Een open eind – Nachoem Wijnberg

T.g.v. het feit dat de dichter Nachoem Wijnberg (56, foto Merlijn Doomernik) de P.C. Hooft-prijs 2018 heeft gewonnen, herplaats ik hier een column die ik eerder voor Mens en melodie schreef.
De oeuvreprijs is dit jaar bestemd voor poëzie. Wijnberg krijgt de prijs op 24 mei tijdens een feestelijke bijeenkomst in het Literatuurmuseum in Den Haag, drie dagen na de sterfdag van P.C. Hooft (1581-1647). 

Vijf videoschermen naast elkaar die samen een verhaal vertellen. Zo leek het tenminste op het eerste gezicht, bij de solotentoonstelling van Han Hoogerbrugge in TENT., de Rotterdamse galerie: een auto die een paar beelden verder opeens in de kreukels ligt bijvoorbeeld. Maar bij nader inzien valt er verder niet direct een begin en een eind aan het verhaal te ontdekken.
Dat lijkt in de lucht te zitten.

Neem de gedichten van Nachoem M. Wijnberg die verhalend lijken, maar dan zonder plot en soms op de volgende pagina in een ander gedicht overgaand.
Neem de concerten die Bik Bent Braam onder de noemer Exit gaf. Hierin klonken stukken die wel een begin maar geen eind kenden en stukken die wel een eind maar geen begin leken te hebben.
Of het boek Beste vriend van Robert Vuijsje dat een open eind kent. Volgens recensent Rob Schouten omdat de auteur het zelf ook allemaal niet zo goed weet.

Het zou kunnen, maar voor mij betekent welk open einde dan ook vooral de uitnodiging zelf verder te denken. Mooi toch!
Gek is het niet dat het in de lucht zit, in onze postmoderne tijd: dingen open laten in plaats van als betweter dicht te timmeren.
Wijnberg, Bik Bent Braam en Vuijsje hebben het begrepen.
En Dick Hillenius, die tijden geleden al zijn gedichten weigerde af te sluiten met een punt. Zoals Braam z’n stukken weigert af te ronden met een slotstreep.

Betrokken raken in een gesprek

Theo Witvliet heeft een prachtig essay geschreven over het humanisme van Martin Buber. Eigenlijk moet ik zeggen: Theo Witvliet heeft wéér een prachtig boek geschreven, na onder meer Het geheim van het lege midden (2004). Meteen aan het begin deelt hij al zijn inzicht op Buber met de lezer: ‘Wie op de een of andere manier geraakt wordt door wat de heilige geschriften te vertellen hebben, ontvangt geen kant en klare waarheid, maar raakt betrokken in een gesprek.’ Met God en als mensen onderling, in de wetenschap dat er voor Buber geen scheiding bestaat tussen ‘leven in de wereld’ en ‘leven in God’, tussen het leven van alledag en de cultus van religie. Een gewone gebeurtenis kan heel bijzonder zijn. ‘Het is de opdracht van de mens de breuken te helen tussen God en wereld, materie en geest, heilig en profaan, en ook tussen mensen en volken onderling.’

Niet dat er niets meer te wensen zou zijn. Wanneer Witvliet bijvoorbeeld vertelt over het bezoek dat Gershom Scholem, de grote kenner van de joodse mystiek, uitgerekend in 1943 aan Buber bracht, en zijn bezwaren uit tegen Bubers interpretatie van het chassidisme (Kafka zou dat ook doen), was Bubers antwoord dat het hem totaal niet interesseerde. Al dan niet in de voetsporen van Eric Kurlanders boek Hitler’s monsters: u supernatural history of the Third Reich had Buber dieper kunnen pijlen.

Witvliet heeft overigens wel gelijk wanneer hij zegt dat Bubers denken ‘meer is dan een spiegeling van twee wereldoorlogen, van de Shoah en van het gevecht om de staat Israël.’ Dat heeft volgens hem te maken met drie inspiratiebronnen:

  1. Het chassidisme
  2. De bevrijding uit de slavernij
  3. Het woord jichoed (eenheid), dat verwijst naar het Sjema Israël (Deut. 6:4).

Witvliet schrijft in verband met het laatste dat hij ‘echte gemeenschap niet vaak heeft meegemaakt. Maar de enkele keer dat ik echt iets van gemeenschap voelde, waren juist momenten waar mensen van verschillende achtergronden en culturen bij elkaar waren.’ Zo licht een stukje van het rijke leven van de theoloog Witvliet op, in contact met anderen en daarmee ook het dialogische aspect dat kenmerkend is voor Martin Buber doordenkend. Een mooi boek, dat is het.


