Transcendent en immanent

 

 

‘”Het gebeurde allemaal op een en hetzelfde moment, haast exact gelijk”. Deze eerste zin uit de Het huis met de kersenbloesem van Sun-mi Hwang, zou zomaar in aanmerking kunnen komen voor de mooiste openingszin van 2020. Het is een lichte zin, maar ook een die een geweldige diepte verraadt door de zekere dreiging die ervan uitgaat en door de ongelijktijdige gelijktijdigheid die erin zit.’
Zo begon ik een recensie van genoemd boek voor de website Literair Nederland. Het leverde wat heen-en-weer ge-email met mijn eindredacteur op, over wat ik precies bedoelde met dat ‘een en hetzelfde moment’, met die ‘ongelijktijdige gelijktijdigheid’, en wát er dan precies gebeurde.

Ik moest eraan denken toen op hetzelfde moment dat ik twee items voor twee nieuwe rubrieken voor een andere website, 8weekly.nl af had, een mailtje van Galerie Ron Mandos in mijn mailbox viel. ‘Haast exact gelijk’, maar dat niet alleen – ook de titel van de online tentoonstelling van Levi van Veluw voor deze Amsterdamse galerie, in samenwerking met Changez! Art Brussels in Amsterdam, gaf te denken: Transcending the Tangible (Het tastbare overstijgend). Het gaf te denken, omdat op de website van Galerie Ron Mandos staat, dat elk kunstwerk van de door mij zeer bewonderde Van Veluw voortbouwt op zijn vorige. Het is werk – zo las ik – dat gaat over de diepte van de aarde, en – vul ik aan – de hoogte van de lucht.

In een flits drong tot me door, dat de twee items die ik recent voor 8weekly.nl  had geschreven, feitelijk hetzelfde deden. In de een gaat het over een mobile van Alexander Calder, die mijn moeder en ik eens bovenaan de trap van het Stedelijk Museum in Amsterdam zagen; ik schreef er op deze blog al eens eerder over. ‘Een immanent én transcendent kunstwerk, wat je ziet én wat daar bovenuit stijgt, vorm en inhoud, materie als idee ineen aan het hoge plafond en wij met beide benen op de grond, pogend, zo naar boven reikend, om zelf ook ons evenwicht te bewaren, bijna figuurlijk omver geblazen door dat lichte kunstwerk.’

In de andere bijdrage voor 8weekly gaat het over een nieuwe essaybundel van Roel Bentz van den Berg, die Uitgeverij Atlas Contact voor september aankondigt: De straatwaarde van de ziel. ‘Zijn columns zijn zo goed, vind ik, omdat ze, – net als de roman Het naderen van de brug, die hij eerder schreef -, vol verbeeldingskracht zitten.’ En – kan ik nu dank zij Van Veluw aanvullen – ook over transcendentie en immanentie.

De twee stukjes vullen elkaar zo op eenzelfde manier aan als de kunstwerken van Levi van Veluw. Kunstwerken die een relatie leggen tussen het spirituele, transcendente en het immateriële, het immanente. Ze hebben de bedoeling het geloof tastbaar te maken, tot werkelijkheid of waarachtigheid te brengen.
Op de virtuele tentoonstelling kun je zo de lijn van zijn kunst volgen, werk voor werk. Van Covered circle, een altaarstuk met een doek erover, via Circular Persuasion (zie afb.), Relief square, Grid for rituals naar Infinite. Het is fascinerend om te doen. Kijk wat er gebeurt!

 

Link naar de virtuele tentoonstelling van Levi van Veluw bij Galerie Ron Mandos: https://mailings.artlogic.net/readonline/cb4cfc7379fa4f34af0526da4d1c6495

Link naar mijn recensie van het boek Het naderen van een brug van Roel Bentz van den Berg op de site van Literair Nederland: https://www.literairnederland.nl/recensie-roel-bentz-van-den-berg-het-naderen-van-een-brug/

Links naar de twee bijdragen op de webste 8weekly.nl:
https://8weekly.nl/special/zo-fragiel-en-breekbaar-als-een-reiger/
https://8weekly.nl/special/8weekly-staat-te-trappelen-3/

Je keek te ver. Een wandeling

In september 2010 reden een vriendin en ik met een huurauto door het Groningse platteland om te eindigen in Groningen stad. Alleen al de mooie omslagtekening in het land waarover Marjoleine de Vos verhaalt in haar Je keek te ver, deden mij aan die vakantie terugdenken. En dan heb ik nog niet eens gezegd, dat ik haar werk, columns,  essays en gedichten, graag mag lezen. Kopen dus, was het devies, dit deeltje in de nieuwe pocketserie van Van Oorschot: ‘Terloops’.

