Magische collages

Onder de titel Magische collages presenteert het Stedelijk Museum Schiedam (19 oktober 2019 t/m 19 januari 2020) een groot overzicht van collages van vooral Belgische kunstenaars, waaronder internationaal bekende kunstenaars als Jan Fabre en Luc Tuymans. Het is voor het eerst dat een Nederlands museum op zo’n grote schaal aandacht besteedt aan collages. Het werk is verzameld door Geert Verbeke en
Carla Lens.
Ter gelegenheid hiervan plaats ik een blog die is gebaseerd op een werkstuk over ‘Collages’ dat ik op de middelbare school (ca. 1970) schreef en met een 9 werd beoordeeld. Ik plaats originele tekst, in ingekorte vorm maar aangevuld met de wijzigingsvoorstellen die mijn docente er toen met potlood in de marge bijschreef.

Ter voorbereiding tot het schrijven van dit werkstuk had ik op voorspraak van mijn vader een gesprek met de kunstcriticus en -redacteur Hans Redeker (1918-1992), een collega van hem bij het Algemeen Handelsblad. Redeker woonde toen, in dezelfde tijd als Marga Minco, Bert Voeten en hun kinderen, in het Witsenhuis aan het Amsterdamse Oosterpark.

Wat is collage?
Een klassiek te noemen definitie van collage gaf Max Ernst: ‘Collagetechniek is de systematische uitbuiting van de toevallig of kunstmatig teweeggebrachte ontmoeting van twee of meer wezensvreemde realiteiten binnen een daartoe ogenschijnlijk ongeschikt kader – en de vonk poëzie, die bij toenadering van deze realiteiten overspringt’.
Die twee of meer wezensvreemde realiteiten kunnen enkele gescheurde of geknipte fragmenten zijn bij een overigens normaal geschilderd werk. Het kunnen ook hele collage-composities zijn. Het kan papier in talrijke variaties zijn, van scheursels tot volledige objecten. Naast papier kunnen ook andere materialen worden gebruikt, waarbij dan het historisch gegroeide woord: collage (van het Franse collager = plakken, lijmen) niet meer van toepassing is. Eerder kunnen we dan van montage spreken. Er wordt naast verf en papier ook met andere materialen en objecten gewerkt, zoals bijvoorbeeld Krijn Giezen dat doet met bestaande stukken textiel (appliqué-werk). Een ander verwant verschijnsel vinden we bij materie-schilders zoals Jaap Wagemaker, ‘die niet alleen de verf met andere stoffen mengt (zand, specie) om een soms reliëfachtige, gevarieerde structuur van de verfkorst te bereiken, maar die daarbij ook dergelijke objecten monteert, terwijl we hem toch nog tot de schilders mogen rekenen’ (Hans Redeker). Zo ziet men dat kunstenaars geen onderscheid meer maken tussen ‘edele’ materialen en alledaagse.

[Hier heeft mijn docente een vraagteken bij geplaatst. Ik ontleende deze conclusie en dit idee aan het eerste deeltje, ‘Schilderen, tekenen, beeldhouwen’ uit de Encyclopedie voor jongeren waarvan zeven deeltjes kreeg in de laatste klas van de lagere school, toen ik met longontsteking op bed lag, kreeg van mijn vader. Ik citeer de originele tekst hierna].
‘De collage is een echt moderne kunstvorm. Zo min als er in de moderne wereld nog onderscheid gemaakt wordt tussen hoog en laag en rijk of arm, zo maken de kunstenaars geen onderscheid meer tussen de edele materialen (marmer, goud e.d.) en de alledaagse (papiertjes, blik e.d.). Elk materiaal heeft zo zijn bijzondere eigenschappen en met elk materiaal is dus iets bijzonders te maken, evengoed als er uit elk mens, hoog of laag, rijk of arm, een bijzonder mens kan groeien.’

In dit verband wil ik dit hoofdstukje afsluiten met een citaat van de componist Karlheinz Stockhausen: ‘De wereld waarin wij leven is voorbestemd om als collage te bestaan. Ik bedoel daarmee dat allerlei emoties en menselijke ervaringen over elkaar heen moeten geplakt en gelegd worden ook als ze elkaar niet verdragen. Het grote voorbeeld van zo’n collagemaatschappij is Amerika, en New York is het einde: het kan misschien niet, het is misschien niet aangenaam, maar het zal moeten, leven met aan elkaar te passen stukken’ (Algemeen Handelsblad, 2 juli 1968).

Hoe begon collage?
De collage zoals wij die bedoelen (zie vorige hoofdstuk), ontstond zowel in het Parijs van de kubisten als in het Zwitserse Zürich rond Dada (Hans Arp). Andere namen uit de beginperiode zijn Max Ernst (Keulen) en Kurt Schwitters (Berlijn). De laatste was eigenlijk de eerste die de collagetechniek toepaste.
‘Wat als voorwaarde aan de collage is voorafgegaan is het accentueren van het schilderij als een plat vlak, waarbinnen de compositie wordt gehouden, dus het verlaten van de perspectivische ruimtesuggestie en voorstellingswijze’ (Hans Redeker).
In Frankrijk kwam het kubisme met Picasso (Tête d’homme, 1913) en Braque vanaf 1912 tot een soortgelijke techniek, waarbij voornoemde voorwaarde vooral in de tweede fase het geval is: ‘De voorwerpen bleven nog herkenbaar, vaak fragmentarisch, maar gingen sterker in de vlakke compositie op. Op dat ogenblik was de tijd rijp voor de esthetische collage. Naast de verf kregen andere stoffen een mogelijkheid’ (Hans Redeker).

Ontwikkeling van de collage
Kurt Schwitters en Paul Citroen (de eerste fotocollages, sinds 1919) waren eigenlijk de enigen die de collage- en montagetechniek vlak na de Eerste Wereldoorlog toepasten. ‘De grote tijd komt na de Tweede Wereldoorlog, wanneer nog sterker het accent wordt gelegd op de structurele en materiële waarden en mogelijkheden van de verfhuid of verfkorst samen met alle andere daarvoor bruikbare materialen’ (Hans Redeker).
[Hierna bekeek ik één collage van vlak na de Tweede Wereldoorlog in extenso: As you like it, 1946, van Kurt Schwitters, in Galerie Beyeler, Basel].

