De Cock en moord als verlossing (II)

‘Bij Baantjer deel 90 De Cock en moord op stand (geschreven door Peter Römer) zat een uniek miniboekje met een teruggevonden manuscript van Appie Baantjer zelf: De Cock en moord als verlossing. In dit teruggevonden manuscript, dat ongeveer een kwart van de gewoonlijke omvang heeft, geeft Baantjer ons een setting en de aanzet van het plot. Het was dit keer aan zijn lezers om het verhaal af te ronden met een verrassende ontknoping…’ (website Uitgeverij De Fontein).
Ik nam die handschoen op, maar viel niet in de prijzen. Mijn ontknoping deel ik op deze blog. In twee delen. Hieronder het tweede en laatste deel.

6.
De volgende ochtend haalt Vledder De Cock met de auto op en meldt dat ‘Keizer heeft ontdekt, dat Albertus van de Weide een jongere zus heeft, Carolien, die receptioniste/secretaresse is bij een notariskantoor in de Honthorststraat’. ‘Laten we daar dan eerst maar eens langs gaan’, zegt De Cock. Ze reden er in de oude Golf naar toe, langs het Rijksmuseum waar het al druk was met wachtende bezoekers. Een knappe vrouw met opgestoken haar deed de deur van het kantoor open en bestudeerde de politiepenningen van De Cock en Vledder nauwkeurig, alvorens zij beiden binnenliet. Het leek of ze enige bedenktijd nodig had, alvorens ze eindelijk vroeg of ze ook een kopje koffie wilden. Ondertussen liet ze hen in een chic vergaderzaaltje, waar een ronde tafel stond met wat stoelen eromheen. ‘Niet gek, zo’n notariskantoor in Oud-Zuid’ zei Vledder toen ze wegliep om de koffie te halen. De Cock keek hem wat afwezig aan. ‘Eh, ja’. Carolien kwam terug met een dienblad waarop drie kopjes stonden, een kannetje melk, een schaaltje met suikerklontjes en een schoteltje waarop wat koekjes lagen.

Ze had ondertussen duidelijk nagedacht over wat ze wel en niet kwijt wilde, en stak ongevraagd van wal. ‘Albert liep altijd wat uit de pas. Waar ik een wat jongensachtig meisje was, was hij juist veel zachter dan je van een jongen verwacht. Ik hield van buiten spelen, hij vooral van lezen en naar klassieke muziek luisteren. We begrepen elkaar daarin niet altijd. Toen ik een vriend kreeg, was hij erg op hem gesteld. Niet lang daarna kwam hij uit de kast. Onze ouders reageerden er eigenlijk nogal gelaten op. Niet afkeurend in ieder geval. Ze lieten hem zijn gang gaan, zoals ze ons allebei altijd onze gang lieten gaan.’ Ze glimlachte en keek De Cock en Vledder kort even aan alvorens ze haar verhaal vervolgde. ‘Ze hoopten denk ik vooral dat we gelukkig zouden worden op onze eigen manier, zoals ze dat zelf ook waren geworden. Mijn moeder, Angela, was chef-kok geweest weet u. Dat was in die tijd best bijzonder. Ze hebben niet meer meegemaakt, dat hij contacten zocht op het Stenen Hoofd, de homo-ontmoetingsplek’. Het leek of ze wat moeite had met het uitspreken van het woord ‘homo’, maar ze herstelde zich snel en zei met een snik in haar stem: ‘Het is verschrikkelijk dat hij is vermoord. Uitgerekend daar. Echt verschrikkelijk.’ Toen hield ze haar mond en pakte een zakdoek uit de zak van haar wat stijve, klassieke jurk. De Cock vroeg haar in dit moment van stilte, of ze ook wist of haar broer vijanden had. ‘Niet dat ik weet, mijnheer De Cock’ antwoordde ze. Het was duidelijk dat ze niet veel meer wist te vertellen en dat De Cock en Vledder niet meer te weten zouden komen. Terwijl ze naar de deur liepen, draaide De Cock zich nog een keer om en zei: ‘Eén vraagje nog’. ‘Ja’, antwoordde zij wat korzelig. ‘Weet u ook of uw broer Frederik van Groesbeek kende? Hij heeft uw broer gevonden’. ‘Ja’, antwoordde Carolien van der Weide tot hun verbazing. ‘Die naam heeft hij wel eens genoemd. Hoe goed ze elkaar echt kenden, weet ik niet. En of ze elkaar ook op het Stenen Hoofd ontmoetten, weet ik ook niet’ zei ze, terwijl ze met De Cock en Vledder naar de buitendeur liep. Vledder vroeg terwijl ze door de gang liepen of het interessant werk was, bij zo’n notariskantoor. Carolien keek hem strak aan en zei dat het haar leek dat dit hem geen moer interesseerde. ‘Hooguit wilt u met mij aanpappen, meneer Vledder. En daar ben ik niet van gediend.’ Daarmee kon Dick het doen.

Op de stoep, in de stille, deftige straat in Oud-Zuid keken beide rechercheurs elkaar aan. ‘Op naar de ouders van Van Groesbeek dan maar’, verbrak De Cock de stilte. Hemelsbreed woonden die niet ver van waar Carolien werkte. Rechtsaf de Van Baerlestraat in, een stuk doorrijden, over de brug van het Vondelpark en voor de kruising met de Overtoom weer rechtsaf, de Roemer Visscherstraat in. Weer zo’n mooie, rustige straat, maar ze stonden verbaasd in een wat vervallen trappenhuis alvorens ze aan de klim naar boven begonnen. In de deuropening stond een wat kleine, oudere heer ze op te wachten. Hij keek wat geamuseerd naar de hijgend arriverende mannen. Hij ging ze voor naar een kamer die veel goed maakte: een stijlvol, modern ingerichte, weliswaar kleine maar lichte huiskamer aan de straatkant. Op de bank zat een vrouw, die wat jonger leek dan haar man. Al even stijlvol gekleed en gekapt en met een verdrietige en afwezige uitdrukking, het gezicht afgewend. De Cock stelde zich voor: ‘Ik ben rechercheur De Cock met ceeooceekaa, en dit is mijn collega Vledder. Gecondoleerd met het verlies van uw zoon. Het spijt ons, maar wij zouden het fijn vinden als u enkele vragen over hem zou kunnen beantwoorden, dan krijgen we een wat betere indruk van hem.’ De vrouw leek wat te willen zeggen, maar hield zich in. Haar man nam gauw het woord en vroeg of de heren niet wilden gaan zitten. Hij wees naar twee stoelen die tegenover de bank stonden. Hij begon meteen te vertellen. Over de homoseksualiteit van ‘zijn’ zoon. Dat hij wel naar kerkdiensten in Ons’ Lieve Heer op Solder ging. Daar trof hij gelijkgestemden, maar van zijn ouders zwom hij steeds verder af. ‘Alleen met zijn moeder’, zei hij terwijl hij wees naar zijn vrouw langs wie zijn relaas heen leek te gaan, ‘was hij hecht. Wat kan ik nog meer vertellen? Hij was geen crimineel, hij verkeerde niet in de onderwereld!’ voegde hij tenslotte opeens fel aan zijn relaas toe, alsof hij zich inwendig had opgewonden. ‘Hooguit ging hij met een verkeerd slag mensen om.’ ‘Hoe bedoelt u?’ vroeg Vledder. ‘Nou’, zei de vader, ‘dat snapt u toch zeker wel? Die homoscene natuurlijk!’. Vledder wilde erop ingaan, maar De Cock was hem voor en vroeg: ‘Weet u, of hij Albertus van der Weide kende?’ ‘Nee’, zei de vader, ‘wij hadden het nooit over mensen uit die kringen. Hooguit over de mensen die hij bij de Soldermissen trof. Kunstzínnige mensen’, voegt hij er met nadruk aan toe. ‘Dat heeft hij van niemand vreemd, als u de inrichting van dit huis bekijkt’, zegt hij met een weids gebaar, naar zijn vrouw en de huiskamer wijzend. ‘We kunnen u niet verder helpen, ben ik bang’. ‘Dan heb ik nog twee vragen voor u’, zegt De Cock. ‘Weet u ook of hij vijanden had?’ De man antwoordde dat hij toch echt zojuist heeft gezegd, dat ‘zijn’ zoon kunstzinnige vrienden had. De Cock knikt. ‘Dan de laatste vraag: waar was u en uw vrouw op de dag van de dood van uw zoon?’ Nu wordt de man echt kwaad en bijt de rechercheurs toe wat ze wel niet denken. ‘Een routinevraag, een routinevraag’ zegt De Vledder sussend, ‘om u uit te sluiten’. ‘Uitsluiten? Ons eigen kind vermoorden? Het is te gek voor woorden. Het idee alleen al!’ De Cock en Vledder staan op en zeggen het echtpaar gedag. Bovenaan de trap houdt de vader ze tegen en zegt: ‘Ik heb óók nog een vraag. Wanneer mogen we hem zien?’ De Cock antwoordt dat dit kan op het moment dat er autopsie is verricht en dat hij hoort wanneer het zo ver is.
‘Koffie kon er niet eens af’, zegt Vledder wanneer ze beneden zijn. ‘Ach, Dick, wees een beetje coulant. Daar stonden ze helemaal niet bij stil. Hun hoofd was bij andere zaken. Ze hebben hun zoon verloren. Bovendien hebben we een lekker kopje gehad van Carolien. Laten we maar naar het bureau gaan.’