Theo Witvliet: Kwaliteit van leven. Het humanisme van Martin Buber (uitg. Skandalon, 2017). ISBN 978-94-92183-39-2, € 19,95

Het recht om een ander te worden

Anne Wadman (1919-1997) is een stukje in mijn achting gestegen. Jarenlang heb ik hem meegemaakt als concertmeester van het Fries Kamerorkest, waarvan ik tweede hoboïste was. Niet dat ik me kan herinneren ooit een woord met hem te hebben gewisseld. Hij hield zich überhaupt afzijdig, en trok alleen met de plaatsvervangend concertmeester op, waarmee hij ongelooflijke lol beleefde toen we eens een koordirigent hadden die paarse sokken droeg. Maar met de rest van het orkest, en zeker niet de blazers, hield hij zich niet op; daar is de orkestcultuur te hiërarchisch voor.

Bovendien was hij natuurlijk beroemd in Friesland en bekend in de rest van Nederland. Als schrijver, dichter, literatuurcriticus en letterkundige. Ik had wel eens wat van hem gelezen, zoals De Smearlappen (1963), zijn bekendste en meest vernieuwende boek. Maar ik had ook zo mijn twijfels bij mans oorlogsverleden: hij had enerzijds de loyaliteitsverklaring getekend en anderzijds ondergedoken gezeten. Laten we ’t er maar op houden, dat de oorlog hem nog steeds emotioneerde. Dat bleek tenminste toen hij eens bij een gebeurtenis in De Harmonie in Leeuwarden achter me zat, en op luide, geëmotioneerde toon over de oorlog sprak tegen een mevrouw naast hem, die ik gemakshalve en al dan niet terecht versleet als een dochter uit zijn huwelijk met Hylkje Goïnga, ook een schrijfster.

Niet lang voor ik naar Amsterdam verhuisde, las ik met een brede grimlach over het feit dat de weduwe van Simon Vestijk haar medewerking weigerde aan Wadmans plan om samen met Hans Visser een biografie over Vestdijk te schrijven. Een zekere ambivalentie over Wadman was nog steeds niet voorbij, waarbij het wel leuk is op te merken dat ik in die tijd als muziekredacteur was verbonden aan de krant waarvoor hij ook wel schreef of had geschreven: de Leeuwarder Courant. Toch nog een beetje collega …

Ik wist ook dat Wadman samen met mijn baas bij de Centrale Bibliotheekdienst voor Friesland, Minne Vis, meegedaan had aan Kneppelfreed, Knuppelvrijdag in 1951. In dat verband is echter vooral de naam van Fedde Schurer bekend geworden. Met knuppels en waterkanonnen was de rel neergeslagen die ontstond toen Friezen het recht opeisten om Fries in de rechtszaal te mogen spreken.
Schurer – las ik vandaag aanvullend in een artikel van Willem Visser in dagblad Trouw – en hij hadden ‘een parallel getrokken tussen de onderdrukking van de culturele rechten van Friezen en Surinamers.’ Dat pleit voor Wadman, en zou anno nu tot voorbeeld kunnen dienen. Zo heeft iedereen het recht om een stukje in achting te stijgen in de beleving van een ander.

 

http://www.sirkwy.frl/index.php/schrijvers-biografieen/107-w/450-wadman-anne

Het einde van het kwaad

Beatrice de Graaf, hoogleraar Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen in Utrecht, doet ik haar essay Heilige strijd een beetje hetzelfde als ik in mijn MA-scriptie Het kwaad het hoofd bieden deed: verdergaan waar de wetenschap stopt. In mijn geval: waar Het kwaad denken van de Amerikaanse filosofe Susan Neiman (die al bij De Graaf op pagina 15 opduikt) ophoudt en de literatuur van Philippe Claudel (Het verslag van Brodeck) begint. In het geval van De Graaf: waar betekenisgeving begint.

De Graaf geeft meteen aan het begin haar kaarten weg, waar ik na een omweg, via de wijsgerige theologie van Dalferth (bij haar oftewel foutief oftewel familiair een keertje Ingo i.p.v. Ingolf genoemd) en Jean-Claude Wolf: hoop (en liefde), dat is wat een letterkundig werk als Het verslag van Brodeck van Claudel, en de Bijbel, aan het filosofische en ander wetenschappelijk denken onder meer kan toevoegen.

