De ceder van de Libanon

Twee bomen moesten er zeker in de tuin van hun huis op z’n minst staan of anders worden geplant, vond mijn moeder: een ceder en een berk. Het is gelukt en het zegt veel over haar.
Ik werd er vanmorgen, tijdens de derde zondag na Trinitatis (en op Vaderdag), weer bij bepaald in de kerkdienst die ik bijwoonde en de uitzending van Het Vermoeden die ik daarna zag.

De ceder kwam om te beginnen voorbij in Psalm 92:7:

Zolang de cederboom
hoog op de Libanon,
staan bij de levensbron
de nederige vromen.
Die in Gods huis geplant zijn,
zij bloeien in Gods licht
als palmen opgericht.
Het lot zal in zijn hand zijn.

Het is misschien net even een ander beeld van de ceder dan dat ds. Herrianne Allewijn (Landsmeer) erbij voor ogen had (foto links). Zij had het over de ceder als de boom met oprijzende stam en het hoge bladerdak, – een boom die klein maakt. Mijn moeder zou het beeld zeker hebben herkend en gevonden in die andere boom, die van Zacheüs, de vijgenboom. Kwetsbaar als ze was, zoekend naar bevestiging, om Erica Meijers, universitair docent Diaconaat aan de Protestantse Theologische Universiteit (vestiging Groningen) in Het Vermoeden aan te halen.

Maar het was óók de boom die met de oorlog te maken had. Een gedachtesprong die ik tijdens de preek maakte, toen drie generaties voorbij kwamen die tijdens een toneelopvoering naar Het Achterhuis van Anne Frank met elkaar in gesprek raakten: zij die de oorlog hebben meegemaakt en er, zoals mijn moeder, diep door zijn getekend, de tweede generatie die er veel van meekregen, zoals ik, en de kleinkinderen die ernaar vragen, zoals een jong meisje dat naast mijn moeder in een ziekenhuisbed in het Bonifatiusziekenhuis in Leeuwarden lag en haar de oren van het hoofd vroeg. Zij deed waar Erica Meijers het over had: ruimte maken voor verhalen van anderen in haar leven.

Die ceder maakt niet alleen klein, in mijn beleving, maar staat óók voor de trots die mijn moeder woorden wilde geven, al lukte haar dat niet altijd: de trotse, rechte stam met dat hoge bladerdak staat dan voor de overlevenden die willen zeggen: We zijn er nog, jullie hebben ons niet klein gekregen! Ze zijn het overblijfsel, waar ds. Allewijn het over had en waar Giorgio Agamben misschien op doelt in zijn boek Wat er overblijft van Auschwitz dat ik momenteel van dominee Anne-Marie Visser te leen heb en lees.

Het is in mijn moeders symboliek eerder de berk die kwetsbaarheid uitdrukt, met de witte stam, de fragiele takken als door een etsnaald getekend en het zacht ruisende bladerdak (foto rechts). Want

Alle bomen des velds zullen weten, dat Ik, de HERE, de hoge boom vernederd en de nederige verhoogd heb, de sappige boom heb doen verdorren en de dorre heb doen uitspruiten. Ik, de HERE, heb gesproken en Ik zal het doen. (Ezechiël 17:24).

Samen vieren?

Gisteren, maandag 24 april, vond in de Amsterdamse Thomaskerk een studiemiddag plaats met vijf protestantse en vijf rooms-katholieke theologen over Eucharistie en Avondmaal. De vraag was: is samen vieren mogelijk? Wat geloven we precies en hoe beleven we dat sacrament? De uiteindelijke vraag was: welke beletselen staan (nog) in de weg voor een gezamenlijke viering?

Leeuwarden
Jaren en jaren geleden was er gedonder tussen de (toen nog) Nederlands Hervormde Gemeente en de rooms-katholieke parochie in de wijk Bilgaard in Leeuwarden, waar zij gezamenlijk een kerkgebouw (nu wijkcentrum) gebruikten. Hoe de vork precies in de steel zat, weet ik niet meer. Wel dat de pastoor het veld moest ruimen, en dat op een zondag er een gezamenlijke dienst was, inclusief Eucharistie/Avondmaal. Beide voorgangers, de predikant en de pastoor, deelden brood en wijn uit. Ik stemde met mijn voeten voor de pastoor en tegen het beleid, en ging bij hem – die als ik mij goed herinner door alle ellende kort daarna een hartaanval of beroerte kreeg – ter tafel. Iets dat in ieder geval door de synode sinds de jaren zestig van de vorige eeuw werd gebillijkt.