In de recherchekamer zat fotograaf Bram van Wielingen te wachten. ‘Ik moet jullie iets geks vertellen’, zei hij. ‘De lange diender vroeg toen jullie weg waren naar foto’s van de twee lijken. Waarom? Hij is toch niet bij het onderzoek daarnaar betrokken? Het zijn toch jullie zaken?’ ‘Nee, dat is zeker vreemd’, zegt De Cock. ‘Daar wil ik het mijne van weten.’
Hij liep naar het kantoor van Buitendam en klopte aan. ‘Binnen!’ riep de commissaris kortaf. ‘Neemt u me niet kwalijk, commissaris, maar er is iets vreemd aan de zaken van het Stenen Hoofd.’ Buitendam keek hem aan en zei: ‘Dat hoef je mij niet te vertellen, De Cock. Ik heb je gewaarschuwd!’ De Cock trekt een stoel bij en zegt: ‘Ja, dat weet ik, commissaris, maar ik bedoel iets anders. De lange diender schijnt de foto’s die Van Wielingen van de twee lijken heeft gemaakt te hebben opgevraagd. Heeft u hem misschien ook met een deel van de zaak belast?’ ‘In de verste verte niet’, roept Buitendam geërgerd uit, staat op en kijkt uit het raam. ‘In tegendeel. Ik laat hem absoluut geen recherchewerk doen. Als agent op de surveillancewagen doet hij het prima, maar daarbij moet het wel blijven. Van reduceren en deduceren heeft hij geen kaas gegeten’. De Cock kan een glimlach niet onderdrukken, nu de commissaris een gezegde uitspreekt dat zijn moeder ook graag gebruikte. ‘Ik zal een hartig woordje met hem spreken. En nu eruit De Cock’ beëindigt Buitendam het gesprek.
De Cock loopt naar de recherchekamer en ziet dat het al tegen het eind van de diensttijd loopt. ‘Ik ga naar Lowietje. Ga je mee Dick?’

Bij Lowietje loopt iemand rond met een stapeltje tijdschriften onder zijn arm. Op elk tafeltje legt hij een exemplaar neer. ‘Gezegende Paasdagen’ zegt hij er telkens bij en heeft het omslag van het tijdschrift nog even een aai. Vledder wil er iets op zeggen, maar De Cock kijkt hem vermanend aan. ‘Laat maar, Dick’ zegt hij als de man is vertrokken met nog wat laatste exemplaren van het tijdschrift onder de arm. ‘Ik had liever een Paaskalender gekregen, De Cock. Met van die deurtjes. Voor elke dag iets lekkers. Mmm!’. ‘Ik weet niet of die wel bestaan’, zegt Lowietje. ‘Voor Advent wel, maar voor Pasen zijn het geloof ik eerder aftelkalenders met plaatjes en overwegingen.’ ‘Nou, jammer dan’, zegt Vledder. ‘Misschien moet je hem uitvinden’, meent De Cock. ‘Word je nog rijk.’ De Cock neemt een slok van zijn cognac en opent afwezig het tijdschrift. Zijn oog valt op een interview met de lange diender. ‘Krijg nou wat!’ roept hij door het café. ‘Kijk eens op pagina 6, Dick.’ Dick slaat het nummer open. In stilte begint ook hij te lezen.

Het blijkt een interview te zijn met de lange diender. Over zijn jeugd in een achterstandswijk. Een vader die timmerman was en streng protestant, een moeder die huisvrouw was en rooms-katholiek en een jongere zus die serveerster is in een café. De ene zondag werd hij meegenomen naar een protestantse kerk, de andere naar een Soldermis. Daar leerde hij, vertelt hij in het interview, verschillende homo’s kennen. Toen hij ouder werd, was hij de mening toegedaan, dat ze genezen moeten worden, willen ze in de hemel komen. Daarvoor, legde hij uit, kunnen ze in therapie. Conversietherapie, waar door middel van gebed aan genezing wordt gewerkt. ‘Middeleeuws!’ schalt De Cock halverwege en leest verder. Over een agent die in het geheim onderzoek doet naar homoseksuelen en daarover rapporteerde, in de veronderstelling dat ze zo geen overheidsbetrekking kregen. Hij spreekt er onverbloemd over, in de vaste overtuiging dat hij daaraan goed doet en dat een dergelijke houding navolging verdient. Hij begint een naar gevoel te krijgen, slaat zijn cognac snel achterover en zegt tegen Vledder dat ze onmiddellijk terug moeten naar het bureau. Lowietje verbaasd achterlatend, die zijn schouders er maar over ophaalt.

’s Avonds zit De Cock de twee zaken nog eens te overdenken. Zijn vouw laat hem betijen. Ze wist dat wanneer hij zijn ei moest leggen, hij niet gestoord wil worden. De Cock weet inmiddels wie de moordenaar zou kúnnen zijn, zonder dat hij bewijzen daarvoor heeft. Of toch? Er is in ieder geval één aanwijzing: het schot is gelost met een model revolver dat ook door de politie wordt gebruikt. Hij is echter niet in de positie om de Lange te interviewen. Dat moest Buitendam in dit geval doen.