De titel van De Graafs boek slaat op de navolging van Christus’ heilige strijd. ‘Dat gevecht’, schrijft ze, ‘is gericht tegen het kwaad in ons en om ons heen.’ Het eerste is een aspect dat ik een beetje miste in het denken van Neiman en daar, in navolging van onder meer Colet van der Ven, aan heb toegevoegd. Ook in het boek van Claudel speelt het een voorname, niet te miskennen rol.

Net zomin als Neiman vindt ook De Graaf ‘het kwaad’ een te analyseren categorie. De Graaf hekelt de ‘politici, publicisten en zelfs een enkele predikant die het wel publiekelijk aandurven om het kwaad te benoemen en de oorzaken aan te wijzen: het is de islam, het zijn de vluchtelingen, de EU, de liberale elites, de “wegkijkers” die dat gezwel hebben laten voortzweten.’
Neiman brengt een tweedeling aan: natuurlijk kwaad (aardbevingen e.d.) en moreel kwaad (dat wat de mens een ander aandoet) en beschrijft hoe het in het denken van het een (God als oorzaak aanwijzen) tot het ander (de mens als oorzaak zien) is gekomen. Daarbij schenkt zij, evenmin als De Graaf, weinig aandacht aan instituties, Bijbelse en seculiere geboden die er een halt aan proberen te roepen.

Een ander punt is de vraag of je met de titel van Neimans studie het kwaad wel kunt denken: is de rede niet, zoals De Graaf stelt en ik ook uitwerk, na de Tweede Wereldoorlog niet gestruikeld? De Graaf meent terecht dat Neimans denken in deze ‘te dun’ is, omdat je in feite dan ‘“het kwaad” religieus en intellectueel onweersproken laat staan.’ Hoop, stelt De Graaf (en, als gezegd Claudel, op een heel andere, seculiere manier) belooft ‘meer dan Neimans geloof in “sufficient reason”.’

De Graaf wijst op een proefschrift van Petruschka Schaafsma, Reconsidering evil, die naast Immanuel Kants denken over het kwaad (de leermeester van Neiman) tevens dat van Paul Ricoeur en Karl Barth zet. Deze twee namen ontbreken bij Neiman, iets waar in recensies ook op is gewezen als zijnde een gemis, zeker wat het de eerst genoemde betreft, immers een filosoof die ook over het kwaad nadacht.
Kant laat het transcendente en metafysische – waar ik uitvoerig op inga, een beetje tot verdriet van mijn scriptiebegeleider – buiten beschouwing. Ricoeur komt – net als Claudel – met categorieën als vergeving en boete. Beiden geven zo een mooie aanvulling.

De Graaf zet hier nog iets naast: ‘Er moet (…) een radicale oplossing komen voor dit kwaad (…). Dat einde van het kwaad (…) moet door God worden gerealiseerd.’ Daar kun je je in vinden, of niet (helemaal). Ik zou zeggen: door God en mensen sámen. In ieder geval is dit denken, net als de literatuur, een weg die doorloopt waar de filosofie van Neiman stopt, omdat wordt erkend dat je met louter denken niet verder komt. Dat is een ding dat zeker is.

Beatrice de Graaf: Heilige strijd. Het verlangen naar veiligheid en het einde van het kwaad. Uitg. Boekencentrum, 2017 (ISBN 978 90 5059 2) € 12,99

Omslag van mijn scriptie (rechtsboven) Yve du Bois.

Stille waters hebben diepe gronden


Tekst van een korte lezing die ik hield tijdens een filmavond bij Atria, Amsterdam
(19 oktober 2017).

 

‘Ze heeft een talent om de laag die niet in de tekst ligt, maar daaronder, te vertolken. Dat geeft een bijzondere, lyrische sfeer en ongewone diepte aan de teksten.’ Dat zegt de blokfluitiste Stephanie Brandt in Patricia Werner Leanse’s film over de Nederlands-Griekse componiste Aspasia Nasapoulou.
Het zou zomaar over de films van Werner Leanse en Yve du Bois zélf kunnen gaan: zij hebben een talent om de lagen zichtbaar te maken die onder een verhaal liggen, – het verhaal over het leven of een stuk van een componist. Het is in ieder geval het uitgangspunt van mijn korte inleiding op de vijf films die straks achter elkaar worden vertoond: de verschillende lagen die erin zitten, of althans: die ik eruit haal en die in de films naar mijn gevoel al worden gesymboliseerd door het vele water wat erin stroomt: stille waters hebben diepe gronden.

