De lege ruimte

Afgelopen zondag werd in veel kerken ongetwijfeld Jesaja 35:1-10 gelezen, over de woestijn die zich zal verheugen, de dorre vlakte die vrolijk zal zijn en de wildernis die zal jubelen en bloeien. Een tekst die, zoals ds. Jessa van der Vaart in de Amsterdamse Oude Kerk zei, toont ‘hoe de wereld is bedoeld.’

’s Middags bezocht ik het festival ‘De verhalenvertellers’ van Filosofie Magazine in de Amsterdamse Tolhuistuin. Eén van de lezingen die ik bijwoonde, werd gegeven door de hoofdredacteur hiervan, Leon Heuts, bij wie ik in 2014 een filosofieweek bij de ISVW in Leusden volgde (zie elders op deze website).
Hij hield een mooie inleiding over de begrippen ‘logos’ en ‘mythos.’ Zoekend en tastend nam hij ons mee naar een vergezicht als in Jesaja. Hij noemde dit de ‘lege ruimte’ en nam als voorbeeld wat volgens de Amerikaanse filosofe Susan Neiman de bemiddeling is tussen hoe de wereld is en hoe die zou moeten zijn met de woorden van Angela Merkel: ‘Wir schaffen das!’, later in de middag aangevuld met ‘Yes we can!’ van Barack Obama.

Voor mijn geestesoog verschenen twee fresco’s van Ambrogio Lorenzetti (ca. 1290-1348) in het Palazzo Pubblico in Siena die een uitweg bieden tussen ‘logos’ en ‘mythos’, die tonen hoe de wereld is en bedoeld is, die kunnen bemiddelen tussen filosofie en verhaal:

Aan de ene kant is een slecht bestuur dat tot kwaad leidt verbeeld: crudelitas (wreedheid), proditio (verraad), frous (bedrog), furor (woede), divisio (verdeeldheid) en guerra (oorlog). In het midden staat het goede bestuur, die als het goed is een schild is voor de zwakken in de samenleving, met: pax (vrede), fortitudo (kracht), prudentia (behoedzaamheid), magnanimitas (ruimhartigheid), temperantia (gematigdheid) en justitia (justitia). En daarboven staan geloof, hoop en liefde.
Het tweede fresco van Lorenzetti  betekent tot op de dag van vandaag, met en zonder extra dimensie, een appèl dat tot navolging oproept.[2]

Op grond van het gehele kunstwerk kun je stellen dat de schilder de wereld afbeeldde hoe deze is én hoe deze zou moeten zijn. Dat laatste kan worden geoefend in het wat Heuts de ‘lege ruimte’ noemde en Theo Witvliet het ‘ lege midden’, de plaats (makom) waar de dialoog plaatsvindt en ratio en emotie een verbond aangaan. De plaats waar volgens de historicus Philipp Blom (1970), gepromoveerd op de dialogische denker Martin Buber en auteur van onder meer The wars within (Londen 2014), de hoop zetelt.[3]

[1] Zie: Marc-Alain Ouaknin, De 10 geboden (Vught 2016), waarin het begrip ‘interpretatie’ centraal staat.

[2] Voor mij mag hier de titel van een ander boek dialectisch worden ingevuld: Ab Harrewijn, Bijbel, Koran, Grondwet. Gesprekken over godsdienst en politiek (Amsterdam 2002). Vergelijk met een uitspraak in een college van Piet Jonkers, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Tilburg, ‘De vrijheidsopvatting van Hegel’ (Open Universiteit Nederland, 9 april 2011, Heerlen). En dus aangevuld met een mythische dimensie.

[3] “De leegte die wij hebben heet hoop”, Philipp Blom in een vraaggesprek met Paul Witteman (Buitenhof, 4 december 2016, NPO1).

‘Dan maak je maar zin!’

peter-henk-steenhuis_werk-verzettenchristien-brinkgreve_het-verlangen-naar-gezag

Op 30 november a.s. vindt bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden een René Gude-avond plaats. Hier wordt het boek Werk verZetten van Peter Henk Steenhuis gepresenteerd, waarin de auteur Gude’s ideeën over zingeving en werk onderzoekt. In de aanloop daarnaar interviewde Steenhuis voor dagblad Trouw de sociologe Christien Brinkgeve (25 november jl.), auteur van onder meer het boek Het verlangen naar gezag, die aan de Universiteit van Utrecht het gevoel kreeg ‘een afgedankte muntsoort te zijn.’ Veel van wat zij zegt is herkenbaar en omschrijf ik in deze blog over zingeving en werk onder de titel ‘Dan maak je maar zin!’, een uitspraak van René Gude.

‘Dat is toch wel zinvol’
Op een dag ontmoette ik bij mijn ouders hun wijkpredikant, ds. Th. C. Frederikse die als emeritus was neergestreken in Ermelo. Ik kende zijn boek Klare wijn, dat in 1967 als een rapport van de synode was verschenen, van mijn belijdeniscatechisatie in Amsterdam. Wij raakten aan de praat en ds. Frederikse vroeg wat ik voor mijn vak deed. Op mijn antwoord viel een doodse stilte, waarna hij uiteindelijk zei: ‘Dat is toch wel zinvol.’ Die stilte heeft lang en oorverdovend in mijn hoofd nageklonken.

In 2004 werd ik door iemand van de Oude Kerk in Amsterdam gevraagd om een praatje te houden over de vraag: ‘Waarom doe je dit werk eigenlijk?’ Op dat moment was ik afdelingshoofd bij wat toen Muziekgroep Nederland (MGN) heette. Ik hield een bevlogen praatje over moderne muziek en de essentiële waarde daarvan voor mensen van nu. Het paste ongetwijfeld in één of meer van de vier Z-ten van Gude: het zinnelijke, het zintuiglijke, het zinrijke en het zinvolle.

Hoe desastreus organisaties kunnen werken
Maar MGN was ook een voorbeeld van ‘hoe desastreus organisaties kunnen werken’, zoals Brinkgreve het tegen Steenhuis in algemene zin omschreef . ‘Er werd nauwelijks gekeken naar waar mensen goed in zijn’ was ook iets dat onder leiding van een interim-manager en diens opvolger ook voor MGN gold. Een interim-manager afkomstig van Berenschot en een opvolger die nu directeur is van wat zijn website noemt ‘hét adviesbureau voor bedrijfsvoeringsvraagstukken binnen het onderwijs.’