De Vos gaat er niet met de auto op uit om, ‘forten. Kastelen. Een mooie romantische ruïne, een buitenplaats, een theetuin’ te gaan bekijken. Ze loopt en lees het Groningse landschap. ‘Er is alleen wat je ziet’, schrijft ze. En ‘zien moet je leren’. Meer zien. Alles wat dichtbij is, want je kunt ook te ver zien volgens de titel. Dat is soms moeilijk, omdat veel ‘onleesbaar is gemaakt, zielloos landschap’: rechtgetrokken sloten, te grote velden waar iets mist.

Toch gingen ook wij, primair cultuur- in plaats van natuurmensen, door het Groningse land en meenden iets van de sfeer rond Agricola gewaar te worden. Zo lazen wij het landschap op onze manier, en ons hart sprong op. We zagen voor ons geestesoog ‘mensen (…), die bouwden, die leefden, die sliepen, die wandelden over die merkwaardige kronkelwegen, die schreven’.

Marjoleine de Vos blijft dichter bij huis en rouwt over haar in 2019 overleden echtgenoot, Neerlandicus en dichter Tom van Deel. Daar wandelden haar gedachten vaak heen en ze voelt zich dan minder in het landschap opgenomen, ‘want er ontbreken ogen die dit ook zien, of zouden kunnen zien’.

Ze denkt soms nog wel aan Amsterdam. Of liever: aan de grachtengordel of de Amstel, de stad waar ik, aan de buitenkant ervan, uitkijk over de weilanden en het water; ik heb de dichotomie tussen stad en platteland als grensganger altijd liever opgeheven. Nee, ‘ik leun niet tegen een kerkmuur van kloostermoppen’, maar heb die wel leren lezen en zelfs letterlijk moeten opmeten voor een cursus bouwkunst. Om te kunnen herleiden waar ze vandaan komen, al woon ik daarmee volgens De Vos niet ‘in het echte leven’.
Maar, haast ik dan nogmaals te zeggen: op de grens ervan. Ik neem van beide iets mee, van de cultuur én de natuur. De dag en de nacht in. De opkomst van de zon boven een heiig weiland, het maanlicht weerkaatst op het IJsselmeer. Vijf ooievaars die op de thermiek dansen voor mijn raam.

En ik had bij dat laatste tegenovergestelde gevoelens als De Vos: kijk, kijk en bewaar het beeld in je ziel. Niet voor even, maar voor altijd. Ik had niet het verlangen er een foto van te maken om het te behouden. Al erkent ze ook wel, dat er altijd iets is dat ervoor zorgt dat aan de ‘zintuiglijke harmonie ontbreekt’. Dat ze daarbij de aardbevingen in Groningen niet noemt, is opvallend.

Het boekje is met andere woorden grotendeels nostalgisch, al heeft de schrijfster heus wel weet van de grote, boze buitenwereld. Daar hebben we allebei, de schrijfster en ik, weet van. En daar moet je ook bij stilstaan. De natuur beleven, erin leven, valt je soms te midden daarvan toe. Ook als je in de stad woont, aan de buitenkant die soms, al wandelend of uit het raam kijkend binnenkomt en er woning mag vinden.

 

Marjoleine de Vos: Je keek te ver. Een wandeling
Uitgeverij Van Oorschot
ISBN 9789028210325
Prijs: € 12,50

Tweeluik: Stijn Fens en Herman De Dijn

Dit keer – het wordt weer eens tijd – geen drieluik, maar een tweeluik; het is allemaal wat minder tijdens de coronacrisis.
In Trouw van afgelopen zaterdag stonden twee stukken naast elkaar die diametraal tegenóver elkaar staan: een column van Stijn Fens over gebarentaal tijdens de paaswake uit Roermond, en een interview van Leonie Breebaart met Herman De Dijn, emeritus hoogleraar filosofie in Leuven en gewaardeerd inleider tijdens de jaarlijkse lezingen van de Vereniging Het Spinozahuis in Amsterdam, waar ik een keer met hem aan de praat raakte. In 2018 schreef hij een boek onder de titel Rituelen. Beiden zijn rooms-katholiek, maar de een geeft blijk van een wat nauwere blik (Fens) dan de ander (De Dijn).

