Blijf bij je bevrijder – Rochus Zuurmond

‘Zuurmond is niet van de zoete broodjes’, lees ik in een recensie van Blijf bij je bevrijder. Een op verzoek van de theoloog Dick Boer geschreven portret van Rochus Zuurmond van de hand van Herman Meijer (Ophef, jrg. 28 nr. 3, 2022).
Meijer is lekentheoloog, architect en voormalig politicus voor GroenLinks. In het Woord vooraf heeft hij het over ‘theologische strijd’ en schetst vervolgens een wat eendimensionaal beeld van de Nederlands Hervormde Kerk in de naoorlogse tijd: ‘kritisch op het verzuilde bestel, fel tegen atoom bewapening, sterk gericht op sociale rechtvaardigheid’.
Misschien had Meijer dit nodig om Zuurmonds denken in te bedden, maar de ‘strijd’ lijkt zo al beslecht. Aan de orde komen onder meer diens kritiek op het fundamentalisme en waarom je niet kunt stellen dat ‘de Bijbel homoseksualiteit verbiedt’. Zuurmond kon, laat Meijer zien, vooral lezen. Goed lezen en exegetiseren.

Een boodschap van bevrijding
Ook wordt duidelijk wat geloof volgens hem eigenlijk is: ‘een Boodschap van bevrijding’, zoals een hoofdstuk heet. Dat wil zeggen ‘van de mensen uit de macht van het kwaad’ (p. 51), ‘van vijandschap en onderdrukking: het bevrijdt tot een leven in vrede en tot vrijheid om menslievend te (kunnen) handelen’ (p. 53) ‘van de dominante geesten van onze tijd, van ongeesten, van vooroordelen: hij [de Geest, overigens een zij, EvS] bevrijdt tot het liefdevol benutten van de ruimte voor God en voor elkaar’ (p. 54).
Genoemd hoofdstuk vormt zo’n beetje het hart van de uitgave, die verder vooral gaat over de geleerde Zuurmond en niet of nauwelijks over de predikant of over de invloed van anderen dan Miskotte en Breukelman. Spinoza bijvoorbeeld, waar hij later overigens afstand van heeft genomen.[1]

Persoonlijk nawoord
In een persoonlijk nawoord komt de invloed van ‘Rochus’ (zoals hij consequent en wat familiair wordt genoemd) op de auteur aan de orde. Dat had wel wat breder gemogen. Bijvoorbeeld had genoemd kunnen worden dat Marco Visser vanaf 1 september 2022 het onderzoek van Zuurmond aan de PThU voortzet, al was het maar in een op het laatst van het productieproces toegevoegde voetnoot.

Door de beknoptheid was er nog ruimte voor twee artikelen van Zuurmond zelf: over Marcus 12:28-44 en over de Openbaring van Johannes. Zo biedt deze uitgave, net zoals in een recensie van mijn boekje over Henk Vreekamp dat in dezelfde reeks verscheen, maar nog werd uitgegeven door KokBoekencentrum (Trouw tipt, 3 juli 2019) ‘een eerste kennismaking’ met in dit geval Rochus Zuurmonds denken. Uiteindelijk gelukkig minder eendimensionaal dan het zich in eerste instantie liet aanzien, maar wel uiterst persoonlijk in zijn keuzes van de thema’s uit Zuurmonds werk.

[1] Tijdens de leerhuiscyclus ‘Niet te geloven’ over het gelijknamige boek (september-december 2005) in de Amsterdamse Thomaskerk.

N.B.
Minisymposium Rochus Zuurmond –
Vrijdag 25 november a.s. in Rotterdam
Het minisymposium gaat over de actualiteit van Zuurmonds benadering: wat zijn de aanknopingspunten voor ons vandaag?

Sprekers:
– Herman Meijer (architect, politicus en auteur)
– Ilke Jacobs (theoloog en uitgever bij VU University Press)
– Marco Visser (predikant en postdoc onderzoeker aan de Protestantse Theologische Universiteit)

Vrijdag 25 november 15:00 – 17:00 uur – Pauluskerk Rotterdam (Mauritsweg 20, 5 min. lopen vanaf CS)
Toegang gratis, er is een inzameling voor het werk onder ongedocumenteerden en daklozen in de Pauluskerk.

Aanmelden niet verplicht, wel graag via [email protected]

Drieluik – verzoening van een oneindige afstand

Het wordt weer eens tijd voor een drieluik: these – antithese – synthese. Een soort van, dit keer.

These
Ik lees de roman Van steen en been van de Franse schrijfster Bérengère Cournut (vert. Martine Woudt, uitg. Prometheus, 2010). Het gaat over Ugsuralik, een jonge Inuit-vrouw en de gevolgen van smeltend ijs op Groenland en op haar leven. Het verhaal zelf wordt afgewisseld door liedteksten waarin datgene wordt bezongen (en ‘in het echt’ door een trommel wordt begeleid) dat niet kan worden uitgesproken.

Antithese
Afwisselend hiermee lees ik ter voorbereiding van een avond van een geweldige cursus door Rico Sneller voor de Vrije Academie (over het boek Socrates, Boeddha, Confusius, Jezus van Karl Jaspers) De grote leerrede over het uiteindelijke nirvana van Digha-Nikaya in een vertaling uit het Pali door Jan de Breet en Rob Janssen (uitg. Asoka, 2001).

Wat opviel, was dat dit boek mij op een of andere manier nader staat dan het leven dat Cournut beschrijft, met veel bijgeloof, boze geesten, vervloekingen en wraak tot kannibalisme aan toe. Natuurlijk: de leerrede bevat ook enkele elementen die ‘raar’ zijn, zoals Boeddha’s negatieve houding tot vrouwen, om er maar een te noemen.

Sommige passages uit Cournuts roman, zoals de zelfmoord van De Oude, kennen we ook uit de documentaire ‘De ijsmoord’ (Frontlinie) van Bram Vermeulen (NPO2, 27 oktober 2022). ‘De frontlinie van de klimaatverandering’, aldus Vermeulen. Hoe gaan de Groenlanders daarmee om? Een oud-premier van Groenland memoreert ook dat de Groenlanders anders denken, al willen de Denen (Groenland behoort nog steeds tot Denemarken) dat veranderen. ‘Dat leidt steeds meer tot kortsluiting’, aldus Vermeulen. Volgens een burgemeester die aan het woord komt, is er sprake van een identiteitscrisis. De hoop is gevestigd op onafhankelijkheid.

En opeens snap ik dat dat bijgeloof, die boze geesten en vervloekingen een vorm zijn van antikoloniaal verzet, zoals magie dat in De stille kracht van Couperus ook was.

Synthese
Ter onderbreking van het lezen van de roman en de leerrede, luister ik naar de cd met het werk Environments van de componist Peter Adriaansz door Ensemble Klang (Ensemble Klang Records #11). Een cd die ik won en kreeg van het Muziekgebouw in Amsterdam.
Het is muziek van kleine veranderingen, als de golfjes van een rustige zee, én grote gebaren, als van smeltend ijs. Niet meditatief, maar wel als een meditatie van bijvoorbeeld een Boeddha.

De compositie bestaat uit drie delen. In het eerste deel (Mono) klinken fragmenten uit de roman Zen and the Art of Motorcycle Maintenance (1974) van Robert M. Pirsig. In het tweede deel (Watts) is dat een tekst van de door het boeddhisme beïnvloede schrijver Alan Watts. Het derde en laatste deel (Stereo) is donkerder van sfeer en compositorisch complexer. Hierin staan polariteit en anti-polariteit centraal. Dit deel is gebaseerd op The Principle of Polarity uit de Kybalion.