Muziekgroep Nederland werd een enkele directeur later Muziek Centrum Nederland (MCN), de zoveelste fusie in kunstenland die het OCW later mogelijk maakte om in één klap zo’n zeven instituten om zeep te helpen. Met echalons die waren gezakt (directeuren van de fusie-instellingen werden afdelingshoofd, afdelingshoofden senior medewerkers) en in mijn geval een afdelingshoofd dat niet bepaald – om Brinkgreve nogmaals aan te halen – ‘het gevoel gaf dat je leeft, dat je mag bestaan.’ In tegendeel. Brinkgreve moest thuis ‘eerst in een warm bad om weer tot leven te komen’, ik had een andere modus ontdekt, op weg náár het werk, maar de effecten bleven niet uit: hoge bloeddruk op die nooit meer weg is gegaan.

Staande blijven
Hoe blijf je dan staande? ‘Dankzij mijn opvoeding, dankzij mijn omgeving’ zegt Brinkgreve tegen Steenhuis. Dat gold voor mij ook, en met een ‘dubbelleven’ ernaast. Mijn werk aan de Muziekencyclopedie werd voor het afdelingshoofd – nu directeur van een kleine muziekinstelling waarvan de subsidie wordt gestopt – zonder enige vorm van communicatie daarover stop gezet, zonder dat letterlijk naar de inhoudelijke kwaliteit was gekeken van bijvoorbeeld een ‘entry’ over een orkest dat een afgekeurde door een gezaghebbend musicoloog zou kunnen vervangen. Dezelfde musicoloog waarvan een artikel over een al even gezaghebbend componist dat hij had geschreven voor het tijdschrift Mens en melodie was geweigerd. Enkele jaren later ontving diezelfde componist dat van mij met open armen. Het werd geplaatst in hetzelfde tijdschrift.
Zulke ervaringen houden je staande, want ‘wanneer je jezelf door de ogen van anderen gaat bekijken, begeef je je op een hellend vlak richting depressie.’ Die ogen van een ander kunnen echter ook helend werken. Dat gold voor Mens en melodie, maar in mijn geval ook voor mijn werk als secretaris en lid van de programmacommissie van de Nederlandse Vereniging van Muziekbibliotheken, Muziekarchieven en Documentatiecentra (NVMB) en – tot mijn chef daar een stokje voor stak – de International Association of Music Information Centres (IAMIC).

De vier Z-ten
Toch kan ik me een dag herinneren waarop ik, toen al bekend was dat MCN ten prooi was gevallen aan de kunst- en cultuurkaalslag die door Nederland waarde, met veel zin had gewerkt. Het was een rustige dag en ik zat met één collega op de werkkamer. Hij zat met zijn koptelefoon op te werken aan de Muziekencyclopedie, ik aan een zelfverzonnen klus waarvan ik op dat moment de waarde nog inzag. Een moment hebben we even pauze gehouden, toen vanuit de tuin een opmerkelijk vogelgezang de kamer binnendrong. We ondernamen een korte zoektocht over het web om te achterhalen welke vogel dit zou kunnen zijn. Toen gingen we allebei weer aan ’t werk. Een zeldzaam moment, een zeldzame dag waarop de vier Z-ten in volle harmonie over me kwamen.

Dát is wat René Gude, dat is wat Christien Brinkgreve werknemers gunt en waar nog zo weinig van terecht komt. Het is wachten op een vraag als: ‘Waarom doe je dit werk eigenlijk?’ En dan door je chef: ‘Hoe ervaar jij je werk? Wat heb jij nodig om goed te functioneren?’, aldus Brinkgreve. Daarvoor is een omslag nodig. Dan kunnen, volgens deze sociologe ‘de vier betekenissen van zin een waardevolle aanvulling zijn in het denken over depressie, burn-out.’ En hoge bloeddruk.

Het machtig voorjaar
Voor mij betekende de vogel die in de stadstuin in de Amsterdamse grachtengordel zong

… het machtig voorjaar dat alles weer in bloei dreef
(Pieter Boskma)

De vier Z-ten kan ik nu ten volle op laten bloeien in het vrijwilligerswerk dat ik doe, net als de vogels

wellicht voor hun schepper, wellicht voor de mens.

En niet in de laatste plaats voor mezelf. In vrijheid.

Naschrift
Of ik hier al aan toe gekomen ben, weet ik niet – maar het is wél een mooie les, ook voor iedereen die in situaties als hiervoor beschreven: ‘Humor helpt ons aan een uitweg wat uit tot op het laatste ogenblik een onmogelijke situatie leek te zijn. We kunnen uitstijgen boven iets of iemand waar we om kunnen lachen. Humor houdt in onmenselijke omstandigheden de menselijkheid hoog. Humor is een manier om de macht te breken van angsten die ons anders gevangen zouden houden. Humor is op zijn eigen wijze een van de hoogste uitdrukkingen van menselijke vrijheid (…): vrijheid als het vermogen onze situatie opnieuw te definiëren. Wie om het noodlot kan lachen, bevrijdt het van tragiek. Iemand die de interpretatie die de vijand van bepaalde feiten geeft verwerpt, kan niet tot slachtoffer worden gemaakt. In psychologische zin blijft hij of zij vrij. Humor is het broertje of zusje van de hoop’ (Jonathan Sachs, Een gebroken wereld heel maken, p. 221).

Piet Steenbakkers en Spinoza

spinoza_in_muziekHet is een knappe, retorische truc: zeggen dat je geen oordeel kunt en gaat geven op het bijzonder hoogleraarschap Spinozastudies van Piet Steenbakkers, vanwege het bereiken van diens pensioengerechtigde leeftijd, en het en passant toch min of meer wel doen. Stan Verdult deed het in een blog op zijn website (http://spinoza.blogse.nl/log/het-bijzonder-hoogleraarschap-spinozastudies-van-piet-steenbakkers-komt-ten-einde.html).

Wat ik wil doen is evenmin een oordeel vellen over de vruchten van dit bijzondere hoogleraarschap, en twaalf jaar gewoon hoogleraarschap aan de Universiteit Utrecht, want op het universitaire werk van Steenbakkers en zijn postdoc-medewerkers heb ik geen kijk. Wat ik wél wil doen, is nagaan welk beeld van Spinoza ik dank zij Steenbakkers met name binnen de Vereniging Het Spinozahuis, waarvan ik lid ben, heb opgebouwd.