Buitendam kwam ’s avonds met een bos bloemen aan bij het huis van De Cock. Hij vond het een goed idee op z’n tijd aan te schuiven. Bovendien kon hij zo van de gelegenheid gebruik maken, om zelf tekst en uitleg te geven van een zaak die wel heel erg dichtbij was gekomen. Kort na hem kwamen Dick, Ab en Vera binnen.
Toen ze eenmaal aan tafel zaten, schonk De Cock de glazen vol. Zijn vrouw kwam met een schaal vol hapjes aan. Buitendam begon te vertellen dat hij de lange al langer in de gaten had gehouden, en dat de reden om hem niet te willen bevorderen tot rechercheur verder ging dan wat hij al daarover had losgelaten. ‘Homo’s spreken soms op het Stenen Hoofd af om elkaar te ontmoeten. Een enkele keer maken kwaadwillende mannen daar misbruik van. De lange behoort helaas tot die groep.’ ‘Had je dat interview ook gelezen?’ vroeg mevrouw De Cock. ‘Ja’, antwoordde Buitendam, ‘Ik kreeg het door iemand toegespeeld’. Hij pauzeerde even om een toastje uit te zoeken, te pakken en in zijn mond te stoppen. ‘Kijk, de lange pleegde die moorden omdat hij dacht dat de twee mannen zo verlost zouden zijn van hun vermeende zonde. Want zo zag hij dat, als streng gelovige. Hij zal nu worden vervolgd en door de Rechtbank worden veroordeeld.’

‘Misschien is het maar goed dat je snel met pensioen kan, Jurre’, zei zijn vrouw. ‘Dit is allemaal te erg voor woorden.’ ‘Middeleeuws’ zegt Buitendam De Cock na en neemt nog een laatste slok.

De Cock en de moord als verlossing (I)

Bij Baantjer deel 90 De Cock en de moord op stand (geschreven door Peter Römer) zat een uniek miniboekje met een teruggevonden manuscript van Appie Baantjer zelf: De Cock en moord als verlossing. In dit teruggevonden manuscript, dat ongeveer een kwart van de gewoonlijke omvang heeft, geeft Baantjer ons een setting en de aanzet van het plot. Het was dit keer aan zijn lezers om het verhaal af te ronden met een verrassende ontknoping… (website Uitgeverij De Fontein).
Tot degenen die deze handschoen oppakten, behoorde ik. Hierbij mijn inzending, die niet in de prijzen viel maar die ik graag deel. In twee onderdelen. Hieronder het eerste gedeelte.

  1. (vervolg)

De panden van De Cocks sjofele regenjas lagen als vleugels op de grond achter hem. Vledder was blijven staan, maar allebei de rechercheurs monsterden aandachtig het levenloze lichaam. Ze zeiden geen woord tegen elkaar. Ze keken alleen maar naar het lichaam en dachten na. De rust werd ruw verstoord door fotograaf Bram van Wielingen, die pontificaal tussen hen en De Maître in ging staan en zijn Hasselblad aanlegde als was het de loop van een geweer. Hij schoot snel achter elkaar zijn plaatjes en beende weg op het moment dat Den Koninghe in zijn keurige zwarte jas rustig aan kwam lopen. De rust zelve. De twee heren groetten elkaar kortaf. ‘Dood, dat is duidelijk’ zei de arts met zijn wat geaffecteerde stem. Hij hurkte naast De Cock neer en samen bekeken ze de messteken. ‘Drie stuks, net als het aantal kogels bij de vorige dode. Alleen liggen deze wat verder uit elkaar en zijn ze niet zo trefzeker’, zei hij terwijl hij drie korte steekgebaren in de lucht maakte. ‘Een messteek in het hart was waarschijnlijk ook al voldoende geweest om hem om te leggen. Hier is iemand aan het werk geweest, die goed kwaad was. De steken lijken me bijzonder diep, maar dat moet onderzoek verder uitwijzen. Hij kan worden weggehaald’, liet hij er meteen op volgen. De Cock kwam wat stram overeind en ging naast Vledder staan, terwijl Den Koninghe ze gedag zei en wegliep. ‘Je krijgt het autopsierapport zo gauw mogelijk, Jurre.’

Een paar broeders van de Geneeskundige Dienst, die al op een kleine afstand hadden staan wachten, kwamen met een brancard dichterbij. Ze legden het lichaam erop, dekten het vervolgens met een laken af en droegen het tenslotte weg richting een ambulance die klaarstond. Ze liepen langs – dat zagen De Cock en Vledder nu pas – de lange diender die ook dienst had gehad op de surveillancewagen bij de moord op Albertus van der Weide. De diender had wat achteraf gestaan en liep, nu hij zag dat ze hem in het vizier hadden, op beide rechercheurs af. ‘Ik heb me er maar niet mee bemoeid’, zei hij. ‘Ik heb hier verder toch niets te doen. Mag hier ook niets doen’, voegde hij er nadrukkelijk aan toe. De Cock keek hem wat argwanend aan en Vledder sprak hardop uit wat De Cock ongetwijfeld ook dacht: ‘Waarom ben je hier dan?’ De lange diender haalde zijn schouders op en bleef het antwoord schuldig.

‘Dick’, zei De Cock, ‘ga eens na of je ook getuigen van de moord kunt vinden’. Ze keurden de lange geen blik meer waardig. Hij had ze toch niets te vertellen en verdween tenslotte even snel in het niets als hij eruit was opgekomen. Alsof hij alleen even op inspectie was geweest, om te kijken wie zich hier allemaal vertoonden. ‘Wat gaan we ondertussen doen?’ vroeg Vledder, vrij als altijd. ‘We gaan wat familie van beide doden bezoeken in de hoop dat we wat wijzer worden’, zei De Cock terwijl ze terugliepen naar de oude Golf. ‘Maar eerst moet ik nog even langs het bureau.’ Vledder reed dit keer rechtstreeks terug: via de Westerdoksdijk en het Barentsplein.

‘De Cock’, zei Els Peeters, die achter de balie druk bezig was met het sorteren van de binnengekomen post. Ze had haar halve brilletje op de punt van haar neus. ‘Buitendam vraagt naar je. Het klonk nogal dringend’. De Cock zuchtte diep en liep sjokkend de trap op. Hij klopte op de deur en Buitendam riep: ‘Binnen!’ ‘Zo, De Cock’, zei hij, terwijl hij de laatste hand legde aan het poetsen van zijn schoenen. Hij grijnsde toen hij De Cocks wat verbaasde gezicht zag, en vroeg onderhand hij bezig was: ‘Vlot het wat met die twee moorden? Twéé moorden maar liefst! Het kan niet op.’ De Cock antwoordde dat ze pas aan het onderzoek waren begonnen, waarop Buitendam direct zei dat dit maar goed was ook. ‘ Wees voorzichtig, De Cock. Wees voorzichtig. Je begeeft je in de homoscene en ik wil geen gedoe.’ Er meteen aan toevoegend: ‘En nu eruit!’ De Cock liep terug naar de deur, die hij nogal hard achter zich dichttrok, terwijl hij zich wat geërgerd afvroeg wat je nu aan zulke raad had. Gedoe wilde toch niemand?

