Bij het overlijden van Nico Frijda

Nico FrijdaOp 11 april 2015 is op 87-jarige leeftijd de psycholoog Nico Frijda (afb.) overleden. Hij was niet alleen één van de meest geciteerde psychologen van ons land en grondlegger van het emotie-onderzoek, maar heeft ook invloed gehad op het werk van één van Nederlands meest gespeelde componisten: Chiel Meijering. Als in memoriam herplaats ik hier een gedeelte uit een artikel over Meijering dat in juni 2004 verscheen in Mens en Melodie.

Komt iemand met twee hoofden bij de koning. Of de koning ze wil splitsen. De koning vraagt niet naar een zwaard, maar om een emmer met heet water. Eén van de twee hoofden duwt hij onder water. Op het moment dat uit het andere hoofd een gil van pijn komt, zegt koning Salomo (want om hem gaat het hier): ‘Niks splitsen, ze horen bij elkaar.’

Ik moest hieraan denken bij het luisteren naar twee evenzeer heel verschillende composities van Chiel Meijering: Bats from Hell (2002) voor strijkkwartet en Infiltration M (2003) voor 3 harmonieorkesten. Eerstgenoemd stuk, waarvan de CD-opname door het Matangi Kwartet in Luister van januari 2004 een 10 kreeg, werd als dubbelslag in Mens en Melodie door Paul Janssen aldus omschreven: een ‘schitterend mysterieus Bats, een spookachtige nachtmuziek vol snerpend uitgewerkte dissonanten’, gevolgd door een From Hell waarin de ‘remmen volledig los gaan (…). Vooral dit tweede deel is een typisch Meijeringwerk’. En zo ontsnapte toch weer een gil aan één van de twee hoofden…

De componist heeft in een toelichting op één van zijn werken het ‘typische Chiel Meijering’-gehalte ook op een gelijkwaardige manier als tweeslag verwoord: ‘Virtuoos instrumentgebruik (…) gepaard aan lyriek in etherische passages.’ Maar toch wordt de nadruk veelal op het virtuoze en vitale karakter dat zijn muziek onmiskenbaar natuurlijk óók kent gelegd en minder op het ingetogen en meditatieve dat evengoed te bespeuren valt.

Het gaat soms zo ver dat, zoals tijdens de première van bovengenoemde compositie, het schitterend ingehouden Infiltration M tijdens het festival Musica Sacra Maastricht op 19 september 2003 sommige luisteraars dit werk als louter ‘een grappige remake van de film Fanfare (1958) van Bert Haanstra over rivaliserende fanfares in Giethoorn’ beschouwden. Dit omdat helaas één van de drie harmonieën bij de première ontbrak.

Nu zal Chiel Meijering zelf de laatste zijn om te ontkennen dat humor belangrijk voor hem is, ‘omdat ik mezelf als kunstenaar toch ook wel weer nuanceer en toch een hele echte Hollander ben met een katholieke vader en van huis uit protestantse moeder ook een merkwaardige mix van hard werken en uitbundige theatraliteit’; de ‘Existenzdialektik’ van Kierkegaard in een notendop!

Maar door de onevenredige aandacht die zowel het virtuoze aspect in Meijerings muziek als de – om een ander item te noemen – ‘opvallende titels met seksuele en anale toespelingen (19 centimeter uit 1981, of Gejaagd door ’n wind uit 1985)’ ten deel vallen, wordt – met dank aan de filosoof Wilhelm Schmidt, auteur van Filosofie van de levenskunst (2001) – mijns inziens maar al te gauw vergeten dat seksualiteit een onderdeel van de totale lustbeleving vormt; muziek staat, zowel in intellectuele als emotionele zin garant voor een intensere ervaring. En ook dit zal Chiel Meijering niet ontkennen, beïnvloed als hij is door een boek als De emoties van Nico Frijda. Zijn nagedachtenis zij tot zegen.

Alfred Schnittke

SchnittkeHans Haffmans vraagt zich in het tijdschrift Luister (oktober/november 2014) af, of Alfred Schnittke (zie afb.) nog wel wordt gespeeld. En moet aan het eind bekennen dat dit gelukkig nog steeds het geval is. Er zijn niet alleen verschillende nieuwe compact discs met zijn werk verschenen, maar vanavond spelen pianist Ralph van Raat en Sinfonia Rotterdam onder leiding van Ilmar Lapinsch Schnittkes Concert voor piano en strijkinstrumenten in het Amsterdamse Concertgebouw. Ter gelegenheid van de al dan niet hernieuwde belangstelling voor Schnittke, herplaats ik hier een deel uit een hoofdstuk uit mijn boekje Dialoog in muziek.

In het werk van Schnittke dat aan het eind van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig van de vorige eeuw ontstond, valt een affiniteit met de Russisch-orthodoxe kerkmuziek op. Dit blijkt onder andere uit het Vioolconcert nr. 3 en het Strijkkwartet nr. 2. Schnittke heeft overwogen zijn derde vioolconcert de titel ‘Canticum Canticorum’ (Hooglied) te geven, daarmee verwijzend naar de koraalachtige intonaties die herinneren aan de Russisch-orthodoxe kerkmuziek, zonder dat het – net als in het Konzert für Chor – letterlijke citaten zijn.

Dat laatste is echter wel het geval in het tweede strijkkwartet (1981), dat is opgedragen ter nagedachtenis aan de filmregisseur Larissa Schepitko. Al is het op een tamelijk vrije manier gedaan: diatonische thema’s uit de 16de en 17de-eeuwse liturgie werden chromatisch, hun intervallen werden vergroot of verkleind.

In de Symfonie nr. 4 (1988) balt Schnittke de erfenis van de Russisch-orthodoxe kerkmuziek samen met joodse, rooms-katholieke en lutherse kerkmuzikale gestrengheid. Hij wil hiermee enerzijds wijzen op de gemeenschappelijke joodse oorsprong van de tradities, en anderzijds op zijn eigen afkomst en overgang naar het rooms-katholicisme in 1983. In het slotkoor valt alles samen. Dit slotkoor eindigt in een schijn-vrede, met gebeier van klokken en een van dissonanten ontdane zetting van het ‘Aver Maria’, dat het basisthema van het hele werk is.

De Symfonie nr. 1, die ontstond na de Russische inval in het voormalige Tsjechoslowakije, is een uitdrukking van de lutherse opvatting dat wat de muziek wil zeggen, geschiedt in het hier-en-nu. De objectiviteit van de lutherse kerkmuziek komt duidelijk naar voren in de werken die Schnittke na de dood van zijn moeder heeft geschreven. Toch wordt hij niet gezien als een joods of christelijk componist, maar als een ‘polystilist’, en wel een die hoopte op een betere samenleving van joden en christenen.