Ik ervaar uiteindelijk, na lezing van de twee boeken en het beluisteren van het stuk van Adriaansz, met een kleine tekstuele wijziging aan het begin van de tekst, als een soort synthese wat J.W. Schulte Nordholt zei bij de aanbieding van het Liedboek voor de Kerken:

[Muziek] verzoent de oneindige afstand
het maakt het onmogelijke waar
het onbewuste bewust
het bewijst het ongerijmde
het stelt niet vast
maar maakt los
het bindt niet
maar bevrijdt

Mediteren, nadenken én zingen over het kwaad

Geruime tijd geleden heb ik een keer per week in een ruimte samen met enkele anderen aan Zenmeditatie gedaan. Het was een sessie in de vroege ochtend die was gericht op het zoeken van vrede in jezelf die uitstraalt naar de wereld. Die combinatie sprak mij aan, maar na verloop van tijd ben ik om verschillende redenen met deze geleide meditatie opgehouden.

1.
Omdat ik dat toch ook wel weer jammer vond, daar het mij bij tijd en wijle veel heeft gebracht, was ik blij dat ik stuitte op een week meditatie rond de Psalmen. Elke ochtend mediteren rond een (deel van een) psalmtekst, een paar avonden via ZOOM met elkaar praten over wat het je bracht en een creatieve opdracht.
Toen de week voorbij was, wilde ik het ritme proberen vast te houden en begon met meditaties rond de 150 Psalmen, ook via ZOOM. Per psalm werden enkele verzen gekozen die tweemaal werden voorgelezen. Daarna werd je gevraagd enkele woorden in gedachten vast te houden, gevolgd door de eigenlijke meditatie, het in gesprek gaan met die woorden, – een gebed en stil worden en je openstellen voor de Sjechinah, Gods aanwezigheid; de klassieke lectio divina.

Al bij de derde psalm stuitte ik op een keuze van verzen die mij tegen de borst stuitte; vers 8 was weggelaten:

Sta op HEER, en red mij, God,
sla mijn vijanden in het gezicht,
breek de tanden van de wettelozen.

Waarom zou ik niet over dit vers mogen mediteren? Ik zou zelfs zeggen: juíst over dit vers? Want hier wordt nogal wat gezegd. Dan wordt de eerste oproep die ik zowel tijdens de Zenmeditatie als in de week mediteren over enkele Psalmen ter voorbereiding hoorde, namelijk je voeten goed op de grond te zetten, te aarden. Het doet me denken aan Exercises spirituels (Geestelijke oefeningen, maart 1959, zie foto EvS) van Sedje Hémon (1923-2011) die nog t/m 16 oktober a.s. op een overzichtstentoonstelling in het Amsterdamse Stedelijk Museum is te zien.
Vervolgens luister je naar wat buiten gebeurt, wat dan niet wordt beperkt tot: wat buiten je eigen huis, buiten op straat gebeurt, maar wat er in de (buiten)wereld gebeurt. Dan nader je de tekst volledig, van alle kanten op een manier die wellicht in verschillende vormen van joodse psalmmeditaties wel gebeurt.

2.
In dezelfde tijd dat ik weer aan het mediteren sloeg en er van schrik ook weer (even) mee ophield, stuitte ik op een tekst van Neerlandica Yra van Dijk (op: De Lage Landen, 18 mei 2022) over Arnon Grunberg: De engel die pijn komt brengen: het confronterende oeuvre van Arnon Grunberg. Al even confronterend als de Psalmen.
Zij gaat daarin in op een editie van het boekenprogramma Brommer op zee. Hierin was de auteur op 1 mei 2022 te gast. De presentatoren, schrijft Van Dijk, spraken snel over zijn uitlatingen als ‘Doorleefde wanhoop’, Auschwitz-auteur Tadeus Borowski, concentratiekampen en zijn moeder heen. ‘Het moest wel gezellig blijven’ en gaan over zaken als ‘seks en ‘seksuele grensoverschrijding’. Ik moest onwillekeurig denken aan de psalmmeditatie: dat moeilijke vers laten we maar weg. Van Dijk eindigt haar artikel met een citaat van Grunberg (in Humo, 3 juni 2001): ‘Mensen hebben recht op pijn. Ik zie mezelf als een engel die de mensen dat moet geven waar ze recht op hebben’.

3.
Vervolgens kwam Israëlzondag, de eerste zondag van oktober. In mijn wijkgemeente is het dan traditie dat de twee koren van dezelfde kerk hun opwachting maken. Het een zingt kerkmuziek, het ander ook, maar dan in een lichter genre.
Het eerste koor zong onder meer twee piyutim (hymnen) op muziek van Dov Carmel (geb. 1932). Uit hun kelen kwam de volgende regel op tekst van Israël ben Moses Najara (ca. 1555-ca. 1625):

Vertrap mijn vijanden als stro en verhef mij boven hen.

Zo, die zit. Al zoekend naar betekenissen van Psalm 3 kwam ik terecht op een website waarop ook een verkondiging en uitleg stond van predikant Aart C. Veldhuizen (in de Oosterkerk van Sneek, 24 juli 2011). Hij betoogde daarin, dat je de psalm zou kunnen lezen met je verstand, maar dat je zingen nu eenmaal niet met je verstand doet. Al zingend – leerde ik ook al van ds. Sytze de Vries – kun je woorden in de mond nemen die je nooit zou zeggen. Zoals hier in mijn wijkkerk.
Waar ik naar snakte, was een uitleg en verkondiging in de vorm van een liedpreek, waarin de tekst van Israël ben Moses Najara werd uitgelegd. Dat zou niet alleen de liederen beter in de dienst hebben geïntegreerd, maar ongetwijfeld meer kerkgangers hebben geholpen.

In ieder geval ben ik het – als conclusie – roerend eens met een ingezonden brief van ds. Veldhuizen (in Trouw, 5 december 2006). Hierin schreef hij over het heilige dat wordt ‘versinterklaasd’. Dat is iets dat niet mag gebeuren. Daarom ga ik denk ik de verzen uit Psalm 3 en die van Israël ben Moses Najara maar én mediteren, én ze beargumenteren én tenslotte zingen. Alle goede dingen bestaan immers in drieën. Je moet immers het ene doen en het andere niet nalaten (Matth. 23:23).

 

Link naar de preek over Psalm 3: https://www.aartveldhuizen.nl/psalm-3/
Link naar een mooie podcast over Sedje Hémon: https://podcastluisteren.nl/ep/Nooit-van-gehoord-52-Sedje-Hemon-Nooit-van-gehoord

Christiaan Verbeek: De wanen

Al zou de naam onbekend zijn, toch is de kans aanwezig dat zijn muziek wél bekend is: Christiaan Verbeek, componist van onder andere muziek bij de film Helium waarvoor hij in 2014 een Gouden Kalf won. In 2018 kwam tijdens de Dag van de Morgendienst in de Amsterdamse Keizersgrachtkerk een andere kant van hem naar voren: als componist van een stuk in opdracht van Cello Octet Amsterdam voor een reeks concerten rond de tachtigste verjaardag van de componist Arvo Pärt. Hierbij werd hij geïnspireerd door het gedicht Aan het grensland van Rutger Kopland.
Nu is zijn werk te horen bij de lunchtheatervoorstelling De wanen in het Amsterdamse Theater Bellevue (van 22 september t/m 16 oktober 2022). Dichter Ingmar Heytze, regisseur Olivier Diepenhorst en actrice Abke Haring maakten deze voorstelling, samen met Verbeek en enkele andere theaterkunstenaars, waaronder dramaturge Janine Brogt. Wegens persoonlijke omstandigheden wordt de rol van Haring echter overgenomen door Alwin Pulinckx.

