‘Larmoyante kitsch’

Ik zag het niet aankomen, maar achteraf had ik zó kunnen uittekenen wat er gebeurde. Zeker na het essay van Maaike Meijer afgelopen zaterdag in Tijdgeest, de nieuwe weekendbijlage van dagblad Trouw.

Het gebeurde op dezelfde dag dat Louise Glück de Nobelprijs voor de literatuur won. Ik volgde ’s middags een college via ZOOM, toen iemand – het was kort daarvoor bekend gemaakt – meedeelde dat de Nobelprijswinnaar bekend was. ‘Nobelprijs’ snoefde de docent, dat was allemaal maar onzin en de beste schrijvers wonnen nooit. Hij noemde enkele namen van schrijvers die de prijs volgens hem ten onrechte hadden gewonnen; namen die ik in de gauwigheid niet heb opgeslagen. ‘Heeft iemand wel eens van haar gehoord?’ was zijn vraag. ‘Nee’, antwoordde ik, ‘maar het is wél mooie poëzie’, want wat ik tussen de bekendmaking en het begin van het college van haar in gauwigheid even had gelezen vond ik mooi. Al weet ik ook wel dat als je zoiets zegt, dat je dit eigenlijk moet onderbouwen. Zoiets als: ‘Sombere emoties beschrijft ze op een koele, heldere, soms bijna luchtige toon, waarbij ze afstand neemt van wat anders misschien ondraaglijk zou zijn’, zoals Julie Phillips in Trouw van vrijdag 9 oktober jl. schreef. In NRC Handelsblad stonden soortgelijke woorden, over een dichter die eerder wil analyseren dan emotioneren. Wat ik in de gauwigheid had gelezen, waren enkele vertalingen die Erik Menkveld van een paar gedichten had gemaakt. Ze werden deels ook in dat artikel van Phillips geciteerd.

Maar er was iemand mij te vlug af en die begon in het Engels een strofe voor te lezen. De docent vond niet dat ze uitnodigden om méér van haar te gaan lezen. Ook in het befaamde televisieprogramma Das Literarische Quartett schijnt haar poëzie, als ik een tweet mag geloven, afgedaan te zijn als ‘kitsch’. Daar zit je dan met je goede gedrag. Bah.

Dit voorval past helemaal in wat Maaike Meijer in haar bovengenoemde essay onder de titel ‘De eeuwige prijzenkloof’ schreef. Nee, het gaat niet over de Nobelprijs en toch ook weer wel. Ze komt met andere voorbeelden. Onder meer Sander Kollaard, die met zijn Uit het leven van een hond afgelopen juni de Libris Literatuurprijs won, boven wat te verwachten was Manon Uphoff met haar Vallen is als vliegen.
Even verderop schrijft Meijer, over de ‘dubbele kritische moraal in de reacties op autobiografische teksten die de rouw om een gestorven kind of geliefde thematiseren. Die werden prachtig gevonden als P.F. Thomése of A.F.Th. van der Heijden ze geschreven hadden, maar gelabeld als larmoyante kitsch [vet, EvS] als er Anna Enquist of Connie Palmen op stond. Het cliché ligt kortom nog altijd klaar in ons culturele DNA’.

Dat bleek ook maar weer tijdens de ZOOM-cursus afgelopen week. En toch ben ik nog steeds nieuwsgierig naar het werk van Louise Glück. Volgens haarzelf zou je het beste kunnen beginnen met Averno. Ik denk alleen niet dat er een ZOOM-cursus over komt …

Link naar het genoemde artikel van Maaike Meijer: https://www.trouw.nl/cultuur-media/schrijven-vrouwen-nu-echt-slechter-dan-mannen~b022ed7d/?referrer=https%3A%2F%2Fwww.bing.com%2F

Zie ook: https://www.groene.nl/artikel/alles-wat-ze-aanraakt-verandert-in-muziek-en-legende

De imperfectie van deze Pièta in Rome

In Trouw van donderdag 15 augustus jl. schreef Naema Tahir een column onder de kop ‘De perfectie van deze David in Florence’. Ik antwoord met een blog over de imperfectie van de Pièta in Rome. 

Tahir beschrijft hoe ze kijkt naar de David van Michelangelo in de Galleria dell’ Accademia in Florence. Ze vertelt dat deze David is gemaakt tussen 1501-1504. Ze is er stil van, ‘zoals ik dat zelden ben van een kunstobject’. En ze probeert dit in woorden te vangen, een week lang, en pas uiteindelijk is ze ‘in staat (…) om op te schrijven wat de David met me heeft gedaan’.

Ik herken het, van een mannenkop in een museum in Oslo waar ik opeens voor stond. Nee, niet van Michelangelo, maar van Donatello. Volgend jaar zomer hoop ik hem weer te kunnen ontmoeten. De kop maakte een verpletterende indruk. Ik heb er geen foto van gemaakt, toen, want ik had toen althans hetzelfde als Tahir: ‘Liever dan foto’s maken van de bezienswaardigheden die ik als toerist bezoek, sla ik al dat moois op in mijn herinnering’.

Toen ik deze Donatello zag, had ik slechts één Michelangelo gezien. In de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Brugge. Een Madonna met kind. Eigenwijs als ik ben, vond ik de Donatello véél mooier dan dit beeld in Brugge waarvan ik zo gezegd kennis had genomen omdat de naam van de grote beeldhouwer eraan verbonden was.
Ik kan het zo in woorden vangen: de Madonna was mij te gelikt, té mooi, de mannenkop van Donatello was die van een oude man, doorleefd en verre van wat je in de gangbare betekenis van het woord ‘mooi’ zou kunnen noemen. Het was anders mooi. Ik zweerde bij Donatello.

Tot ik opeens voor de Pièta (1498-1499) in de Sint Pieter in Rome stond en moest erkennen dat ik het niet helemaal bij het rechte eind had. Misschien was Michelangelo toch een groter beeldhouwer dan Donatello. Volgens Tahir hoef je, ‘als je de David hebt gezien, geen andere sculptuur te zien’. Misschien, maar Donatello pakken ze toch niet van me af.

Sterker nog – die oude mannenkop en de Pièta hebben zelfs iets gemeen: de emotie die ervan af straalt, die je als toeschouwer ervaart. Die emotie is precies het omgekeerde van wat Tahir in de David in Florence zo mooi vond: die is perfect, en dat is de Pièta niet. Voor haar school de schoonheid van de David in diens perfectie, voor mij school de schoonheid van de Pièta in diens imperfectie, voor zover je daarvan kunt spreken.