Bij de trap stond de lange diender achteloos op het prikbord de interne mededelingen te lezen: vacatures, namen van nieuwe collegae, geboortekaartjes, overplaatsingen en de aankondiging van een personeelsfeestje. Toen De Cock naar de recherchekamer liep, draaide hij zich snel om en vroeg geïnteresseerd, op het gretige af: ‘En, had Buitendam nog wat?’ De Cock trok zijn wenkbrauwen op en liep zonder iets te zeggen door, zich afvragend waarom de lange diender dat wilde weten; hij had toch niets met de twee moordzaken te maken? Mócht er niets mee te maken hebben van Buitendam. Om wat voor reden dan ook. Wat hij niet zag, was de manier waarop de lange hem nakeek tot hij door de deur van de  recherchekamer was verdwenen en zijn oude vilten hoedje op de kapstok wierp.

‘Dick’, viel De Cock meteen met de deur in huis, ‘heb je al het autopsierapport van de eerste moord, op Albertus van der Weide?’ Vledder antwoordde dat het rapport bevestigt wat ze eigenlijk al wisten: ‘De drie schoten zijn gelost door iemand die wist wat hij deed: goed gericht en raak. Gezien de hoek van de schoten, 45 graden, door iemand van een behoorlijke lengte. En met een Walther P5, het wapen dat ook door de politie wordt gebruikt, dat is het rare.’ ‘Ja’, antwoordt De Cock, ‘dat is zeker vreemd. Laten we eerst maar eens zicht proberen te krijgen op allebei de doden: uit wat voor milieu kwamen ze, is er nog familie die leeft en ons wat weet te vertellen? Keizer, kijk eens of je wat kan vinden. Namen, adressen. Dan is het voor vandaag wel weer mooi geweest. We gaan even naar Lowieje een afzakkertje nemen.’

In het café van Lowietje zijn de rechercheurs kind aan huis. Wanneer ze binnenkomen, staat Lowie al klaar met twee cognacjes. Ze gaan aan de toog zitten en nemen onder het genot daarvan de dag nog eens door. ‘Twee moorden’, zei De Cock, ‘dat is nogal wat zei Buitendam. Dat hebben we wel eerder meegemaakt, maar hij waarschuwde er ook voor de gevolgen ervan wanneer we ons in homoscene begeven. Hij is bang voor gedoe’, vervolgt De Cock moe en wat gelaten. En voor zijn doen openhartig wat het gesprek met Buitendam betrof. ‘Dat is hij altijd, bang voor gedoe. Als het aan hem ligt, lopen we altijd op sloffen’, zegt Vledder. ‘Eieren, Dick. Eieren’, reageert De Cock. ‘Nou ja, je begrijpt wel wat ik bedoel: voorzichtig.’ ‘Ja, voorzichtig aan, dan breekt het lijntje niet’, antwoordt De Cock plagerig met een ander gevleugeld woord. Er verscheen een glimlach om de mond van Jurre, die even terugdacht aan zijn moeder, die grossierde in spreuken en gezegden. Ze praten nog wat verder, drinken hun glaasjes leeg maar er komt op dat moment niet meer zicht op de zaak. Ze zijn nog ver van een doorbraak verwijderd en gaan naar huis. In afwachting van het tweede autopsierapport, op Frederik van Groesbeek.

Denkers en dwalers


In juli 2019 volgde ik met vijf andere cursisten de week ‘Filosofie in de Lage Landen’ bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. De docent was dr. Erno Eskens, die vertelde dat hij werkte aan een boek over de ‘geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen’. Dat boek is er inmiddels. Reden te meer om het te vergelijken met mijn (uitgebreide) aantekeningen uit 2019 en aan te vullen met recente bevindingen na lezing van het mooi uitgegeven boek, waarvan ik onder dank een recensie-exemplaar ontving.

 

Inleiding
Om te beginnen is de inleiding tot de uitgave uitgebreider dan die tot de cursus. Ik zou zeggen: uiteraard wordt hier de methodologie diepgaander uit de doeken gedaan. Eskens legt de nadruk op denkers die ‘naar de marges’ zijn geduwd: uit de voormalige koloniën, vrouwen, autodidacten en literaire denkers. Een loffelijk streven, al heeft hij uit de ene categorie meer namen op kunnen duikelen dan uit de andere. De nadruk ligt ‘op ideeën over het goede leven, over de ideale samenleving, schoonheid, zin, zelfontplooiing, rechtvaardigheid’. Het gaat Eskens niet alleen om de hoofdlijnen, maar ook om de breuklijnen, want die zijn vaak op zijn minst zo interessant. Met als beperking overleden denkers, op enkele uitzonderingen na.
Ik ga na wat hij vertelde en schreef over enkele van mijn geliefde filosofen/denkers: Jan van Ruusbroec, Coornhert en Spinoza. En nog enkele zaken meer.

Jan van Ruusbroec
Het boek lijkt me nog zorgvuldiger qua formuleringen dan de colleges in Leusden; zo verliet Jan van Ruusbroec (1293-1381) niet de kerk, zoals ik het althans noteerde, maar de St.-Goedelekathedraal in Brussel ‘(niet de Kerk’ voegt Eskens er tussen haakjes voor de duidelijkheid nog aan toe).
Opvallend is, dat de auteur Ruusbroec niet – in weerwil van een van zijn uitgangspunten – en in tegenstelling tot Frits van Oostrom (Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400) binnen de literatuur trekt, maar wel net als Van Oostrom het emancipatoire karakter van diens werk (als aankondiger van de latere Reformatie) benadrukt.

Coornhert en Spinoza
En dan zijn we al op weg naar het humanisme en de Renaissance, onder meer met Coornhert (1522-1590, afb. rechts). Zoals Eskens diens werk tijdens de cursus in Leusden uitlegde, moest ik vaak aan Spinoza (1632-1677) denken. Volgens hem is Spinoza echter niet zozeer het startsein voor de Verlichting, want dat was eerder Francis Bacon (1561-1626). Al toont Eskens zich geen groot kenner en liefhebber van het werk van Spinoza, toch werd hij onlangs benoemd tot voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, vooral om zijn grote netwerk.[1]
Spinoza draaide zich volgens Eskens ‘in de soep’ met zijn idee van God of de Natuur: een in plaats van twee substanties. Het overdenken waard, maar we gaan verder en maken een sprong in de tijd.

ISVW
Met een opmerking die eigenlijk in het verlengde van het voorgaande ligt en waar ik in mijn dictaat een streep bij heb gezet: de controverse tussen de oprichters van de ISVW (1916, zie foto EvS links). Het is volgens Eskens mede aan deze dialectiek te denken, dat de ISVW nog steeds bestaat. In het boek komt deze episode in dat licht bezien wat minder uit de verf dan tijdens de cursus. Een van de cursisten én docenten van het eerste uur aan de ISVW was Clara Wichmann (1885-1922), een interessante vrouw die denk ik terecht vond dat een sociaal contract een fictie is.

De moderne tijd in
Hoewel Eskens in haar ook een mede-dierenactivist zal herkennen, is hij niet eenkennig. Zo behandelt hij ook het denken van Herman Dooyeweerd (1894-1977), een rechtsfilosoof van gereformeerde snit, en J.H. van den Berg (1914-2012) van de omstreden metabletica.