Het verhaal
Het verhaal zelf staat eigenlijk in de aankondiging van deze avond, en daar kunnen we kort over zijn. De films gaan respectievelijk over een door beeldende kunst, literatuur en dans geïnspireerde componiste, een grande dame van de Zweedse muziek, een avantgardiste die haar tijd ver vooruit was, een gedreven netwerker en een componiste van onder meer Franse chansons. Twee films (Beyer en Andrée) zijn met Engelse ondertiteling.
Het zijn verhalen over vrouwelijke componisten in een door mannen gedomineerd gebied. Daarvoor staan misschien het water en de vele vogels die rondvliegen ook symbool; het zwemmen tegen de stroom in aan de ene kant en het je vleugels uitslaan aan de andere kant.
Kijk maar naar het moment waarop wordt verteld dat de Zweedse grande dame, Elfrida Andrée, naar Stockholm gaat om te studeren: pal voor die vermelding vliegt een meeuw met sterke vleugelslagen op. Ook de film over de hiervoor al genoemde Nasapoulou sluit af met wegvliegende vogels.
Het zíjn dan ook verhalen over sterke vrouwen. Andrée bijvoorbeeld was de eerste vrouwelijke kerkorganist in het Zweden waar vrouwen geen kerkorganist konden worden, zo wordt in de film gezegd. En op dat moment wordt een gigantisch slot op een kerkdeur getoond. Andrée verbrak in 1861 het slot, dat in Nederland al eerder, in 1719, was verbroken door Agnita Wilhelmina Snep die haar vader opvolgde als organist in Zierikzee.

De vorm
Het moge duidelijk zijn dat de vorm die Werner Leanse voor haar films kiest, raakt aan muzikale vormen. In de film over Rosy Wertheim bijvoorbeeld valt een A-B-A-vorm te herkennen; wanneer het verhaal aan het begin en het eind (A) in Nederland speelt, in Amsterdam en in Laren, klinkt een door Rae Milford bespeeld klokkenspel, en wanneer het verhaal in het midden (B) is gesitueerd in Parijs, waar ze correspondente voor Het Volk is, klinkt andersoortige muziek. Deze sonatevorm wordt afgesloten met een coda, een door Werner Leanse zelf gezongen gedeelte uit een lied van Wertheim, begeleid door piano én gekras van kraaien:

‘k Heb veel gelachen en geschreid, –
Nu komt de winter, wit en wijd,
Die alles stil zal maken.

Maar ook de vorm gaat nog dieper. Een buitengewoon fascinerend voorbeeld daarvan is te vinden in het portret over de Duits-Amerikaanse componiste Johanna Beyer. Terwijl op een gegeven moment haar muziek steeds langzamer gaat, versnellen de beelden juist, alsof je in een stilstaande trein op het perron staat, terwijl de trein ernaast gaat rijden en snelheid maakt. Aan de kijker wordt overgelaten deze metafoor naar believen zelf in te vullen.

Metafoor
Dat geldt ook voor wat ik een metafoor pur sang zou willen noemen, en waarmee ik deze korte inleiding wil afsluiten. Hij komt voor in het portret van de Nederlandse componiste en pianiste Marjo Tal en viel Werner Leanse toe, terwijl ze in Parijs op straat filmde. Het is het beeld van een clown, waarmee ze Tal ten diepste heeft gepeild.
De beelden doen mij denken aan de clown in de schitterende roman (eigenlijk is het een novelle) De tuinen van de herinnering van Michel Quint: een clown met [ik citeer] ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ voor alles wat er om hem heen gebeurde gedurende de Tweede Wereldoorlog. Toen de clown in de roman van Quint was overleden, zei zijn zoontje: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al diegenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt pogen te wekken. Ik zal proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid …!’
Tal koos voor haar werken teksten die een combinatie vormen van humor, ernst en symboliek. Werner Leanse koos voor haar films eenzelfde soort combinatie, waarmee ze het werk van de vijf componisten die vanavond centraal staan een extra lading meegaf. De diepere lagen die ze daarmee blootlegt, heb ik geprobeerd als de schillen van een ui kort af te pellen. Het woord is nu aan de vijf filmportretten zelf.