Natuurlijk, de Pièta kent draaiingen die niet kunnen, maar daar gaat het mij niet om. Het gaat mij als gezegd om de emotie die Maria uitdrukt, in tegenstelling tot de serene Madonna in Brugge. Maria houdt haar linkerhand iets naar buiten gekeerd omhoog. Ze ondersteunt er Jezus niet mee, dat doen haar knieën en rechterhand. Ze trekt met dat ene gebaar de toeschouwer in het verhaal. Het heeft iets vragends, in tegenstelling tot het meer stellige in Brugge.

Het is géén poging – ik citeer Tahir, die er uiteindelijk woorden voor vond – ‘om het ideaal te vangen, weer te geven, de mens uit te dagen om perfectie te benaderen, ernaar te zoeken en je best te doen. Zo verhef je jezelf boven het alledaagse’. Nee, het is een manier om de mens uit te dagen je in te leven, empathie te hebben. Zo blijf je met beide benen op aarde, bij je naaste in nood.

Dat vertelde mij de Pièta, en ja ook die oude mannenkop van Donatello in Oslo.

Halve waarheden

De leader bij het interview dat Joël De Ceulaer had met de Franse cognitief wetenschapper Hugo Mercier (in: De Morgen, 23 februari 2020, zie foto) komt op mij vreemd over: ‘De meeste Duitsers’, citeert de krant Mercier, ‘hadden een afkeer van nazipropaganda’. Mijn haren gingen overeind staan: en van de daden die daaruit volgden dan? Hoe zit het daarmee?[1]

Ook in de tekst zelf stopt hij bij de geciteerde uitspraak, die zelfs de kop boven het interview werd. Dat is vreemd, voor een pragmaticus, waarvan Bert Keizer (in: Trouw, 10 juli j.l.) zo’n rake definitie gaf: ‘Zij willen het geloof in een waarheid onmiddellijk koppelen aan wat het uitmaakt in je handelen’. Het Angelsaksische pragmatisme heeft immers, door toedoen van onder anderen Bruno Latour, ook in Frankrijk wortel geschoten.

Ook op een andere plaats in het interview laat Mercier dit half na. Hij stelt dat, ‘als je wil weten waar het antisemitisme het felst was tijdens de jaren dertig, je moet kijken naar de regio’s waar in de veertiende eeuw de meeste pogroms plaatsvonden’.
Pragmatisme met terugwerkende kracht, zou je kunnen zeggen. Maar hoe verklaart hij dan dat in een land als Nederland, waar geen pogroms hebben plaatsgevonden, relatief veel joden zijn weggevoerd? Temeer daar hij niets moet hebben van het narratief ‘dat mensen gehoorzaam’ zijn.

Natuurlijk, er zitten ook rake observaties in dit interview. Bijvoorbeeld over het verschil ‘tussen intuïtief in iets geloven, en reflectief in iets geloven’. Het eerste heeft invloed op je gedrag, het tweede niet.
Een raak voorbeeld daarvan geeft Hasan Nuhanovic in zowel zijn boek Briefkaarten uit het graf als in zijn recente De tolk van Srebenica. Gebrek aan kennis, meent hij, leidt tot wat hij gevoelsmatige oordelen noemt en dien ten gevolge tot geen actie ondernemen. Dat geldt niet alleen voor de Verenigde Naties, maar ook voor Frankrijk, Groot-Brittannië en de Verenigde Staten, die Dutchbat in de kou lieten staan.

Niet dat niet tot actie overgaan, hoe kwalijk ook, uiteindelijk altijd verkeerd hoeft uit te pakken. De Belgisch-Rwandese politicoloog Olivia Rutazibwa geeft in een interview met Warda El-Kaddouri (in: De Groene Amsterdammer, 9 juli j.l.) een voorbeeld: ‘Tijdens de genocide in 1994 greep de internationale gemeenschap niet in, waardoor het land een sterk gevoel van zelfredzaamheid heeft ontwikkeld. Rwanda aanvaardt nog hulp, maar ze bepalen zelf de voorwaarden. Dat creëert een ander soort machtsdynamiek.’

Of, zoals de Zuid-Afrikaanse schrijver en wetenschapper Panashe Chigumadzi in een interview met Claire Gargard (in: Wordt vervolgd, juli/augustus 2020) zegt: ‘De primaire rol van het Westen zou moeten zijn om het gesprek over het verleden aan te gaan en herstelbetalingen te doen daarvoor. Zij besluit met: ‘Afrika is niet alleen de toekomst voor mij. Ze is het verleden, het heden én de toekomst.’

Als we zo de helft van het pragmatische verhaal van Hugo Mercier – althans in het aangehaalde interview – mogen aanvullen, dan weer richting verleden, dan weer in het heden, maar altijd met het oog op een hoopvolle toekomst (wat hebben we ervan geleerd?), dan is het goed; dan zijn het geen halve waarheden meer.

Link naar het interview met Hugo Mercier: https://www.demorgen.be/nieuws/de-meeste-duitsers-hadden-een-afkeer-van-de-nazipropaganda-cognitief-wetenschapper-hugo-mercier~b0f1fc32/

[1] Gerko Tempelman wees op dit interview in het kader van de cursus ‘Fake-nieuws en de feiten’ van HOVO Amsterdam (juni-juli 2020 via ZOOM).
Foto van Hugo Mercier afkomstig van diens website.

Kerk en nieuwe wereld

Boven de rouwkaart en –advertentie stond een vers uit Lied 947 uit het Liedboek voor de kerken:

Wanneer mijn hart vaarwel moet zeggen
en loslaat wat het leven bood,
kom, Geest, uw zegen op mij leggen,
verzeker mij, Gods trouw blijft groot.

Het is een mooi vers, van Jochen Klepper in de vertaling van Sytze de Vries, en zonder meer geschikt als tekst bij een overlijden. In dit geval van Christina Maria Warners (1935-2020), voor haar neven en nichten ‘tante Chris’, voor mij Christien. Nadat ze begin juni in het ziekenhuis was opgenomen, is ze na een kort ziekbed op 26 juni jl. thuis, in Ouderkerk aan de Amstel overleden.
Het is ook een tekenend vers voor waar Christien voor stond – in de voetsporen van God trouw en betrouwbaar zijn.