Korte Verhandeling
Als ik mijn aantekeningen mag geloven, heb ik hem op 19 februari 2005 voor het eerst bij de Vereniging gehoord. In een inleiding over ‘De verschillen tussen de Korte Verhandeling van God, de Mensch en dezelve Welstand en de Ethica.
Steenbakkers vroeg zich onder meer af waarom Spinoza de naam ‘God’ bleef gebruiken in plaats van ‘Natuur.’ En hij gaf het volgende antwoord: Misschien omdat de denker eerst door de studie van het jodendom en het schrijven van de Tractatus Theologico-Politicus (TTP) moest gaan, alvorens hij de Ethica kon schrijven. Spinoza had volgens hem geen probleem met God, maar met de predikanten uit die tijd die het hadden over een wrekende God.

Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk
Een jaar later legde Steenbakkers tijdens een zomercursus van de Internationale School van Wijsbegeerte (ISVW) en de Vereniging in Leusden onder de titel ‘Spinoza’s weg naar wijsheid en geluk’ diens kenleer uit.
Hij ging toen nog een stapje verder dan het jaar daarvoor, en meende dat Spinoza de Naam van God in de Ethica nodig had vanwege de affectenleer. Hij bracht ook een nuancering aan bij de opvatting van diegenen die menen dat Spinoza in het vijfde deel van dit boek de deur open zou hebben gezet naar het idee van onsterfelijkheid van de ziel. Hij zag het eerder als een opgaan in een soort Al-geest, een collectief denken. Dat is iets anders dan de hemel, maar een verrijking van de mens(heid) door de twee attributen van God: denken en uitgebreidheid.

Recente ontwikkelingen
Tijdens de herdenking van de 375ste geboortedag van Spinoza, weer een jaar later, in de Mozes en Aäronkerk in Amsterdam, spon Steenbakkers weer verder aan deze draad. Hij sprak over recente ontwikkelingen in het Spinoza-onderzoek, en noemde drie punten:
1. De nog nauwelijks onderzochte Bijbelkritiek van Spinoza
2. De meer onderzochte, hiervoor al genoemde affectenleer (Nico Frijda, Damasio)
3. Het onderzoek van Moreau.

De briefwisseling
Ik sla een paar jaar over, omdat ik niets in mijn aantekeningen over Steenbakkers terugvind, en kom uit bij diens inleiding over ‘Filosofische thema’s in de briefwisseling’ die hij in 2013 voor de Vereniging hield.
Steenbakkers stelt dat een belangrijk thema hierin het meningsverschil tussen Spinoza en enkele theologen uit die tijd over de hiervoor reeds genoemde attributen van God is. Spinoza beperkte deze tot denken en uitgebreidheid. De rest beschouwt hij als modi van God (Eeuwigheid, Alwetendheid enz.). Steenbakkers ziet een overeenkomst in de manier waarop Spinoza over het jodendom en het christendom denkt, en die is gelegen in de liefde. In november 2009 had Steenbakkers dit onderwerp, ‘Spinoza en de liefde’, al aangesneden tijdens een studiedag van de Amsterdamse Spinoza Kring. [1]

Democratie
We spinnen verder. Tijdens Steenbakkers inleiding over ‘Democratie’, het elfde hoofdstuk uit Spinoza’s Tractatus Politicus, mei 2014 en ook weer voor de Vereniging, heeft hij het wederom over collectief denken, net als in Leusden. Hij erkent dat dit beperkingen heeft, en dat God geen geest heeft (antropomorf). Steenbakkers ging ook nu in op recent onderzoek, onder andere op een boek van Martin Saar: Die Immanenz der Macht. Politische Theorie nach Spinoza (Berlijn 2013).
Ik zat in een gespreksgroep die traditiegetrouw na de inleidingen en de pauze samenkomt. Piet Steenbakkers was dit keer de gespreksleider. Ik was ook hier weer geraakt door zijn kennis van de joodse achtergrond van Spinoza’s denken. De opmerking ‘Maar hierover genoeg’, die je in Spinoza’s werk tegenkomt, staat volgens Steenbakkers op één lijn met de ruimte die Farizeeën in hun tekstcommentaren open laten als ze een inconsistentie tegenkwamen.

TTP
Tijdens Steenbakkers’ inleiding voor de Vereniging in 2016 ‘Over het politiek aspect’  in Spinoza’s TTP, merkte ik om te beginnen op dat het interessant is, dat Spinoza het in zijn Ethica zowel over vrijheid als determinisme heeft. Kenners en liefhebbers van de Talmoed zullen dit herkennen als een kenmerkend aspect binnen het Talmoedische denken.
Ook Steenbakkers ziet beide, vrijheid en determinisme, niet los van elkaar en erkent moeite te hebben met een artikel als Free men van Steven Nadler (in: Journal of the American Philosophical Association, januari 2015). Nadler betoogt, in tegenstelling tot gangbare interpretaties, dat de mens wordt geleid door de rede.

Symposium en afscheidsrede
Zowel  Nadler als de eerder genoemde Pierre-François Moreau spraken tijdens het symposium ‘Spinoza research: to be continued’, gisteren in Utrecht. Dit werd afgesloten met een openbare lezing door Piet Steenbakkers, ‘Spinoza, de legende voorbij.’ Hiertoe beperk ik mij tot slot van deze blog.
Meteen al in zijn inleiding tot deze lezing, sprak Steenbakkers de hoop uit dat er eens een solide, omvattende monografie over Spinoza’s kenleer komt. Hij ziet dit eerder in deze blog genoemde epistemologie als het centrum van Spinoza’s filosofische systeem: vrijheid door kennis.[2]
Ook het eerder genoemde gegeven dat Spinoza als atheïst wordt bestempeld en Steenbakkers’ opvatting dat Spinoza God niet ziet als wreker (en hier toegevoegd: als schepper) die in een mensenleven ingrijpt. Wat, aldus Steenbakkers, op zich voor zijn tijdgenoten al genoeg was om hem van atheïsme en immoraliteit te beschuldigen.
Prachtig hoe de draad steeds verder werd gesponnen en genuanceerd binnen het denken van iemand die vanaf 1977, toen hij nog student was, interesse opvatte voor Benedict de Spinoza.