Johanna Beyer – https://vimeo.com/bubbleeyes/beyer

Elfrida Andree – https://vimeo.com/bubbleeyes/elfrida

Aspasia Nasopoulou – https://vimeo.com/bubbleeyes/aspasia

Rosy Wertheim – https://vimeo.com/bubbleeyes/rosywertheimnl

Marjo Tal – https://vimeo.com/bubbleeyes/marjotalnl

Een nieuw lichaam

De Duitse theoloog Bonhoeffer, die door de nazi’s werd geëxecuteerd, schrijft in zijn dodencel:
Al een jaar lang heb ik geen lied meer gehoord, maar het is merkwaardig, hoe de muziek die ik nu alleen met het innerlijk oor hoor, bijna nog mooier is, als de fysiek gehoorde. Ze is veel zuiverder, alle aankoeksels vallen er af, ze krijgen in zekere zin ‘een nieuw lichaam’…

Ik moest deze week twee keer aan deze uitspraak denken. Bij een cursus voor HOVO Amsterdam, over Franz Kafka en Midden-Europa rond 1900 door Michiel Hagdorn en bij de aankondiging van een tentoonstelling in Berlijn over Bonhoeffer.

Hagdorn antwoordde de eerste cursusmiddag op een vraag van een van de deelnemers, dat Kafka niets met muziek op had. Maar gisteren, tijdens de derde middag, lag Die Verwandlung op tafel. Hagdorn wees erop, dat het hoofdpersonage hierin graag wil dat zijn zuster naar het Conservatorium gaat, niet – merkte hij op – zozeer omdat hij het haar gunt, maar voor zichzelf, om zijn honger (!) te stillen. Dat wil zeggen dat hij in de muziek op zoek gaat naar waarheid, het zuivere en intieme en zo – vul ik met Bonhoeffer in mijn achterhoofd parafraserend aan – in zekere zin als kever zélf ‘een nieuw lichaam’ krijgt, hoewel Bonhoeffer het natuurlijk tussen aanhalingstekens zet omdat het slaat op het ‘nieuwe lichaam’ uit de Bijbel, d.w.z. dat na de opstanding uit de doden. Bekend is dat Bonhoeffer in zijn brieven refereert aan Kafka, onder meer aan Das Schloss dus dit uitstapje is mij vast vergeven.

Wie op internet zoekt naar informatie over de tentoonstelling in Berlijn, komt al snel terecht op pagina’s die verwijzen naar zijn huis – ook museum – in die stad. Dat brengt mij terug naar een wandeling die ik afgelopen voorjaar door Londen maakte, in de voetsporen van Bonhoeffer. Ik kwam toen terecht op een pleintje van een nog steeds bestaande pub (George Inn, zie foto), waar hij volgens een boek dat ik onlangs over hem las, elke middag at. Je komt dan toch even dichterbij, heb ik altijd het gevoel. Al moet ik bekennen dat al lezend en nadenkend over het werk van een schrijver het toch nog méér gaat leven. Dat wil zeggen inbreuk doet in je eigen leven.

Met terugwerkende kracht breng ik het citaat van Bonhoeffer ook in verband met een andere uitspraak van hem. Hij schreef in dezelfde tijd, in de cel in Berlijn-Tegel aan zijn vriend Eberhard Bethge en diens vrouw Renate over muziek ‘zoals je ouders ze beleven en beoefenen.’ En die, schrijft hij, ‘bij droefheid de grondtoon van vreugde in je levend houden.’
Dat is wat voor Bonhoeffer in alle ellende muziek dus vermocht te zijn: in zijn innerlijk oor, bijna nog mooier dan in het echt, de zuiverheid en de grondtoon van vreugde in je levend houden.

Het groene mos, het groene glas

N.a.v. een bezoek aan landgoed Voorlinden in Wassenaar en het lezen van de roman Het groene glas van Torgny Lindgren.

Als we de Zweedse schrijver Torgny Lindgren mogen geloven, lag in een bast als op de foto links, in het mos, en in een groen glas dat op een boomstronk was achtergelaten de basis voor zijn hoofdpersonage, de kunstenaar Klingsor in wording.
Ik kan het me helemaal voorstellen: ‘het pad naar de nuchtere roes van de kunst.’ De kleur doet denken aan wat voor Klingsor de kleur der kleuren was: caput mortuum, bruin-achtig grauw. Een kleur van een schoonheid die buiten ons bereik ligt.

Klingsor zoekt naar het innerlijk leven dat in alledaagse voorwerpen verborgen zit, zoals in een Morandi die in de vaste collectie van Museum Voorlinden zit. Of van een Jan Mankes. Zelf denkt Klingsor aan Cézannes Stilleven met appels en fruitschalen dat hij eens in een museum in Stockholm zag. In ieder geval gaat het om kunst die ‘overal doorheen kijkt, een kunst zonder buitenkant.’