Zo heb ik haar ten voeten uit leren kennen. Het begon ermee dat ik haar, als lid van de kerkenraadscommissie Tenach & Evangelie, wat op afstand, leerde kennen als voorzitter van het Centrum voor Leren en Vieren (CLV) van de Protestantse Kerk Amsterdam, waar de kerkenraadscommissie onderdeel van uit maakte. Zij was ambtsdrager van een van de andere vier kerken, de Amstelkerk en volgde de cursussen van Groot Zuid, ook onderdeel van het CLV.

Die trouw heb ik ten volle ervaren toen ze, nadat ik na een operatie aan het bijkomen was in een herstellingsoord in Hilversum, opeens op bezoek kwam. Ze was toen al geen voorzitter meer, maar daar stond ze zomaar, gewoon zoals ze was, belangstellend en betrokken. Vanuit Ouderkerk aan de Amstel naar Hilversum gereden om mij een hart onder de riem te steken. Ik zie haar nog zitten.

Het was niet de laatste keer dat we elkaar ontmoetten. Nadat het CLV was opgeheven en de cursussen van Groot Zuid waren opgegaan in het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE), kwamen we elkaar met grote regelmaat tegen tijdens de leerhuisochtenden op zaterdagmorgen in de Thomaskerk. We zaten altijd naast elkaar en keken elkaar betekenisvol aan als er weer eens een man met al dan niet krakende of zich verheffende stem het woord nam. Niet om een vraag te stellen, maar een statement te maken of kennis te etaleren. Hier was het Christien niet om begonnen, maar om – zoals Wouter van den Berg tijdens een toespraak tijdens de dankdienst in de Muiderkerk zei – ‘in gezelschap met iedereen contact te maken’.

Ze was geïnteresseerd in mensen, en in het kerkelijk leven in Amsterdam. Ze nam altijd van allerlei blaadjes en folders uit de Thomaskerk mee die ze na de pauze altijd eerst op tafel uitspreidde en mij vroeg of ik ook wist hoe het hier en hoe het daarmee zat. Om na het leerhuis standaard heerlijk te gaan genieten van een lunch bij de theoloog Dick Boer, die om de hoek bij de Thomaskerk woont en van wie tijdens de dankdienst het gedicht ‘Geluk’ uit zijn bundel Versjes werd gelezen. Want poëzie, daar was ze gek op, bleek ook nu. En daarin vonden we elkaar.

Ze zoog alles op, maar deelde en gaf ook. Het moet in 2016 zijn geweest, het jaar waarin ze – hoorde ik – al de Bijbel-, liedteksten en gedichten voor de dankdienst uitzocht, dat ze haar boekenkast begon uit te ruimen en soms aan mij vroeg wie ze met een bepaald boek een plezier zou kunnen doen.

Weer twee jaar later kwam ik Christien ook opeens op een andere plek tegen: bij het Taalcafé op vrijdagochtend in de Muiderkerk, waar ze na de sluiting van de Amstelkerk vijftien jaar al ter kerke ging en ook meedraaide in het taalcafé. Ik had van Kerk in Mokum het verzoek gekregen zo’n ochtend bij te wonen en verslag uit te brengen van deze taalles voor migranten. Na de gezamenlijke sessie, zat ik bij een 1:1 gesprek met Christien en een deelneemster (beiden geanonimiseerd) en ik schreef daarover dit:

‘Na het taalspel gaat elke deelnemer samen met een vrijwilliger naar een andere ruimte. Ze krijgen gespreksvragen mee over het thema, zoals: “Wat vind je ervan dat sommige mensen na hun middelbare school een jaar naar het buitenland gaan?” Maar lang niet elk groepje volgt deze vragen op de voet. Aan de orde komen ook onderwerpen als een vaarwelceremonie na het eindexamen in een land van herkomst, de brand in de Muiderkerk (1989) – alleen de toren rest nog –, die een bezoeker tot tranen toe ontroerde, reizen die een van de bezoekers heeft gemaakt, zowel voor werk als vakantie, en het verschil tussen tante en oud-tante, wat iets anders is dan een oude tante …’.

Ook dit was Christien ten voeten uit: niet de vragen op de voet volgend, het verdriet om de brand in de Muiderkerk, reizen, het verschil tussen tante en oud-tante. Ernstig maar ook ontspannen zat ze erbij, zoals ik haar heb gekend. Ik zie haar nog zitten. Ze was volgens de ene spreker tijdens de dankdienst een kerkmens, maar ook en vooral denk ik een mensenmens, zoals een ander haar terecht noemde. Misschien lag dat voor haar, als domineesdochter en sociologe (docent aan het toenmalig Centraal Instituut voor Christelijke Sociale Arbeid, CICSA), gewoon in elkaars verlengde.

Ik weet niet of de zaterdagochtendcursussen van LATE na de coronacrisis weer doorgang vinden, maar als dat wél zo is, zullen ze anders zijn zonder Christien naast me. Ik zal haar missen. Haar nagedachtenis zij tot zegen. 

Behoud Frascati!

Het Scapino Ballet kwam op 11 juni jl. met een paginagrote advertentie in de landelijke dagbladen met de oproep: ‘Behoud Scapino Ballet!’ De Raad voor Cultuur heeft de minister van OCW immers geadviseerd Scapino niet langer rijkssubsidie toe te kennen. ‘Dit advies’, staat in de advertentie, ‘is onbegrijpelijk en moet van tafel’.

Ook theater Frascati in Amsterdam zit in hetzelfde schuitje. Geen grote advertentie, maar een statement van artistiek directeur Mark Timmer op de website. De boodschap is duidelijk.

Ik ben eens in mijn geheugen gaan graven, welke Shakespeare-opvoeringen ik er in verschillende zalen heb gezien; ik beperk me daartoe, omdat er zo een samenhang ontstaat en deze blog geen oeverloze opsomming wordt.