Collage nu
Over de in Nederland woonachtige schilder Sam Middleton stond eens, ik meen in De Telegraaf, naar aanleiding van een tentoonstelling in Hilversumse Vaart: ‘De toevoeging van de collage, die sedert de pop [art] ook bij hem een actueel trekje vertoont in het gebruik van tijdschriftenillustraties, remt de spontaniteit natuurlijk af, maar accentueert natuurlijk wel het ritme’.
Hans Redeker zei hierover: ‘Maar ook die spontaniteit is maar één van de taal-mogelijkheden van de beeldende kunst, die een belangrijke rol speelt in sommige stromingen (impressionisme, expressionisme, het direct registrerende bij sommige surrealisten) maar moet bij andere juist weer radicaal worden uitgebannen (De Stijl, Suprematisme, Constructivisme) of komt helemaal niet aan bod (Random Art, Op Art en meer traditioneel in de “monumentale” technieken). De spontaniteit van de collage schuilt in het gemakkelijk en snel hanteerbare van het materiaal, bijvoorbeeld te scheuren papier, het direct kunnen reageren op wat gevonden of tevoren geschifte materiaal aan “vondsten” oplevert. Daarom kunnen we de collage wel een werkwijze noemen, die uitgaat van het avontuur, de inspiratie van het ogenblik. Maar dit verschilt van kunstenaar tot kunstenaar’.

Over Gérard Princée kun je dan bijvoorbeeld (in Elseviers Weekblad) lezen: ‘Met alle risico’s daarvan: niet meer dan één op de vier schilderijen haalt de eindstreep, de rest wordt vernietigd (…). Bij Princée is de bron oorspronkelijk van religieuze aard [rooms-katholiek, HR]. Die achtergrond blijft zichtbaar. In telkens wisselend kader groepeert hij de mensfiguren, ontdaan van al hun attributen, gebonden aan de schepping en toch er aan ontheven, verstild maar niet zonder emoties.’

Wat is de hedendaagse collage? Een overgangsverschijnsel (Harry Mayer)? In ieder geval wordt de collage ‘die een negatie van traditie en conventie impliceert, daarom ook in vele kunststromingen na de Tweede Wereldoorlog toegepast’ (Grote Winkler Prins, deel 5), waaronder de beeldhouwkunst met namen als Robert Rauschenberg, Jan Hendrikse en Tom Wesselman, en de muziek, met namen als Louis Andriessen en Karlheinz Stockhausen, maar ook John Cage (Silence), Pousseur, Luciano Berio (Sinfonia, 1968, deel 3) en Peter Schat, hoewel hier collage en citaat door elkaar lopen. ‘Muzikale pop art? Een artistiek onbenullig, handig vervaardigd samenraapsel van clichés en stijlimitaties? Een sarcastisch commentaar op de podiumvirtuoos, zijn plaats in ons geïnstitutionaliseerde concertleven en op de vervreemding tussen de muziek van nu en het grote concertpubliek? Je kunt er alle kanten mee uit’ (H. Tecker in het Algemeen Handelsblad naar aanleiding van een uitvoering van Louis Andriessens Anachronie II op 17 januari 1970). In dit verband vertelde de heer Redeker mij, dat ‘de pop art er in elk geval sterk toe heeft meegewerkt dat de tijd van de alleen heersende ismen voorbij is, dat er via pop art zelfs weer een opnemen mogelijk is van tevoren dood verklaarde, figuratieve mogelijkheden (maar dan van een ander levensgevoel uit en met een andere betekenis)’.

Afbeelding van de website van het Stedelijk Museum Schiedam: Marcel-Louis Baugniet, Salvador Dalí, 1970, Verbeke Foundation. Fotografie: Tineke Schuurmans

Met naald en draad

‘June was altijd dol op naaien geweest.
June had naaien als een metafoor voor haar bestaan gezien.
June was vrouw en moeder.
Ze dichtte de zoom tussen haar man en haar kind.
Zij was de kracht die hen samenbracht.’
Karin Slaughter, Ongezien, p. 26.

‘Als ik het tapijt bekijk’, schrijft Clare Hunter in haar boek Levensdraden over het Tapijt van Bayeux, ‘en mijn oog langs de taferelen van koninklijke triomf en militaire verwoesting laat gaan, voel ik dat ik het verhaal in word gezogen’.

Hetzelfde geldt voor haar, in het Nederlands door Willemien Werkman vertaalde boek; ze trekt je meteen het verhaal in: ‘Natuurlijk is het niet echt een tapijt. Het is een borduurwerk. Deze benaming, hoewel verkeerd, verhief het echter boven elke associatie met het vrouwelijke naaldwerk, dat in de eeuwen na zijn ontstaan ernstig aan waardering had ingeboet als kunstvorm’. Je ziet jezelf als lezer niet alleen langs het tapijt schuifelden (hoeveel lezers zullen dit niet hebben gedaan), je krijgt er ook de culturele, sociale en economische context van mee. En de emoties die het tapijt oproepen. Ook negatieve, over het feit dat nergens in het museum wordt ingegaan op de vrouwen die het tapijt borduurden.

In opstand
De schrijver is een Schotse, vrouw én textielkunstenares en –curator, wat het boek een meerwaarde geeft, omdat ze alle (technische) ins en outs letterlijk aan den lijve heeft ondervonden: ‘Ik ontdekte dat de wollen draden weerspannig waren, voortdurend in opstand tegen mijn ruwe huid of een gescheurde nagel. Ze begonnen te pluizen zodra er iets meer van ze werd gevraagd wat meer was dan een eenvoudige steek. Ze verzwakten en braken op de rand van het oog van mijn naald’.