[1] http://amsterdamsespinozakring.nl/images/stories/pdf/lezing_steenbakkers_spinozadag_22-11-2009.pdf

[2] De tekst van deze openbare lezing, en alle tijdens het symposium uitgesproken lezingen, zijn in het Engels uitgegeven door de Uitgeverij Spinozahuis: Spinoza research: to be continued (ISBN 978 94 90250 21 8). Waar ik naar verwijs zijn gedeelten op p. 10 (bovenaan) en 14 (voetnoot 14).

Bij het overlijden van Pieter Steinz

Pieter SteinzAfgelopen maandag overleed op 52-jarige leeftijd redacteur, boekenliefhebber en oud-directeur van het Nederlands Letterenfonds Pieter Steinz (zie foto) aan ALS. Hieronder ter In Memoriam een iets aangepast artikel dat ik eerder over één van zijn 23 boeken schreef.

Pieter Steinz, recensent en chef Boeken van NRC Handelsblad, is bekend geworden door succesvolle boeken als Lezen &cetera en Het web van de wereldliteratuur. Samen met schrijver en gitarist Bertram Mourits schreef hij Luisteren &cetera: ‘het web van de  popmuziek in de jaren zeventig’.

Volgens hetzelfde beproefde recept: 25 klassiekers, ingeleid en ingebed in ‘platenwebben’ van (muzikale) invloeden en suggesties om verder te luisteren. En evenveel stukken over genres en onderwerpen.
De verbanden die worden gelegd, gaan vooral uit van muziekhistorische verwantschap. Zoals ik destijds de cd-uitgaven van NM Classics en Composers’ Voice voor de Vrienden Nederlandse muziek in een context plaatste: Voor als u van Händel houdt (Hellendaal), Voor als u van Ravel houdt (Escher), Voor als u van Schumann houdt (Verhulst) enz.
Het is aan de lezer/luisteraar inhoudelijke dwarsverbanden te leggen. En hoewel Bertram Mourits desgevraagd stelt bij de gelegde verbanden ‘meer op de muziek dan op de tekst te hebben gelet’, erkent hij dat ‘de twee natuurlijk soms wel samenhangen.’ Hij noemt dan twee voorbeelden. [i]

Muziek en …
Het eerste gaat een richting uit waarin docenten denken aan de tot dit jaar jaarlijks gegeven muziekweek van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, zoals Gerard van der Leeuw. Namelijk ‘muziek en …’.  In dit geval om te beginnen natuurlijk het voor de hand liggende ‘filosofie.’ Mourits mailt dan: ‘Een belangstelling voor filosofie [om daar bij te blijven, EvS] wordt [ook] gevonden bij “art rock”, “symfonische rock” of “progrock”.’ De laatste stroming komt door zijn conceptalbums, waarbij de nummers allemaal over eenzelfde thema gaan en samen vaak een verhaal vertellen, in de buurt van het concept van Mourits en Steinz. Zij gaan uit van ‘het idee dat een plaat een geheel is.’ Sterker nog: dat ‘elk liedje een essentieel onderdeel vormde van een nieuwe kunstvorm: het Album’ (p. 11).
Het tweede voorbeeld pakt, zoals Mourits in dezelfde e-mail stelt, anders uit: ‘Een fascinatie voor [bijvoorbeeld, vS] de dood is te vinden in de “murder ballads” van vroege countrymuzikanten, maar ook bij heavy metal of sombere new wavemuziek.’
Ik zet daar twee voorbeelden van inhoudelijke verwantschap met betrekking tot het thema dood naast.

Remember
Het eerste betreft de tentoonstelling Remember me in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem (MMKA, 21 november 2010 tot 16 oktober 2011). Door de cirkelvormige tentoonstellingsruimte kon de bezoeker als het ware een levenscyclus doorlopen. Er werd, alleen al in de naam van de tentoonstelling, onder meer verwezen naar de beroemde aria When I am laid in earth (Remember me …) uit de opera Dido and Aeneas van Henry Purcell.

En route
Het tweede voorbeeld haakt aan bij het concert En Route – Kamermuziek Thomas Adès in het kader van het Holland Festival op 18 juni 2011. Een concert dat werd samengesteld door (het stond (ter)echt op het programma) Hans Ferwerda; over een concept gesproken! Ook hier een levensweg die eindigde aan de Lethe (een doodsrivier) of met een ontluikende roos, in beide gevallen (Adès’ strijkkwartet Arcadiana en het 2e harpconcert, Through thorns van Per Norgard) gezet als een soort koraal. [ii]

In het tweede geval is dus niet alleen sprake van muziekhistorische of vormtechnische verwantschap (een koraal), maar ook van een inhoudelijke, net als in het eerste voorbeeld in Arnhem. Daarmee is het &tcetera uit de boektitels van Steinz c.s. ruimer opgevat.
Dat is interessant voor niet alleen museumcuratoren en muziekprogrammeurs (ArtEZ kent in Arnhem een master Muziekprogrammering), maar ook voor (muziek)bibliothecarissen als tegenwicht tegen het zogenaamde retail concept waarbij voornamelijk op (verkoop)trends wordt ingespeeld.
‘Eigenlijk,’ schrijft Mourits, ‘zijn de mogelijkheden eindeloos. En streeft iedere muziekliefhebber naar een eigen “luisteren &cetera” in zijn of haar collectie.’

Receptie
En in zijn/haar receptie. Daarvan geef ik tot slot een voorbeeld dat mij overkwam bij een Robeco Zomerconcert, op 31 juli 2011 in het Amsterdamse Concertgebouw. [iii] Het programmablad, geschreven door Marco Nakken, wees de weg door dit concert van het Deens strijkkwartet.

Fuga’s en canons bij Haydn (Strijkkwartet op. 64 nr. 5) en de Denen Hans Abrahamsen (Derde strijkkwartet) en Carl Nielsen (Strijkkwartet in F gr.t. op. 44), een – jawel! – koraal bij zowel Abrahamsen als Nielsen. Met overal herinneringen aan volksmuziek; Haydn stond er al bekend om, Abrahamsen maakt gebruik van flarden.
Die fuga’s, canons, koralen en volksmelodieën brengen je in een bepaalde mood. Niet in de laatste plaats door het slotstuk van het concert: een Scandinavische volkssuite, samengesteld en gearrangeerd door primarus Runge Tonsgaard Sorensen. En de toegift: een met uitzondering van de cellist staand gespeeld Zweeds koraal.