In de cursus te Leusden ging Eskens iets verder de moderne tijd in dan in het boek; hij beperkt zich in het laatste geval immers ‘zoveel mogelijk tot overleden denkers’. Dat dit heel veel oplevert, maar dat veel ook nog onbesproken blijft, moge duidelijk zijn. Het wachten is ongetwijfeld op een aangevulde herdruk, waarin dan misschien meteen ook een wat ordentelijker personenregister kan worden opgenomen, waarin achternamen niet langer op ‘de’ en ‘van’ zijn gerubriceerd. Maar dat is een kleinigheid bij een tour de force die de samenstelling en het schrijven van dit boek moet zijn geweest. Dat het een work in progress is, blijkt al uit de aankondiging van de nieuwe opzet van de hiervoor genoemde, eerder door mij gevolgde Summerschool bij de ISVW. Nu van 15 t/m 19 augustus 2022.[2]


Erno Eskens: Denkers en dwalers. Een geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen

Uitgever: ISVW Uitgevers, 2022
ISBN 978-90-831215-9-8
Prijs: € 29,95

Link naar de podcast van Erno Eskens over zijn boek: https://isvw.nl/podcast/

[1] Zie ook een eerdere blog: https://elsvanswol.nl/ietsje-meer/
[2] Zie: https://isvw.nl/activiteit/denkers-dwalers-summerschool/

Reactie van een liefhebber

Verhaal kort: ik las een voorpublicatie uit het boek Keep Swinging van Bert Vuijsje. Was erdoor geraakt, deed mee aan de winactie van Bazarow én won het boek (uitg. In de Knipscheer, 2022)!

De voorpublicatie betrof mijn geliefde Thelonious Monk (1917-1982), de ‘aardse hogepriester’, die door Vuijsje heel raak wordt neergezet: ‘Muziek die even volmaakt vergeestelijkt als even volmaakt diep-aards is’ (p. 104). Vind je het gek dat ik daar gek op ben?

Een omschrijving als ‘[Chet] Baker hield het sober maar blies precies de noten die noodzakelijk waren’ (p. 198) deed me denken aan een onvergetelijk optreden van Misha Mengelberg in Arnhem, al ziek zijnde: één noot, maar dan wel zó raak dat ik vol schoot.

Zo zou ik de ’33 jazzmeesters van de 20ste eeuw’, zoals de ondertitel van het boek luidt, allemaal langs kunnen gaan, maar dan wordt het een onleesbaar corvee. De ontdekkingen vallen je toe en zetten aan tot luisteren. Een recensie in de klassieke betekenis van dit woord valt dan ook van mij niet echt te verwachten; ik ben weliswaar een liefhebber, maar geen kenner , maar lust van een boek als dit pap.

Rugproblemen
Ik kwam al lezend wel op het spoor van iets dat mij, als de cultuurcolumns in het tijdschrift Wervelingen nog bestonden, wellicht tot zo’n column hadden aangezet. We hebben het dan over het feit dat Vuijsje in verhouding aardig wat aandacht besteedt aan jazzmusici die op de een of andere manier leden aan een ziekte of gebrek. De vraag is dan: speelden of zongen ze ondanks of dankzij dat gegeven de sterren van de hemel?
Vuijsje laat het antwoord meestal in het midden: ‘Of het door zijn handicap kwam, zal niemand ooit weten, maar in elk geval ontwikkelde Django Reinhardt zich (…) tot een gedreven en originele jazzgitarist’ (p. 56).

De twee musici met een rugprobleem die in Wervelingen langs hadden kunnen komen, zijn Chick Webb (foto rechtsboven) en Clark Terry. Hun problemen waren overigens heel verschillend. In verband met Webb noemt Vuijsje het woord ‘ondanks’: ‘Webb (…) had een behoorlijke faam verworven als spectaculair drummer, ondanks zijn lichamelijke handicap (hij leed in zijn kindertijd aan tuberculose die het ruggenmerg had aangetast, had daardoor een bochel gekregen en was nauwelijks langer dan één meter vijftig’, p. 93). Terry ‘werd (…) steeds meer gekweld door ondraaglijke rugpijnen waartegen geen operatie of behandeling hielp. Maar ook hier sloeg hij zich met een onaantastbare geestkracht doorheen’ (p. 130).

Chick Webb en Clark Terry
In het geval van Chick Webb hoef je maar een foto te bekijken en je ziet wat het probleem is (zie foto rechts), bij Clark Terry is dat niet het geval. Hun muzikale ontwikkeling er in beide gevallen toch niet los van te zien.
Clark kon zijn ‘spectaculaire’ spel ontwikkelen na aanpassingen van zijn dumstel. Terry hing op het eind van zijn leven zijn trompet aan de wilgen en ging zingen. Ik zou wel eens willen weten, of hij daarin eenzelfde niveau heeft bereikt als op de trompet. Misschien heeft het dan pas zin, om ziektes en aandoeningen te vermelden?

De vervoering die ik bij het lezen van dit boek met 33 korte portretten ervaarde, voerde mij terug naar mijn jeugd, toen ik bij voorkeur biografieën leende uit de Openbare Bibliotheek. Het verschil nu is, dat de opnamen die worden genoemd makkelijker te vinden zijn dan toen. Want om luisteren gaat het natuurlijk uiteindelijk. Bijvoorbeeld naar de zang van Terry (Wham!) om maar iets te noemen.
Dank je wel Bazarov, dank je wel In de Knipscheer voor dit mooie boek!

Bert Vuijsje: Keep Swinging
33 jazzmeesters van de 20ste eeuw.

Met bijdragen van Jeroen de Valk en foto’s van William P. Gottlieb
In de Knipscheer, 2022
ISBN 978-94-93214-67-5
260 pagina’s
€ 24,50

Spetterende Shakespeare

Het lijkt wel of het dit jaar het jaar van Shakespeares Midzomernachtsdroom is: een productie door Toneelgroep Oostpool/Phion/Introdans/Musis & Stadstheater Arnhem, en een opvoering van de gelijknamige opera van Benjamin Britten door Opera Zuid. In beide gevallen met twee grote regisseur: respectievelijk Daria Bukvić en Ola Mafaalani.

Schrijver Vera Morina en Daria Bukvić (die al eerder een onvergetelijke Othello regisseerde) maakten er een ‘ultieme post-COVID-voorstelling’ van, zoals het fraai uitgevoerde, gratis programmaboek stelt. Daar is niets mee miszegd, want dat is het ook. Niet alleen door de knipogen naar deze periode, in het decor van Marloes van der Hoek en Wikke van Houwelingen, maar ook in de regie waarin bijvoorbeeld Puck en Hermia anderhalve meter afstand moesten houden. Anders slaat de bliksem in. Maar vooral omdat de voorstelling een ode is aan de liefde en de kunsten die we zo hebben gemist.

Een waar spektakelstuk
Het laatste in het meervoud: een waar spektakelstuk is het, in de beste zin van het woord, neergezet door de drie grote, rijksgesubsidieerde instellingen van Oost-Nederland: theater, muziek en dans. De tekst van Shakespeare is zwaar bewerkt, de muziek is er met een goede hand van Joris Nassenstein bij gezocht en door Toek Numan gearrangeerd, en de dans is door choreograaf Regina van Berkel vormgegeven, maar niets, werkelijk niets is ‘gezocht’ in de negatieve betekenis van het woord. Het past allemaal als een handschoen om de hand van de makers. En om die van Shakespeare!