De schrijfstijl van Hunter is op z’n tijd echter ook heerlijk humoristisch. Van Maria Stuart wordt bijvoorbeeld verteld, wat ze allemaal wel niet kwijt raakte. ‘En’, staat er dan, ‘ze raakte haar hoofd kwijt, toen ze in 1587 werd geëxecuteerd’.
Over haar gaat ook een hoofdstuk, want ze was immers ook borduurster. ‘Haar borduurwerk was (…) meer dan afleiding, het was haar autobiografie’. Kijk, zulke dingen maken dit boek spannend.

Ontroerende verhalen
De hoofdstukken over ‘een wereldgeschiedenis door het oog van de naald’, zoals de ondertitel luidt, worden afgewisseld door ontroerende verhalen over bijvoorbeeld bordurende mannen in Leverndal Hospital Glasgow en vrouwelijke krijgsgevangenen in Singapore.

Soms past de auteur daarbij retorische trucs toe, bijvoorbeeld wanneer ze het heeft over een Palestijnse, die ‘ons niet lastig valt met …’, ‘niet hier is om …’ en en passant één kant van het verhaal zo toch vertelt. Van het Nederland in de Tweede Wereldoorlog schetst ze echter wel weer een genuanceerd beeld. Hunt vertelt over iets dat ik niet kende: de zogenaamde ‘rok van het leven’ of ‘bevrijdingsrok’:

‘een patchwork rok, gemaakt van stukjes die betekenis hadden door een persoonlijke link naar een gebeurtenis of persoon uit het verleden. Langs de zoom van elke rok moesten driehoekjes stof worden vastgezet, waarop belangrijke data uit de familie of de politiek worden genaaid. De eerste drie hoek zou de eerste Bevrijdingsdag markeren: 5 mei 1945. Alle rokken zouden worden geregistreerd en een officieel stempel krijgen, en de vrouwen moesten ze dragen bij openbare gelegenheden, trouwerijen en tijdens de vrouwenoptochten op de jaarlijkse Bevrijdingsdag’.

Hieruit blijkt overigens, dat het boek over naaien in de ruimste zin van het woord gaat. In west en oost, noord en zuid. Van de Verenigde Staten tot China, van de Hebriden tot Australië, dwars door volken, geloven en gebruiken, feesten en herdenkingen, koninginnen en arme mensen, ziektes en oorlogen heen.

Levensdraden
Zo zijn het méér dan verhalen over naaien maar met recht levensdraden die geweven worden. Zoals Hunter zelf mensen uitnodigt om een stuk textiel mee te nemen waaraan ze herinneringen bewaren, zo zie ik opeens allerlei naaldwerk in mijn eigen huis: een vogeltje, geborduurd door een tante, een kruis, als geschenk gekregen van een medepatiënt in een herstellingsoord die alle nieuwkomers hiermee begroette.

Straks pak ik het borduren zelf ook nog op, geënthousiasmeerd door dit fraai uitgegeven boek, met enkele fotokaternen. In ieder geval vallen mij opeens enkele aanstaande tentoonstellingen op, zoals De draad kwijt in Museum Hoeksche Waard (vanaf 18 oktober a.s.) en denk ik terug aan eerdere, zoals van Rob Scholte, of aan de geborduurde Oude Kerk van Amsterdam en ga zo maar door. Gothic Gestures (2017) van de Oude Kerk is een doek van 5,50 x 3,80 meter, met daarop de plattegrond van de kerk. Er werd, in het kader van een tentoonstelling met werk van Marinus Boezem, met eenenvijftig vrijwilligers maanden lang aan gewerkt. Naaldkunst is al met al een onderwerp dat méér leeft, dan je je soms bewust bent.

Daarom is het goed dat dit boek in het Nederlands is vertaald. Een boek dat een waardige tegenhanger is van De witte weg dat Edmund de Waal publiceerde over porselein. Minder obsessief en idolaat. Waar De Waal het zocht in het volmaakte, heeft Hunter ook aandacht voor het onvolmaakte. Dat doet je wat.

Het boek verschijnt op 20 augustus a.s.
Uitgeverij Balans zond mij al een recensie-exemplaar.

Clare Hunter: Levensdraden. Een wereldgeschiedenis door het oog van de naald. Ned. vert. Willemien Werkman. Uitgeverij Balans, 2019. ISBN 978 94 638 2002 8, 376 pagina’s, € 24,99

De clown uithangen

Mijn moeder hield van Buziau, mijn vader van (Stan) Laurel & (Oliver) Hardy. Ze zouden hun hart ongetwijfeld hebben opgehaald aan een kleine tentoonstelling over de eerste in Museum Rijswijk, en aan de biopic Stan & Ollie die vanaf morgen in de bioscopen draait. En wellicht ook aan de roman over een clown (een novelle eigenlijk) De tuinen van de herinneringen van Michel Quint en de solovoorstelling De laatste van Jack Wouterse, waarover ik hier al eerder blogde.

In het fraaie boekje dat ter gelegenheid van de tentoonstelling in Rijswijk verscheen, staat als laatste zin: ‘Zij zijn alleen maar zichzelf. Tijdloos.’ Een zin die blijft haken. Gaven de genoemde komieken ook niet allemaal een tijdsbeeld van de periode voor de Tweede Wereldoorlog, zoals Quint dat gaf van de periode tijdens en na de oorlog? Het verschil zit hem er misschien in, dat Buziau, om met Quint te spreken, ‘opwellende tranen en hartverscheurende wanhoop, schrijnende pijn en diepe schaamte’ gelijk Jack Wouterse in zijn rol? Terwijl Laurel & Hardy volgens Joost Broeren-Huitenga, recensent van De Filmkrant, vooral ‘goedmoedige acts’ ten beste gaven. Wat tussen twee haakjes overigens meteen, wat overdreven, het verschil in levenshouding tussen mijn moeder en vader aangeeft.

Op een of andere manier bestond er eenzelfde gevoel van verstandhouding tussen mijn moeder en Buziau als tussen de ik-figuur en de clown in het verhaal van Quint. Een verstandhouding over zowel het uiterlijk als het innerlijk van Buziau. Hij had de borstelige wenkbrauwen die mijn vader van nature ook had. Wee je gebeente als de kapper ook maar opperde of hij deze maar eens wat zou uitdunnen. Buziau had, net als mijn moeder en de vader van de ik-figuur bij Quint, een enorme klap van de oorlog opgelopen. Na de oorlog trad Buziau niet meer op, leerde ik in de tentoonstelling te Rijswijk. Het ging gewoon niet meer.