Het was alsof de musici de luisteraars een boodschap mee wilden geven, gelijk de eerste viool aan het begin van het eerste deel van het Strijkkwartet van Haydn: ‘Boven de op het land zwoegende boeren fladdert hoog in de lucht de kwinkelerende leeuwerik’ (Nakken). Iedereen mag zelf concluderen wat die boodschap kan zijn. Zoals ‘iedere muziekliefhebber streeft naar een eigen “luisteren &cetera”.’

Betekenisgeving
Op die manier met concerten, tentoonstellingen, collecties thuis en in de bibliotheek omgaan, zou wel eens het nieuwe concertproces, museumproces en het nieuwe bibliotheekproces kunnen zijn waar we zo naar op zoek zijn. Het nieuwe luisteren, kijken en lezen waarbij het om ‘betekenisgeving’ draait en niet louter om bezoekers- en/of uitleencijfers.
Dit gaat verder dan het ‘in the mood’ van Steinz en Mourits. Maar begint er wel mee. Alleen daarom al is het lezen van dit boek aanbevelenswaard. Om Steinz’ denken levend te houden.

Pieter Steinz en Bertram Mourits: Luisteren &cetera. Het web van popmuziek in  de jaren zeventig. Uitg. Contact (ISBN 978 90 254 36186). € 19,95

[i] In een e-mail aan mij, d.d. 21 juli 2011.

[ii] Zie in dit verband een artikel van Markus Rathey in I.A.H. Bulletin Nr. 33/2005, p. 241-254 o.d.t.: ‘The Chorale in the Concert Hall; Archeologie of a Paradigm Change.’

Herkenning

SpinozaHet was tijdens één van de studiebijeenkomsten van Het Spinozahuis, in het Spinozalyceum in Amsterdam. Na een inleiding kregen we gelegenheid om in kleine groepjes verder te praten. Ik zat in een groepje dat werd geleid door de inleider.
Het was voor mij op dat moment een topic, en ik vroeg het dan ook: mag je volgens de inzichten van Spinoza een mens instrumenteel gebruiken? Ik kan me herinneren dat de gespreksleider niets zei, maar alleen knikte. Blijmoedig knikte. Ik was er even door van mijn stuk gebracht, maar moet er nog vaak aan terugdenken. Omdat dit uiteindelijk op en top Spinoza is.

Dit drong tot mij door op een heel raar moment: toen ik op een ochtend de sleutel in het slot omdraaide, op weg naar mijn werk.
Ik had lopen peinzen over iemand die net als ik dezelfde kerk in Amsterdam bezocht (Spinoza had hier overigens, getuige uitlatingen aan zijn gelovige hospita, niets op tegen) en op een gegeven moment buiten Amsterdam was gaan wonen. Bij tijd en wijle bezocht ze nog haar oude kerk en trof ik haar. Na afloop vroeg ze me dan onder een kopje koffie in een restaurant de oren van het hoofd over alle ins en outs van die kerk – en vooral kerkgangers. Op een gegeven moment was ze weer terug in Amsterdam en op het honk. Op dat moment stopte ook het gezamenlijk koffiedrinken. Ik voelde me ‘gebruikt’ en dat zat me niet lekker. Hoe had ik zo dom kunnen zijn.
Maar terwijl ik die sleutel omdraaide, zette ik blijkbaar ook een knop in mijn hoofd om – of werd er een knop in mijn hersens omgezet, wie zal het zeggen: nee, ik was niet gebruikt maar een instrument geweest om haar pad terug richting kerk weer te effenen. En daar voelde ze zich nu blijkbaar weer helemaal op haar plek. Wat wil een mens nog meer.
Dank, Spinoza voor de gemoedsrust die over mij kwam! Dank ook inleider die mij op dit spoor had gezet.

Hoe valt de bron van die gemoedsrust, die me niet alleen overviel maar vooral ook bij me bleef, nu te verklaren?
Uit stelling 27 van het vijfde deel van Spinoza’s Ethica: ‘Uit de derde soort van kennis [intuïtie in de zin van Spinoza: intuïtief weten, doorschouwen] ontstaat de grootst mogelijke gemoedsrust. Bewijs: de opperste deugd is het kennen van God. Hoe meer de geest met dit soort kennis dingen kent, hoe groter deze deugd. Wanneer iemand dus de dingen met deze soort kennis kent, bereikt hij de hoogst mogelijke volmaaktheid en de grootst mogelijke gemoedsrust.’

Antonio Damasio bouwt zijn boek Het gelijk van Spinoza ook op richting dat vijfde, korte deel uit Spinoza’s Ethica.
Volgens een andere inleider tijdens een zomerweek over Spinoza in Leusden, mede georganiseerd door datzelfde Spinozahuis, maakt Damasio hiermee een – volgens haar zeer ongewenste – draai richting geloof, oftewel: de traditionele opvatting van wat dit volgens haar inhoudt (‘het geloof in een persoonlijke, transcendente God en een leven na de dood’, Piet Steenbakkers in een tekst waarop ik straks verder in zal gaan) en niet de modernere die ‘neer komt op het inzicht dat de gehoorzaamheid jegens God niets anders is dan liefde jegens de naaste’ (Steenbakkers).

Nog helemaal los van het feit of je hier nu wel of niets tegen in wilt brengen, gaat het bij geloven niet alleen om het kennen van en de liefde voor God (amor Dei intellectualis), maar is het als een Jacobsladder: niet alleen figuurlijk naar boven, maar ook de ladder af, naar beneden.