Midzomernachtsdroom is een komedie, ja, maar met de onmiskenbare diepte die ook de komedies van Shakespeare kenmerkt. Neem koning Theseus van Athene (een glansrol van Fahd Larhzaoui) die aan het begin telkens met zijn vingers knipt en hoopt dat zo de zon opkomt. Als een g/God die sprak en het licht was er. Of als een verlicht despoot (de Zonnekoning) of zelfs dictator …
Ook andere personages zijn inhoudelijk soms omgebogen, zoals de regisseur van de amateurtoneelgroep die een stuk instudeert om bij het huwelijk van koning Theseus op te voeren. Die regisseur heet Nana Mouskouri (een prachtrol van Isabelle Kafando). Of neem Yordi/Titania (Laura de Geest), een ‘vloekteling’ (!) uit de ijstijd, waar ze al klimaatproblemen kenden. Een rol waarmee de actualiteit dubbel binnen sijpelde; er wordt daarmee namelijk ook gezinspeeld op de achtergrond van zowel de schrijver als de regisseur van deze productie, beiden vluchtelingen uit voormalig Joegoslavië.

Muziekinstrumenten
Om nog maar te zwijgen van de humor met betrekking tot de muziekinstrumenten die een al even grote rol spelen; zo bespeelt het personage Fluit fagot. Niet ondubbelzinnig, want zo kennen we Shakespeare natuurlijk óók. De musici van Phion, het orkest van Gelderland en Overijssel, zijn geheel à la Shakespeare als ze niet lopen en zich in de mise en scène mengen, in twee blokken op het toneel geplaatst: links de blazers, rechts de strijkers en het slagwerk. Dat wil zeggen: enkele blazers en strijkers en één slagwerker.

Wat valt er meer te zeggen dan: ga de 36 uitvoerenden in kostuums van Dymph Boss zien! Het kan nog tot eind van de maand. (Ik zag de opvoering in Orpheus in Apeldoorn).

Link naar de website met informatie over nog komende voorstellingen deze week: https://www.toneelgroepoostpool.nl/voorstellingen/midzomernachtsdroom/

Vierluik – momenten van inzicht

1. Schaduwrecensie Maria Stahlie
In de nieuwe roman van Maria Stahlie, Muilperen, draait het om momenten die als ‘luwten’ worden beschreven. In mijn recensie van dit boek op de website van Literair Nederland (LN, zie link onderaan deze blog) gaf ik drie voorbeelden:

  1. Het auto-ongeluk dat hoofdpersonage Lisette overkomt, en dat een ‘coherent plan’ in haar wakker maakt: tijd om te studeren en volwassen te worden.
  2. Tijdens een zuigcurettage tijdens haar vrijwilligerswerk in een ziekenhuis in Miami, snapt Lisette opeens, dat haar allergie voor de geur van zieke mensen van binnenuit komt. ‘Het was haar eigen lafheid die ze rook’.
  3. De vlieg, die ook al in Stahlies Boogschutters voor kwam en haar deed beseffen ‘dat ze samen met alle mensen en met alle dieren en zelfs met alle dingen WAS’.

Het zijn momenten – schreef ik op LN – die werden ‘doorkliefd door bliksemschichten’. Van onrust in dit geval. In tegenstelling tot Lisettes vriend Bram, die ook zulke momenten had en ze juist ervoer als momenten ‘van een rudimentaire bewustwording van een elementair inzicht’.

2. Passiestonde Witte Donderdag
Het doet denken aan wat ik tijdens de livestream van de vierde Passiestonde op Witte Donderdag 2022 vanuit de Oude Kerk in Zeist hoorde; ik beloofde er in een eerdere blog op terug te komen. Ds. G.M. van Schaik (Dordrecht) had het over ‘sleutelmomenten’ waar je meestal zelf op dat moment geen benul van hebt. Tenminste: dat gold Simon van Cyrene. Soms, later, besef je het belang ervan. Het gebeurt voor je ogen, maar het gaat aan je voorbij hoewel je er middenin staat. Dat kan, leert ons ook 9/11; hoeveel mensen hadden op het moment zelf door wat er op het spel stond, wat de gevolgen voor de wereld waren?

3. Joodse mystiek
Ten derde zweefden de uitdrukkingen ‘(sleutel)momenten’ en luwten’ ook af en toe door mijn hoofd tijdens de tweedaagse cursus ‘Joodse mystiek’ in Fredeshiem (Steenwijk), gegeven door dr. Martin Baasten. Hij omschreef het als een verlossingsmoment, een flits die het wezenlijke benadert, een glimp, een Godsvonk. Een ‘besefsel’, zoals een vriend van Baasten het met een mooi neologisme noemt.

4. Spinoza en Kunst
Tenslotte deden die momenten samen mij allemaal denken aan wat tijdens de cursus ‘Spinoza en Kunst’ van de Amsterdamse Spinoza Kring door dr. Anne Woodward werd gezegd over het begrip intuïtie in het denken van Spinoza: een moment van inzicht, waarin opeens het kwartje valt als bij de oplossing van een wiskundeformule waar je ook opeens de schoonheid van inziet. Een voorbeeld dat ik ook wel eens uit de mond van dr. Piet Steenbakkers heb gehoord.
Het gaat niet alleen om zo’n moment, maar ook om het bestendigen ervan. Je kunt volgens de joodse mystiek in de wereld leven en toch verlost zijn, rust voelen (Baasten).

Maar hoe zit het dan met die onrust van Lisette in de roman van Stahlie? Die onrust moet er ook zijn, want die zet aan tot doen. En daar gaat het mede om. Immers: ‘Want zo hebt u ons geschapen, gericht op u, en ons hart kent geen rust tot het rust vindt in u  [quia fecisti nos ad te et inquietum est cor nostrum, donec requiescat in te, Augustinus’ Belijdenissen].

 

https://www.literairnederland.nl/recensie-maria-stahlie-muilperen/

Literatuur als vrijplaats

Het begint meteen al goed: met omschrijvingen en trefwoorden als: ‘literatuur als uitweg’, ‘meerstemmigheid en identiteit’, ‘vrijheid te kunnen kiezen’. ‘Het’ is het pamflet De ander bestaat niet van Christine Otten (De Geus, 2022).

Otten vervolgt met ‘de eerste “echte” schrijver’ die ze ontmoette: Sal Santen (1915-1998), die ik wel in ‘mijn’ bibliotheekfiliaal zag en die daar met égards werd omgeven. Het filiaal waarin de schrijfster zelf een keer werd geïnterviewd en wat vertelde over een nieuw verschenen boek. Het maakte allebei indruk op me, en leverde een mooie opdracht op in mijn exemplaar van dit nieuwe boek van en door Chrtistine Otten.