1.
Het begint in mei 2007, toen ik de voorstelling De negen heksten van Macbeth zag. Een muziektheatervoorstelling op basis van Shakespeare’s Macbeth uiteraard, gezien vanuit het perspectief van de heksen. Er waren allemaal bekende namen aan de voorstelling verbonden: Teo Joling (concept en bewerking), Janine Bogt (dramaturgie en bewerking), Sean Berg en Guus Janssen (muziek), Porgy Franssen en Dirk Groeneveld (regie). En dan heb ik het nog niet eens over de spelers! Dagblad Trouw deed in die tijd nog niet aan sterren, maar Arend Evenhuis schreef er een groot stuk over. Over het Schots dat het echtpaar Macbeth sprak en het verschil tussen twee werelden duidelijk maakte: die van de mens en die van het occulte. Een vondst, vond ik toen. Er zouden er meerdere volgen. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

2.
Drie jaar later zie ik in Frascati een opvoering van Rosencrantz and Guildenstern are dead van schrijver Tom Stoppard, die in 1966 na de première ervan beroemd werd, gespeeld door ’t Barre Land. De betreurde recensent Loek Zonneveld wijdde er in de Groene Amsterdammer maar liefst een recensie in twee delen aan. Hij eindigde ermee, dat hij de toneelspelers bij wijze van spreken wel zou willen omarmen. Dat gold ook voor mij. En overigens ook de décormakers … Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

3.
We schuiven een jaar verder op, en komen uit bij de voorstelling Bye Bye door Dood Paard, ook niet niks. Kuno Bakker en Gilles Biesheuvel speelden een, wat het Parool noemde, ‘kwajongensachtige bewerking van Shakespeare’s Othello die aan het eind bijzonder geraffineerd blijkt’. De Marokkaans-Nederlandse acteur Chaib Massaoudi opent de voorstelling, met een verhaal in het Arabisch of Berbers (daar geeft de recensent van het Parool geen uitsluitsel over), zoals in De negen heksen van Macbeth ook Schots werd gesproken. Een combinatie, aldus de criticus, ‘van spelerslol en intelligentie’ die ‘onmogelijk is te weerstaan’. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

4.
Twee jaar verder, december 2012. Jan Decorte c.s. speelt de voorstelling Shylock. Is Othello problematisch vanwege ‘de Moor’ (een Berber werd het bij Dood Paard), Shylock is dat vanwege vermeend antisemitisme. Ik denk, dat Frascati met deze twee opvoeringen dergelijke insteken ter discussie wil stellen, en dat is goed. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

5.
Drie jaar later: het stuk der stukken, Hamlet, als afstudeervoorstelling die me nog levendig voor de geest staat: wát een theatertalent hebben we in Nederland, en wat fijn dat de studenten, na hun opvoeringen in Theater de Paardenkathedraal in Utrecht, de kans kregen in de hoofdstad te laten zien wat ze in huis hebben. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

6.
We schrijven ondertussen 2016, en pal na elkaar zag ik Lady Macbeth uit het district Minsk in het kader van het Nederlands Theater Festival, dat Mark Timmer in zijn statement ook noemt, gevolgd door Mevrouw Macbeth door Maatschappij Discordia in het kader van de serie ‘Weiblicher Akt’. Ik was met een goede kennis, en we konden van laatstgenoemde opvoering helaas geen chocola maken. Dat kan gebeuren, en kon ook heel goed aan ons hebben gelegen, want de recensies die we lazen waren niet negatief.

7.
2017: weer twee voorstellingen pal na elkaar: Troilus en Cressida en Twelfth Night, of, Zie zelf maar. De eerste werd gespeeld door studenten van de Theatervooropleiding Amsterdam, de tweede door De Theatergroep. Ik blogde over de eerste voorstelling, die indruk op mij maakte, op de site van ‘Literair Nederland’ (zie link hieronder).

8.
Februari 2018, nogmaals Othello door Het Nationale Toneel in een regie van Daria Bukvić. Toe maar! Een spraakmakende voorstelling, maar dat niet alleen: ook één die je bij blijft, met een zwarte acteur (Werner Kolf) in de hoofdrol. Ook hier schreef ik over, nu op deze blog (zie link onderaan).

9.
Verleden jaar tenslotte: Complete Works. Table top Shakespeare, gespeeld door zes acteurs van Forced Entertainment. Telkens één acteur aan een tafel, die in ongeveer drie kwartier een compleet toneelstuk solo speelt. ‘Eenvoudiger kan het niet! Grandioos!’ tweette ik.
Ik had er spijt van niet alle voorstellingen te hebben gezien, een klein festival. Zomaar in een klein theater in Amsterdam.

Alles bij elkaar opgeteld over de afgelopen jaren, langer dan de afgelopen vierjarige kunstenplanperiode, komt er alleen al op grond van opvoeringen van of naar Shakespeare een constante naar voren die tegemoetkomt aan de criteria van de Raad voor Cultuur: diversiteit (man-vrouw, wit-zwart enz.), spraakmakend, vernieuwend door jonge, talentvolle studenten én oude rotten in het vak die het klappen van de zweep kennen. En – misschien belangrijker – een eigen stem te midden van het grote toneelaanbod in de hoofdstad. Wie hier z’n huiswerk niet heeft gedaan, laat ik in het midden, maar het móet over, want: ‘Behoud Frascati!’ Niet zomaar een klein theater in Amsterdam!

 

https://www.literairnederland.nl/dissonanten/

https://elsvanswol.nl/othello-met-allure/

HOVO-cursus over Alain Badiou

HOVO Amsterdam komt in de zomer met een aantal interes–sante cursussen via ZOOM. Zo zal Ype de Boer op 22, 24, 29 juni en 1 juli a.s. vier colleges geven over de Franse filosoof Alain Badiou (1937, zie foto) onder de titel: Hedendaagse filosofie over liefde en geluk.

In mijn MA-scriptie, over het kwaad in de filosofie van Susan Neiman (1955) en bij de schrijver Philippe Claudel (Het kwaad denken), heb ik het begrip Ereigniës (drama, incident) in Claudels Het verslag van Brodeck verbonden met drie kernwoorden in het denken van deze Franse filosoof  en ethicus, schrijver, wiskundige, politiek activist én fluitist: evenement, waarheid en trouw. Deze kernwoorden vormen bij hem de strengen van een koord die de verschillende domeinen die hij onderscheidt (politiek, kunst, wetenschap en liefde) bij elkaar houden.

Evenement en waarheid
Het begrip evenement betekent bij Badiou: een belangrijke gebeurtenis die inbreekt in tijd en ruimte, zonder dat degene die het overkomt er controle over heeft. Een gebeuren met andere woorden dat in het leven ingrijpt en er een spoor door trekt.

Waarheid wordt bij Badiou aan het licht gebracht door één van de vier genoemde domeinen. Zij hebben tot taak de innerlijke samenhang ertussen te duiden. Waarheid voltrekt zich zowel bij Badiou als Claudel ná de Ereigniës, na het evenement. Misschien kun je dan ook beter spreken van waarmáken. Waarheid, of waarmaken, komt tot uiting in de manier waarop degene die het evenement overkwam er trouw aan blijft, dat wil zeggen zich opnieuw verhoudt tot de wereld, in de weg die hij vervolgens gaat.