Ook dit inzicht overviel mij op een bepaald moment: toen ik op een avond aan tafel zat.
Ik had lopen piekeren over een collega die mij, als afdelingshoofd, tijdens een functioneringsgesprek, – een gesprek op gelijkwaardig niveau tussen de werkgever en de werknemer – had gezegd niet met mij overweg te kunnen maar verzuimde, ook na herhaald aandringen, de reden(en) ervan te noemen. Dat zat me niet lekker, want hier kon ik niets mee. Maar terwijl ik zat te eten, zette ik blijkbaar een knop in mijn hoofd om – of werd er een knop in mijn hersens omgezet, wie zal het zeggen: Nee, het gaat er niet om of zij mij kent of dat ik haar beter had moeten kennen, maar het gaat erom dat God mij kent en op het goede pad zet. Zoals in Psalm 139:

HEER, u kent mij, u doorgrondt mij,
u weet het als ik zit of sta,
u doorziet van verre mijn gedachten.

En er overviel mij wederom een gevoel van gemoedsrust, die bij me bleef. Of deze nu te verklaren was aan de hand van de Ethica of werd aangedragen door die Psalm? Wie zal het zeggen.

Ik denk zelf dat het een combinatie was: de één (Spinoza) ging in gesprek met de ander (de Bijbel). Mag je dat zo zeggen? Volgens de inleidster in Leusden zou dit ongetwijfeld uit den boze zijn. En daarin staat ze niet alleen.
En daarmee gooit ze volgens mij vorm en inhoud uit elkaar; Spinoza mag dan weliswaar uit de synagoge zijn gezet, en al dan niet afscheid van het joodse denken hebben genomen – het denken zat hoe je het wend of keert toch in zijn DNA, al was het maar een klein strengetje.

Een beetje deterministische opvatting? Maar dat was ook het eerste dat ik over Spinoza leerde. Uit een cursus van de Open Universiteit Nederland. Die tekst van de eerder genoemde Piet Steenbakkers is nu, in een bewerking, een korte cursus van de Open Universiteit: http://www.ou.nl/eCache/DEF/2/24/443.html

Het is de originele tekst die mij op het spoor van Spinoza zette: ik had op grond hiervan een haat liefde verhouding met Spinoza en toog naar Leusden, naar de eerste zomercursus die door Het Spinozahuis in samenwerking met de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) over hem werd georganiseerd. Om meer over hem te weten te komen. En over wat er zowel aan die haat als die liefde ten grondslag zou kunnen liggen.

Zo kwam ik ook meer te weten over mezelf. Of, zoals de eerder genoemde Spinozakenner Piet Steenbakkers zijn cursustekst voor de Open Universiteit besluit: ‘Het lot van filosofen van dit formaat is, dat ze als persoon verdwijnen achter hun werk. Een filosofie waaraan eenmaal het predikaat klassiek is verleend, gaat een eigen leven leiden en wordt in zekere zin het rechtmatig eigendom van de eeuwen erna. Wij lezen deze wijsgeren – hoe zouden we anders kunnen – vanuit het tijdsgewricht waarin wijzelf ons bevinden, met alle voor- en nadelen van dien: historische distantie biedt meer overzicht, maar minder herkenning.’

Blog n.a.v.: Spinoza: Ethica studiegroep – cursus van de Volksuniversiteit Amsterdam:
http://www.volksuniversiteitamsterdam.nl/cursussen.php?parent_id=4267&child_id=4384&course_id=10366

 

De inwoning van …

Suus SchellerTijdens een cursus bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, kwam jaren geleden tijdens de laatste sessie van docente Miriam van Reijen de aap uit de mouw: het behandelde boek, Het gelijk van Spinoza van Antonio Damasio moest het uiteindelijk ontgelden, omdat het lijkt of hij in het laatste hoofdstuk volgens Van Reijen de onsterfelijkheid bezingt.

 

 

Ik zeg met nadruk: lijkt, want dat zegt Damasio helemaal niet. Hij vraagt het individu, met Spinoza, ‘na te denken over zijn leven in het perspectief van de eeuwigheid – van God of Natuur – en niet zozeer in het perspectief van de onsterfelijkheid van het individu’ (p. 242).

Van Reijen heeft het later bij mij weer een beetje goed gemaakt, door uit te leggen wat Spinoza in het vijfde, korte en laatste deel van zijn Ethica waar ook Damasio op doelt, volgens haar eigenlijk bedoelt: wat wij wellicht nu collectief bewustzijn zouden noemen, waarin het denken van hen die ons zijn voorgegaan dóór blijft gaan en ons bezielt.

Dat denken over leven en dood in het perspectief van de eeuwigheid, deed onder meer ook Jürgen Moltmann in zijn boek In het einde ligt het begin. Op een bepaald moment lijkt hij te refereren aan Spinoza, maar hij geeft er toch een andere invulling aan: ‘”God zal zijn alles in allen” (I Kor. 15:28). Dat is het visioen van het rijk van God in zijn heerlijkheid. Het goddelijke en het wereldlijke worden niet vermengd. Het goddelijke gaat niet pantheïstisch [bij Spinoza panentheïstisch, vS] in alle dingen op, maar het goddelijke en het wereldlijke doordringen elkaar wederzijds: ongemengd en ongescheiden. Dat is het visioen van de inwoning van God in het hiernumaals’ (p. 164).

Het schoot gisteren door mij heen, toen ik een kort gesprek had met beeldend kunstenares Suus Scheller. Op haar website (http://www.suusscheller.com) vraagt zij zich af: ‘Een vriendin sterft. Waar is haar ziel nu? Boven haar geliefde boerenland van Noord-Holland?’ En ze schildert drie figuren, met een leeg gelaten, witte of een gele figuur in één ervan (zie afb.): de inwoning van God, van de ziel van haar vriendin? Wie het weet – en wie weet het – mag het zeggen. Maar te denken geeft het wel, en indrukwekkend is het.

Drieluik uit Leusden (II)

Redon_Art céleste1. Redon en Von Eichendorff
Er is een mooie litho van Odilon Redon: L’art céleste (1894, zie afb.), waarvan een afbeelding lang bij mij in de gang heeft gehangen. Links zeilt een engel met een vedel en een middeleeuwse banderol door de lucht. Rechts luistert een groot, haast transparant hoofd – zonder oren! – toe. Alles samen ademt ‘de glans van het transcendente’ (Peter Sloterdijk) en doet denken aan een gedicht van Joseph von Eichensdorff:

Es war, als hätt’ der Himmel
die Erde still geküsst.