Band tussen Christus en de Kerk is fundamenteel:
Christus als oersacrament
Kerk als grondsacrament, als plaats waar Gods heil wordt gehoord en zichtbaar gemaakt.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

De Slangenburg
Ik was eens een midweek in de Slangenburg en vierde een deel van een viering mee. Een deel – want wij werden weliswaar genodigd, zonder onderscheid. Ik wilde voor het delen van brood en wijn naar voren gaan, maar werd door degene die naast mij zat min of meer tegengehouden: dit mag je níet doen. Ik voelde me buitengesloten en verdrietig, ik die niet aan avondmaalsmijding deed, zoals ik me nog van mijn moeder herinnerde. Dat gevoel herkende ik helemaal in wat Henk Meulink (voorzitter van de Raad van Kerken in Amsterdam) vertelde in het mislukte tafelgesprek tussen maar liefst negen mannen en één vrouw (!), deels ook nog eens met de rug naar het publiek, na de twee inleidingen – door mgr. dr. De Korte en dr. Karel Blei – : in zorginstellingen bestaan gemeenschappelijke vieringen. Of liever gezegd: tot nu, want onlangs werd hij genood én geweigerd. De arm van het kerkelijk gezag van Rome reikt ver, en omsluit – zoals de armen, de zuilengalerij voor de St. Pieter op het St. Pietersplein – alléén rooms-katholieken.

Er bestaat een nauwe relatie tussen Eucharistische gemeenschap en kerkelijke gemeenschap.
Maaltijd van de kerkelijke eenheid: eenheid in geloven is nodig voor deelname aan de Eucharistie.
Vergelijk met het Eucharistie gebed: gebed voor paus; bisschoppen; onze doden.

(Mgr. Dr. Gerard de Korte)

Israël
In Israël heb ik het voorrecht gehad in een kibboets op sjabbat aan de maaltijd te hebben aangezeten. Iedereen voelde zich welkom, hoewel het overduidelijk was dat er niet-joden aanwezig waren. De christelijke mannen hadden hun hoofd bedekt, zoals te doen gebruikelijk. Met een keppeltje of een servet. Het was niemands bedoeling dat de joden zich tot het christendom zouden ‘bekeren’ noch dat de christenen jood zouden worden. Ieder beleefde de maaltijd op zijn/haar manier, in verbondenheid, eerbied en respect voor elkaar.

Niet al vierende naar de eenheid toegroeien maar de gezamenlijke Eucharistie als afronding van het proces van eenwording van alle christenen (‘De Maaltijd wordt uitgesteld’).

(Mgr. Dr. Gerard De Korte)

Is er sacrament omdat er kerk is, of is er kerk omdat er (o.a.) sacrament is? Katholieken zijn geneigd tot het eerste, protestanten tot het tweede. Maar beide aspecten hebben hun waarde.

(Dr. Karel Blei)

Antwerpen
Enkele jaren geleden was ik in een koosjer restaurant in Antwerpen, waar joden en christenen gezamenlijk de lunch gebruikten. Degene met wie ik samen reisde, twijfelde bij de ingang van het restaurant even of ze haar handen ritueel zou reinigen in de bekkens met water die daar stonden opgesteld. Uiteindelijk deed zij dit niet, omdat ze het niet gepast vond. Daarin had ze, vond ik gelijk, en ik volgde haar voorbeeld. Want in tegenstelling tot de Slangenburg, ervoer ik dit op dat moment als zodanig: dit is niet voor mij bestemd.

Leren en vieren
De nadruk lag tijdens deze studiemiddag op het leren – op met name het rooms-katholieke leergezag, dat de protestanten deels achter zich hebben gelaten door het lezen van het didactische tafelformulier te vervangen door een tafelgebed waarin meer nadruk ligt op het vieren van het Avondmaal, dat soms ook Maaltijd van de Heer wordt genoemd.

Andere, nieuw naar voren gekomen aspecten zijn: gemeenschapsbeleving, toekomstverwachting, diaconale gerichtheid (breken en delen in de samenleving).

(Dr. Karel Blei)

Wat zal ik doen als ik weer eens, zoals in Leeuwarden of de Slangenburg voor de keuze zal komen te staan: meevieren of blijven zitten? Het eerste, denk ik. En dan is een leerhuisbijeenkomst als deze, zoals Wilken Veen, voorzitter van het tafelgesprek zei, ‘een voorfase tot gezamenlijk vieren.’ Laten we het daar op houden.