De drie kernwoorden worden als gezegd bijeengehouden door verschillende domeinen die Badiou onderscheidt: politiek, kunst, wetenschap en liefde. Met name op kunst en liefde ga ik hier kort in.

Kunst
In zijn boek De twintigste eeuw gaat Badiou op een gegeven moment in op het doek Wit vierkant op witte achtergrond van de schilder Malevitsj (1878-1935): ‘het verschil tussen achtergrond en vorm en vooral het ontbrekende verschil van wit tot wit, het verschil van Hetzelfde, dat we het vervagende verschil kunnen noemen’. [1] Het wit op wit staat voor Badiou voor het minimale verschil dat een antwoord kan zijn op het gevaarlijke ideaal van een gedeelde identiteit die mensen uitsluit, zoals de vreemdelingen in de romans van Claudel.

Volgens Badiou leidt de aandacht voor verschillen, voor anders-zijn er alleen maar toe, dat we de waarheidsvraag en het universalisme van de waarheid uit het oog dreigen te verliezen. Een gebeurtenis, een Ereigniës, gaat het hele dorp in dezelfde mate aan en de waarheid beperkt zich niet tot een bepaalde, particuliere groep. In die zin wil Badiou aan het woord ‘jood’ geen particuliere betekenis hechten in de zin van uitverkiezing. Een uitzonderingsstatus is volgens hem hetzelfde als wat de nazi’s, in omgekeerde zin, deden.

Liefde
Tenslotte nog enkele woorden over het laatste kernwoord, ‘liefde’. De dynamiek hiervan beschouwt Badiou ook als een evenement, als een waarheidsprocedure om de titel van een essay van Dominiek Hoens aan te halen. Een proces van waarmaken. Badiou wijst de opvatting dat liefde eenwording is, af. Hij doet dat op grond van het feit dat wanneer je van eenwording spreekt, meervoudigheid wordt onderdrukt. Hij laat de ander, l’autre in de zin van Levinas met een kleine letter, zichzelf zijn, – en richt zich niet op de liefde als mystieke eenwording met l’Autre, de Ander met een hoofdletter, God.

Volgens Dominiek Hoens zou er nog een vijfde kernwoord door Badiou’s hoofd hebben gespeeld: theologie.[2] Ik denk echter dat dit eerder een brug is in de zin van Claudel, die verschillende oevers (politiek, kunst, wetenschap, liefde) met elkaar verbindt. Badiou betreedt die brug onder meer in zijn boek over de apostel Paulus (uitgave Ten Have, 2008, bezorgd door Dominiek Hoens).

Of De Boer daarop in zal gaan, weet ik niet. In ieder geval zullen tijdens de HOVO-cursus twee kernwoorden bij Badiou centraal staan: liefde en geluk. Ik zie ernaar uit.

[1] Alain Badiou, De twintigste eeuw. Kampen, Ten Have, 2006, p. 78.

[2] Dominiek Hoens, ‘Immanentie van het twee. Over liefde als waarheidsprocedure’. In: Het uur van de Waarheid. Alain Badiou – revolutionair denker. Red. Richard de Brabander. Kampen, Ten Have, 2006, p. 67-81.

Tweeluik: Stijn Fens en Herman De Dijn

Dit keer – het wordt weer eens tijd – geen drieluik, maar een tweeluik; het is allemaal wat minder tijdens de coronacrisis.
In Trouw van afgelopen zaterdag stonden twee stukken naast elkaar die diametraal tegenóver elkaar staan: een column van Stijn Fens over gebarentaal tijdens de paaswake uit Roermond, en een interview van Leonie Breebaart met Herman De Dijn, emeritus hoogleraar filosofie in Leuven en gewaardeerd inleider tijdens de jaarlijkse lezingen van de Vereniging Het Spinozahuis in Amsterdam, waar ik een keer met hem aan de praat raakte. In 2018 schreef hij een boek onder de titel Rituelen. Beiden zijn rooms-katholiek, maar de een geeft blijk van een wat nauwere blik (Fens) dan de ander (De Dijn).

Stijn Fens
Fens vond het om te beginnen voor doven en slechthorenden nu ‘in zekere zin een genadevolle tijd’ en ‘een zegen’ dat gebarentolken op televisie verschijnen. Ik zou zeggen: eindelijk verschijnen, want daar hebben dove- en slechthorende mensen in een inclusieve samenleving gewoon recht op.
Fens doet vooral zijn beklag: ‘het is zo druk in beeld geworden’, ‘een mis op zich’, ‘wat veel allemaal’, ‘een onrustige ervaring’ wordt ons achter elkaar ingeprent.
Het is nog niet alles, want tegen het eind tovert hij nog een argument uit de hoge hoed: door die gebaren ‘verdwijnt voor mij het mysterie’ van het ritueel. Er wordt tevéél uitgelegd.

Nu was ik in live (protestantse) kerkdiensten al op gezette tijden een gebarentolk gewend. Ik kijk er altijd gefascineerd naar. Neem bijvoorbeeld het woord ‘Geloven’. Dat bestaat eruit, de rechterwijsvinger naar de slaap te brengen en daarna omhoog te bewegen. Show don’t tell, zou ik in tegenstelling tot Fens haast zeggen.

Herman De Dijn
Tegenover Fens’ column staat als gezegd een mooi interview met Herman De Dijn. Hij benadrukt om te beginnen dat rituelen ‘ongelooflijk belangrijk voor ons zijn, terwijl ze eigenlijk zo vreemd zijn’. Daarin kan hij denk ik Fens vinden; ze zijn, legt hij uit, ‘niet-rationeel’. Het gaat, vervolgt hij, ‘om speciale gebaren en speciale spijzen’. Gebaren …
Als ‘een dans, een opvoering’, zoals ‘onze’ gebarentolk haast danst wanneer er een psalm, gezang of lied wordt gezongen. Ik zei het al: fascinerend om te zien. En voor mij absoluut geen afleidend gebeuren, maar iets dat iets toevoegt aan de gesproken taal of zang.
De Dijn denkt verder en verwijst naar de werveldans van de derwisjen en de Ramadan: ‘buigen, bidden, knielen’. De hele mens is op die manier bezig: met lichaam en geest.
‘Méns-zijn’, zegt De Dijn aan het slot van het interview, ‘betekent: weten wat juist en niet juist is, wat gepast en wat niet’.

Fens wist dat laatste even niet; zijn column was ongepast.