2. De idioot
Op één of andere manier doen de litho en het gedicht mij denken aan De idioot van Dostojevsky, op de manier zoals dat boek de afgelopen week door Leon Heuts werd behandeld tijdens een studieweek bij de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden. De idioot is volgens dezelfde Peter Sloterdijk weliswaar een engel, maar dan zonder de glans van het transcendente. Het is ‘een groot kind, dat nooit geleerd heeft oog te hebben voor zijn eigen voordeel.’ Hij wil de hemel op aarde brengen, maar de wereld kan het niet accepteren.

Het grote kind heeft moeite om uit zijn woorden te komen. Het kan niet de juiste woorden vinden voor een zonsondergang, een grassprietje, ogen die je aankijken. Als hij, volgens Heuts, de woorden er wél voor zou hebben gehad, dan was hij een schuldig kind, zoals de hoofdpersoon in Die Blechtrommel van Günter Grass, die is opgehouden te spreken en alleen nog maar trommelt.

3. Wolfgang Rihm
Op de in de vorige ‘Drieluik’ genoemde cd met Lieder van de Duitse componist Wolfgang Rihm, staan twee composities die dit ‘literaire inzicht’ lijken te verklanken: Zwei Stücke für Gesang (stumm) und Klavier (2007) onder de titel ‘Wortlos’, en het ad libitum waarmee de componist zijn Wölfli-Liederbuch (1980-’81) afsluit: een duet voor twee grote trommen.

Wortlos is geen Lieder ohne Worte, maar bestaat uit twee aan Rihms vriend Peter Sloterdijk opgedragen korte stukken waarin de zanger zich een tekst van de filosoof te binnen moet zingen, moet internaliseren. Zoals Michael Kohlhaas in het gelijknamige boek van Von Kleist, dat Leon Heuts ook behandelde, op het eind een amulet inslikt. Of – om dichter bij huis te blijven – zoals de leden van het strijkkwartet in Luigi Nono’s Fragmente-Stille, an Diotima (1979-1980) een in de partituur opgenomen tekst van Hölderlin innerlijk moeten zingen. Welke tekst, is bij Rihm echter niet aangegeven. Maar ik kan me zomaar voorstellen, dat het de tekst over Dostojevsky uit Du mußt dein Leben ändern is.

Wölffi is, zoals bekend, een Zwitserse ‘idioot’ (1864-1930), die fascinerende tekeningen en teksten maakte. Maar op het eind van Rihms Wölffi-Liederbuch is hij, net als Dostojevsky’s idioot en de kop op de litho van Redon, sprakeloos. Over in-zicht gesproken …

http://www.youtube.com/watch?v=VxgBZy9naLg

Drieluik uit Leusden (I)

Els ter Horst1. Els ter Horst
In het hoofdgebouw van de Internationale School voor Wijsbegeerte (ISVW) te Leusden, hangt en ligt werk van de kunstenares Els ter Horst (tot juli 2015): tekeningen, snijwerken, boeken, collages en schilderijen. Mijn aandacht werd onder meer getrokken door het olieverfschilderij Zonder titel (2012, zie afb.): een tentoonstellingszaal waarin het licht, zoals op mystieke schilderijen van oude Vlaamse meesters, van links komt en een ruitpatroon op de vloer ‘legt.’ Vijf toeschouwers lopen er rond of kijken naar een Picasso-achtig werk aan de muur. Van twee mannen, en ook nog een onzichtbaar iets (een beeld?) is de schaduw op de grond te zien.

2. Het literaire inzicht
Tijdens een cursus over literatuur en filosofie die Leon Heuts afgelopen week in datzelfde Leusden gaf, werd de eerste dag het kader daarvan gegeven:
* van vanzelfsprekende orde (oude filosofie) naar contingentie (moderne filosofie)
* de positie van de vreemdeling krijgt extra aandacht, de op zichzelf teruggeworpene
* wat zich niet laat uitdrukken is het meest belangrijke. Of – vrij vertaald – wat zich bij Ter Horst niet laat zien, wat tussen de regels zit.

Voorbeelden van het laatste aandachtspunt (dat wat zich niet laat uitdrukken) is de katharsis in het Griekse toneel, opgevat als mystieke reiniging: buiten jezelf treden en medegevoel hebben, verbinding met de medemens ervaren. Bijvoorbeeld in een theaterzaal en – minder – een bioscoop.
Opeens kreeg ik het idee dat de Aristotelische opbouw vanuit een plan (de ruitvorm op de grond) en de Platoonse grot (de schaduwen) reiken naar de neoplatoonse metafoor (de lichtval). Alles komt in één keer binnen, valt op één moment samen.

3. Wolfgang Rihm
Ik heb een cd mee naar Leusden genomen, om voor het slapen gaan te draaien. Het is de wonderschone cd met Lieder van Wolfgang Rihm door bariton Holger Falk en pianist Steffen Schleiermacher (MDG 613 1848-2). De eerste avond draai ik het begin: de Lenz-Fragmente (1980). De tekst van het derde lied luidt:

Fühl alle Lust, fühl alle Pein
Zu lieben und geliebt zu sein.
So kannst du hier auf Erden
Schon ewig selig werden.

‘Selig werden’ klinkt als de schaduwen in de grot van Plato, ziet eruit als de schaduwen op het schilderij van Ter Horst: als een echo. Een schaduw, een echo van de overkant, buiten de grot en het schilderij. Een moment van eeuwigheid.

http://www.elsterhorst.nl
http://www.adkactuelekunst.nl/kunstenaars/elsterhorst.php
http://www.isvw.nl/activiteit/2014-314/
http://www.filosofie.nl/Artikelen/de-kracht-van-literatuur.html

In gesprek met Ida Gerhardt

koenen-gerhardt-2014-191x300In één van de recensies over het boek met een interview, brieven, gedichten en beschouwingen dat Maria de Groot verzamelde onder de titel In gesprek met Ida Gerhardt (2e druk 2003, uitg. Ten Have), schijnt te hebben gestaan, dat er geen sprake van kan zijn van een gesprek, omdat het hier grotendeels éénrichtingverkeer betrof; de brieven van Maria de Groot zijn bijvoorbeeld niet opgenomen. Het is kritiek die ik niet helemaal kan delen, en verwoordde in een artikel in Quadraatschrift (april 2003, p. 11), dat ik hier n.a.v. het verschijnen van de biografie Dwars tegen de keer van Mieke Koenen herplaats; Mieke Koenen komt daarin ook voor.