Paul Auster
Het zou zomaar een interview en praatje over Ottens debuutroman, Blauw metaal (1995) geweest kunnen zijn. Daarover gaat het tweede hoofdstuk. En over Paul Auster, wiens romans ze in de vijf jaar dat ze aan haar debuut schreef ‘gretig las’. Ik zei een keer in een lezing voor de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Muziekdocumentatiecentra (NVMB) dat de componist Louis Andriessen Auster al even gretig las. Een musicoloog die na mij een praatje uitsprak, vond dit een volslagen idiote vermelding die nergens op sloeg – maar nu ik Ottens omschrijvingen zo lees, herken ik weer wáárom ik het vermeldde. Voor haar was het ‘het radicale humanisme dat Austers werk ademt en dat mij als lezer én schrijver zo inspireerde’, schrijft ze (p. 22). Zoiets was het mijns inziens ook wat betreft Andriessen.

Stuurloosheid?
In het volgende hoofdstuk vermeldt Otten, dat een van haar volgende boeken in de pers werd afgebrand, ‘voornamelijk vanwege de mengvorm’. Ze is zelfkritisch en denkt dat dit wellicht haar ‘stuurloosheid weerspiegelde’. Niet geheel of geheel niet terecht; een mannelijke schrijver zou dit nooit zo stellen en het zegt mijns inziens ook meer over het hokjesdenken van haar recensenten: fictie, essays, journalistiek – waar brengen we het in onder? Ze schreef alsof ze muziek maakte, zoals Andriessen componeerde alsof hij Auster in noten omzette.

Dáár ligt de kiem van Ottens eigen stijl. In de ontmoeting ook met The Last Poets, Afrikaans-Amerikaanse dichters uit de Black Powertijd, die wachtten ‘tot er iemand langskwam die ontvankelijk genoeg was om zich zijn geschiedenis [met name die van Umar Bin Hassan, EvS] en ervaringen eigen te maken, zodat hij zich er op een bepaalde manier van kon ontdoen’ (p. 32-33). Even verderop schrijft ze: ‘Een identiteit van een ander omarmen is wat anders dan je een identiteit toe-eigenen’ (p. 38). Iedereen die zich wel eens in discussies over het al dan niet mogen zingen van de joodse Psalmen in een christelijke context heeft begeven, zal dit min of meer (h)erkennen.

Schrijfgroep en diepe herkenning
Dan komt Ottens werk ‘als collega-schrijver’ aan de orde bij de schrijfgroep in Penitentiaire Inrichting (PI) Heerhugowaard. Literatuur als vrijplaats. Ook hierover schreef ze, namelijk de roman Een van ons. De schrijfgroep heeft geleid tot ‘een inclusiever en “collectiever” soort schrijverschap’, meent ze.

De titel van het essay komt aan de orde in het volgende hoofdstuk. Eerst stelt Otten, dat ‘de diepe herkenning’ van literatuur ‘vooral in het wit [zit] tussen de woorden en zinnen, (…) in de ruimte die de schrijver laat aan de lezer’ (p. 49). Het doet mij denken aan een uitspraak van mijn blokfluitleraar, Juho Myllylä, die eens bij eens zei: ‘Geniet van de ruimte rond de noten’. Noten die uiteraard een relatie met elkaar hebben, maar elkaar ook de ruimte geven om elk voor zich tot hun recht te komen.

Toni Morrison en mens-zijn
Vervolgens komt Toni Morrison ter sprake, als schrijfster die ‘zich diepgaand bezighield met het begrip “de ander”.’ Ze dichtte een vreemde, een ander ‘allerlei eigenschappen toe waarnaar ze zelf verlangde’ (p. 60). De vreemdeling, de ander is louter een versie van onszelf.

In het zevende en laatste hoofdstuk bezint Otten zich op datgene waarmee ze bezig is. De conclusie is een logische: ‘Ik denk dat de gevestigde literaire wereld zijn voordeel kan doen met (…) andere en niet zelden vernieuwende stemmen en stijlen en verhalen’ (p. 67) – denk aan de kritiek op Blauw metaal! Literatuur zal altijd wel gemarginaliseerd blijven en dat is op zich niet erg, want de werkelijke waarde ervan ‘zit verstopt in en tussen de woorden en zinnen, het “iets” wat je een glimp gunt van het “onzegbare en onbevattelijke” en wat het betekent om mens te zijn’ (p. 68). Schitterend toch?

Ja, het ís een schitterend pamflet, een prachtig essay – en doet in niets denken aan wat Kees ’t Hart bijvoorbeeld in een artikel (in De Groene Amsterdammer, 7 april jl.) naar aanleiding van de shortlist van de Libris Literatuur Prijs 2022 schrijft wat hem tegenstaat ‘overtuigingsdwang’ ten gunste van schoonheid. Daar gaat het bij Otten (die hij niet noemt) niet om, maar over en-en. Het een hoeft niet los te staan van het ander, want voor je het weet kom je weer in hokjesdenken terecht. Dat moet worden voorkomen. En daarvoor is inderdaad moed nodig.

 

Christine Otten: De ander bestaat niet
Pleidooi voor moed in de literatuur
Verschenen in de reeks Publieke werken
Uitgever: De Geus, 2022
ISBN 978 90 445 4574 6
Prijs: € 10,00

Passie en Pasen 2022 – een drieluik

Voor het eerst na coronatijd kon ik weer de Paascyclus ‘elders’ bijwonen; verandering van spijs doet immers eten. Na Ermelo (de Zendingskerk) en Utrecht (de Dom) was het dit keer in de Oude Kerk, de Pniëlkerk in Zeist (foto ontleend aan de website van deze kerk) en enkele diensten bij de Evangelische Broedergemeente, ook in Zeist. Een drieluik.

1.
Ter voorbereiding volgde ik de vier Passiestonden van de Oude Kerk (van maandag tot en met donderdag in de Stille Week) via de livestream en werd erdoor gegrepen. Aansluitend op de laatste, op Witte Donderdag, beluisterde ik in mijn hotelkamer op de radio een uitvoering van Bachs Matthäuspassion door de Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Shunske Sato (zie foto rechts) waarin – een geschenk! – qua sfeer eenzelfde soort accenten mij troffen als in drie van de vier overwegingen tijdens de Passiestonden; op de vierde kom ik in een andere blog, in een ander verband nog terug.

De vier Passiestonden hadden een overkoepelend thema: ‘Passie voor dertigers en anderen’. Maandag stond ‘een zekere vluchtende jongeman’ centraal (Marcus 14: 32-52), dinsdag ‘Petrus begint te huilen’ (Marcus 14: 66-72) en woensdag de ‘spottende soldaten’ (Marcus 15: 16-20).

Ds. J. Minnema legde maandag de nadruk op de ‘lijnwaad omgedaan over het naakte lijf’ van de jongeling (Marcus 14: 52). Is dit dezelfde ‘jongeling, zittende ter rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed’ uit Marcus 16: 4? Het wit waarin voorganger en diakenen bij het Heilig Avondmaal op Witte Donderdag bij de Evangelische Broedergemeente gekleed gingen. Het wit van de reinheid.

Dinsdag sprak ds. F. van Roest over het feit dat Petrus in een van de andere Evangeliën door Jezus wordt aangekeken. Petrus weende op het moment dat hij de woorden en tekenen indachtig wordt – wat meer is dan herinneren – door de Heilige Geest. Zoals Jezus Zijn tranen later offerde gelijk het plengoffer in Psalm 56.