Christiaan Verbeek
In 2018 sprak ik met Verbeek voor Kerk in Mokum. Met toestemming neem ik enkele gedeelten uit dat interview hier over ter gelegenheid van genoemde theatervoorstelling. Ook een grensland eigenlijk; een voorstelling namelijk over de onaangepaste geest. Heyze schreef de dichtbundel De Atlas van wanen, die nooit is gepubliceerd, maar tot toneeltekst, een monoloog werd omgewerkt.

‘Ik vind’, zei hij in 2018 tegen mij, ‘grensgebieden interessant. Dáár wordt het spannend. Ik heb een jazzachtergrond en ben toen meer op het klassieke pad geraakt. Mijn projecten zijn muzikaal behoorlijk uiteenlopend. De bron is het leven, zijn ervaringen. Bijvoorbeeld de natuur, of wat je van huis uit meekrijgt.’

Aan het grensland
Voor zijn compositie ‘Aan het grensland’ ging Verbeek naar De Hors op Texel, waar hij is geboren. ‘Dat is letterlijk een soort grensland, waar strand in zee en zee in lucht overgaan. Het zinderende van die lucht zit bijna in al mijn muziek. Maar het blijft niet bij deze wazigheid, ik zoek ook duidelijk naar structuren. In dit geval de drieslag die Kopland aanreikt: het hiernamaals, het hiervoormaals en het nu. Het stuk begint met een inleiding die de zoektocht naar het grensland verklankt, dan volgen dertien noten en dan begint het gedicht pas. De tekst staat ook in de muziek, zodat de musici weten waar ze zijn.’
Dertien staat voor de laatste strofe uit het gedicht:

je denkt aan je jeugd aan 1 Korintiërs 13
nu kijken we nog in een wazige Spiegel
maar straks staan we oog in oog.

In deze drie regels zitten heel wat lagen verstopt: de jeugd van Verbeek, als domineeszoon vertrouwd met kerk en liturgie, de wazige Spiegel die verwijst naar een van de bekendste composities van Arvo Pärt: Spiegel im Spiegel, en het meer concrete oog in oog staan.

Impressies
Ik zeg dat Verbeeks muziek mij tot nu toe impressionistisch overkomt; niet als stijl (het impressionisme), maar als insteek, in het verklanken van een sfeer. Verbeek (h)erkent het: ‘Ik heb dit van huis uit meegekregen. Mijn moeder en ik stuurden elkaar altijd kaarten van impressionistische schilderijen van Monet en we luisterden naar Debussy. Maar dat is ook een fase. Mijn muziek wordt steeds concreter, want hoewel Aan het grensland een zekere vaagheid ademt, kent het  ook een heel duidelijke vorm: zoektocht – gedicht – terug in de wereld. Aan het grensland staat voor mij tussen het aardse en het religieuze in. Een gebied waar Pärt, Kopland en ik elkaar ontmoeten.’ Zoals Verbeek in Wanen onder meer de tekst van Ingmar Heytze ontmoet en het grensland tussen waan en werkelijkheid.

Foto bovenaan deze blog afkomstig van de website van Christiaan Verbeek: https://www.christiaanverbeek.com/
Zie ook: https://www.theaterbellevue.nl/agenda/3796/Ingmar_Heytze_Olivier_Diepenhorst_Alwin_Pulinckx/De_wanen
En tenslotte mijn recensie: https://8weekly.nl/recensie/theater/de-wanen-theaterdebuut-waar-alles-aan-klopt/

Kant en Wijnberg

Ik wil nog wel eens een dichtbundel kopen, die op de site literairnederland.nl gunstig is beoordeeld. Recent gebeurde dat met de bundel Namen noemen van Nachoem M. Wijnberg. Het was met name één woordje in de recensie van Albert Hogeweij (zie link onderaan deze blog) dat mij had getroffen: alsof. ‘Geen dichter die de voegwoorden zoals en alsof zo vaak bezigt’.
Het resoneerde meteen met het woordje alsof in de filosofie van Immanuel Kant; Jabik Veenbaas schrijft het ook cursief in zijn boekje De essentie van Kant. En als hij het niet noemt, dat woordje alsof, kun je het soms ook tussen de regels door lezen.
Eerst Kant en dan Wijnberg.

Immanuel Kants alsof
Het begint eigenlijk al op pagina 19. Veenbaas citeert Kant, die opmerkte dat hij eerlijk toegaf: ‘Het was precies de aanwijzing van David Hume die vele jaren geleden voor het eerst mijn dogmatische sluimer onderbrak en mijn onderzoek op het gebied van de speculatieve filosofie een geheel andere richting gaf’. Ik moest het even opzoeken: wat was dat ook alweer, speculatieve filosofie? En ik vond een definitie die ongeveer zo luidt: de consequenties van een hypothese betwijfelen alsof [vet, EvS] waar is. Cornelis Verhoeven, las ik ergens, ziet scepsis alsof het speculatief is; ‘scepsis jegens kennis die niet langs de weg van empirisch onderzoek was verkregen’, schrijft Veenbaas (p. 33). Verschillende denkers in de achttiende eeuw raakten eraan ten prooi, zoals ook David Hume (p. 36) en Kant: ‘de cruciale ontwikkeling in Kants wijsbegeerte begon bij de scepsis’ (p. 40), maar dat bleek een impasse te zijn waaruit hij wilde ontsnappen.

Kant vond een uitweg in een ‘twee-werelden-theorie met ethisch religieuze trekken’ (p. 58), waarvan hij in de Kritiek van de zuivere rede ‘de eerste contouren schetste’ (p. 62). Dat wil zeggen dat het erom gaat, dat ‘de mens bij Kant burger [is] geworden van twee werelden: de zintuiglijke en de bovenzintuiglijke wereld. Het burgerschap van de bovenzintuiglijke wereld is het belangrijkst. Het belang van moreel handelen is groter dan dat van de kennis’ (p. 70). Tussen beide wordt bemiddeld, zodat ‘we de zintuiglijk gegeven natuur [kunnen] denken alsof daar een zedelijk doel aan ten grondslag ligt. En zo maakt het een overgang mogelijk van de zintuiglijke wereld naar de morele wereld, van de natuur naar de vrijheid’ (p. 78).

Hier duikt het woordje alsof voor het eerst op. Even verderop weer, wanneer Veenbaas schrijft dat we ‘de natuur [beschouwen] alsof een God die met een bedoeling heeft voortgebracht’ (p. 87). Het is een aanname.
Bedoelt Nachoem M. Wijnberg nu hetzelfde als Kant, wanneer hij alsof zo vaak bezigt? Laten we eerst kijken wat Hogeweij in zijn recensie schreef, alvorens ik de bundel van Wijnberg zelf ter hand neem.

De recensie van Albert Hogeweij
Na een korte inleiding schrijft Hogeweij, dat Wijnberg ‘gedichten wel eens “betekenismachines” heeft genoemd, instrumenten om tot inzicht te komen. Gelijkwaardig hoe in de wetenschap kennis wordt opgedaan. (…) Het geruststellende van al zijn opgeworpen probleemstellingen is dat ze niet op een definitief antwoorden aansturen. De deur van wat wij niet weten staat altijd open en hoeft niet op slot’. Een beetje zoals de late Kant, na een stellige periode. Een beeld als ‘alle kleren over elkaar’ dat Wijnberg gebruikt, doet denken aan de gelaagdheid bij Kant waar Veenbaas over spreekt (p. 140). Zo kan de ruimte die hij uiteindelijk biedt, worden benut ‘voor een gedifferentieerde kijk op het menselijk leven’ (id.).