Column Stijn Fens:
https://www.trouw.nl/religie-filosofie/de-gebarentolk-bij-de-tv-mis-het-is-wennen~bac9c8ae/

Interview met Herman De Dijn:
https://www.trouw.nl/religie-filosofie/we-zijn-rituele-wezens-maar-in-deze-crisis-kan-dat-bijna-niet~bb473f742/

 

Nissen in- en uitlopen

Fra Angelico: De opstanding

Ik voelde me bedroefd en goed
(M. Vasalis, Fanfare-corps)

Pasen 2020 is weer achter de rug.1) Veel grote woorden werden er gesproken. Corona zou onze werkelijkheid doorbreken, zoals Jezus de werkelijkheid doorbrak. En ik zet er, geschokt als ik erdoor was, maar een groot woord tegenover: voor mij neigt dit naar onzindelijk denken. Ik heb liever een predikant die zegt: Ik weet het niet. Ik zou er echt eerst nog eens goed over moeten nadenken en die rust heb ik nu niet.

Toch vallen je wel brokjes toe, en die wijzen allemaal een beetje naar waar ik de afgelopen week op heb lopen broeden. Ik las om te beginnen ergens, dat de rooms-katholieke kerk het idee om aan de veertien staties een vijftiende, van de opstanding toe te voegen (de Paasstatie), lang heeft verworpen. Ik moest daarbij denken aan de veelvuldig geuite opmerking dat het zo jammer is dat Bach zijn Matthäus Passion eindigt met de dood van Christus. Ik heb daar altijd tegenin gebracht, dat die scherpe dissonant in de fluiten in het slotkoor oplost: het is een glimp van de opstanding. Een visioen van iets dat nog waar moet worden. Stille Zaterdag zit er nog tussen alvorens het Paasmorgen wordt.

Niet dat ik nu de coronacrisis ga vergelijken met Stille Zaterdag of een dal tussen twee bergen: die van ‘de eerste berg’ van een rijk leven ten koste van veel en velen, en de tweede met een andere relatie met de wereld, zoals David Brooks doet in zijn boek De tweede berg, toen er overigens nog geen sprake was van de huidige crisis. Ik hou het liever bij die berg uit Psalm 121:

En dan kijk ik op, kijk speurend.
Al die bergen!
Wie kan hier nog helpen?
(vert. Gert Bremer)

Nee, ik denk aan twee snippers tekst die mij toevielen. En misschien is dat ook een antwoord op de vraag die Coen Constandse stelde in een artikel naar aanleiding van mijn boekje Mythe, mysterie, mystiek over Henk Vreekamp: Het is een typische theologische niche-markt geworden, dat Kerk-en-Israëlwerk. ‘Hoe dieper je de nis inloopt, hoe fundamenteler de inzichten en hoe sterker de overtuiging van het eigen gelijk (…). Zijn er ook nog mensen die de nissen in en uitlopen, en in andere delen van het gebouw inzichten komen halen en brengen?’ (in: In de Waagschaal, april 2020).

Wat ik als eerste snipper vond in een hoek van zo’n nis, is een Korantekst (immers geënt op zowel het Oude- als het Nieuwe Testament) die de islamoloog Noor Asrami deelde: ‘Moeilijkheden komen hand in hand met verlichtingen’. En de tweede snipper, die ik weer in een andere nis aantrof, was er een naar aanleiding van het woordje ‘verduren’ dat Augustinus al gebruikte, en de theoloog Charles Mathewes opnieuw. ‘”Verduren” (…) betekent niet dat je passief wordt, maar dat je attent bent op de dingen die je vandaag kan doen, zonder dat je kan weten hoe het allemaal gaat uitpakken, zonder dat je het naar je hand kan zetten’, aldus James Kennedy in een column in Trouw (11 april 2020). Om te besluiten met: ‘Tegelijkertijd leef je in verwachting’.

Ik wil de Matthäus Passion volgend jaar weer beluisteren, en dan niet alleen betwetering wijzen op die dissonant aan het eind die toch echt oplost, maar lernen. Luisteren, ernaar speuren of er in die Passion nog méér stukjes, meer brokjes zitten die in alle ellende hand in hand komen met verlichting. Ze lichten misschien soms, heel even op. Dat is al genoeg.

 

1) Tijdens de overdenking van ds. Sytze de Vries tijdens het morgengebed in de Domkerk (Utrecht) op 19 april jl., wees hij erop dat hij iemand had horen zeggen dat ‘Pasen weer achter de rug is’, maar dat dit zou moeten zijn: ‘Pasen is geweest’. Waarvan akte: https://www.kerkomroep.nl/#/kerken/21581 

Het voelende brein

De serie jaarlijkse lezingen met nabesprekingen over Spinoza’s Ethica door de Vereniging Het Spinozahuis in het Amsterdamse Spinozalyceum is inmiddels over de helft. We zijn ondertussen bij deel vijf van de Ethica aangekomen. Diezelfde Vereniging heeft op 20 februari jl. de zilveren erepenning – de hoogste onderscheiding – uitgereikt aan Spinozablogger Stan Verdult, die [aanvulling] op 31 mei 2020 overleed.
Beide evenementen tezamen, de eerste lezing over deel vijf van de Ethica door emeritus hoogleraar Herman De Dijn en het heugelijke feit dat Verdult de zilveren erepenning kreeg, gaven mij aanleiding tot deze blog.

Artikelen in Preludium
Om te beginnen zou je dat vijfde deel, met een gedeelte uit de ondertitel van een boek van Antonio Damasio over Spinoza, samen kunnen vatten als ‘het voelende brein’.
Die constatering van Damasio leidt mij namelijk om te beginnen naar een aantal artikelen in het tijdschrift Preludium (maart) van het Amsterdamse Concertgebouw en het Koninklijk Concertgebouworkest (KCO). Wat niet vreemd is, omdat Verdult in zijn blog met enige regelmaat schrijft over muziek uit met name de renaissance en de barok, al dan niet gerelateerd aan Spinoza.

Het gaat om drie items. Het eerste betreft een interview door René van Peer met dirigent Alain Altingoglu. De dirigent zegt dat hij opereert ‘met een mengeling van intuïtie en kennis’ (p. 27). Het tweede item is een interview van Rahul Gandolahage met de leden van het Busch Trio. Primarius Mathieu van Bellen zegt daarin iets wat aan ons thema raakt: ‘Je hebt eigenlijk twee hoofdparameters in muziek: aan de ene kant moet je de muziek structureel begrijpen (…). Aan de andere kant moet je de muziek emotioneel begrijpen’ (p. 48). Het voelende brein dus. En het derde item tenslotte is een toelichting die Michel Khalifa schreef bij het Pianokwintet van de componist Thomas Adès. Hij schrijft daarin dat Adès ‘ernaar streeft zijn notenmateriaal zo logisch te ordenen dat subjectieve expressie en objectief vakmanschap hand in hand kunnen gaan’.