De wereld is volgens Klingsor louter kunst. En wanneer hij een kapotte soepterrine schildert – wat mij weer aan Dick Ket doet denken -, die in de oorlog door een bominslag aan diggelen was geslagen, dan schildert hij haar heel. Hij heelde haar met andere woorden door zijn kunst, en reikte net als de filosoof Heidegger naar het zijn, sterker nog: naar het wezen van het zijn, de binnenkant.

Het lijkt of in zijn stillevens het stoffelijke en het eeuwige met elkaar zijn verenigd, verzoend. Lindgren heeft het op magistrale, haast magisch realistische wijze verwoord. En in die verwoording komt het werk van Klingsor tot leven.

Torgny Lindgren – Het groene glas. Uit het Zweeds vert. door Lia van Strien. Uitg. De Geus, 2016.

Foto boom op landgoed Voorlinden: Ati de Zeeuw.

Een verbintenis

In het interview dat Anne-Lot Hoek had met de Indonesische kunstenaar Iswanto Hartono (1972), van wie t/m 15 november a.s. in de Amsterdamse Oude Kerk een solo-expositie valt te zien, springen er een paar woorden uit: het naast elkaar laten staan van meerdere perspectieven op het koloniale verleden, de verbintenis tussen de geschiedenis van Nederland en Indonesië, de ambiguïteit en dualiteit ervan.

Een werk getiteld Monuments (in de Sebastiaanskapel) bestaat uit was en FRP en vergaat langzaam, zoals je op dit moment in Museum Voorlinden in Wassenaar op de tentoonstelling De tussentijd (de gevoelstijd) tal van werken kunt aantreffen die vergaan. Bijvoorbeeld het blok ijs van Michel François (Deux temps) dat al smeltend verkleint naast een blok marmer.
Bijzonderder is daarom naar mijn idee Trophy (in de Spiegelkamer, zie foto hierboven), dat bestaat uit werken die allemaal op de een of andere manier met de jacht te maken hebben. ‘Het primaire menselijke instinct om de ander te overwinnen’, staat in de begeleidende krant te lezen, ‘is universeel.’ En geeft ook uiting aan de hiervoor genoemde meerdere perspectieven, de verbintenis tussen Nederland en Indonesië, ambiguïteit en dualiteit. Want – lezen we verder – ‘toen de Nederlanders [in Indonesië, EvS] kwamen, werd het jagen een tijdverdrijf waarmee de kolonisten zich kostelijk vermaakten. Het geschoten dier vormde een bewijs van onverschrokkenheid, en kreeg een prominente plaats in de huiskamer.’

De geweien voeren mij in gedachten terug naar de toneelstukken van Shakespeare waarin een gewei voorkomt. Naar Sir John met een gewei op zijn hoofd in de Vrolijke vrouwtjes van Windsor, naar de mythe van de ongelukkige jager Actaeon die een onderlaag vormt in The Tempest (hij wordt door Diana in een hert veranderd), naar het dode hert in de regie van Hamlet door Luk Perceval. Een hert dat hier in verband werd gebracht met ondergang en wederopstanding, oude ideeën die plaats maken voor nieuwe.

Dat laatste herkent iedereen die adaptaties naar Shakespeare een beetje heeft gevolgd. Ik denk dan niet zozeer aan Othello: a play in black and white dat ik in 2008 in het (toenmalige) Tropentheater in Amsterdam zag in een opvoering door The Indian Shakespeare Company (dat is ideologisch theater), maar eerder – een stapje verder – aan Hamlet – the crown prince in een opvoering door The Company Theatre uit Mumbai, in 2010 in hetzelfde Tropentheater waarin een impliciete (of expliciete?) verwijzing voorkwam naar de expositie Rood die toen in het Tropenmuseum was te zien, en vooral naar Hamlet (Hebûn an nebûn) door RAST, weer twee jaar later in de Stadsschouwburg in Amsterdam. Een Hamlet in het Koerdisch. Dat was op zich al opmerkelijk, maar indrukwekkend vond ik het gegeven dat er iets aan was toegevoegd. Nee, geen geweien, maar verhalen in de Koerdische verteltraditie. Een verteller zat rechts op het podium, zodat het onderscheid met het stuk der stukken duidelijk was.