De brieven

Om te beginnen moet ik onwillekeurig denken aan de titel van het lange gedicht Twee uur: de klokken antwoordden elkaar, dat Ida Gerhardt in mei 1971 schreef. In dit gedicht gaat het op een gegeven moment over ‘de opdracht steeds gesteld: de dialoog’, het doordringen van de logos, dia-logos. Een dialoog die je ook zélf, zonder de brieven van Maria de Groot, met de gedichten van Ida Gerhardt en een boek als dit kunt aangaan. Waarbij wij ons, net als bij het lezen van Bijbelse brieven, goed moeten realiseren ‘dat het zeer riskant is de brieven van anderen te lezen. Wij zijn immers schrijver noch adressant, en staan er in zoverre bij én ernaast’ (Sytze de Vries in: Quadraatschrift, nov. 2002, p. 13).

Ook Ida Gerhardt heeft zich, in haar gedicht Brieven aan vrienden, op de gevaren van het lezen van brieven gewezen:

           Achter een woord verscholen
           leeft het geheime leven.
          Gij moet u daar niet begeven.

Alleen daarom al past bescheidenheid én dankbaarheid dat Maria de Groot ons heeft willen laten delen in zoveel persoonlijks. Dankbaarheid omdat zij dit wat er nu ligt aan de openbaarheid prijs gaf in de wetenschap dat voor haar het ‘in gesprek zijn met’ de sleutel is om Ida Gerhardts ‘werk te begrijpen’ (p. 8).

De Groot doet dit, met het accent op het vrouwelijke ‘ontvangende’ karakter van Gerhardts poëzie (p. 15), zoals dit voor haar onder andere blijkt uit het gedicht Dankzegging uit de bundel Buiten schot. Maar gelukkig zal zij de laatste zijn, om te ontkennen dat er ook andere leeswijzen mogelijk zijn (p. 17).

Mieke Koenen
Interessant is om in dit verband Maria de Groots interpretatie van het hiervoor genoemde gedicht Twee uur: de klokken antwoordden elkaar te vergelijken met die van Mieke Koenen, auteur van niet alleen Dwars tegen de keer, maar ook van het boek Stralend in gestrenge samenhang (Historische Uitgeverij Groningen). Koenen ontvouwde deze tijdens de cursus Ida Gerhardt en de klassieke filosofen van de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden (23 november 2002).

Waar bij Maria de Groot in het beeld van de verbranding van ‘een stijf omsnoerende stapel schriften’ herinneringen worden opgeroepen aan ‘de verbranding van boeken door het nazibewind en daarop volgend de verbranding van mensen in de holocaust, en in de 21ste eeuw de verbranding van dieren als gevolg van ziekten en een slecht beheer’ (p. 71), blijft Mieke Koenen mijns inziens dichter bij de tekst en zegt nadrukkelijk dat het hier niet om het verbranden van boeken gaat, maar van interpretaties. De brandstapel wordt immers ‘symbool van een regime’ genoemd waar het vertalen in versvoeten belangrijker is dan wat beide interpreten, De Groot en Koenen, als het centrale idee van het gedicht zien:

            eerbied voor elkaar,
            dit simpelste, nog altijd onbereikt.

Zelf lijkt Gerhardt dit wel te hebben bereikt ten aanzien van (gedichten van) Maria de Groot. In de in het boek opgenomen brieven geeft zij hier blijk van. Het is interessant om de gedichten van Maria de Groot die Gerhardt zich telkens weer door Marie van der Zeyde liet voorlezen, erop na te slaan en je af te vragen waarom juist deze gedichten hen raakten. Ook zó ontstaat een vorm van dialoog, tussen de brieven uit het boek en de gedichten van De Groot. De hoofdpersoon ben je dan, al lezend en reflecterend, zelf geworden.

 

War and Peace

Boeken_Tweede KamerHet gebeurde ’s middags, tijdens het deel ‘Peace’ van de lustrumconferentie ‘War and Peace’ van het Nexus Instituut, 20 september 2014 in Amsterdam. De Israëlische filosoof Avishai Margalit nam het woord. ‘Hij staat bekend om zijn evenwichtige analyses’, stond in het programmaboekje. En als medeoprichter van Peace Now.

Dat nam allemaal niet weg, dat de rest van het forum, toch ook geen kleine jongens en één vrouw, naar de tafel staarde en hem geen blik waardig keurde. Hij moet het gemerkt hebben, want hij zat aan het ronde uiteinde van de tafel. Ook in de zaal ontstond onrust. De mijnheer naast me begon zelfs hard te lachen, terwijl Margalit toch echt geen joodse mop vertelde. Hij had het over een invulling van het begrip ‘war’ met bijvoorbeeld ‘civil war,’ over vrede en recht, volgens hem geen ‘tweeling’ zoals – waar ik meteen aan moest denken – חסד ואמת (chesed we ‘emet, genade en waarheid). Michael Ignatieff viel hem fel aan, Hassan Mneimneh zag er een verschil in framing in. Ik kan er nog wel wat dagen op kauwen.

Zo ging het nog een poosje door, maar uiteindelijk vermanden de mannen zich, en vielen de lachers stil. En ik dacht met weemoed terug aan een bijeenkomst bij de Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden, waar Margalit door Arnon Grunberg werd geïnterviewd en na afloop alle tijd nam om handtekeningen te zetten. Veel handtekeningen.

Lila Azam Zanganeh viel tenslotte Rob Riemen, gespreksleider, voorzitter en oprichter-directeur van het Nexus Instituut bij die zei dat boeken het verschil kunnen maken. Ze dacht aan de Mémoires de Hadrien van Marguerite Yourcenar. Ze dacht aan Emmanuel Levinas, met zijn oproep om je door de ogen van de ander wat te laten ge-zeggen. ‘Dat gaat aan praten vooraf.’ Of, misschien zelfs aan luisteren.

Azam Zanganeh werd verweten niet met beide benen op de grond te staan. Ze ontkende dit, terecht, ten stelligste. En ik moest denken aan de steeds terugkerende discussie over het rijtje boeken op het bureau van de griffier in de Tweede Kamer (zie afb.): de koran, de bijbel, Spinoza. Boeken die ertoe doen. Maar laten we eerst de ander in de ogen kijken als hij spreekt, en luisteren naar wat hij te zeggen heeft.