Stijn Fens
Fens vond het om te beginnen voor doven en slechthorenden nu ‘in zekere zin een genadevolle tijd’ en ‘een zegen’ dat gebarentolken op televisie verschijnen. Ik zou zeggen: eindelijk verschijnen, want daar hebben dove- en slechthorende mensen in een inclusieve samenleving gewoon recht op.
Fens doet vooral zijn beklag: ‘het is zo druk in beeld geworden’, ‘een mis op zich’, ‘wat veel allemaal’, ‘een onrustige ervaring’ wordt ons achter elkaar ingeprent.
Het is nog niet alles, want tegen het eind tovert hij nog een argument uit de hoge hoed: door die gebaren ‘verdwijnt voor mij het mysterie’ van het ritueel. Er wordt tevéél uitgelegd.

Nu was ik in live (protestantse) kerkdiensten al op gezette tijden een gebarentolk gewend. Ik kijk er altijd gefascineerd naar. Neem bijvoorbeeld het woord ‘Geloven’. Dat bestaat eruit, de rechterwijsvinger naar de slaap te brengen en daarna omhoog te bewegen. Show don’t tell, zou ik in tegenstelling tot Fens haast zeggen.

Herman De Dijn
Tegenover Fens’ column staat als gezegd een mooi interview met Herman De Dijn. Hij benadrukt om te beginnen dat rituelen ‘ongelooflijk belangrijk voor ons zijn, terwijl ze eigenlijk zo vreemd zijn’. Daarin kan hij denk ik Fens vinden; ze zijn, legt hij uit, ‘niet-rationeel’. Het gaat, vervolgt hij, ‘om speciale gebaren en speciale spijzen’. Gebaren …
Als ‘een dans, een opvoering’, zoals ‘onze’ gebarentolk haast danst wanneer er een psalm, gezang of lied wordt gezongen. Ik zei het al: fascinerend om te zien. En voor mij absoluut geen afleidend gebeuren, maar iets dat iets toevoegt aan de gesproken taal of zang.
De Dijn denkt verder en verwijst naar de werveldans van de derwisjen en de Ramadan: ‘buigen, bidden, knielen’. De hele mens is op die manier bezig: met lichaam en geest.
‘Méns-zijn’, zegt De Dijn aan het slot van het interview, ‘betekent: weten wat juist en niet juist is, wat gepast en wat niet’.

Fens wist dat laatste even niet; zijn column was ongepast.

Column Stijn Fens:
https://www.trouw.nl/religie-filosofie/de-gebarentolk-bij-de-tv-mis-het-is-wennen~bac9c8ae/

Interview met Herman De Dijn:
https://www.trouw.nl/religie-filosofie/we-zijn-rituele-wezens-maar-in-deze-crisis-kan-dat-bijna-niet~bb473f742/

 

Verhalenbundel als troost

Verleden week was het De Week van het Korte Verhaal. Reden om weer eens een bundel van een van mijn geliefde verhalenschrijvers van de plank te pakken. Naast Mensje van Keulen is dat onder anderen Thomas Verbogt. Mijn keus viel op Echt iets voor jou van Verbogt (Nieuw Amsterdam Uitgevers), over wiens werk ik zo eens in de drie jaar een blog schrijft, lijkt het wel. Ik plak er tevens een vraag aan vast die tijdens De Week speelde: moet de bundel van een schrijver een eenheid vormen?

Echt iets voor jou
Eerst de bundel Echt iets voor jou. Deze bestaat uit verhalen over het gewone, alledaagse leven. Over kleine, herkenbare dingen die je soms groter maakt dan ze eigenlijk zijn. Over een boek waar je je zinnen op hebt gezet, en dat net ‘oppelepop’ is. Over rijles in een automaat, wat alleen voor ‘speciale gevallen’ is weggelegd. Verplicht levertraan (en melk) moeten innemen c.q. drinken. Worden aangehouden door de politie. Het saamhorigheids-gevoel dat bij de huisarts ontstaat, wanneer iedereen op een bepaald moment een griepprik komt halen. Over het raden van het uiterlijk van iemand op grond van zijn stem, en er dan vreselijk naast zitten. Over een politieagent die vraagt of je slachtofferhulp wil, een verbouwing in huis. Een tandarts die denkt dat hij lollig is. Een fles wijn na een lezing krijgen, waarvan ‘de boodschap lijkt: “Drink maar snel op, dan ben je gelijk vergeten waar je was”.’ Of – tenslotte – een opmerking krijgen over de donkere kleren die ‘je altijd draagt’.