De Oude Kerkgemeente en het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie organiseert op dinsdag 16, 23 en 30 mei a.s. in de Van Limmikhof (Nieuwe Keizersgracht 1a te Amsterdam) een leerhuis o.d.t.
De maaltijd van de Heer met prof. dr. Rinse Reeling Brouwer (Protestantse Theologische Universiteit), één van de tien deelnemers aan wat een tafelgesprek had moeten worden.

Groeien in, en aan het leven

soren-kierkegaardkierkegaard-huis_bredgade-70-kopenhagen

Rob Compaijen, postdoctoraal onderzoeker aan de Protestantse Theologische Universiteit, hield gisteren een prachtige inleiding over ‘Het evangelie van het lijden’ in de boekpresentatie van de bij Damon verschenen Opbouwende toespraken in verschillende geest van Søren Kierkegaard (zie afb. links). Aan het eind memoreerde hij een ervaring die hij in Kopenhagen had die aardig in de buurt kwam van een soortgelijke ervaring die ik in dezelfde stad had.

Er zijn, volgens Compaijen, twee manieren waarom Kierkegaards gedachten over het lijden belangrijk en constructief kunnen zijn.

1.
De eerste is navolging van de thematiek van het lijden. Hierbij beriep de spreker zich op het moral explarism van de Amerikaanse filosofe Linda Zagzebski. Hierachter gaat het mechanisme van bewondering schuil. Beide (navolging en bewondering) zijn dus niet, zoals Paul van Tongeren – een andere spreker van deze middag in de Vrije Universiteit Amsterdam – later zei een tegenstelling.

2.
Het tweede is een persoonlijke en existentiële insteek. Compaijen vertelt dat hij in Kopenhagen onderzoek deed naar Kierkegaard en op straat werd geconfronteerd met ‘mensen die het minder getroffen hebben’ dan hij. Hij ervoer op dat moment dat zijn bewondering voor de Deense filosoof hem wegvoerde van waar het werkelijk om gaat. De duimschroeven werden aangedraaid, de teksten van Kierkegaard hadden een transformerende werking.

Ik heb iets soortgelijks ervaren, maar ben er misschien anders mee omgegaan. In 1995 bezocht ik Kopenhagen voor ’t eerst. Na, of op weg naar, dat weet ik niet meer precies, het huis van Kierkegaard (zie afb. rechts) ging ik op een bankje zitten met de kaart van de stad op schoot. Ik zag er zo van mijlen ver uit als een toerist pur sang. Een keurige Deense mijnheer, met aktetas in de hand, liep rakelings achter het bankje waarop ik zat langs, en fluisterde in het voorbijgaan in mijn oor: ‘Lady, walk through.’ Ik hoor het hem bij wijze van spreken nog zeggen. Ik heb niet eens om me heen gekeken, maar ben meteen opgestaan en doorgelopen. Waarschijnlijk waren een paar al dan niet dronkenlappen op mijn bezittingen uit en gebeurde dat op dit plekje vaker. Ik heb die actie van de Deen als een bijzondere daad van sociale controle, van burgerschap ervaren.

Ik weet niet wat Compaijen met de transformatie heeft gedaan, maar ik weet wel dat ik er misschien niets of weinig mee heb gedaan. Ik ben nog steeds lid van een gevestigd kerkgenootschap, was kerkrentmeester en geen diaken en deed geen vrijwilligerswerk in de Vluchtkerk, om maar wat te noemen. Zou zo de tweedeling in de samenleving, tussen mensen die het wel en niet getroffen hebben, mede ontstaan?

De spreker vroeg zich tot slot van zijn lezing af of de twee manieren die hij had besproken harmonieus naast elkaar vallen te plaatsen, en of ze elkaar wel verdragen? Hij kwam tot de conclusie dat je de teksten van Kierkegaard niet als een objectieve filosoof moet lezen en ze proberen in te zetten in het filosofisch debat. Volgens hem willen de teksten ons aanspreken, midden in de ervaring van het leven zelf en in navolging van Christus’ lijden. Je hoeft beide manieren niet van elkaar te scheiden, maar er moet ruimte zijn. Het gaat om toename van zelfkennis. Ethiek is een groei-idee. En dat is een les die ik me maar voorhoud: groeien in, en aan het leven, hoe onvolmaakt dat soms ook is.