En dan komt het: ‘Geen dichter die de voegwoorden zoals en alsof zo vaak gebruikt.’ Hij speelt tegengestelde begrippen tegen elkaar uit, zoals Kant een voorloper was van de dialectiek van Hegel (these – antithese). Alleen komt het bij Kant en Wijnberg niet tot een synthese, maar – zoals Hogeweij schrijft – ‘een schijn van dichterlijke harmonie (…), waarin de dingen even ver van elkaar als tot elkaar komen’.
Vervolgens heeft Hogeweij het over de twee lagen waaruit de gedichten van Wijnberg vaak bestaan: een concrete ‘en een daarop voortbordurende beschouwende laag’. Iets dat direct doet denken aan de twee lagen van het kenvermogen bij Kant: zintuiglijke aanschouwing en verstand.

Nachoem M. Wijnberg – Namen noemen
Een paar voorbeelden uit de bundel waarin die twee lagen in combinatie met ‘alsof’ duidelijk naar voren komen.
Het eerste ontleen ik aan het gedicht ‘Uitroeptekens in de trein’:

alsof ik wil doen – dubbele kostumering – dat ik in iemand anders
ben gebleven?

Het tweede aan het gedicht ‘In training voor de H.H. ter Balkt-herinneringswedstrijd’:

… opspringen en met mijn knieën naar mijn kin door de lucht blijven zweven
alsof ik in slaap ben
of in een houten paard zit. Het verschil tussen wie een hoog woord
niet eens ziet als hij er bijna tegenaan loopt

en wie luisteren of lezen alsof ze straks blind zijn,

en als ik de wereld in tweeën deel
staat niemand enkel aan één kant. …

Het derde en laatste citeer ik uit ‘In de kamers en receptieruimtes van de Nederlandse literatuur’:

… Op een buitenreceptie (in de achtertuin) van Atlas Contact
ben ik een keer over een klein perkje gesprongen
alsof ik van plan geweest was langer in de lucht te blijven hangen
en nog in de lucht dacht ik: als iemand het ziet heeft hij over honderd jaar
iets om aan te denken (en niet meer zeker te zijn
of hij het gezien heeft) als hij mijn naam ergens ziet.

Het is alsof Wijnberg in gesprek gaat met Kant (en Hegel!), over wie hij eerder (in 2007 in Raster) een gedicht publiceerde, waaruit ik tot slot de beginregels citeer:

Alsof hij elke dag een beslissing neemt die zo goed is als wanneer hij
zijn hele leven daarover had kunnen nadenken.

De laatste regels van dit gedicht refereren aan de beroemde uitspraak van Kant over twee dingen die de geest vervullen ‘met steeds nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe vaker en langduriger het denken zich ermee bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij’ (Veenbaas, p. 144). Ze hebben ons wat te zeggen: Kant en Wijnberg. Alleen en alsof ze samen in gesprek zijn.

Link naar de recensie van Albert Hogeweij: https://www.literairnederland.nl/recensie-nachoem-m-wijnberg-namen-noemen/

Tweeluik (VI)

Marc Chagall:
Over the Town

 

 

 

 

Mohammed Al-Hawajri:
Above the City
(
documenta 15, Kassel)

 

Link naar mijn recensie van de roman Dromen over Anne Frank van Maha Hassan waarin ik aan het slot inga op met name het werk van Al-Hawajri in relatie tot de roman van Hassan: https://www.literairnederland.nl/recensie-maha-hassan-dromen-over-anne-frank/

De Cock en moord als verlossing (II)

‘Bij Baantjer deel 90 De Cock en moord op stand (geschreven door Peter Römer) zat een uniek miniboekje met een teruggevonden manuscript van Appie Baantjer zelf: De Cock en moord als verlossing. In dit teruggevonden manuscript, dat ongeveer een kwart van de gewoonlijke omvang heeft, geeft Baantjer ons een setting en de aanzet van het plot. Het was dit keer aan zijn lezers om het verhaal af te ronden met een verrassende ontknoping…’ (website Uitgeverij De Fontein).
Ik nam die handschoen op, maar viel niet in de prijzen. Mijn ontknoping deel ik op deze blog. In twee delen. Hieronder het tweede en laatste deel.

6.
De volgende ochtend haalt Vledder De Cock met de auto op en meldt dat ‘Keizer heeft ontdekt, dat Albertus van de Weide een jongere zus heeft, Carolien, die receptioniste/secretaresse is bij een notariskantoor in de Honthorststraat’. ‘Laten we daar dan eerst maar eens langs gaan’, zegt De Cock. Ze reden er in de oude Golf naar toe, langs het Rijksmuseum waar het al druk was met wachtende bezoekers. Een knappe vrouw met opgestoken haar deed de deur van het kantoor open en bestudeerde de politiepenningen van De Cock en Vledder nauwkeurig, alvorens zij beiden binnenliet. Het leek of ze enige bedenktijd nodig had, alvorens ze eindelijk vroeg of ze ook een kopje koffie wilden. Ondertussen liet ze hen in een chic vergaderzaaltje, waar een ronde tafel stond met wat stoelen eromheen. ‘Niet gek, zo’n notariskantoor in Oud-Zuid’ zei Vledder toen ze wegliep om de koffie te halen. De Cock keek hem wat afwezig aan. ‘Eh, ja’. Carolien kwam terug met een dienblad waarop drie kopjes stonden, een kannetje melk, een schaaltje met suikerklontjes en een schoteltje waarop wat koekjes lagen.

Ze had ondertussen duidelijk nagedacht over wat ze wel en niet kwijt wilde, en stak ongevraagd van wal. ‘Albert liep altijd wat uit de pas. Waar ik een wat jongensachtig meisje was, was hij juist veel zachter dan je van een jongen verwacht. Ik hield van buiten spelen, hij vooral van lezen en naar klassieke muziek luisteren. We begrepen elkaar daarin niet altijd. Toen ik een vriend kreeg, was hij erg op hem gesteld. Niet lang daarna kwam hij uit de kast. Onze ouders reageerden er eigenlijk nogal gelaten op. Niet afkeurend in ieder geval. Ze lieten hem zijn gang gaan, zoals ze ons allebei altijd onze gang lieten gaan.’ Ze glimlachte en keek De Cock en Vledder kort even aan alvorens ze haar verhaal vervolgde. ‘Ze hoopten denk ik vooral dat we gelukkig zouden worden op onze eigen manier, zoals ze dat zelf ook waren geworden. Mijn moeder, Angela, was chef-kok geweest weet u. Dat was in die tijd best bijzonder. Ze hebben niet meer meegemaakt, dat hij contacten zocht op het Stenen Hoofd, de homo-ontmoetingsplek’. Het leek of ze wat moeite had met het uitspreken van het woord ‘homo’, maar ze herstelde zich snel en zei met een snik in haar stem: ‘Het is verschrikkelijk dat hij is vermoord. Uitgerekend daar. Echt verschrikkelijk.’ Toen hield ze haar mond en pakte een zakdoek uit de zak van haar wat stijve, klassieke jurk. De Cock vroeg haar in dit moment van stilte, of ze ook wist of haar broer vijanden had. ‘Niet dat ik weet, mijnheer De Cock’ antwoordde ze. Het was duidelijk dat ze niet veel meer wist te vertellen en dat De Cock en Vledder niet meer te weten zouden komen. Terwijl ze naar de deur liepen, draaide De Cock zich nog een keer om en zei: ‘Eén vraagje nog’. ‘Ja’, antwoordde zij wat korzelig. ‘Weet u ook of uw broer Frederik van Groesbeek kende? Hij heeft uw broer gevonden’. ‘Ja’, antwoordde Carolien van der Weide tot hun verbazing. ‘Die naam heeft hij wel eens genoemd. Hoe goed ze elkaar echt kenden, weet ik niet. En of ze elkaar ook op het Stenen Hoofd ontmoetten, weet ik ook niet’ zei ze, terwijl ze met De Cock en Vledder naar de buitendeur liep. Vledder vroeg terwijl ze door de gang liepen of het interessant werk was, bij zo’n notariskantoor. Carolien keek hem strak aan en zei dat het haar leek dat dit hem geen moer interesseerde. ‘Hooguit wilt u met mij aanpappen, meneer Vledder. En daar ben ik niet van gediend.’ Daarmee kon Dick het doen.