Allemaal herkenbaar en in recensies vaak omschreven met trefwoorden als ‘melancholiek’, ‘lichte toon’, ‘humoristisch’, ‘loom’, ‘lichtvoetig’, ‘komisch’ en ‘absurd’. Eén woord ben ik echter nog nooit tegengekomen, terwijl Verbogt – van wie onlangs een nieuwe bundel verhalen is verschenen, die vreemd niet genoeg in aanmerking kwam voor de J.M.A. Biesheuvelprijs –, en dat is ‘troost’, terwijl de schrijver zelf eens heeft gezegd dat hij dat ‘het allerliefste doet, troosten, troosten en nog eens troosten’.
De titel van de bundel, die ook de titel is van een van de circa veertig verhalen is, zou je ook kunnen lezen als: Ík weer, en niet zozeer als een aanbeveling van iemand over een boek: ‘Dat boek is echt iets voor jou’ (dat overkwam mij met De Da Vinci Code van Dan Brown en ik vond het niet mooi, wat dat dan ook mag inhouden) of een afkeuring berustend op een vooroordeel: ‘Je houdt vast niet van popmuziek’ (en laat ik dat soms best wél doen).

Moet een verhalenbundel een eenheid vormen?
Dat titelverhaal leidt mij tenslotte naar bovengenoemde vraag: moet de bundel van een schrijver een eenheid vormen? Natuurlijk maakt de stijl van een auteur en zijn manier van kijken (‘melancholiek’ enzovoort) dat dit vanzelf al zo is. Dat die vraag opeens opdoemt, zou wel eens alles te maken kunnen hebben met – denk ik als cultuurwetenschapper dan maar – het feit dat er, zoals Marian Donner in een bespreking van het recente essay Mens/onmens van Bas Heijne (uitg. Prometheus) schreef: ‘Er heerst een gedeeld gevoel van verlies van samenhang. Er is geen gemeenschap meer’. En ze citeert (in De Groene Amsterdammer, 20 februari 2020) Heijne: ‘Vandaar de nieuwe hang naar de groep, de bubble, het houvast van de identiteit, het verlangen naar ondeelbare uniekheid op basis van afkomst, nationaliteit, kleur, geloof, politieke overtuiging. Het verlangen samen te vallen met iets wat groter is dan jezelf, zodat de illusie van een soort van solidariteit en gemeenschap wordt hersteld’.

Misschien is dat het antwoord: de hoop op het feit dat een verhalenbundel een samenhangend geheel vormt, de illusie van een soort solidariteit met de personages die ten tonele worden gevoerd. Het verlangen naar troost wellicht. Niet alleen jij, maar ook ik.
Spannender is het dan ook wellicht om uit te zoeken wat bijvoorbeeld het korte verhaal ‘Razernij’ doet in de bundel De onbetrouwbare verteller (uitg. Prometheus) die Maxim Februari samenstelde met columns die hij de afgelopen jaren schreef en of de thematiek onderling overeenstemt tussen die columns en dat verhaal.

Links naar twee websites die een kenmerkend verhaal uit de nieuwe bundel, Olifant van zeep van Thomas Verbogt bieden (resp.’Wekker’ en ‘Als je de stilte ziet’): https://karakters.nu/podium-lees-het-kortverhaal-wekker-van-thomas-verbogt/
en: https://www.athenaeum.nl/leesfragmenten/2020/als-je-de-stilte-ziet/

 

Een uitgelezen kans

Op twitter vroeg iemand zich onlangs af, waarom er in kranten wel televisieprogramma’s worden gerecenseerd, maar waarom kranten zelf eigenlijk nooit zelf worden besproken. Dat laat ik me als krantenkind (mijn ouders leerden elkaar bij het toenmalige Algemeen Handelsblad kennen) niet twee keer zeggen. Waarbij ik op het geluk heb dat ik momenteel van twee vakantievierders hun krant, NRC Handelsblad, krijg doorgestuurd. Deze lees ik gedurende een paar weken nu naast mijn eigen krant, Trouw. Een uitgelezen kans dus om de editie van afgelopen maandag met elkaar op twee overlappende items te vergelijken en er een toegift aan te plakken.