Laurel & Hardy hadden ook hun beste tijd voor de oorlog gehad, al is het wellicht schokkend te zien dat zij zich in 1937 meer bezig hielden met ‘gekissebis onderweg naar de set (over geldgebrek, vrouwen, gokken en drank)’ aldus Broeren-Huitenga, wat een aanzet moet vormen tot hun teloorgang na de oorlog, in 1953.

Over die tijdloosheid valt tenslotte ook nog wel wat te zeggen. Misschien zouden we dat nu wat oubollig vinden, dat ‘gedoe met bagage bij een hotelbalie; een hutkoffer die van een trap af dondert’ (Broeren-Huitenga). En of mijn vader er nu ook nog om zou moeten lachen, weet ik nog zo net niet. Feit blijft dat zowel Laurel & Hardy als Buziau zichzelf bleven. Net als Jack Wouterse. Zelfs zo dat je je kunt afvragen of de titel van zijn solovoorstelling niet verwijst naar een laatste voorstelling. Soms moet dat zo zijn.

Soms niet. Dat geldt voor de jongen in de roman van Quint die zegt: ‘Morgen heb ik grote, zwartomrande ogen en witgepleisterde wangen. Ik zal proberen, papa, al degenen te zijn van wie de lach bij zonsopgang in de beukenbossen, in het kreupelhout is opgehouden te bestaan, en die jij weer tot leven hebt proberen te wekken. Ik zal ook proberen jou te zijn, jij die nooit de herinnering verloren hebt laten gaan. Zo goed ik kan. Ik zal naar beste weten de clown uithangen. En misschien lukt het me daardoor de mens uit te hangen, uit naam van iedereen. Zonder gekheid!’

Deels gebaseerd op een column (uit 2016) op de website van Literair Nederland: https://www.literairnederland.nl/?s=Buziau

 

Zien met je hart

Ik zie, ik zie / wat jij niet hoort’ staat er op mijn canvas schoudertas van het Wilminktheater in Enschede. Het heeft al tot heel wat leuke, spontane ontmoetingen geleid. Een oudere heer zei bijvoorbeeld, mij tegemoet lopend op een brug in Amsterdam: ‘Ik hoor niet of nauwelijks meer, maar zien kan ik als de beste. Leuk hoor, die tekst! Ik heb nog les gehad van Wilmink, hier, aan de Universiteit. De beste Nederlandse dichter als je ’t mij vraagt. Nou – een prettige dag nog verder!’ riep hij, achterom zwaaiend, terwijl hij de brug over de gracht verder op klauterde en ik de afdaling inzette.

‘In het kijken zit al het horen’ zei een docent tijdens een studiedag over Cézanne en de filosofie. In het ruiken zit al het zien, denk ik, terwijl ik me weer zie uitstappen bij het voormalige concentratiekamp Majdanek, in de buurt van het stadje waar de historische roman De duizendkunstenaar van Lublin van Isaac Bashevis Singer zich afspeelt. Ik ruik verbrand vlees en denk eerst nog naïef dat er een barbecue bij de naastgelegen huizen wordt gehouden, tot ik me met een schok realiseer wát ik ruik. Dichterbij kun qua sensitieve waarneming misschien niet komen.

Was deze begraafplaats er ook al tijdens de Tweede Wereldoorlog?’ vraag ik aan de Poolse staatsgids die ons over het terrein rondleidt. ‘Nee’, antwoordt ze stellig, de werkelijkheid geweld aandoend. Want die begraafplaats was er wel degelijk al, ontdek ik thuis, net als de naastgelegen huizen. Over-en-weer moeten de mensen elkaar hebben gezien.
‘Ik zie, ik zie / wat jij ook hoort’ vult de docent van de cursus de tekst van Wilmink na de pauze aan. Dát moet het zijn: zien en horen naar getuigenissen. Met je hart:

6.000.000

jij kan het cijfer
6.000.000 beleven
als druppels van de zee
als zoveel keer maal tien

ik, die een generatie eerder
werd geboren,
kan dit getal helaas niet
onbevangen zien

voor mij is zes miljoen
helaas geen cijfer
maar een belevenis
zo groot zo zwart zo wreed

omdat ik achter dit getal
zo nuchter opgeschreven
een gruwelijk en koel
berekend einde weet.

(Ida Vos, Vijfendertig tranen).

T.g.v. de a.s. verschijning van de biografie van Willem Wilmink door Elsbeth Etty (januari 2019, uitg. Nijgh & Van Ditmar).

De toekomst tegemoet

Dankzij de Rialto Filmclub was ik al in de gelegenheid om de tweede speelfilm van de van origine Poolse filmer Pawel Pawlikowski, bekend door Ida (2013) te zien. De inleiding van filmrecensent Laura van Zuylen zette mij op het thema van deze blog over de film Cold War, die in Cannes werd beloond. Een blog die na de film naadloos verder gaat over de tentoonstelling met werk van Shirin Neshat in GEM (Den Haag), die ik afgelopen week bezocht.

Cold War
De film gaat over twee personages: zangeres Zula (Joanna Kulig) en muzikant Wiktor (Tomasz Kot). Nee, eigenlijk over drie, want het volksliefje Dwa Serduszka kun je ook als personage zien. Het komt in verschillende gedaantes voor in deze zwartwitfilm: niet alleen als volksliedje, in een arrangement van rivaal Kaczmarek (Borys Szyc) met een door Wiktor ongeïnteresseerd gedirigeerd orkest, en tenslotte als sterk jazzarrangement in Parijs. De verschillende gedaantes van het volksliedje schuiven mee met de chronologie van het verhaal: in het Polen van pal na de Tweede Wereldoorlog, de tijd van de sterke arm van het communisme en het Parijse existentialisme van de vrijheid.