Op de stoep, in de stille, deftige straat in Oud-Zuid keken beide rechercheurs elkaar aan. ‘Op naar de ouders van Van Groesbeek dan maar’, verbrak De Cock de stilte. Hemelsbreed woonden die niet ver van waar Carolien werkte. Rechtsaf de Van Baerlestraat in, een stuk doorrijden, over de brug van het Vondelpark en voor de kruising met de Overtoom weer rechtsaf, de Roemer Visscherstraat in. Weer zo’n mooie, rustige straat, maar ze stonden verbaasd in een wat vervallen trappenhuis alvorens ze aan de klim naar boven begonnen. In de deuropening stond een wat kleine, oudere heer ze op te wachten. Hij keek wat geamuseerd naar de hijgend arriverende mannen. Hij ging ze voor naar een kamer die veel goed maakte: een stijlvol, modern ingerichte, weliswaar kleine maar lichte huiskamer aan de straatkant. Op de bank zat een vrouw, die wat jonger leek dan haar man. Al even stijlvol gekleed en gekapt en met een verdrietige en afwezige uitdrukking, het gezicht afgewend. De Cock stelde zich voor: ‘Ik ben rechercheur De Cock met ceeooceekaa, en dit is mijn collega Vledder. Gecondoleerd met het verlies van uw zoon. Het spijt ons, maar wij zouden het fijn vinden als u enkele vragen over hem zou kunnen beantwoorden, dan krijgen we een wat betere indruk van hem.’ De vrouw leek wat te willen zeggen, maar hield zich in. Haar man nam gauw het woord en vroeg of de heren niet wilden gaan zitten. Hij wees naar twee stoelen die tegenover de bank stonden. Hij begon meteen te vertellen. Over de homoseksualiteit van ‘zijn’ zoon. Dat hij wel naar kerkdiensten in Ons’ Lieve Heer op Solder ging. Daar trof hij gelijkgestemden, maar van zijn ouders zwom hij steeds verder af. ‘Alleen met zijn moeder’, zei hij terwijl hij wees naar zijn vrouw langs wie zijn relaas heen leek te gaan, ‘was hij hecht. Wat kan ik nog meer vertellen? Hij was geen crimineel, hij verkeerde niet in de onderwereld!’ voegde hij tenslotte opeens fel aan zijn relaas toe, alsof hij zich inwendig had opgewonden. ‘Hooguit ging hij met een verkeerd slag mensen om.’ ‘Hoe bedoelt u?’ vroeg Vledder. ‘Nou’, zei de vader, ‘dat snapt u toch zeker wel? Die homoscene natuurlijk!’. Vledder wilde erop ingaan, maar De Cock was hem voor en vroeg: ‘Weet u, of hij Albertus van der Weide kende?’ ‘Nee’, zei de vader, ‘wij hadden het nooit over mensen uit die kringen. Hooguit over de mensen die hij bij de Soldermissen trof. Kunstzínnige mensen’, voegt hij er met nadruk aan toe. ‘Dat heeft hij van niemand vreemd, als u de inrichting van dit huis bekijkt’, zegt hij met een weids gebaar, naar zijn vrouw en de huiskamer wijzend. ‘We kunnen u niet verder helpen, ben ik bang’. ‘Dan heb ik nog twee vragen voor u’, zegt De Cock. ‘Weet u ook of hij vijanden had?’ De man antwoordde dat hij toch echt zojuist heeft gezegd, dat ‘zijn’ zoon kunstzinnige vrienden had. De Cock knikt. ‘Dan de laatste vraag: waar was u en uw vrouw op de dag van de dood van uw zoon?’ Nu wordt de man echt kwaad en bijt de rechercheurs toe wat ze wel niet denken. ‘Een routinevraag, een routinevraag’ zegt De Vledder sussend, ‘om u uit te sluiten’. ‘Uitsluiten? Ons eigen kind vermoorden? Het is te gek voor woorden. Het idee alleen al!’ De Cock en Vledder staan op en zeggen het echtpaar gedag. Bovenaan de trap houdt de vader ze tegen en zegt: ‘Ik heb óók nog een vraag. Wanneer mogen we hem zien?’ De Cock antwoordt dat dit kan op het moment dat er autopsie is verricht en dat hij hoort wanneer het zo ver is.
‘Koffie kon er niet eens af’, zegt Vledder wanneer ze beneden zijn. ‘Ach, Dick, wees een beetje coulant. Daar stonden ze helemaal niet bij stil. Hun hoofd was bij andere zaken. Ze hebben hun zoon verloren. Bovendien hebben we een lekker kopje gehad van Carolien. Laten we maar naar het bureau gaan.’

In de recherchekamer zat fotograaf Bram van Wielingen te wachten. ‘Ik moet jullie iets geks vertellen’, zei hij. ‘De lange diender vroeg toen jullie weg waren naar foto’s van de twee lijken. Waarom? Hij is toch niet bij het onderzoek daarnaar betrokken? Het zijn toch jullie zaken?’ ‘Nee, dat is zeker vreemd’, zegt De Cock. ‘Daar wil ik het mijne van weten.’
Hij liep naar het kantoor van Buitendam en klopte aan. ‘Binnen!’ riep de commissaris kortaf. ‘Neemt u me niet kwalijk, commissaris, maar er is iets vreemd aan de zaken van het Stenen Hoofd.’ Buitendam keek hem aan en zei: ‘Dat hoef je mij niet te vertellen, De Cock. Ik heb je gewaarschuwd!’ De Cock trekt een stoel bij en zegt: ‘Ja, dat weet ik, commissaris, maar ik bedoel iets anders. De lange diender schijnt de foto’s die Van Wielingen van de twee lijken heeft gemaakt te hebben opgevraagd. Heeft u hem misschien ook met een deel van de zaak belast?’ ‘In de verste verte niet’, roept Buitendam geërgerd uit, staat op en kijkt uit het raam. ‘In tegendeel. Ik laat hem absoluut geen recherchewerk doen. Als agent op de surveillancewagen doet hij het prima, maar daarbij moet het wel blijven. Van reduceren en deduceren heeft hij geen kaas gegeten’. De Cock kan een glimlach niet onderdrukken, nu de commissaris een gezegde uitspreekt dat zijn moeder ook graag gebruikte. ‘Ik zal een hartig woordje met hem spreken. En nu eruit De Cock’ beëindigt Buitendam het gesprek.
De Cock loopt naar de recherchekamer en ziet dat het al tegen het eind van de diensttijd loopt. ‘Ik ga naar Lowietje. Ga je mee Dick?’