Analyse
Het eerste, grote artikel in zowel NRC Handelsblad als Trouw, allebei onder de kop ‘Analyse’, betreft de gebeurtenissen in Iran. Over het algemeen doen beide sterk aan elkaar denken. Dat in NRC Handelsblad is geschreven door ‘onze redacteur’ Floris van Straaten, dat in Trouw door Ghassan Dahhan, ‘redactie buitenland’.
Alleen tegen het slot wijken beide van elkaar af. Dahhan citeert kort een reactie van president Trump op twitter. Hij schreef ‘dat hij de demonstranten steunt’ en dat het opmerkelijk was ‘dat het bericht aan de Iraniërs onder meer in het Perzisch was opgesteld’. Van Straaten bezigt soortgelijke woorden, maar is aanmerkelijk minder zakelijk: ‘President Donald Trump en zijn minister van Buitenlandse zaken Mike Pompeo laten intussen niets na om de onrust aan te wakkeren’. Dát zou je van een kwaliteitskrant toch niet zo gauw (mogen) verwachten. Juist liberalen gaan er bovendien van uit, dat de lezer zelf wel zijn/haar conclusie(s) kan trekken.

Necrologie
Uiteraard besteden beide kranten aandacht aan het overlijden van Aart Staartjes. ‘Aartsvader kinder-tv verafschuwde braafheid’ staat er boven de necrologie in Trouw, ‘Opstandig en innemend televisie-icoon’ boven die in NRC Handelsblad. Laatstgenoemde krant wijdt maar liefst een hele pagina aan Aart Staartjes (auteur: Kester Freriks), Trouw driekwart kolom (auteur: Iris Pronk).
Behalve dat NRC Handelsblad daardoor meer plaats in kon ruimen voor een gegeven dat in Trouw geheel ontbreekt, namelijk Staartjes’ ‘indrukwekkende acteurscarrière’, zijn enkele al dan niet vermelde gegevens ook opvallend. NRC Handelsblad vult op een haast Telegraaf-achtige manier bijvoorbeeld details van het verkeersongeluk in Leeuwarden in, Trouw vermeldt dat Staartjes in de jaren 60 begon met Woord voor Woord, ‘waarbij hij bijbelverhalen voor kinderen voorlas’. Het eerste verwacht je wederom níet in een kwaliteitskrant, het tweede wel in Trouw.

Toegift
Hoewel Trouw en NRC Handelsblad hun journalistieke distantie ten opzichte van Iran al dan niet succesvol trachten te bewaren, had ik andere gevoelens bij de televisiebeelden die ik in het Journaal zag. Iraanse jongeren die de straat opgaan en stemmen met hun voeten door niet op de Israëlische- en Amerikaanse vlag te gaan staan maar eromheen te lopen, daar is in een land als het Iran van de ayatollahs moed voor nodig. Om die moed te omschrijven, heb je iets anders dan een nieuwsbericht sec nodig – dat kan in een column of achtergrondartikel. Zo’n column vond ik (toegift!) op afgelopen maandag in de Volkskrant, al werd het onderhavige item van Erdal Balci de volgende dag alweer gewraakt door Wout Woltz, die ik heb leren kennen tijdens vakantiebaantjes bij het Algemeen Handelsblad.
Waarheen de weg leidt die de studenten volgen, is nog niet duidelijk, maar dat ik als lezer moed put uit de jongeren die nu de straat opgaan, moge duidelijk zijn.

Balci verwees naar dit gedicht over de pijn van vrijheid van Paul Eluard: http://www.ekklesiadenhaag.nl/teksten130922.pdf

Tussenpositie

Met veel genoegen leid ik een muziekclubje in een verzorgingshuis. Dit bracht me op het idee om elders, in een huis naast een kerkje (zie foto), iets soortgelijks te willen doen met gedichten. Maar dat bleef bij een idee dat primair werd afgewezen, nog los van praktische consequenties. Het waarom daarvan vormt de aanleiding tot deze blog.

Ik denk dat het niet zo’n goed plan werd gevonden, omdat bij ‘gedichten’ ten onrechte alleen aan moeilijke teksten werd gedacht die bij de beoogde deelnemers niet zouden landen. Hoewel er in dat mooie Zaanse huisje voor een vergadering wel een gedicht wordt gelezen, en na een gezamenlijke maaltijd ook. Daar begint mijn secundair opborrelende verbazing.