Je zou ook kunnen zeggen dat die arrangementen een uiting zijn van dialectiek: these (Pools volksliedje) – antithese (goed in het gehoor liggend arrangement tijdens het communisme) – synthese (Westerse jazz).
De twee hoofdpersonages, Zula en Wiktor, staan ook tegenover elkaar. Ze voelen zich zowel tot elkaar aangetrokken als stoten elkaar af. Pas in de laatste zin (spoiler alert!), heel terloops, lijkt het of er tot op zekere hoogte een bepaalde vorm van synthese in de verhouding tussen de twee plaatsvindt. Hoe, maakte een ander kunstwerk mij afgelopen week duidelijk.

Shirin Neshat
Namelijk de video-installatie Turbulent (1998) van de van origine Iraanse kunstenaar Shirin Neshat, die momenteel in het Haagse GEM valt te zien. Hierin staan ook een zangeres en een zanger tegenover elkaar. Als bezoeker zit je niet, zoals bij een film tegenover het doek, maar midden in de expositiezaal, tussen de twee schermen in. Op het ene zie je een man die voor een vol auditorium een traditionele ballade zingt. Op het andere scherm zie je een vrouw voor een lege zaal.
De mannen zijn gekleed in zwartwit (denk aan de film van Pawlikowski!), de vrouw zingt een eigen werk en vindt daarin, net als het jazzarrangement in het Parijs symboliseert, haar vrijheid.
Van een synthese is geen sprake, maar de boodschap van een andere video-installatie die Neshat een jaar later maakte, Rapture (1999), is duidelijk: de mannen zijn gevangen in de traditie (in deze installatie een gesloten fort), de vrouwen staan open voor het onbekende (gesymboliseerd door een boot die wegvaart).

In beide kunstwerken, de film Cold War van Pawlikowski en de video-installatie Turbulent van Neshat, speelt muziek een belangrijke rol. Muziek neemt de rol van het woord – bij Neshat ook de kalligrafie uit eerder fotowerk – over. Beide kunstenaars hebben een boodschap, zonder dat ze politieke kunstenaars kunnen worden genoemd. Hun werk raakt een snaar. En in die zin wordt de synthese gevonden bij de kijker, die het volksliedje en –ballade in zijn/haar hart bewaart en de onbekende toekomst tegemoet gaat.

http://www.gem-online.nl/files/media/shirin_neshat.pdf

Umwertung aller Werte

Het is op deze blog, naar aanleiding van een beeld van de Vlaamse kunstenaar Johan Tahon aan de Landeskirche in Hannover, al eens eerder aan de orde geweest: de typologie van de blinde Synagoga.
Eerst uitgebeeld als een man, zoals Mozes, op een miniatuur in de bijbel van Moutier-Grandval (ca. 840). Hij staat voor Tenach en heeft een sluier voor de ogen, die wordt weggetrokken door één van de apostelen. Dat wil zeggen: hem is het heil nog verborgen en dat moet worden onthuld door de Ecclesia. Later werd het een vrouw, een dochter Sions, soms met niet alleen een blinddoek voor, maar ook nog eens met een kroon die van haar hoofd rolt, wetstafelen die uit haar handen vallen en een lans die is gebroken. Deze typologie gaat terug op de Bijbel: Klaagliederen 1:1 en 5:15-17. Dergelijke afbeeldingen of uitbeeldingen vinden we niet alleen in miniaturen en dergelijke, maar vooral als beelden aan de portalen van grote kathedralen: Straatsburg, Metz, Bamberg, Worms en andere.

Ik moest er weer aan denken, toen ik op de tentoonstelling The Institute of Ungoing Things in het Joods Historisch Museum (JHM) een werk van de Israëlische kunstenaar Uri Katzenstein (1951­–2018) zag. Katzenstein was beeldhouwer, performancekunstenaar, musicus, bouwer van geluidsmachines en filmmaker, en overleed helaas plotseling tijdens de laatste voorbereidingen van de expositie.
In het JHM staat, als onderdeel van de tentoonstelling, een vlaggendraagster als Umwertung aller Werte. Dat wil zeggen: de blinde Synagoga is, als een al dan niet bewuste referentie, onder handen van Katzenstein een trotse vlaggendraagster geworden, die – volgens de website en i-pads op de tentoonstelling, katzenstein.jck.nl (nr. 22) – ‘gespannen en alert op een voetstuk staat, dat speciaal voor haar is ontworpen.’ Het voetstuk doet denken aan de geometrische vormen van de toestellen die Katzenstein ontwierp (met name nr. 36) en die herinneringen oproepen aan kinderspeelgoed.
De tekst vervolgt: ‘Ze strekt één been achterwaarts om haar evenwicht te bewaren tijden de zware fysieke inspanning van het zwaaien van zelfbedachte vlaggen.’ Dat is een element dat overigens doet denken aan het standbeen uit de Griekse beeldhouwkunst, waar discuswerpers op die manier worden neergezet. De vlaggen doen denken aan de androgyne figuren (met name nr. 14) waarvan – ik citeer – ‘het onduidelijk is of de figuren zijn geschapen en adem is ingeblazen, of eerder een aftakelingsproces doorlopen en langzaam maar zeker instorten tot de dood erop volgt.’
De tekst bij nummer 22 vervolgt: ‘Ze kijkt omhoog, maar is geblinddoekt en communiceert dus met behulp van andere visuele middelen.’ Die blinddoek bestaat overigens uit een rode driehoek, die doet denken aan het symbool dat politieke gevangenen (zoals communisten, vrijmetselaars, verzetsstrijders) tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten dragen in de concentratie- en vernietigingskampen.
De conclusie op de website luidt: ‘De sculptuur kan worden gezien als een monument voor de vrouwen die in levensgevaarlijke omstandigheden moeten werken zonder ooit met de lauwerkrans van de overwinning of roem te worden getooid.’