Bij Lowietje loopt iemand rond met een stapeltje tijdschriften onder zijn arm. Op elk tafeltje legt hij een exemplaar neer. ‘Gezegende Paasdagen’ zegt hij er telkens bij en heeft het omslag van het tijdschrift nog even een aai. Vledder wil er iets op zeggen, maar De Cock kijkt hem vermanend aan. ‘Laat maar, Dick’ zegt hij als de man is vertrokken met nog wat laatste exemplaren van het tijdschrift onder de arm. ‘Ik had liever een Paaskalender gekregen, De Cock. Met van die deurtjes. Voor elke dag iets lekkers. Mmm!’. ‘Ik weet niet of die wel bestaan’, zegt Lowietje. ‘Voor Advent wel, maar voor Pasen zijn het geloof ik eerder aftelkalenders met plaatjes en overwegingen.’ ‘Nou, jammer dan’, zegt Vledder. ‘Misschien moet je hem uitvinden’, meent De Cock. ‘Word je nog rijk.’ De Cock neemt een slok van zijn cognac en opent afwezig het tijdschrift. Zijn oog valt op een interview met de lange diender. ‘Krijg nou wat!’ roept hij door het café. ‘Kijk eens op pagina 6, Dick.’ Dick slaat het nummer open. In stilte begint ook hij te lezen.

Het blijkt een interview te zijn met de lange diender. Over zijn jeugd in een achterstandswijk. Een vader die timmerman was en streng protestant, een moeder die huisvrouw was en rooms-katholiek en een jongere zus die serveerster is in een café. De ene zondag werd hij meegenomen naar een protestantse kerk, de andere naar een Soldermis. Daar leerde hij, vertelt hij in het interview, verschillende homo’s kennen. Toen hij ouder werd, was hij de mening toegedaan, dat ze genezen moeten worden, willen ze in de hemel komen. Daarvoor, legde hij uit, kunnen ze in therapie. Conversietherapie, waar door middel van gebed aan genezing wordt gewerkt. ‘Middeleeuws!’ schalt De Cock halverwege en leest verder. Over een agent die in het geheim onderzoek doet naar homoseksuelen en daarover rapporteerde, in de veronderstelling dat ze zo geen overheidsbetrekking kregen. Hij spreekt er onverbloemd over, in de vaste overtuiging dat hij daaraan goed doet en dat een dergelijke houding navolging verdient. Hij begint een naar gevoel te krijgen, slaat zijn cognac snel achterover en zegt tegen Vledder dat ze onmiddellijk terug moeten naar het bureau. Lowietje verbaasd achterlatend, die zijn schouders er maar over ophaalt.

’s Avonds zit De Cock de twee zaken nog eens te overdenken. Zijn vouw laat hem betijen. Ze wist dat wanneer hij zijn ei moest leggen, hij niet gestoord wil worden. De Cock weet inmiddels wie de moordenaar zou kúnnen zijn, zonder dat hij bewijzen daarvoor heeft. Of toch? Er is in ieder geval één aanwijzing: het schot is gelost met een model revolver dat ook door de politie wordt gebruikt. Hij is echter niet in de positie om de Lange te interviewen. Dat moest Buitendam in dit geval doen.

Buitendam kwam ’s avonds met een bos bloemen aan bij het huis van De Cock. Hij vond het een goed idee op z’n tijd aan te schuiven. Bovendien kon hij zo van de gelegenheid gebruik maken, om zelf tekst en uitleg te geven van een zaak die wel heel erg dichtbij was gekomen. Kort na hem kwamen Dick, Ab en Vera binnen.
Toen ze eenmaal aan tafel zaten, schonk De Cock de glazen vol. Zijn vrouw kwam met een schaal vol hapjes aan. Buitendam begon te vertellen dat hij de lange al langer in de gaten had gehouden, en dat de reden om hem niet te willen bevorderen tot rechercheur verder ging dan wat hij al daarover had losgelaten. ‘Homo’s spreken soms op het Stenen Hoofd af om elkaar te ontmoeten. Een enkele keer maken kwaadwillende mannen daar misbruik van. De lange behoort helaas tot die groep.’ ‘Had je dat interview ook gelezen?’ vroeg mevrouw De Cock. ‘Ja’, antwoordde Buitendam, ‘Ik kreeg het door iemand toegespeeld’. Hij pauzeerde even om een toastje uit te zoeken, te pakken en in zijn mond te stoppen. ‘Kijk, de lange pleegde die moorden omdat hij dacht dat de twee mannen zo verlost zouden zijn van hun vermeende zonde. Want zo zag hij dat, als streng gelovige. Hij zal nu worden vervolgd en door de Rechtbank worden veroordeeld.’

‘Misschien is het maar goed dat je snel met pensioen kan, Jurre’, zei zijn vrouw. ‘Dit is allemaal te erg voor woorden.’ ‘Middeleeuws’ zegt Buitendam De Cock na en neemt nog een laatste slok.

De Cock en de moord als verlossing (I)

Bij Baantjer deel 90 De Cock en de moord op stand (geschreven door Peter Römer) zat een uniek miniboekje met een teruggevonden manuscript van Appie Baantjer zelf: De Cock en moord als verlossing. In dit teruggevonden manuscript, dat ongeveer een kwart van de gewoonlijke omvang heeft, geeft Baantjer ons een setting en de aanzet van het plot. Het was dit keer aan zijn lezers om het verhaal af te ronden met een verrassende ontknoping… (website Uitgeverij De Fontein).
Tot degenen die deze handschoen oppakten, behoorde ik. Hierbij mijn inzending, die niet in de prijzen viel maar die ik graag deel. In twee onderdelen. Hieronder het eerste gedeelte.

  1. (vervolg)

De panden van De Cocks sjofele regenjas lagen als vleugels op de grond achter hem. Vledder was blijven staan, maar allebei de rechercheurs monsterden aandachtig het levenloze lichaam. Ze zeiden geen woord tegen elkaar. Ze keken alleen maar naar het lichaam en dachten na. De rust werd ruw verstoord door fotograaf Bram van Wielingen, die pontificaal tussen hen en De Maître in ging staan en zijn Hasselblad aanlegde als was het de loop van een geweer. Hij schoot snel achter elkaar zijn plaatjes en beende weg op het moment dat Den Koninghe in zijn keurige zwarte jas rustig aan kwam lopen. De rust zelve. De twee heren groetten elkaar kortaf. ‘Dood, dat is duidelijk’ zei de arts met zijn wat geaffecteerde stem. Hij hurkte naast De Cock neer en samen bekeken ze de messteken. ‘Drie stuks, net als het aantal kogels bij de vorige dode. Alleen liggen deze wat verder uit elkaar en zijn ze niet zo trefzeker’, zei hij terwijl hij drie korte steekgebaren in de lucht maakte. ‘Een messteek in het hart was waarschijnlijk ook al voldoende geweest om hem om te leggen. Hier is iemand aan het werk geweest, die goed kwaad was. De steken lijken me bijzonder diep, maar dat moet onderzoek verder uitwijzen. Hij kan worden weggehaald’, liet hij er meteen op volgen. De Cock kwam wat stram overeind en ging naast Vledder staan, terwijl Den Koninghe ze gedag zei en wegliep. ‘Je krijgt het autopsierapport zo gauw mogelijk, Jurre.’

Een paar broeders van de Geneeskundige Dienst, die al op een kleine afstand hadden staan wachten, kwamen met een brancard dichterbij. Ze legden het lichaam erop, dekten het vervolgens met een laken af en droegen het tenslotte weg richting een ambulance die klaarstond. Ze liepen langs – dat zagen De Cock en Vledder nu pas – de lange diender die ook dienst had gehad op de surveillancewagen bij de moord op Albertus van der Weide. De diender had wat achteraf gestaan en liep, nu hij zag dat ze hem in het vizier hadden, op beide rechercheurs af. ‘Ik heb me er maar niet mee bemoeid’, zei hij. ‘Ik heb hier verder toch niets te doen. Mag hier ook niets doen’, voegde hij er nadrukkelijk aan toe. De Cock keek hem wat argwanend aan en Vledder sprak hardop uit wat De Cock ongetwijfeld ook dacht: ‘Waarom ben je hier dan?’ De lange diender haalde zijn schouders op en bleef het antwoord schuldig.