Woensdag had ds. G.M. van Meijeren, de wijkpredikant van de Oude Kerk (die ik ken; vandaar dit jaar mijn keuze voor Zeist dit jaar), het over de purperen mantel, de doornenkroon en de rietstok. De doornenkroon hield Hij op, waardoor deze niet alleen wonden in het hoofd achterliet, maar ook een overwinningskroon werd. De mantel werd Hem door de soldaten uitgedaan.
In die wonden mogen wij ons, volgens een gebed tijdens de Gethsemanedienst bij de Evangelische Broedergemeente op Goede Vrijdag, verbergen.

2.
Ook in de uitvoering van Bachs Matthäuspassion waren het de accenten op die plaatsen die de adem even deden stokken.

Het begon al in het openingskoor bij de letter F in mijn klavieruittreksel (uitg. Peters). Opeens werd de muziek verbreed, op het moment dat sprake is van ‘Sehet ihn aus Lieb und Huld’ (liefde en genade), zoals Jezus Petrus aankeek (Lucas 22: 61, ‘De Heer draaide zich om en keek Petrus aan’).
Het tweede moment was in nr. 33, het duet ‘So ist mein Jesus nun gefangen’. En wel wanneer er sprake is van ‘Mond und Licht’.
Het derde en laatste adembenemende moment was in nr. 41, de aria ‘Geduld’ tegen het eind, waar de tenor zingt over ‘der liebe Gott’.
Het program van dirigent/violist Sato is duidelijk en behoeft geen verdere toelichting.

3.
Wat maakt gelukkig? heet het boek met een tekst van Thomas van Aquino dat ik tijdens mijn verblijf in Zeist las (uitg. Damon, 2021). Wel: zulke momenten. Thomas schrijft ‘dat de gelukzaligheid vooral bestaat in die activiteit [van het theoretische verstand, EvS], namelijk in de beschouwing van de goddelijke dingen’, als ‘de beschouwing van de waarheid’ (p. 84-85). Thomas citeert Augustinus, die in Boek X van zijn Belijdenissen schrijft ‘dat de gelukzaligheid de vreugde over de waarheid is’ (p. 93). Niet dat we ‘de volmaakte en ware gelukzaligheid (…) in dit leven (kunnen) hebben’, aldus Thomas.
Misschien zou je het, (over)denk ik dan, voorsmaak kunnen noemen. Of de ‘weerspiegeling van de hemel op aarde’ (Thijs van Meijeren, Goede Vrijdag). Zomaar, even. In liefde. In licht.

‘Filosoferen in tijden van lijden’ (III)

Opgedragen aan ds. Kees Zwart, die op 8 mei a.s. als interim-predikant afscheid neemt in Amsterdam-Noord en mij met zijn hieronder genoemde preek tot dóórdenken aanzette.

In Filosofie Magazine van maart 2022 stond een artikel dat de moeite waard is, geschreven door Fleur Jurgens (1972), filosofe, schrijfster en journaliste. ‘Filosoferen in tijden van lijden’ luidt de kop. Het raakte me. Waarom heb ik in drie opeenvolgende blogs uitgelegd. In de eerste ging ik in op het artikel, in de tweede kwam ik zelf aan het woord als ervaringsdeskundige en in deze derde ga ik tenslotte in op de troost die filosofie, theologie en literatuur kunnen bieden.

Vier vormen van troost
We zagen in de eerste van deze drie blogs, dat Lammert Kamphuis in het interview met Fleur Jurgens vier vormen van troost noemt die de filosofie kan bieden:

  1. Het lezen van filosofische teksten
  2. Relativering
  3. Aanvaarden van het lot
  4. Verlichting vinden in het uitzicht op betere tijden

Het hoeven echter niet perse filosofische teksten te zijn. Met, wederom Virginia Woolf, denk ik ook aan gedichten. Daarop kun je blijven kauwen, ze sturen je gedachten, uit je pijnlijke lichaam weg, richting je hoofd.

Bijbelteksten in de lijdenstijd
Zo kun je ook groeien aan Bijbelteksten en de uitleg daarvan. Dat overkwam mij in de lijdenstijd, toen tijdens een kerkdienst werd gelezen uit Jacobus (Jac. 1: 19-27) en Johannes (Joh. 15: 1-8). In het eerste gedeelte staat de spiegel voor Tenach, in het tweede is dat de wijnstok, de ware wijnstok. De landsman (God) snoeit de ranken, opdat zij meer vrucht dragen (vs. 3). Opdat de Tenach tot zijn recht komt, recht wordt gedaan.

Dat is de gebruikelijke uitleg, maar in de preek van ds. Zwart die ik hoorde, klonk ook iets anders door waarin die twee teksten met elkaar werden verbonden. Een voorzichtige vraag die ik de dag erna ook las in het nieuwste boek van (inderdaad een filosoof) Jos Kessels: Het raadsel van de speelman (ISVW Uitgevers, 2021). In het hoofdstuk ‘Snoeien’. Concreet vraagt de ik-figuur zich af, of ‘je ook jezelf in vorm kunt snoeien’ (p. 106). De tuinman in dit hoofdstuk vindt het ingewikkeld, de predikant vond het ook, maar toch werd de vraag als gezegd voorzichtig gesteld.

De waarde van woede
Alle verdorde takken op een hoop gooien en verbranden en dan de ranken laten groeien aan de wijnstok. Het is even slikken, maar biedt het uiteindelijk ook niet iets van troost? Een opdracht om aan jezelf te werken. Zo hoorde en las ik het. Is het de loutering waar Wim Dubbink het over had? Op z’n minst verlichting in de hoop, het uitzicht op betere tijden.
Snoeien uit woede en die als een energie ten goede aanwenden, denk ik. Want woede is, met de woorden van Nico Koning uit wiens nieuwe boek De waarde van woede. Over opstandigheid en rechtvaardigheid (uitg. Damon, 2022) ik in de vorige blog al citeerde, ‘veranderwoede’ en staat in een ‘waardevolle traditie’ (p. 11).

Aanvaarden van het lot (punt 3 van Kamphuis) is niet het je ergens passief bij neerleggen, maar juist hard werken zei een andere predikant eens. En ook hij verwees naar een gedicht. Van Jacqueline van der Waals in dit geval (zie foto rechts). Een ander dan onderstaand gedicht, maar toch. Van der Waals was een vrouw die leed, en uiteindelijk overleed, aan een maagzweer. Zij schreef dit gedicht over snoeien:

De herdersfluit

Eens ging ik langs het lage riet,
Dat ruischen kan en anders niet,
Toen, langs mijn pad, een herder kwam,
Die één van deze halmen nam,
En dien besnoeide en besneed,
En maakte tot zijn dienst gereed.
Door dit gekorven rietje, dat
Als dood hij in zijn handen had,
Dien stemmeloozen stengel zond
Hij straks den adem van zijn mond,
En, als hij blies, zoo zong het riet,
En, als hij zweeg, verstomde ‘t lied:
De zoete, pas ontwaakte stem
Bestond en leefde slechts door hem.
Zoo gaf ik gaarne wensch en wil
In ‘s Heeren hand en hield mij stil.

Zoo dan, als door een rieten fluit,
Bij zwijgend eigen stemgeluid,
Gods adem door mij henen blies,
Hoe groote winst bij kleen verlies!

(uit: Nieuwe verzen, 1910)