In een column van dichteres Ellen Deckwitz (in: NRC Handelsblad, 10 januari jl., dat ik doorgestuurd kreeg van enkele vakantie vierders) lees ik als conclusie: ‘Het is een troost dat Nederland misschien minder bang is voor gedichten dan ik dacht’. Daarbij kun je ook aan de hoge verkoopcijfers en hoge plaats in de Top10 denken van Lévi Weemoedts bundel Pessimisme kun je leren! Maar ook – en dat wil ik hier doen – aan een tussenpositie die gedichten in kunnen nemen tussen het moeilijke dat ze blijkbaar aankleeft en het light verse van een Weemoedt.

De term ‘tussenpositie’ is mij ingegeven door een inleiding over ‘Kunst en het onzegbare’ door dichter/historicus Jan de Bas tijdens een lezing voor Helikon in Utrecht, de middag nadat de column van Ellen Deckwitz verscheen. Al bedoelde hij er wat anders mee, namelijk een positie tussen metafysica en het fysieke in, toch ben ik zo vrij het woord hier te kapen.

Die middag kocht ik voor een prikje een mooie bundeling columns en enkele artikelen van De Bas (overgenomen uit: Chroom, Trouw, Hollands Maandblad en Filosofie Magazine): Artikelen des Gedichts (1997) – een variant op de 12 Artikelen des Geloofs. Wat De Bas doet, is hetzelfde als wat ik had willen doen: mensen enthousiast maken voor gedichten. Ik had bijna geschreven: ‘dichtkunst’, maar dat riekt misschien al weer teveel naar een (te) gedegen bespreking ervan. En dat wilde ik niet, en dat doet De Bas ook niet.

Nee, het gaat me misschien net als ik in een recensie van genoemde bundel die ik las in het literaire tijdschrift Chroom (maart 2002), ‘om poëzie als levenshouding, als middel om leven en geloof op een acceptabele manier aaneen te smeden’. Maar dat niet alleen: ook om leven in deze wereld op een acceptabele manier aaneen te smeden; ook in die zin wil ik een tussenpositie innemen. En tenslotte gaat het ook, net als bij het muziekclubje, om een goed gesprek.

Ik vervolg die weg zelf, want dat is het, dat leerde ik in Utrecht ook van Jan de Bas. En hoop dat er af en toe iemand meeloopt, of dat ik op z’n tijd met anderen mee op kan lopen. Bijvoorbeeld tijdens een leerhuisochtend of –middag van het Leerhuis Amsterdam Tenach & Evangelie (LATE). Dat zou fijn zijn.

Heleen Torringa – Uitspraken beweren niets

Uitspraken beweren niets / Heleen Torringa. – Amsterdam : Uitgeverij SWP, [2018]. – 68 pagina’s :
illustraties ; 22 cm ISBN 978-90-885081-7-2

In deze ruim twintig columns toont de schrijfster dat ze is geïnspireerd door het denken van de filosofe Hannah Arendt. Het overkoepelende thema is oordeelsvorming, dat wil zeggen kritisch denken en filosofische reflectie, hetgeen verder gaat dan denkfoutenanalyse. De auteur, docente van Avans Hogeschool in Noord-Brabant, promoveerde op dit thema. Zij beschouwt goed redeneren als een instrument om het resultaat van kritisch denken, een beargumenteerd standpunt, te kunnen beoordelen. Zij doet dit aan de hand van verschillende boeken van zowel filosofen als schrijvers, zodat telkens een ander accent op het thema valt. Bijvoorbeeld op vooroordelen, intuïties, dankbaarheid, vergeving, generositeit en tolerantie. Logische denkfouten kunnen levens verwoesten, en ze verwijst daarbij naar de rechtsgang rond Lucia de Berk. Daarmee laat ze zien dat logisch denken er in de dagelijkse praktijk toe doet. Goed logisch denken kan ook – kan hieraan worden toegevoegd – rehabiliteren, zoals blijkt uit de boeken over gerechtelijke dwalingen van Ton Derksen.

Cop. NBD Biblion. Mag zonder schriftelijke toestemming niet worden overgenomen.
[Vette zinsneden zijn aanpassing/aanvulling op verzoek van de auteur van het boek, 25-8-2018].