Tussen leven en dood

Bas van PuttenAlles moest anders

 

Bas van Putten (geb. 1965, foto links) is vooral bekend als musicoloog/muziekjournalist. Van zijn hand verscheen onlangs het eerste deel van een biografie over Peter Schat (afb. rechts). Minder bekend is hij als een romancier en dichter die werkt aan wat je zonder meer als Gesamtkunstwerk kunt zien. De opbouw van zijn werk doet denken aan een tragedie in vijf bedrijven. T.g.v. het verschijnen van zijn biografie over Peter Schat, herplaats ik hier een eerder in Mens en melodie (nr. 3., 2009) verschenen stuk.

Prólogos
Tot de indrukwekkendste stukken die Bas van Putten schreef, behoort de ‘Prelude over macht en dood’ tot de roman De evangelist. Het gaat over de niet bij name genoemde dirigent van het Concertgebouworkest, Eduard van Beinum, die zijn eerste hoboïst, ongetwijfeld Haakon Stotijn, een pluim geeft: ‘Als je die solo nog eens zo speelt, dan blijf ik erin’ (p. 7). De ontknoping is bekend: Van Beinum stierf tijdens een orkestrepetitie. Een psycholoog zou zeggen: ‘Zelfmoord in vermomming’, aldus Van Putten (p. 10).
Het is niet vreemd dat het in De evangelist gaat om de hobosolo uit de Eerste symfonie ‘van de bewogen classicist Johannes Brahms’ (p. 7). Daarom houdt de ik-figuur in de uit vijf hoofdstukken (!) bestaande roman Drijfkracht ook van de evenwichtige muziek van Mendelssohn. ‘Zo horen we hem; niet als muziek, maar als een ideaal van leven’ (p. 27). Want om levensmotieven, al dan niet een hoger doel dienend, draait alles hier.

Párados – intochtlied
Leven en dood, emotie en ratio komen ook samen in de cantate Aus der Tiefe rufe ich BWV 131 van Joh. Seb. Bach: ‘Hoor die hobo hier. En het koor daarachter. En een bas die ook alleen zijn eigen spoor trekt. (…). Hoor dat zweven, zeg ik, kriskras door elkaar.’ (De evangelist, p. 249).
Zweven, zoals de snelle noten in de Sonate KV 381 van Mozart voor piano vierhandig, bóven de maat, ‘alsof je bijna opstijgt, zonder echt los te komen van de grond. Ergens tussen aarde en hemel’, aldus Richard Hauch, gemodelleerd naar Robert Schumann, tegen Agnes Rochlitz (naar Clara Wieck) in Nachtlied (p. 167-177). Of zoals Bas van Putten het toelichtte: ‘God op het spoor komen; zijn nabijheid voelen door muziek, die openbaring is. De spelende mens als medium tussen God en aarde. Een toestand van genade die zeldzaam is’ en tot uitdrukking komt in woorden van de psalmist die het heeft over Gods lied dat des nachts bij ons is (Ps. 42:9).

Epeisodion – een bedrijf
Zo is het centrale thema in het werk van Van Putten, als het koor in een tragedie opgekomen: leven en dood, hemel en aarde, dag en nacht, alle tinten van geluk en verdriet omvattend als in de Vierde symfonie van Bruckner die hij beschrijft in De hemelpoort, de tweede roman na het debuut Doorn (2000). Krachten die als in een tragedie tegenover elkaar staan of – aan het slot van de sterk aan Samuel Becketts toneelstuk Wachten op Godot herinnerende derde roman Almacht – in elkaar overlopen.
Dit ondoorgrondelijke boek eindigt met een transcendente ervaring, een bijna dood ervaring. De tijd versnelt, als een stretto, tot deze stil staat als op een surrealistisch schilderij van Dalí.
Almacht is, net als Vestdijks Bericht uit het hiernamaals, een ‘gedachteproef’ of ‘filosofische vertelling’ (H. Brandt Corstius) en in technische zin het eindpunt van een ontdekkingstocht: hoe ver kun je als auteur gaan in het op(t)rekken van een constructie.
Hierna wilde Van Putten weer een mooi verhaal vertellen. Niet uit conservatisme, maar als een logische scheppingsgang: hij was naar eigen zeggen ‘Ausgetaucht’ – ergens eerst doorhéén gegaan om er óverheen te kunnen komen. Dit verhaal werd Nachtlied.

Stasimon – standlied
In de nacht ligt de actie, als in een standlied van een Griekse tragedie, stil. ‘Zoals een levend mens voor dood kan liggen, zo speelt bij Brahms de dood het leven na’ (Drijfjacht, p. 173). Zoals pianist Arturo Benedetti Michelangeli en dirigent Kaiser in Drijfjacht, tijdens een uitvoering van Ravels Concert in G, ‘beiden onbeweeglijk zaten, waardoor de kleinste actie het gemoed trof als een aardschok’ (p. 32). Als het kind in het verhaal Jack (in: Vrij Nederland, 15 september 2007), het verhaal waarin een hoefijzervleermuis (symbool voor zowel het goede als het kwade) ‘zit of ligt en zwijgt en wacht op god mag weten wat’ (p. 64). En uiteindelijk in het vuur wordt gegooid – als een dilemma dat uit de weg wordt geruimd.