Misschien maken deze Hamlet en Hartono’s werk ons iets duidelijk van iets soortgelijks dat de oud-Theoloog des Vaderlands, Janneke Stegeman, uitdrukt in haar pamflet Alles moet anders! – bevrijdingstheologie voor witte Nederlanders (uitgeverij Boekencentrum/Kok) iets soortgelijks: theologie, kunst, de geweien van Hartono en toneel, zoals Hamlet door RAST, krijgen op die manier een context. Niet vanuit een ‘wij’ en ‘zij’-denken (Nederland en Indonesië, een blanke versus een gekleurde opvoering van Hamlet) maar in gezamenlijkheid, waarbij beide perspectieven naast elkaar blijven staan en een verbintenis aangaan.

Het is opvallend dat een theologe dit zegt en opvallend dat de tentoonstelling van Hartono in de Oude Kerk plaatsvindt, op de graven van VOC’ers als Isaac Sweers en Nicolaes Witsen Een gewei universeel? Nee, dat niet – in de drie stukken van Shakespeare alleen al speelt het een andere rol. Maar de neiging om de ander te overheersen is dat wel. Het zou al heel wat zijn als de christelijke kerk dat, in de voetsporen van de tentoonstelling en het artikel van Stegeman, zou erkennen.

Shakespeare en de Reformatie

Op 5-6 oktober a.s. organiseert The Research Group for Cultural Iconology and Semiography in de Universiteit van Szeged (Hongarije) een conferentie over Shakespeare Studies. De titel van de conferentie is Shakespeare and the Reformation – Shakespeare’s Reformations. Tot de sprekers behoren Tibor Fabiny, Géza Kállay, Douglas Lanier, Zenón Luis Martínez, Ádám Nádasdy, Rowland Wymer.

De aankondiging van deze conferentie bracht me terug bij een inleiding die ik in 2009 voor een gemeenteavond van de Oude Kerk in Amsterdam zou houden over Shakespeare en vasten. In het kader van deze conferentie plaats ik hier de niet uitgesproken tekst, omdat de avond niet door ging.

Geest   (1) Ik ben uw vaders geest,
(2) gedoemd een zekere tijd door nacht te waren,
(3) en overdag in vuur te moeten vasten,
(4) totdat de gruwelijkheden in mij leven
(5) verteerd zijn en gelouterd.

Dit is wat de Geest in Shakespeare’s toneelstuk Hamlet in de eerste akte te berde brengt. Hij vertelt Hamlet dat diens vader, koning van Denemarken, niet zomaar is gestorven maar is vermoord. Als moordenaar wijst de Geest Hamlets oom Claudius aan, die heel snel na de dood van zijn vader is getrouwd met zijn moeder.

Wát zegt de Geest nu precies.

  1. Volgens de rooms-katholieke opvatting in de tijd van Shakespeare (ca. 1600), kon de Geest de ziel zijn van een dode. Volgens de protestantse visie in die tijd was de Geest meestal het kwade in de hoedanigheid van een overledene, die mensen waaraan hij verscheen wilde misleiden.
    Beide achtergronden gaan hier op: het is de dode vader van Hamlet die zijn zoon aan wil zetten tot ‘wrekende gerechtigheid.’
  2. De zekere tijd slaat op de tijd tot de (weder)komst van Jezus van Nazareth, wanneer er geen zonde en dood meer zullen zijn.
    Het door de nacht waren doet denken aan een oefening van monniken om waakzaam en wakker te blijven.
  3. Overdag wil zeggen: tot de avond is gevallen (= Regel van Benedictus). In vuur vasten verwijst naar het voorgeborchte waar de vader van Hamlet niet – zoals in het vagevuur – wordt gekweld door hellestraffen, omdat hij in tegenstelling tot zijn broer Claudius geen misdaden heeft bedreven.
  4. Totdat de gruwelen in mijn leven is een typische zinsnede in de context van het Elizabethaanse Engeland waarin Shakespeare leefde en waarin het individualisme opkwam. Vasten is hier dus een individuele aangelegenheid en hangt niet, zoals in de oude kerk, samen met de liturgie (de eucharistie, bidden).
  5. Verteerd zijn en gelouterd levert, zoals zo vaak bij Shakespeare, reminiscenties op aan tal van Bijbelteksten. Bijvoorbeeld aan I Petrus 1:22: Nu u gehoorzaam bent aan de waarheid, is uw hart gelouterd en kunt u oprecht van uw broeders en zusters houden.

www.jagonak.com

 

‘Een echte Thomas Verbogt’

Thomas Verbogt kan sneller schrijven dan ik kan lezen. Of liever: in de week dat zijn nieuwste roman verschijnt, Hoe alles moest beginnen, kom ik er eindelijk toe zijn vorige roman, Als de winter voorbij is te lezen. Als liefhebber van zijn werk, had ik enkele recensies van beide boeken bewaard. En van de inhoud schrok ik nogal. Maar niet getreurd: op de een of andere manier lijkt het alsof Verbogt zelf in zijn vorige boek zijn critici al voor was! Lees maar.