Op deze manier is het kunstwerk van iets negatiefs (de blinde Synagoga) tot iets positiefs (een monument voor vrouwen) omgesmeed. Het omgekeerde komt bij Katzenstein echter ook voor: een gebedssnoer dat moslims gebruiken (misbaha) en is gemaakt uit verwrongen stukjes metaal (nr. 55-56), dat op die manier wil herinneren aan lijden en verlies. Of, wat genuanceerder, als een dubbelslag, goed en kwaad ineen gelijk de mens: Boedler is bijvoorbeeld ‘een door de kunstenaar bedachte samentrekking van Boeddha en Hitler. De sculptuur toont een superheld die is uitgedost met een semi-hitleriaanse, semi-chaplineske snor, gehuld in een jurk, verstijfd in de pirouette van een ballerina. Tel al deze elementen bij elkaar op en je krijgt de kunstenaar zelf.’ Of een beeldje van een als altijd dik gebuikte boeddhistische monnik, symbool van vriendelijkheid, waarop Katzenstein de haardracht en snor van Hitler schilderde. Of – tenslotte – een boksbeugel waarop aan de ene kant GOD staat en aan de andere kant DOG, het omgekeerde ervan. Zegen en vloek ineen.

Het is dan ook te eenvoudig om te willen zeggen dat Katzenstein met de oude man uit Shakespeare’s Macbeth wil zeggen: ‘God’s benison go with you, and with those that would make good of bad and friends of foes!’ Een adagium met Bijbelse proporties, van vloek die tot zegen verkeert als in het verhaal over de ezel van Bileam in Numeri. Maar het heeft er wel de schijn van. En dat stemt hoopvol, als iets om aan te werken zodat het werkelijkheid wordt.

 

De tentoonstelling is te zien t/m 24 februari 2019.
De afbeelding is ontleend aan genoemde website.

Met een boek in het achterhoofd

De afgelopen weken werden gekleurd door het intensief lezen van de twee romans van Milena Michiko Flašar: Een bijna volmaakte vriendschap en: Meneer Katō speelt familie. De laatste komt begin september uit bij Uitgeverij Cossee; ik mocht het al ter recensie lezen. Een recensie die uiteraard na verschijnen van het boek zal worden gepubliceerd op de website van Literair Nederland.

Het speelde zó door m’n hoofd, dat het vanmorgen bij het bezichtigen van de tentoonstelling ‘Kunst om niet te vergeten. Naoorlogs werk uit eigen collectie’ in het Nationaal Holocaust Museum in Amsterdam (verlengd tot 16 september a.s.) bleef doorwerken.

Eerst Flašar. In haar romans gaat het om de tekorten van het leven, dat zij in haar stijl laat doorklinken met onaffe zinnen (in Een bijna volmaakte vriendschap) als: ‘Ze zeggen dat’, ‘Maar ik’, ‘Toen je me vroeg of ik kinderen’ en ‘En dan’. In haar tweede roman zijn dat soort zinnen iets meer aangevuld, uitgewerkt: ‘In de zijstraat. Niets verrassends’, ‘Wat anders. Wie zal het zeggen?’. De flarden zijn nu aaneengesmeed, als zoeken ze verbinding, contact met elkaar.

Beide elementen kwam ik tegen in enkele werken op genoemde tentoonstelling in het Joods Cultureel Kwartier. Eerst dat van het onaffe, de open gelaten vormen.
Het begon al met Exodus (1950) van Wessel Couzijn, die na de oorlog met open vormen werkte, wat toen nog relatief weinig werd gedaan. Met uitzondering natuurlijk van bijvoorbeeld De verwoeste stad in Rotterdam van Ossip Zadkine uit dezelfde tijd. En het ging verder met de gaten op de Abstracte composities (1949) van Greet van Amstel.

En andere symbolen die hetzelfde lijken te willen uitdrukken, zoals de figuur zonder gezicht op Frieda Tas-Herzbergs Bergen-Belsen (1947), of het personage met een arm (Concentratiekamp I, 1950) of helemaal geen armen (Concentratiekamp II uit hetzelfde jaar) van Jules Chapon.
Of door de lege kas(t) van wellicht een klok op Patience (1949) van Jaap Kaas: dat wat erop of erin zit, lijkt op de slinger van een uurwerk. Of op een zwaard. Beide zeggen genoeg: ze slaan op de vergankelijkheid van het leven, een onttakelde wereld. Het kansspel dat dood heet.

Maar ziedaar: de andere kant van de leegte en het onaffe, zoals dat ook in de tweede roman van Flašar naar voren komt: de leegte die tevens ruimte en rust uitdrukt, en een verlangen naar menselijk contact, zoals in het werk van Agmon van der Veen: Genummerd menselijk landschap (1970-1975), geruime tijd na de Tweede Wereldoorlog gemaakt.

Ook geruime tijd na de verschrikkingen ontstond De kosjere slachter (1983) van Harry Visser (zie afb. hierboven, van de website van de kunstenaar): hierop lijken de rails die in Auschwitz naar het hoofdgebouw voeren op een trap zoals Armando hem vormgaf: je kan er op afdalen, maar ook op klimmen. De kop van de slachter doet denken aan koppen van Francis Bacon, vervormd en met één oog dicht. Op die manier uit twee helften bestaand, zoals op het schilderij Liberation (1990) van Marlene Dumas.

Zomaar een greep van enkele van de vele indrukwekkende werken die momenteel in het Nationaal Holocaust Museum zijn te zien. Gá ze zien, al dan niet met ander werk, of een boek, in het achterhoofd of op het netvlies.

Joden en het huis van Oranje

Joden en het Huis van Oranje : vier eeuwen geschiedenis, kunst en cultuur / onder redactie van Julie-Marthe Cohen en Bart Wallet ; auteurs Vivian B. Mann, Wim Klooster, Tirsah Levie Bernfeld, Adri Offenberg, Paulien Post
; vertaling Caroline Godfried ; fotografie Peter Lange. – Zutphen : WalburgPers, [2018]. – 208 pagina’s : illustraties ; 29 cm. – Uitgave ter gelegenheid van de tentoonstelling ‘Joden en het Huis van Oranje : 400 bewogen jaren’ in het Joods Historisch Museum van 18 april tot en met 30 september 2018.