Drie kennissoorten
Los van definitiekwesties (Altingoglu zal onder intuïtie wellicht iets anders verstaan dan Spinoza), valt in alle drie de stukken in Preludium op, dat er sprake is van ‘mengeling’, ‘aan de ene en de andere kant’ en ‘hand in hand gaan’. In die mengeling gaan de drie kennissoorten die Spinoza benoemt (verbeelding, ratio en intuïtie) hand in hand, en is er dus sprake van wat De Dijn een soort parallellisme noemt. Of zoals Piet Steenbakkers tijdens zijn lezing over het derde deel van Spinoza’s Ethica zei: ‘kennis wordt een affect’. De Dijn meent dat stelling 20 uit het vijfde deel van Spinoza’s Ethica door Nico van Suchtelen verkeerd is vertaald. Daar, in het deel waarin intuïtie en amor intellectualis Dei (verstandelijke liefde jegens God) de hoofdtoon voeren, lezen we:

Deze liefde jegens God kan noch door nijd, noch door ijverzucht worden ontwijd, maar  zij wordt juist des te sterker, hoe méér mensen wij ons ons onder éénzelfde band van Liefde met God verbonden denken.

Volgens De Dijn zou je hier op grond van het Latijn ‘verbeelden’ moeten lezen. Ze hangen aan elkaar, aldus De Dijn. Hij zoekt zijn ‘bewijslast’ vaak in gedichten, onder andere in die van Leo Vroman; Stan Verdult blogde erover (zie link onderaan deze blog). Ik deed dat overigens onlangs ook, met enkele regels uit een gedicht van Maud Vanhauwaert.

Intellect en intuïtie
Maar ik zoek het, net als Verdult, ook graag in muziek. De drie artikelen in Preludium wezen mij de weg. En – als toegift – een recensie van de CD Double Solo van pianist Stevko Busch en altsaxofonist Paul van Kemenade (in: Trouw, 28 februari 2020) door Mischa Andriessen, onder de kop ‘Een combinatie van intellect en intuïtie’. Niet ‘Duo’ maar ‘Double Solo’. De twee musici doen allebei, zoals De Dijn het wellicht zou noemen, adequaat en in samenspraak ‘hun ding’.
Elke keer als ze optreden weer anders, want dat is niet alleen inherent aan jazzmuziek, maar aan elke goede uitvoering van welke muziek dan ook. Zoals De Dijn ook weer elke keer iets nieuws in de Ethica vindt. Ook nu maakte hij ons daar deelgenoot van.

Vooruitblik
De laatste lezing dit jaar wordt volgende week zaterdag gegeven door Paul Juffermans [vervalt i.v.m. maatregelen t.a.v. het coronavirus]. Hij zou het tweede gedeelte van het vijfde deel uit de Ethica behandelen en onder meer over het begrip eeuwigheid bij Spinoza spreken.
Herman De Dijn gaf daar al een voorzetje van. Eeuwigheid, definieerde hij, is een perspectief in de tijd. Ik veerde daarom op, toen ik zondag 1 maart tijdens het televisieprogramma Podium Witteman de IJslandse pianist Vikingur Ólafsson Le rappel des oiseaux (1728) van Jean-Ph. Rameau hoorde spelen, met zijn kenmerkende rusten. Ter toelichting daarop zei hij, dat de tijd daarin stopt. Ja – even voel je daar de eeuwigheid zoals Spinoza dat wellicht bedoelde. In het hier en nu.

 

http://blog.despinoza.nl/log/leo-vroman-spinozistisch-dichter.html

Le rappel des oiseaux van Rameau, gespeeld door Matthias Havinga op het Ahrendorgel in de Bovenkerk van Kampen: https://www.youtube.com/watch?v=pTwSt4prp9M

Breuk of doorgaande lijn?

 

 

 

 

 

 

 

Op 14 februari jl. hield ik ’s middags een inleiding in het Huis van de levenskunst in de Bethelkerk in Amsterdam Oostzaan (zie foto links, EvS). Op verzoek van ds. Trinus Hibma werkte ik het thema ‘heidendom’ uit, naar aanleiding van mijn boek over Henk Vreekamp (Mythe, mysterie, mystiek) dat verleden jaar verscheen bij KokBoekencentrum. De vraag was: ‘Hoe kijken we in de huidige samenleving naar onze heidense roots? Vormen ze een breuk of een andere manier van kijken?’ Een gedeelte uit deze inleiding over bovenstaande vraag breng ik hier als blog. Plompverloren, midden in het hier iets aangepaste en met reacties aangevulde verhaal vallend.

Het eerste dat bij mij als voorbeeld van een doorgaande lijn bovenkomt, zijn de kerken die gebouwd zijn op, of aan ‘tempels van afgoden’, zoals paus Gregorius dat noemde en – sterker nog – ook goed vond dat die zo werden gebouwd, mits de kerk werd gewijd. Een mooi voorbeeld in Nederland is de Grote Kerk in Elst, tussen Arnhem en Tiel. Onder de kerkvloer vond men in 1947 de resten van twee Romeinse tempels, uit circa 50-100 van de gewone jaartelling. In de vroege middeleeuwen bouwden de eerste christenen op die resten een zaalkerk, die later in Romaanse stijl werd vergroot. Ook daarvan zijn de resten nog te zien in wat uiteindelijk tot een gotische kerk werd uitgebouwd.

Een historische opvatting
Je kunt óók zeggen dat hier geen breuk tussen heidense tempel en christelijke kerk is aangebracht, maar dat is er sprake is van een doorgaande lijn. Dat is een manier van denken die we kennen uit de boeken van de negentiende eeuwse Zwitserse historicus Jacob Burckhardt. Hij benadrukte de continuïteit en waarschuwde tegen harde, revolutionaire breuken. Als je me nu vraagt: Waar zie je dat in de geschiedenis en in de huidige samenleving, dan denk ik respectievelijk aan de middeleeuwen en aan de Arabische lente.