‘Dick’, zei De Cock, ‘ga eens na of je ook getuigen van de moord kunt vinden’. Ze keurden de lange geen blik meer waardig. Hij had ze toch niets te vertellen en verdween tenslotte even snel in het niets als hij eruit was opgekomen. Alsof hij alleen even op inspectie was geweest, om te kijken wie zich hier allemaal vertoonden. ‘Wat gaan we ondertussen doen?’ vroeg Vledder, vrij als altijd. ‘We gaan wat familie van beide doden bezoeken in de hoop dat we wat wijzer worden’, zei De Cock terwijl ze terugliepen naar de oude Golf. ‘Maar eerst moet ik nog even langs het bureau.’ Vledder reed dit keer rechtstreeks terug: via de Westerdoksdijk en het Barentsplein.

‘De Cock’, zei Els Peeters, die achter de balie druk bezig was met het sorteren van de binnengekomen post. Ze had haar halve brilletje op de punt van haar neus. ‘Buitendam vraagt naar je. Het klonk nogal dringend’. De Cock zuchtte diep en liep sjokkend de trap op. Hij klopte op de deur en Buitendam riep: ‘Binnen!’ ‘Zo, De Cock’, zei hij, terwijl hij de laatste hand legde aan het poetsen van zijn schoenen. Hij grijnsde toen hij De Cocks wat verbaasde gezicht zag, en vroeg onderhand hij bezig was: ‘Vlot het wat met die twee moorden? Twéé moorden maar liefst! Het kan niet op.’ De Cock antwoordde dat ze pas aan het onderzoek waren begonnen, waarop Buitendam direct zei dat dit maar goed was ook. ‘ Wees voorzichtig, De Cock. Wees voorzichtig. Je begeeft je in de homoscene en ik wil geen gedoe.’ Er meteen aan toevoegend: ‘En nu eruit!’ De Cock liep terug naar de deur, die hij nogal hard achter zich dichttrok, terwijl hij zich wat geërgerd afvroeg wat je nu aan zulke raad had. Gedoe wilde toch niemand?

Bij de trap stond de lange diender achteloos op het prikbord de interne mededelingen te lezen: vacatures, namen van nieuwe collegae, geboortekaartjes, overplaatsingen en de aankondiging van een personeelsfeestje. Toen De Cock naar de recherchekamer liep, draaide hij zich snel om en vroeg geïnteresseerd, op het gretige af: ‘En, had Buitendam nog wat?’ De Cock trok zijn wenkbrauwen op en liep zonder iets te zeggen door, zich afvragend waarom de lange diender dat wilde weten; hij had toch niets met de twee moordzaken te maken? Mócht er niets mee te maken hebben van Buitendam. Om wat voor reden dan ook. Wat hij niet zag, was de manier waarop de lange hem nakeek tot hij door de deur van de  recherchekamer was verdwenen en zijn oude vilten hoedje op de kapstok wierp.

‘Dick’, viel De Cock meteen met de deur in huis, ‘heb je al het autopsierapport van de eerste moord, op Albertus van der Weide?’ Vledder antwoordde dat het rapport bevestigt wat ze eigenlijk al wisten: ‘De drie schoten zijn gelost door iemand die wist wat hij deed: goed gericht en raak. Gezien de hoek van de schoten, 45 graden, door iemand van een behoorlijke lengte. En met een Walther P5, het wapen dat ook door de politie wordt gebruikt, dat is het rare.’ ‘Ja’, antwoordt De Cock, ‘dat is zeker vreemd. Laten we eerst maar eens zicht proberen te krijgen op allebei de doden: uit wat voor milieu kwamen ze, is er nog familie die leeft en ons wat weet te vertellen? Keizer, kijk eens of je wat kan vinden. Namen, adressen. Dan is het voor vandaag wel weer mooi geweest. We gaan even naar Lowieje een afzakkertje nemen.’

In het café van Lowietje zijn de rechercheurs kind aan huis. Wanneer ze binnenkomen, staat Lowie al klaar met twee cognacjes. Ze gaan aan de toog zitten en nemen onder het genot daarvan de dag nog eens door. ‘Twee moorden’, zei De Cock, ‘dat is nogal wat zei Buitendam. Dat hebben we wel eerder meegemaakt, maar hij waarschuwde er ook voor de gevolgen ervan wanneer we ons in homoscene begeven. Hij is bang voor gedoe’, vervolgt De Cock moe en wat gelaten. En voor zijn doen openhartig wat het gesprek met Buitendam betrof. ‘Dat is hij altijd, bang voor gedoe. Als het aan hem ligt, lopen we altijd op sloffen’, zegt Vledder. ‘Eieren, Dick. Eieren’, reageert De Cock. ‘Nou ja, je begrijpt wel wat ik bedoel: voorzichtig.’ ‘Ja, voorzichtig aan, dan breekt het lijntje niet’, antwoordt De Cock plagerig met een ander gevleugeld woord. Er verscheen een glimlach om de mond van Jurre, die even terugdacht aan zijn moeder, die grossierde in spreuken en gezegden. Ze praten nog wat verder, drinken hun glaasjes leeg maar er komt op dat moment niet meer zicht op de zaak. Ze zijn nog ver van een doorbraak verwijderd en gaan naar huis. In afwachting van het tweede autopsierapport, op Frederik van Groesbeek.

Denkers en dwalers


In juli 2019 volgde ik met vijf andere cursisten de week ‘Filosofie in de Lage Landen’ bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. De docent was dr. Erno Eskens, die vertelde dat hij werkte aan een boek over de ‘geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen’. Dat boek is er inmiddels. Reden te meer om het te vergelijken met mijn (uitgebreide) aantekeningen uit 2019 en aan te vullen met recente bevindingen na lezing van het mooi uitgegeven boek, waarvan ik onder dank een recensie-exemplaar ontving.

 

Inleiding
Om te beginnen is de inleiding tot de uitgave uitgebreider dan die tot de cursus. Ik zou zeggen: uiteraard wordt hier de methodologie diepgaander uit de doeken gedaan. Eskens legt de nadruk op denkers die ‘naar de marges’ zijn geduwd: uit de voormalige koloniën, vrouwen, autodidacten en literaire denkers. Een loffelijk streven, al heeft hij uit de ene categorie meer namen op kunnen duikelen dan uit de andere. De nadruk ligt ‘op ideeën over het goede leven, over de ideale samenleving, schoonheid, zin, zelfontplooiing, rechtvaardigheid’. Het gaat Eskens niet alleen om de hoofdlijnen, maar ook om de breuklijnen, want die zijn vaak op zijn minst zo interessant. Met als beperking overleden denkers, op enkele uitzonderingen na.
Ik ga na wat hij vertelde en schreef over enkele van mijn geliefde filosofen/denkers: Jan van Ruusbroec, Coornhert en Spinoza. En nog enkele zaken meer.

Jan van Ruusbroec
Het boek lijkt me nog zorgvuldiger qua formuleringen dan de colleges in Leusden; zo verliet Jan van Ruusbroec (1293-1381) niet de kerk, zoals ik het althans noteerde, maar de St.-Goedelekathedraal in Brussel ‘(niet de Kerk’ voegt Eskens er tussen haakjes voor de duidelijkheid nog aan toe).
Opvallend is, dat de auteur Ruusbroec niet – in weerwil van een van zijn uitgangspunten – en in tegenstelling tot Frits van Oostrom (Wereld in woorden. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1300-1400) binnen de literatuur trekt, maar wel net als Van Oostrom het emancipatoire karakter van diens werk (als aankondiger van de latere Reformatie) benadrukt.