Op 17 september 2015 verscheen in De Groene Amsterdammer een recensie van Verbogts Als de winter voorbij is door Kees ’t Hart. ‘Bij Verbogt weet je wat je krijgt’, schrijft hij. Verderop heet het: ‘precieze en ingehouden stijl’ die ‘iets gekunstelds heeft.’ Verbogt weet, lijkt het, zelf ook dat dit zo is: ‘Ze is tot het einde toe helder gebleven. Ze heeft zelf de dood laten komen’ wordt bij wijze van spreken van commentaar voorzien: ‘Zo heb ik het nog nooit gehoord: de dood laten komen (…). Het zijn alleen maar woorden.’

Iets soortgelijks gebeurt met ’t Harts opvatting dat Verbogt toegaf ‘aan bespiegelingen die het niveau van vage praatjes en kitsch-achtige sententies niet weten te overstijgen.’ Zelf heeft de auteur het op een gegeven moment over ‘dronken pathetiek.’
Blijft – concludeert ’t Hart gelukkig – ‘een echte Thomas Verbogt, vol van de dromerigheid en ingekeerdheid die kenmerkend is voor zijn werk.’

Daarom was de recensie van zijn nieuweling, door Sebastiaan Kort (in NRC Handelsblad, 8 september 2017) dan weer even schrikken. Maar gelukkig kan hetzelfde procédé worden toegepast: Verbogt geeft als het ware commentaar of antwoorden op ook deze recensent (‘recensist’ hoorde ik afgelopen week een vrijwilliger in een museum zeggen).

Verbogt schrijft aldus Kort ‘lege, weekmakende levenslessen’ waarin ‘zijig wordt gerefereerd aan zaken als “het leven”, “geluk” of “momenten van”.’ Verbogt lijkt ermee te spelen, wanneer hij schrift: ‘”Zullen we iets drinken”, stelde ik voor. “Hier in je oude buurt of de nieuwe?” Die keuze! “In de nieuwe”, zeg ik. En ik wil eraan toevoegen: “in de nieuwe tijd”, maar Aimee vindt dat soort uitspraken meestal “van die uitspraken”.’

‘Je krijgt met deze Verbogt’ schrijft Kort à la ’t Hart ‘de vertrouwde Verbogt-elementen: het gaat over tijd, over glibberigheid van geluk, en natuurlijk over de liefde (…). Als schrijven te maken heeft met het scheppen van een atmosfeer (…), dan zit je bij Verbogt geramd.’ Of zoals hij zelf schrijft: ‘Zij wil het licht houden. Ik ook.’

Gelukkig is er ook nog een andere recensie van Hoe alles moest beginnen, van Rob Schouten (in Trouw, 9 september 2017). Enkele citaten hieruit: ‘Thomas Verbogt is de meester van herinneringen en weemoed (…). Het zijn warme, liefdevolle teksten (…). Niets in Verbogts verhaal (…) is spectaculair, bedoeld om aandacht te trekken (…). Met zijn eenvoudige, oprechte stijl zonder versieringen en relativeringen, richt hij zich direct tot het hart van de lezer (…). Geen sublimering, geen hoge woorden, maar mensentaal voor mensengevoelens (…). Het is een gevoelige wereld die hij schetst, die van de pure aanvechtingen: je kunt er makkelijk cynisch over doen, het wegzetten als sentimentalistische kitsch maar de waarheid is dat Verbogt je met zijn zoektocht naar de kern van gevoelens werkelijk weet te ontroeren (…). Met zo nu en dan een golf van pure extase.’

Ik ben weer thuis. En zie een documentaire over Verbogt in Het uur van de wolf (21 september 2017). Of eigenlijk: een poëtisch filmportret, waarin de schrijver de voice over is en slechts een enkele keer zelf in beeld komt. ‘Het is niet om aan te zien, het is potsierlijk’ meent hij op een gegeven moment. ‘Al dat gedroom, zo is het leven niet. Zo is het leven wél, ik leef toch.’