Wat het eerste, de middeleeuwen betreft, denk ik aan wat romancier Stefan Hertmans beschrijft in zijn roman De bekeerlinge. Een christelijke vrouw bekeert zich tot het jodendom, en Hertmans beschrijft dit als ‘een religieus alternatief voor de onrust en het geweld van de christelijke wereld’, een perspectiefwisseling. Hertmans concludeert, met Burckhardt: ‘Er loopt geen breuk (…) door de geschiedenis’. Dat Burckhardts opvattingen overigens ook een conservatieve achtergrond kennen, bleek gisteren nog weer eens uit een recensie van een boek van hem in dagblad Trouw.
Het tweede voorbeeld betreft de Arabische lente. In de slipstream daarvan voltrok zich een zachte revolutie die zich afspeelde op internet, waardoor iedereen – mits er geen censuur wordt toegepast – kennis kon maken met andersoortige ideeën. Ook hier gaat het om een alternatief, een seculier alternatief in dit geval voor onrust en geweld, en ook hier is sprake van een andere manier van kijken.

Door te spreken van vóór en ná, of het nu gaat om de kruistochten, de Arabische lente, de Tweede Wereldoorlog of de Wende, geef je tussen twee haakjes impliciet aan, dat je het voorspel tot die omwentelingen ontkend. Zo begint Johan Huizinga – een leerling van Burckhardt – zijn boek In de schaduwen van morgen (1935), dat onlangs opnieuw is verschenen bij ISVW Uitgevers, met: ‘We leven in een bezeten wereld en we weten het’. Let wel: dat was in 1935!

Niet-historische opvattingen
Er bestaan denk ik wat betreft de verhouding tussen het heidense- en christelijke denken, – om me daartoe te beperken – nog twee andere, niet historische opvattingen. De eerste voert ons terug naar het eind van het boek Als Freyja zich laat zien van Henk Vreekamp, waarin het over het visioen van de doop van Freyja gaat.
De tweede zou ik een symbolistische willen noemen, die uitgaat van gelijktijdigheid. Ik doe dat met in het achterhoofd de titel van een boek van de in oktober 2019 overleden dichteres en essayiste Anneke Reitsma: De poëzie van Ida Gerhardt in symbolistisch perspectief. Wat zij in Gerhardts poëzie zag, was onder meer suggestie en metafysische gerichtheid, – naar hetgeen dat boven ons uitgaat. Je moet je er als lezer van bewust zijn, dat poëzie op meerdere niveaus kan worden gelezen; het kan gelijktijdig naar meerdere voorstellingen verwijzen. Naar – vul ik in – een heidense én naar een christelijke.

Er worden zo nieuwe verbanden bloot gelegd, zoals Ede bij Vreekamp symbool stond voor Eden en het Kootwijkerzand, het enige woestijngebied in Nederland, voor de woestijn in Israël. Daarvoor is verwondering een vereiste, namelijk om in het alledaagse iets anders te kunnen zien. Denk bijvoorbeeld aan het gedicht ‘De disgenoten’ van Gerhardt, waarin een eenvoudig gedekte tafel de Avondmaalstafel blijkt te zijn.

Et voilà
, in de woorden van W. Dekker in een recensie over Vreekamps De tovenaar en de dominee (in: Kontekstueel, november 2010): ‘In de[ze] mystiek komt de door de openbaring geheiligde mythe terug (…). In door de openbaring worden beide (mythe en mystiek) geheiligd’. Waarmee alle drie uit de titel van mijn boek (mythe, mysterie, mystiek), of: verleden, toekomst, heden weer bij elkaar zijn gebracht. Ik had namelijk eerder betoogd, dat deze drie in het denken van Vreekamp eigenlijk niet los van elkaar zijn te zien, hetgeen in de vragen na de pauze werd bewaarheid.
Daarin ging het niet alleen over zijn visie op het heidendom, die door mij was uitgewerkt en die voor sommigen vreemd bleef, tot in zeer felle bewoordingen aan toe, maar vooral ook over zijn visie op het jodendom die in verschillende opmerkingen helaas wat dreigde te ontaarden (hier is nog steeds werk aan de winkel!), zijn visie op het Palestijnse vraagstuk, en – daar had ik eigenlijk al dan niet terecht geen aandacht aan geschonken – op human interest-vragen aangaande Vreekamps leven en sterven.

Conclusie
Als je dan tenslotte vraagt wat het heidendom (en ook het christendom overigens) in de huidige, seculiere samenleving kan betekenen, dan vind je in de beelden van Gerhardt, en ook van bijvoorbeeld Nijhoff, denk ik het antwoord: ze doordringen elkaar wederzijds.
Dat is de Sjechinah, de inwoning van God in het alledaagse, en dan mag je voor heidens in dit verband in onze tijd ‘seculier‘ lezen, want het gaat al lang niet meer alleen om Noordse heidenen als Freyja, om heidenen als de nazi’s bij de theoloog Miskotte (Edda en Thora, 1939) of om Apollo, Dionysus en Aphrodite bij de filosoof Simon IJsseling of om – zoals iemand van de ruim twintig toehoorders zei – ‘barbaren’.
Het gaat om een andere manier van kijken. Niet wegkijken maar kijken, góed kijken. Niet alleen naar ‘de’ heiden buiten ons (oorspronkelijk een bewoner van de heide), maar ook naar de heiden in ons. Vreekamp noemde zichzelf een heiden-christen die werd uitgedaagd door het jodendom. Hij erkende dat er twee zielen in zijn borst huisden: het heidendom en het christendom.

We kunnen in deze wereld niet zonder elkaar, heiden, jood en christen, om de schepping te helpen voltooien en tot zijn bestemming te brengen. Een opdracht, een mitswa zou de jood zeggen, die ons allen aangaat, wonend in één stad, in één wereld, zoals Ambrogio Lorenzetti het als een visioen à la Freyja schilderde op de lange wand in het stadhuis van Siena.
Opvallend is dat Lorenzetti ook niet-religieuze onderwerpen bij de kop pakte, wat in zijn tijd (ca. 1340) nog niet was vertoond. Het goede bestuur van de ideale stad die hij verbeeldt, laat alle mensen genieten van de oogst van hun akkers, van de wijn van het Koninkrijk en het brood uit de hemel. Sy hit swa, moge het zo zijn, zoals Vreekamp zijn Als Freyja zich laat zien eindigt. Zonder punt. Om het open te laten.

Link naar de genoemde recensie van het boek van Burckhardt in Trouw: https://www.trouw.nl/religie-filosofie/juist-ook-door-het-contrast-met-het-huidige-denken-geeft-dit-boek-te-denken~b7c062d0/