Coornhert en Spinoza
En dan zijn we al op weg naar het humanisme en de Renaissance, onder meer met Coornhert (1522-1590, afb. rechts). Zoals Eskens diens werk tijdens de cursus in Leusden uitlegde, moest ik vaak aan Spinoza (1632-1677) denken. Volgens hem is Spinoza echter niet zozeer het startsein voor de Verlichting, want dat was eerder Francis Bacon (1561-1626). Al toont Eskens zich geen groot kenner en liefhebber van het werk van Spinoza, toch werd hij onlangs benoemd tot voorzitter van de Vereniging Het Spinozahuis, vooral om zijn grote netwerk.[1]
Spinoza draaide zich volgens Eskens ‘in de soep’ met zijn idee van God of de Natuur: een in plaats van twee substanties. Het overdenken waard, maar we gaan verder en maken een sprong in de tijd.

ISVW
Met een opmerking die eigenlijk in het verlengde van het voorgaande ligt en waar ik in mijn dictaat een streep bij heb gezet: de controverse tussen de oprichters van de ISVW (1916, zie foto EvS links). Het is volgens Eskens mede aan deze dialectiek te denken, dat de ISVW nog steeds bestaat. In het boek komt deze episode in dat licht bezien wat minder uit de verf dan tijdens de cursus. Een van de cursisten én docenten van het eerste uur aan de ISVW was Clara Wichmann (1885-1922), een interessante vrouw die denk ik terecht vond dat een sociaal contract een fictie is.

De moderne tijd in
Hoewel Eskens in haar ook een mede-dierenactivist zal herkennen, is hij niet eenkennig. Zo behandelt hij ook het denken van Herman Dooyeweerd (1894-1977), een rechtsfilosoof van gereformeerde snit, en J.H. van den Berg (1914-2012) van de omstreden metabletica.

In de cursus te Leusden ging Eskens iets verder de moderne tijd in dan in het boek; hij beperkt zich in het laatste geval immers ‘zoveel mogelijk tot overleden denkers’. Dat dit heel veel oplevert, maar dat veel ook nog onbesproken blijft, moge duidelijk zijn. Het wachten is ongetwijfeld op een aangevulde herdruk, waarin dan misschien meteen ook een wat ordentelijker personenregister kan worden opgenomen, waarin achternamen niet langer op ‘de’ en ‘van’ zijn gerubriceerd. Maar dat is een kleinigheid bij een tour de force die de samenstelling en het schrijven van dit boek moet zijn geweest. Dat het een work in progress is, blijkt al uit de aankondiging van de nieuwe opzet van de hiervoor genoemde, eerder door mij gevolgde Summerschool bij de ISVW. Nu van 15 t/m 19 augustus 2022.[2]


Erno Eskens: Denkers en dwalers. Een geschiedenis van de filosofie in de Lage Landen

Uitgever: ISVW Uitgevers, 2022
ISBN 978-90-831215-9-8
Prijs: € 29,95

Link naar de podcast van Erno Eskens over zijn boek: https://isvw.nl/podcast/

[1] Zie ook een eerdere blog: https://elsvanswol.nl/ietsje-meer/
[2] Zie: https://isvw.nl/activiteit/denkers-dwalers-summerschool/

Reactie van een liefhebber

Verhaal kort: ik las een voorpublicatie uit het boek Keep Swinging van Bert Vuijsje. Was erdoor geraakt, deed mee aan de winactie van Bazarow én won het boek (uitg. In de Knipscheer, 2022)!

De voorpublicatie betrof mijn geliefde Thelonious Monk (1917-1982), de ‘aardse hogepriester’, die door Vuijsje heel raak wordt neergezet: ‘Muziek die even volmaakt vergeestelijkt als even volmaakt diep-aards is’ (p. 104). Vind je het gek dat ik daar gek op ben?

Een omschrijving als ‘[Chet] Baker hield het sober maar blies precies de noten die noodzakelijk waren’ (p. 198) deed me denken aan een onvergetelijk optreden van Misha Mengelberg in Arnhem, al ziek zijnde: één noot, maar dan wel zó raak dat ik vol schoot.

Zo zou ik de ’33 jazzmeesters van de 20ste eeuw’, zoals de ondertitel van het boek luidt, allemaal langs kunnen gaan, maar dan wordt het een onleesbaar corvee. De ontdekkingen vallen je toe en zetten aan tot luisteren. Een recensie in de klassieke betekenis van dit woord valt dan ook van mij niet echt te verwachten; ik ben weliswaar een liefhebber, maar geen kenner , maar lust van een boek als dit pap.

Rugproblemen
Ik kwam al lezend wel op het spoor van iets dat mij, als de cultuurcolumns in het tijdschrift Wervelingen nog bestonden, wellicht tot zo’n column hadden aangezet. We hebben het dan over het feit dat Vuijsje in verhouding aardig wat aandacht besteedt aan jazzmusici die op de een of andere manier leden aan een ziekte of gebrek. De vraag is dan: speelden of zongen ze ondanks of dankzij dat gegeven de sterren van de hemel?
Vuijsje laat het antwoord meestal in het midden: ‘Of het door zijn handicap kwam, zal niemand ooit weten, maar in elk geval ontwikkelde Django Reinhardt zich (…) tot een gedreven en originele jazzgitarist’ (p. 56).

De twee musici met een rugprobleem die in Wervelingen langs hadden kunnen komen, zijn Chick Webb (foto rechtsboven) en Clark Terry. Hun problemen waren overigens heel verschillend. In verband met Webb noemt Vuijsje het woord ‘ondanks’: ‘Webb (…) had een behoorlijke faam verworven als spectaculair drummer, ondanks zijn lichamelijke handicap (hij leed in zijn kindertijd aan tuberculose die het ruggenmerg had aangetast, had daardoor een bochel gekregen en was nauwelijks langer dan één meter vijftig’, p. 93). Terry ‘werd (…) steeds meer gekweld door ondraaglijke rugpijnen waartegen geen operatie of behandeling hielp. Maar ook hier sloeg hij zich met een onaantastbare geestkracht doorheen’ (p. 130).

Chick Webb en Clark Terry
In het geval van Chick Webb hoef je maar een foto te bekijken en je ziet wat het probleem is (zie foto rechts), bij Clark Terry is dat niet het geval. Hun muzikale ontwikkeling er in beide gevallen toch niet los van te zien.
Clark kon zijn ‘spectaculaire’ spel ontwikkelen na aanpassingen van zijn dumstel. Terry hing op het eind van zijn leven zijn trompet aan de wilgen en ging zingen. Ik zou wel eens willen weten, of hij daarin eenzelfde niveau heeft bereikt als op de trompet. Misschien heeft het dan pas zin, om ziektes en aandoeningen te vermelden?

De vervoering die ik bij het lezen van dit boek met 33 korte portretten ervaarde, voerde mij terug naar mijn jeugd, toen ik bij voorkeur biografieën leende uit de Openbare Bibliotheek. Het verschil nu is, dat de opnamen die worden genoemd makkelijker te vinden zijn dan toen. Want om luisteren gaat het natuurlijk uiteindelijk. Bijvoorbeeld naar de zang van Terry (Wham!) om maar iets te noemen.
Dank je wel Bazarov, dank je wel In de Knipscheer voor dit mooie boek!

Bert Vuijsje: Keep Swinging
33 jazzmeesters van de 20ste eeuw.

Met bijdragen van Jeroen de Valk en foto’s van William P. Gottlieb
In de Knipscheer, 2022
ISBN 978-94-93214-67-5
260 pagina’s
€ 24,50