Terecht luidt de titel van deze catalogus bij een tentoonstelling in het Joods Historisch
Museum (JHM) in Amsterdam niet ‘De joden en het Huis van Oranje’, want ‘de’ joden
bestaan niet. Joden vormen een diverse groep in de Nederlandse samenleving. De
Oranjes hebben zich meer dan vierhonderd jaar ingezet om de relatie met de joodse
gemeenschap zo goed mogelijk te laten zijn. Onder redactie van Julie-Marthe Cohen,
conservator bij het JHM en Bart Wallet, historicus, laten verschillende auteurs zien dat
dit soms lukte en soms niet. Kantelpunten waren in negatieve zin de houding van
koningin Wilhelmina tijdens de Tweede Wereldoorlog, die haar in joodse kring nog
steeds kwalijk wordt genomen, en van Prins Claus in positieve zin. Van het eerste
getuigt ook het recente boek Wilhelmina van Gerard Aalders. Naast de essays is veel
plaats ingeruimd voor ruim driehonderd afbeeldingen van uitingen in kunst en cultuur,
met toelichtingen onder de titel ‘Inkijkjes’. Met tijdlijn, verklarende woordenlijst,
aanbevolen literatuur en oranje leeslint.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.

Verschillende getuigenissen

Het zal misschien een zekere bevreemding wekken, dat ik in deze blog de filosofische studie Wat er overblijft van Auschwitz van Giorgio Agamben leg naast de roman Wittgenstein op de luchthaven van de Duitse schrijfster Husch Josten, een boek waarin een van de twee hoofdpersonen op een vliegveld een boek van Wittgenstein zit te lezen en zo aan zijn bijnaam komt.
Toch zijn er verschillende redenen waarom dit heel goed mogelijk is. In de eerste plaats omdat ik in beide gevallen uitga van de tekst en de interpretatie daarvan, voorts omdat een poging onderneem om te kijken of en in hoeverre een literair werk een aanvulling kan bieden op de filosofische studie. Immers: beide boeken gaan over de verwerking van het kwaad, respectievelijk dat van de Tweede Wereldoorlog (Agamben) en dat na de aanslagen in Parijs (Josten). Ik lees met andere woorden het boek van Josten alsof het in gesprek gaat met de studie van Agamben. Allebei, het boek van Agamben en dat van Josten, hebben een gemeenschappelijk thema, hetgeen de confrontatie mogelijk maakt.

Agamben
De achterflap van het boek van Agamben vermeldt het volgende: ‘In Wat er overblijft van Auschwitz beschrijft Giogrio Agamben hoe een mens getuige kan zijn van het onmenselijke. De overlevenden van Auschwitz hebben iets meegemaakt wat moeilijk in woorden te vatten is. Agamben werpt een nieuw licht op de getuigenissen en geeft een antwoord op de vragen die daaruit voortkomen. Hoe moeten we omgaan met de getuigenissen? Welke positie nemen de overlevenden in als enige getuigen? En welke plek moet Auschwitz innemen in het huidige gedachtegoed over de Holocaust? Zijn doel is het denken over Auschwitz te ontdoen van ethische en politieke doctrines en een nieuw kader op te zetten waarmee we een poging kunnen doen om het onvoorstelbare te begrijpen. Als we ervan uit zouden gaan dat Auschwitz onbegrijpelijk is, blokkeren we onbewust de vraag naar hoe Auschwitz ooit mogelijk is geworden. En zolang we niet de logica van het “onuitsprekelijke” van de kampen doorgronden, lopen we het risico dat het nog eens zal gebeuren.’

Josten
Op de achterflap van het boek van Josten staat te lezen: ‘Direct na de aanslagen van Parijs wil de journaliste Caren voor een reportage van Londen naar de Franse hoofdstad, maar de vlucht wordt wegens een acute terreurdreiging geannuleerd. Informatie blijft uit en het wachten begint (…). Afleiding biedt een oudere man, die te midden van het lawaai in terminal 2 een boek van Wittgenstein zit te lezen. Caren raakt met hem in gesprek. Hij blijkt een scepticus die de journalistiek niet bijzonder hoog heeft zitten. “Waar haalt u al die verhalen vandaan?” vraagt hij, “Alles is toch al vele malen verteld?” Die intelligente journaliste spint Wittgensteins draad verder: “Maar er zijn ook altijd verhalen die wij niet in ons leven willen toelaten”.’

Confrontatie
Het is Agambens bedoeling met dit boek ‘een paar begrippen te corrigeren waarmee de allesbepalende les van de twintigste eeuw is opgetekend; een paar woorden geschrapt en andere anders geïnterpreteerd te krijgen’. Het is volgens hem misschien wel de enig mogelijke manier ‘om te luisteren naar wat niet gezegd is’. Deze bedoeling raakt meteen aan twee uitspraken aan het begin van de roman van Josten. Is het bij Agamben het woordje ‘tussen’ dat het hem doet (tussen dood en overleven), dan is het bij Josten het woordje ‘over’ (overlevende): ‘Het omlaagkomende plafond leek een beschermend donzen dekbed, dat haar en het feit dat ze over was behaaglijk toedekte. Want Caren was over. Schuldig. Onschuldig. Wie zal het zeggen? In ieder geval over. Haar familie, haar vrienden, eigenlijk had iedereen van geluk en beschermengelen gesproken, alles gezegd wat je in zulke gevallen nu eenmaal zegt.’

Maar dat laatste valt te betwijfelen: ‘Haar verhaal was bizar, een versie van de werkelijkheid waardoor ze moest zwijgen, omdat ze nooit recht zou kunnen doen aan wat de anderen was overkomen en aan wat er feitelijk was gebeurd. Zij was alleen maar over.’ Als kind al had ze gezwegen, als de hoofdpersoon in Die Blechtrommel van Günter Grass.. Ze wilde wel praten – maar dan alleen om ‘andere verhalen te vertellen, echt andere’. Zo werd ze journaliste om zo misschien – zoals Agamben meent – ‘het fundament te leggen voor de mogelijkheid tot een gedicht’.