Éxodus – laatste bedrijf
Uiteindelijk vertelt van Putten telkens weer het verhaal van ‘een odyssee’ (Drijfjacht, p. 99), van kunst als uittocht uit het leven, als een vluchtheuvel tussen het land van de vleespotten en het land van melk en honing. Daar staan zijn personages, tussen leven en dood. Zoals Amfortas in Wagners Parsifal, die ‘niet [wilde] sterven en niet leven’ (De evangelist, p. 64). Hij kon niet anders.

Achtereenvolgens werd geciteerd uit:
De evangelist. Uitg. Contact, 2003
Drijfkracht. Uitg. De Arbeiderspers, 2006
Nachtlied. Uitg. De Arbeiderspers, 2009
De hemelpoort. Uitg Contact, 2001
Almacht. Uitg. Contact, 2002

Temporary Stedelijk – Temporary Ann Goldstein

Ann GoldsteinDe Erezaal van het Stedelijk Museum in Amsterdam (b)leek tijdens de tentoonstelling Temporary Stedelijk 2 (2011) behoorlijk schatplichtig aan het concept van de tentoonstelling Heilig Vuur (2009) in de Amsterdamse Nieuwe Kerk. Ik schreef destijds een ‘gidsje’ bij de eerstgenoemde tentoonstelling, telkens voorafgegaan door een citaat uit De Groene Amsterdammer (3 maart 2011). Bij het afscheid van Ann Goldstein (afb.) plaats ik het nu als eerbetoon aan deze tentoonstelling, en aan haar, opnieuw.

 

1.
“Meer dan om je herinneringen zelf draait het om hun emotionele inhoud en je verlangen die coherent te maken.” (Joey Roukens)

Directeur Ann Goldstein stelde in de Eregalerij het thema abstractie in de twintigste eeuwse kunst centraal. We kennen het verhaal van Mondriaan allemaal: figuratieve en abstracte kunst na(ast) elkaar. Dat verhaal werd getoond, naast onder meer enkele puur abstracte werken. Volgens een interview had Goldstein in deze zaal geen statement af willen leggen. Dat moge zo zijn – iedereen die de zaal betrad, herinnerde zich de schilderijen uit de goede oude tijd van het Stedelijk en (h)erkende de intentie van Goldstein en haar curatoren er een coherent geheel van te maken. En dan opeens gebeurde er iets met je en kon je beamen wat componist Roukens zegt: méér dan om die herinnering zelf, draait het om de emotionele inhoud ervan. Of misschien zelfs om het samengaan van emotie en ratio in één tijdloos moment.

2.
“De essentie is emotie, bijvangst en sluitpost, precies zoals zij dat van een plotseling inzicht of onverwacht uitzicht is.” (Bas van Putten)

Plotseling drong het tot je door. En al mag Goldstein dat er misschien niet bewust hebben ingelegd, als bezoeker kreeg je dat inzicht erbij. Kunsthistoricus Hans Jaffé heeft het in verband met Mondriaan wel eens opgemerkt: hij was schatplichtig aan het beeldverbod uit Exodus 20. Maar geldt dat in wezen ook niet voor volgelingen en enkele andere kunstenaars van wie werk in de Erezaal hing: Kazimir Malevitch, Yves Klein, Brice Marden, Barnett Newman, Ellsworth Kelly en Jo Baer? Opeens viel het kwartje terwijl ik keek naar een schilderij met als thema Spaanse mystiek: joodse mystiek, oosterse mystiek, christelijke mystiek – ze gingen een gesprek met elkaar aan! Zoals in het echte leven. Dialoog en inspiratie, inspiratie en dialoog. Draait het dáár niet om?

3.
“De ervaring van het sublieme, vaak een combinatie van religie en esthetiek, is voor velen zelfs de belangrijkste reden om te kiezen voor muziek, beeldende kunst of literatuur” (Pauline Terreehorst).

Misschien heb ik niet gekozen voor religie en esthetiek, voor muziek, beeldende kunst en literatuur, maar hebben ze mij uitgezocht, in emotie en ratio, in hart en nieren. En verlang je telkens naar zo’n moment. Een overweldigende ervaring van het sublieme, zoals in de Erezaal van het Stedelijk Museum. Soms kussen hemel en aarde elkaar.

Dit stukje verscheen eerder in de Zondagsbrief van de Oude of St. Nicolaaskerk Amsterdam, nr. 470 (20 maart 2011).