vogels

wellicht voor hun schepper, wellicht voor de mens.

En niet in de laatste plaats voor mezelf. In vrijheid.

Naschrift
Of ik hier al aan toe gekomen ben, weet ik niet – maar het is wél een mooie les, ook voor iedereen die in situaties als hiervoor beschreven: ‘Humor helpt ons aan een uitweg wat uit tot op het laatste ogenblik een onmogelijke situatie leek te zijn. We kunnen uitstijgen boven iets of iemand waar we om kunnen lachen. Humor houdt in onmenselijke omstandigheden de menselijkheid hoog. Humor is een manier om de macht te breken van angsten die ons anders gevangen zouden houden. Humor is op zijn eigen wijze een van de hoogste uitdrukkingen van menselijke vrijheid (…): vrijheid als het vermogen onze situatie opnieuw te definiëren. Wie om het noodlot kan lachen, bevrijdt het van tragiek. Iemand die de interpretatie die de vijand van bepaalde feiten geeft verwerpt, kan niet tot slachtoffer worden gemaakt. In psychologische zin blijft hij of zij vrij. Humor is het broertje of zusje van de hoop’ (Jonathan Sachs, Een gebroken wereld heel maken, p. 221).

Sytze de Vries 70 jaar

Sytze de Vries‘Ik maak er zelf geen feest van, maar als ze een feest willen, houd ik dat niet tegen’ zei Sytze de Vries toen hij 25 jaar predikant was. Dat is nu wat anders: op 18 oktober a.s. vindt, rond zijn liederen en teksten ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag (15 augustus 2015) het zevende Oecumenisch Liedfestival plaats.
Naar aanleiding van dit heuglijke feit herplaats ik hier gedeelten uit een interview dat ik in 1997 met hem had voor Horizon. Aangevuld met recente ontwikkelingen.

‘Professor Honders zei na een proefpreek: “Je hebt het charisma van de taal ontdekt, maar wees daar voorzichtig mee.” Later heb ik pas gesnapt wat hij bedoelde.’
De Vries moet erkennen dat hij tijdens zijn studie in Groningen niet veel heeft geleerd. Pas toen Beker hem op het werk van Gunning wees, werd het spoor uitgezet wat kenmerkend voor zijn predikantschap kan worden genoemd: de maatschappelijk-literaire exegese die tot liturgie leidt.

Peize en Purmerend
ZIjn eerste gemeente was Peize, waar hij van 1972 tot 1981 heeft gestaan. Aan de ene kant bestond de (kerkelijke) bevolking uit import en aan de andere kant uit zo’n vijfduizend vrijzinnigen die de dominee alleen riepen als ze hem nodig hadden: bij trouw en rouw.
De kerkenraad zocht een jonge predikant die iets nieuws wilde beginnen. ‘Het was een leuke tijd. Er was een groep van twintig catechisanten die in de pastorie op zolder bleven slapen, al woonden ze zo wat om de hoek. Ik voelde mij er als noordeling [Sytze de Vries werd in 1945 in Leeuwarden geboren, EvS] thuis. Iedereen zei je op straat gedag.’
Dat laatste ging in zijn tweede gemeente, Purmerend even door: ‘Ik bleef iedereen gedag zeggen, tot ik dacht: “Ze moeten wel denken dat die vent gek is geworden”.’ Voor de rest was deze periode, van 1981 tot 1986, een heel andere tijd. Een andere streek ook, die volgens De Vries ‘het smoel van Drenthe mist. Purmerend bestaat uit populieren en beton. Pastoraal was het ook anders. Was in Peize zelfmoord aan de orde van de dag, hier kwamen relatieproblemen voor.’

Radio en televisie
In Purmerend raakte Sytze de Vries ‘aan de man.’ Via hem kwam hij bij de IKON en later de NCRV terecht, waar hij tien jaar de rubriek het Lied van de week presenteerde. Hij schreef er zelf ook liedteksten voor.
Gedurende anderhalf jaar heeft Sytze de Vries louter en alleen radio- en televisiewerk gedaan. Hij zei zijn werk in Purmerend vaarwel, vroeg de status van emeritus-predikant aan en ging in Amsterdam wonen. ‘Ik kende Willem Vogel al door mijn werk voor de bundels Zingend geloven. Via hem kwam hij in 1986 in de Sweelinckcantorij terecht.
Toen de predikant van de Oude Kerk, ds. Van Beusekom, wegging, kreeg De Vries voor twee jaar 1/4 predikantsplaats. Na twee jaar werd dit omgezet in een halve formatieplaats voor onbeperkte tijd. De Vries was uiteindelijk van 1988-2005 als predikant verbonden aan de Amsterdamse Oude Kerk.

Amsterdam
Als kritiekpunt op de liturgie die binnen de Oude Kerk wordt gevierd, wordt wel aangevoerd dat als je niet oppast deze in estheticisme verzeilt raakt. Sytze de Vries reageert een beetje fel als hij zich afvraagt of ‘het mooiste voor de Here God dan niet goed genoeg is? Als het maar geen formalisme wordt. De liturgie mag de dienst niet gaan beheersen, met als gevolg een onnozel preekje. Voor deze plek is de vorm, die staat in de traditie van de ongedeelde kerk, de beste. Ik zie liturgie als een uiting van pastoraat; mensen moeten in de liturgie kunnen wonen. En dat mag best groots zijn.’

Poëet
Door zijn werk voor radio en televisie krijgt De Vries ook een landelijke pastorale functie toegemeten. Opvallend is dat zijn liedtekst ‘Zo lang wij adem halen’ zijn meest gezongen lied blijkt. Het roert bij mensen een andere snaar aan dan de Barthiaanse liedteksten uit het Liedboek voor de Kerken (1973). ‘Deze gaan veel meer uit van Gij-Hij in plaats van ik en wij. En in die ontmoeting moet het gebeuren. Als kerk kun je de confrontatie individu-gemeenschap gewoon niet uit de weg gaan.’ Waarmee wij naar mijn gevoel waren aangekomen bij Sytze de Vries’ stokpaardje. ‘O ja?’, reageert hij, ‘dat geeft nog nooit iemand tegen mij gezegd, maar het klopt denk ik wel.’

Hij wil niet door het leven gaan als de man die alleen maar liederen en teksten schrijft, al zijn in het nieuwe Liedboek honderdtwintig liederen, vertalingen en liturgische teksten van zijn hand opgenomen. Die wens is uitgekomen. De website van Sytze de Vries’ werkplaats De Vertaalslag vermeldt dat hij theoloog is (‘geeft lezingen en cursussen’), predikant (‘gaat voor in kerkdiensten door het land’), tekstschrijver (‘ook op aanvraag’), dichter en publicist (‘van bundels’). Een veelzijdig mens met aandacht voor het sociale en het creatieve.

http://www.sytzedevries.com/