Agamben twijfelt er niet over. Voor hem geeft een woord als ‘onzegbaar’ voor Auschwitz ‘deze vernietiging het aanzien van iets mystieks’. Een mystiek die Caren als een ‘onoverbrugbare afstand’ ziet die ze ‘graag zou hebben overwonnen om zich er een voorstelling van te maken, zich er zélf een voorstelling van te maken en het te begrijpen’.

Over dit laatste zijn beiden, Agamben en Josten het eens. Dat begrijpen zijn we, zegt Caren ergens, ‘de dode verschuldigd’. En dat zes miljoen maal.
Uiteindelijk bestaat wat overblijft van Auschwitz volgens Agamben ‘niet uit doden noch uit overlevenden, niet uit de verdronkenen noch uit de geredden, maar uit wat er daartussenin overblijft’.

Conclusies

  1. In het filosofisch denken van Agamben is de terminologie helder, terwijl de taal van een literair werk als van Josten gelaagd en meerduidig is, waardoor woorden steeds verschillende betekenissen in zich bergen. Hierdoor ontstaat een andere kijk op het kwaad.
  2. Filosofen houden bij het analyseren van het kwaad schone handen. In het dagelijks leven is echter niemand ofwel helemaal ‘goed’ ofwel helemaal ‘slecht’. Dit werkt door in een romanpersonage als Caren. Zij is ook een combinatie van goede en slechte karaktereigenschappen, zoals zij ook ergens duidelijk zelf zegt.

In een literair werk kan met andere woorden het kwaad dat mensen elkaar aandoen op een dusdanige wijze worden beschreven, dat er op enigerlei wijze uitzicht is op hoop dat het niet weer zal gebeuren. Op een andere manier dan Agamben louter verstandelijk doet.

 

Giorgio Agamben: Wat er overblijft van Auschwitz. De getuige en het archief (Homo sacer III). Hilversum, Uitgeverij Verbum, 2018. ISBN 9789074274913. € 17,95

Husch Josten: Wittgenstein op de luchthaven. Roman. Amsterdam, Cossee, 2018. ISBN 9789059367791. € 19,99

Homecoming (1945)

Op de een of andere manier lijkt de film Homecoming (1945) aan de aandacht van veel recensenten te zijn ontsnapt, terwijl – ik twitterde het gisteren, nadat ik hem op de valreep had gezien – het eigenlijk een beetje verplichte kost is.

Het verhaal speelt pal na de Tweede Wereldoorlog, weliswaar in een naamloos dorpje in Hongarije, maar het is zo universeel als het maar kan. Het is deels opgenomen in Skanzen, een openluchtmuseum, maar het zou zo maar Orvelte kunnen zijn, niet ver van Westerbork. Het is niet alleen universeel vanwege het verhaal zelf, van een orthodox-joodse vader die met zijn zoon uit een vernietigingskamp terugkeert naar hun dorp en het ongemak dat dit bij de bewoners oproept, maar ook vanwege de actualiteit,  het huidige antisemitisme en de opkomst van extreem rechts in heel Europa; afgelopen zondag hoorde ik nog van iemand die een keer in Hongarije met vakantie is geweest en dat nooit meer van plan is te gaan doen, omdat de vijandigheid van de Hongaren op haar, als zwarte vrouw, teveel pijn deed.

De twee eveneens naamloze mannen, naamloos omdat ze voor zoveel joden staan, arriveren met de trein en hebben twee grote, houten kisten bij zich die op een boerenkar worden geladen. De stationschef gaat vast in het dorp waarschuwen: er komen twee joden aan – is dit het begin van nog meer joden die hun huizen, hun spullen zullen opeisen? Wat overkomt ons? Zilverbestek wordt in een doek gewikkeld en veilig opgeborgen, belastende documenten verbrand en een huwelijk voorbereid en het volksgeloof dat dit goed moet gaan, want anders valt er een vloek over het dorp, wordt hardop uitgesproken.

De twee joodse mannen weigeren op de kar te gaan zitten en lopen zwijgzaam de hele weg, als in processie, een uur gaans van de trein naar het dorp, achter de kar met de twee kisten aan. Links en rechts ingehaald door de in rep en roer zijnde gemeentesecretaris die, zo vertelt het verhaal, heulde met de Duitsers en nu een fles champagne aan de in een jeep binnenrijdende Russen overhandigt. Zo was het vaak in de tijd pal nadat de Duitsers waren vertrokken en de Russen het heft in handen namen.

Het is een schitterende film, gemaakt door regisseur Ferenc Török op een scenario van Gábor T. Szántó. Een klein gehouden film, wars van sentiment en melodrama. Veel is verborgen in de veelzeggende beelden over een dorp dat uit elkaar valt. De bruidegom vertrekt met zijn koffer naar Boedapest of nog verder – net zo een als in het Verzetsmuseum in Amsterdam staat en waarmee de joden naar de kampen vertrokken –, een ander kan niet verkroppen wat hij heeft gedaan of liever gezegd bij het wegvoeren van de joodse bevolking uit zijn dorp heeft nagelaten en pleegt zelfmoord.

De filmmuziek bij deze zwart-wit film was raak gekozen. Het leek soms even een sjabloon: de eeuwig zingende cello die films over de jodenvervolging vaak begeleid, maar heel zacht hoorde als begeleiding daaronder een Hongaars cimbalom. Ik kon het niet anders horen dan een oproep tot eenheid die er niet was en nog steeds dreigt verloren te gaan. Hoeveel doen de Hongaren elkaar daarmee niet tekort!

Verborgen zit lang wat in die kisten zit – en daarvoor moet je de film zien. Een film die eindigt met het beeld van de weer met de trein vertrekkende vader en zoon. De trein – nog zo’n beeld dat in dit geval doet denken aan een andere film, Shoah -, stoot op dat moment een enorme rookwolk uit. Het bleef stil in de bioscoop, gedurende de film en ook geruime tijd erna. De camera volgde de rookwolk omhoog, en de bezoekers bleef het ongetwijfeld bij. Heel lang.